Spreuken
Inleiding 1-5 Sta nooit borg 6-11 De luiaard 12-15 Een verdorven mens 16-19 Wat de HEERE haat 20-24 Wat bewaart voor een slechte vrouw 25-29 Neem geen vuur in je boezem 30-35 Er is geen losgeld voor overspel
Inleiding

De verzen 1-191Mijn zoon, als je borg staat voor je naaste,
[en] je [iets] met handslag aan een vreemde bevestigt,
2ben je verstrikt in de woorden van je [eigen] mond,
ben je in de woorden van je [eigen] mond gevangen.
3Doe dan dit, mijn zoon, en red je,
want je bent in de greep van je naaste gekomen,
ga, onderwerp je en dring bij je naaste aan.
4Geef je ogen geen slaap,
en je oogleden geen sluimer.
5Red je als een gazelle uit de hand [van de jager],
en als een vogel uit de hand van de vogelvanger.6Ga naar de mier, luiaard,
zie zijn wegen en word wijs.
7Hoewel hij geen aanvoerder heeft,
[geen] leidinggevende of heerser,
8maakt hij zijn eten gereed in de zomer,
verzamelt hij zijn voedsel in de oogst[tijd].
9Hoelang, luiaard, blijft u liggen?
Wanneer staat u op uit uw slaap?
10Een beetje slapen, een beetje sluimeren,
een beetje liggen met gevouwen handen!
11Zo komt uw armoede [over u] als een wandelaar
en uw gebrek als een gewapend man.12Een verdorven mens, een man van onrecht,
gaat rond met valsheid van mond,
13knipoogt [heimelijk], geeft een teken met zijn voeten
en wijst met zijn vingers.
14In zijn hart zijn verderfelijke dingen, hij smeedt te allen tijde kwaad
en hij brengt twisten teweeg.
15Daarom zal plotseling zijn ondergang komen,
opeens zal hij gebroken worden, zonder dat er genezing [voor] is.16Deze zes haat de HEERE,
ja, zeven zijn een gruwel voor Zijn ziel:
17hoogmoedige ogen, een valse tong
en handen die onschuldig bloed vergieten,
18een hart dat zondige plannen smeedt,
voeten die zich haasten om naar het kwade te rennen,
19een valse getuige [die] leugens blaast,
en die tussen broeders twisten teweegbrengt.
van dit hoofdstuk vormen een onderbreking in het betoog van de vader tot zijn zoon over de vreemde vrouw. Toch staan de onderwerpen die hij in deze verzen aansnijdt ermee in verband: het gaat over zonden die evenals overspel tot diepe armoede leiden (Sp 5:9-119opdat je je waardigheid niet aan anderen geeft
en je jaren aan een meedogenloze,
10opdat vreemden zich niet verzadigen met jouw kracht,
en je zwoegen [ten goede komt] aan het huis van een onbekende,
11zodat je uiteindelijk kermt,
als het gedaan is met je vlees en je lichaam,
)
.


Sta nooit borg

1Mijn zoon, als je borg staat voor je naaste,
[en] je [iets] met handslag aan een vreemde bevestigt,
2ben je verstrikt in de woorden van je [eigen] mond,
ben je in de woorden van je [eigen] mond gevangen.
3Doe dan dit, mijn zoon, en red je,
want je bent in de greep van je naaste gekomen,
ga, onderwerp je en dring bij je naaste aan.
4Geef je ogen geen slaap,
en je oogleden geen sluimer.
5Red je als een gazelle uit de hand [van de jager],
en als een vogel uit de hand van de vogelvanger.

Een goede vader heeft ook zorg over de financiële positie van zijn zoon. Daarover spreekt hij in de verzen 1-51Mijn zoon, als je borg staat voor je naaste,
[en] je [iets] met handslag aan een vreemde bevestigt,
2ben je verstrikt in de woorden van je [eigen] mond,
ben je in de woorden van je [eigen] mond gevangen.
3Doe dan dit, mijn zoon, en red je,
want je bent in de greep van je naaste gekomen,
ga, onderwerp je en dring bij je naaste aan.
4Geef je ogen geen slaap,
en je oogleden geen sluimer.
5Red je als een gazelle uit de hand [van de jager],
en als een vogel uit de hand van de vogelvanger.
, waarin hij speciaal waarschuwt voor het borg staan voor iemand (vers 11Mijn zoon, als je borg staat voor je naaste,
[en] je [iets] met handslag aan een vreemde bevestigt,
)
. De zoon is naïef als hij borg wordt en dat “met handslag … bevestigt”. De vader is niet zo naïef dat hij zijn zoon daartoe niet in staat acht. Hij gaat ervan uit dat zijn zoon zich kan laten verleiden om borg te staan.

Niemand is verplicht borg te staan. Borg staan voor een ander is iets heel anders dan de gebruikelijke en toegestane manier van hulp verlenen door geld te lenen aan iemand die in financiële nood is (Mt 5:4242Geef aan hem die van u vraagt, en keer u niet af van hem die van u wil lenen.). Borg staan betekent dat hij ervoor tekent – wat hier symbolisch gebeurt door de bevestiging met “handslag” – dat hij de verantwoordelijkheid op zich neemt om de schuld van een ander te voldoen als deze in gebreke blijft om te betalen. Daarvoor stelt hij zich garant.

Het is wijsheid om een dergelijke verantwoordelijkheid niet op zich te nemen. Voor dit gevaar wordt vaker in Spreuken gewaarschuwd (Sp 11:1515Wie borg is voor een vreemde, zal het beslist slecht vergaan,
maar wie handslag haat, leeft veilig.
; 17:1818Een mens zonder verstand bevestigt [iets] met handslag
[en] stelt zich borg voor zijn naaste.
; 22:2626Wees niet onder hen die handslag geven,
onder hen die voor schulden borg staan.
)
. Het is een verkeerd gebruik van het geld waarover God de beschikking heeft gegeven om dat voor Hem te gebruiken.

Wie een ander zover krijgt om borg voor hem te staan, heeft die ander in diens woorden verstrikt en hem tot een gevangene van die woorden gemaakt (vers 22ben je verstrikt in de woorden van je [eigen] mond,
ben je in de woorden van je [eigen] mond gevangen.
)
. Het is dom om borg te worden, want dan ben je door eigen toedoen een slaaf van een ander geworden. De persoon voor wie je borg bent geworden, zal jouw borg misbruiken. De goedgelovigheid en misplaatste vrijgevigheid kunnen tot gevolg hebben dat de zoon levenslang slaaf is van degene voor wie hij borg is geworden.

Wie borg staat, is “in de greep” van zijn naaste gekomen (vers 33Doe dan dit, mijn zoon, en red je,
want je bent in de greep van je naaste gekomen,
ga, onderwerp je en dring bij je naaste aan.
)
. Daarom klinkt het dringende advies van de vader zich daarvan tegen elke prijs te bevrijden. Hoe dringend het is, klinkt door in het nog eens expliciet aanspreken van zijn zoon als “mijn zoon”. Hij moet ervoor zorgen dat hij onmiddellijk uit de greep van de persoon vrijkomt voor wie hij borg is geworden. Hij moet zich eruit redden, want anders komt hij om. Zo dodelijk is het gevaar.

Dat zal betekenen dat hij er alles aan doet dat de ander zijn verplichtingen nakomt. Hij moet naar de naaste toegaan voor wie hij borg is geworden. Het kan betekenen dat hij zich voor hem moet vernederen. Maar alles is beter dan omkomen. Laat hij zijn trots inslikken en laat de ander hem maar vertrappen, als hij zich maar bevrijdt uit de greep van zijn naaste. Hij moet zijn nachtrust ervoor opofferen (vers 44Geef je ogen geen slaap,
en je oogleden geen sluimer.
; vgl. Ps 132:4-54ik gun mijn ogen geen slaap,
mijn oogleden geen sluimer,
5totdat ik voor de HEERE een plaats gevonden heb,
een woning voor de Machtige Jakobs!
)
, want uitstel is fataal. Daarom moet hij het doen met de snelheid van een gazelle die vlucht voor de jager en van een vogel die uit de hand van de vogelvanger wil blijven (vers 55Red je als een gazelle uit de hand [van de jager],
en als een vogel uit de hand van de vogelvanger.
)
. Die dieren zien het gevaar en verliezen geen tijd om uit de gevarenzone te komen.

Er is één goede borg en dat is God Zelf (Ps 119:122122Wees borg voor het welzijn van Uw dienaar;
laat de hoogmoedigen mij niet onderdrukken.
; Jb 17:33Stel U toch borg voor mij bij U;
wie zal er [anders] zijn die [het] met handslag bevestigt?
)
. De Heer Jezus is Borg van het nieuwe verbond (Hb 7:2222in zover is Jezus <ook> Borg geworden van een beter verbond.). Hij is de vervulling daarvan. Wij konden de voorwaarden niet vervullen. De Heer kon het, Hij nam de voorwaarden op Zich en voldeed eraan. Hij heeft onze verplichtingen op Zich genomen, waardoor wij aan de zegeningen van het nieuwe verbond deelhebben. [Voor de betekenis van het nieuwe verbond zie het commentaar op de brief aan de Hebreeën.]


De luiaard

6Ga naar de mier, luiaard,
zie zijn wegen en word wijs.
7Hoewel hij geen aanvoerder heeft,
[geen] leidinggevende of heerser,
8maakt hij zijn eten gereed in de zomer,
verzamelt hij zijn voedsel in de oogst[tijd].
9Hoelang, luiaard, blijft u liggen?
Wanneer staat u op uit uw slaap?
10Een beetje slapen, een beetje sluimeren,
een beetje liggen met gevouwen handen!
11Zo komt uw armoede [over u] als een wandelaar
en uw gebrek als een gewapend man.

Luiheid (verzen 6-116Ga naar de mier, luiaard,
zie zijn wegen en word wijs.
7Hoewel hij geen aanvoerder heeft,
[geen] leidinggevende of heerser,
8maakt hij zijn eten gereed in de zomer,
verzamelt hij zijn voedsel in de oogst[tijd].
9Hoelang, luiaard, blijft u liggen?
Wanneer staat u op uit uw slaap?
10Een beetje slapen, een beetje sluimeren,
een beetje liggen met gevouwen handen!
11Zo komt uw armoede [over u] als een wandelaar
en uw gebrek als een gewapend man.
)
is evenals borg staan (verzen 1-51Mijn zoon, als je borg staat voor je naaste,
[en] je [iets] met handslag aan een vreemde bevestigt,
2ben je verstrikt in de woorden van je [eigen] mond,
ben je in de woorden van je [eigen] mond gevangen.
3Doe dan dit, mijn zoon, en red je,
want je bent in de greep van je naaste gekomen,
ga, onderwerp je en dring bij je naaste aan.
4Geef je ogen geen slaap,
en je oogleden geen sluimer.
5Red je als een gazelle uit de hand [van de jager],
en als een vogel uit de hand van de vogelvanger.
)
een weg tot armoede (Sp 24:30-3430Ik ging langs de akker van een luiaard,
ja, langs de wijngaard van een mens zonder verstand.
31En zie, hij was helemaal vol gegroeid met netels,
distels bedekten zijn oppervlak,
en zijn stenen muur was afgebroken.
32Toen ik het zelf aanschouwde, nam ik het ter harte,
ik zag het [en] nam vermaning aan:
33een beetje slapen, een beetje sluimeren,
een beetje liggen met gevouwen handen,
34zo komt uw armoede [over u als] een wandelaar
en uw gebrek als een gewapend man.
)
. Borg staan heeft onnodig geldverlies tot gevolg; luiheid levert helemaal geen geld op. De vader waarschuwt de zoon er indringend voor. Het lijkt erop dat hij op een bepaald moment zag dat zijn zoon lui was. Daarom roept hij hem op naar “de mier” te gaan, dat wil zeggen dat zijn zoon eens goed naar dat diertje moet kijken (vers 66Ga naar de mier, luiaard,
zie zijn wegen en word wijs.
)
. Evenals hij van de gazelle en de vogel in vers 55Red je als een gazelle uit de hand [van de jager],
en als een vogel uit de hand van de vogelvanger.
kan leren, kan hij van de mier leren (Jb 12:77Maar vraag toch de dieren, en zij zullen je onderwijzen,
de vogels in de lucht, en zij zullen het je bekendmaken.
)
. Laat hij eens zien hoe zijn wegen zijn, hoe hij bezig is, wat zijn gewoonten zijn. Daardoor zal hij wijs kunnen worden.

De mieren hebben geen stimulans, geen stok achter de deur, nodig om te werken. Er is geen “aanvoerder” die hen in hun werk voorgaat en die ze kunnen volgen om te zien hoe hij het doet (vers 77Hoewel hij geen aanvoerder heeft,
[geen] leidinggevende of heerser,
)
. Ze hebben ook geen “leidinggevende” die op hen let en hen corrigeert. Een “heerser” waaraan zij gehoorzaam moeten zijn, is er ook niet. Mensen hebben daarentegen ‘het oog van de meester’ nodig, want anders lopen ze de kantjes ervan af. Maar mieren werken zonder enige aansporing ijverig en goed samen en verzetten veel werk zonder dat iemand hen daartoe aanzet. Er is ook geen mier die niets doet.

Het gaat in het voorbeeld van de mier speciaal om de ijver waarmee hij werkt. Daarbij komt ook dat hij werkt voor de toekomst. Hij maakt op de geschikte tijd, dat is “in de oogst[tijd]” (vers 88maakt hij zijn eten gereed in de zomer,
verzamelt hij zijn voedsel in de oogst[tijd].
)
, in de zomer, als het nog warm is, eten gereed en “verzamelt” voedsel als er veel voedsel te verzamelen is. Daardoor heeft hij voedsel in voorraad voor de tijd dat het koud is en hij nergens voedsel kan vinden. Jozef is een voorbeeld van iemand die zo heeft gehandeld (Gn 41:28-36,46-49,53-5728Dit is het woord dat ik [zojuist] tot de farao gesproken heb: God heeft aan de farao laten zien wat Hij gaat doen.29Zie, de komende zeven jaren zal er in heel het land Egypte een grote overvloed zijn.30Maar daarna zullen er zeven jaren van hongersnood aanbreken; dan zal al die overvloed in het land Egypte vergeten zijn, en de honger zal het land verwoesten.31Ook zal er niets [meer] van de overvloed te merken zijn in het land, vanwege de honger die daarna zal komen, want die zal zeer zwaar zijn.32Dat de farao deze droom twee keer gekregen heeft, is omdat de zaak bij God vaststaat en God Zich haast om haar uit te voeren.33Nu dan, laat de farao naar een verstandige en wijze man uitzien en die over het land Egypte aanstellen.34Laat de farao [het volgende] doen: Laat hij opzichters over het land aanstellen en tijdens de zeven jaren van overvloed het vijfde deel van [de opbrengst van] het land Egypte opeisen.35Laten zij alle voedsel van de komende goede jaren bijeenbrengen en op last van de farao [het] koren opslaan, als voedsel in de steden, en dat bewaren.36Dan zal dat voedsel als voorraad dienen voor het land in de zeven jaren van honger die in het land Egypte zullen komen, zodat het land niet van honger omkomt.46En Jozef was dertig jaar oud, toen hij bij de farao, de koning van Egypte, in dienst trad. Toen ging Jozef bij de farao weg en trok heel het land Egypte door.47Het land bracht in de zeven jaren van overvloed bij handen vol op,48en hij bracht al het voedsel van de zeven jaren dat in het land Egypte was, bijeen en sloeg het voedsel op in de steden; het voedsel van de akkers van elke stad, die eromheen lagen, sloeg hij binnen die [stad] op.49Jozef sloeg koren op als het zand van de zee, zeer veel, totdat men ophield met tellen, want er was geen tellen [meer] aan.53Toen eindigden de zeven jaren van overvloed die er in het land Egypte geweest waren,54en begonnen de zeven jaren van hongersnood te komen, zoals Jozef gezegd had. Er was honger in alle landen, maar in heel het land Egypte was brood.55Toen ook heel het land Egypte honger kreeg, schreeuwde het volk bij de farao om brood, en de farao zei tegen alle Egyptenaren: Ga naar Jozef [en] doe wat hij u zegt.56Toen er honger in heel het land was, opende Jozef alle [korenschuren] en verkocht koren aan de Egyptenaren, want de honger werd sterk in het land Egypte.57[Uit] alle landen kwamen [ze] in Egypte bij Jozef koren kopen, want de honger was in alle landen sterk.).

Na de les van de mier komt in vers 99Hoelang, luiaard, blijft u liggen?
Wanneer staat u op uit uw slaap?
de toepassing. De vader roept zijn zoon tot de orde door hem bestraffend met zijn luiheid te confronteren. Die jongen ligt maar te liggen. Hij verzaakt zijn plicht, want hij behoort aan het werk te zijn. Het enige waarmee hij bezig is, is zijn rust. Dat alleen telt. Aan de toekomst denkt hij niet, daarover bekommert hij zich niet.

Hoelang zal hij nog zo inactief blijven? Je weet van een echte luiaard nooit wanneer hij uit zijn slaap opstaat. Als je denkt dat hij wakker wordt, draait hij zich toch weer om. Wat is het toch heerlijk, zo horen we de luiaard mompelen, om “een beetje” te slapen en te sluimeren en te liggen met gevouwen handen (vers 1010Een beetje slapen, een beetje sluimeren,
een beetje liggen met gevouwen handen!
)
.

Er is een toename in onwilligheid om op te staan en aan het werk te gaan. Als “een beetje slapen” niet meer lukt, dan is “een beetje sluimeren” toch zo heerlijk. En als dat niet meer lukt en je bent helemaal wakker, dan is “een beetje liggen met gevouwen handen” achter je hoofd of op je borst toch ook zo lekker. Wie weet, als ze je met rust laten, kun je toch weer ‘een beetje gaan sluimeren’ en misschien lukt het zelfs wel om weer ‘een beetje te gaan slapen’.

Al deze ‘beetjes’ leveren wel veel op, namelijk veel armoede. De handen zijn niet gevouwen om te bidden, maar maken duidelijk dat hij niet van plan is ze uit de mouwen te steken en ze te gebruiken (Pr 4:55De dwaas vouwt zijn handen samen en eet zijn eigen vlees.). Hij wil zijn handen niet laten wapperen.

We verontschuldigen of vergoelijken een verkeerde daad of een verkeerde leefwijze vaak door te zeggen dat het maar om “een beetje” gaat. Moet je over zo’n kleinigheidje vallen? Wat doen die paar minuten te laat komen er nu toe, die paar centen die te veel zijn gerekend, dat kleine leugentje? Maar er is voor God niet zoiets als ‘een kleine’ afwijking van de weg van gehoorzaamheid. Ongehoorzaamheid is ongehoorzaamheid.

De zoon moet wel beseffen dat er door zijn luiheid “armoede” over hem komt “als een wandelaar” (vers 1111Zo komt uw armoede [over u] als een wandelaar
en uw gebrek als een gewapend man.
)
. Een wandelaar heeft geen haast, maar gaat wel gestaag door naar zijn doel. Die armoede veroorzaakt “gebrek” dat over hem komt “als een gewapend man”. Een gewapend man is een bandiet die erop uit is zich meester van hem te maken.

Elke generatie moet deze woorden over de luiaard opnieuw horen. Dat geldt zeker voor de huidige generatie. Steeds meer jongeren zakken weg in doelloosheid, hangen en niets doen. Luiheid wordt een gewoonte. We zien het in de maatschappij, maar we zien het ook in het koninkrijk van God. Er zijn luie christenen. Elke vrije avond is voor henzelf. Ze vinden dat ze er recht op hebben om eens lekker lui te zijn en lekker niets te doen. De Heer Jezus zegt tegen een slaaf aan wie Hij ook wat te doen had gegeven, maar die niet voor Hem aan het werk is gegaan, dat hij een “boze en luie” slaaf is (Mt 25:2626Zijn heer antwoordde echter en zei tot hem: Boze en luie slaaf! Je wist dat ik maai waar ik niet heb gezaaid, en inzamel vanwaar ik niet heb uitgestrooid?). Er is genoeg werk in het koninkrijk van God. Hiervoor zullen we oog hebben als we met God leven.


Een verdorven mens

12Een verdorven mens, een man van onrecht,
gaat rond met valsheid van mond,
13knipoogt [heimelijk], geeft een teken met zijn voeten
en wijst met zijn vingers.
14In zijn hart zijn verderfelijke dingen, hij smeedt te allen tijde kwaad
en hij brengt twisten teweeg.
15Daarom zal plotseling zijn ondergang komen,
opeens zal hij gebroken worden, zonder dat er genezing [voor] is.

Het derde gevaar (na borg staan en luiheid) waarvoor de vader zijn zoon waarschuwt, is “een verdorven mens, een man van onrecht” (vers 1212Een verdorven mens, een man van onrecht,
gaat rond met valsheid van mond,
)
. Het is een Belialsmens, zoals het ook vertaald kan worden, dat is een boos en tegelijk nietswaardig, nutteloos mens. Belial is een eigennaam voor de satan (2Ko 6:1515En welke overeenstemming heeft Christus met Belial? En welk deel heeft een gelovige met een ongelovige?). Een Belialsmens is een zoon van de duivel. Hij is verbonden aan luiheid en boosheid en is in de macht van de duivel. Hij is een man van onrecht, dat is zijn leefstijl. Uit de mond van zo iemand kan alleen valsheid komen. Hij is een professionele bedrieger.

Behalve de verdorven taal die uit zijn mond komt, spreekt hij ook een duistere lichaamstaal (vers 1313knipoogt [heimelijk], geeft een teken met zijn voeten
en wijst met zijn vingers.
)
. Dat blijkt uit wat hij doet met zijn ogen, zijn voeten en zijn vingers. Stiekem knipogen doe je naar iemand met wie je een complot smeedt om iemand anders ertussen te nemen. Het gaat hier echter niet om een onschuldig grapje, maar om iemand te benadelen en pijn te doen (Sp 10:1010Wie [heimelijk] knipoogt, richt leed aan,
en wie dwaas van lippen is, komt ten val.
; Ps 35:1919Laat over mij zich niet verblijden
wie om valse redenen mijn vijand zijn,
en laat niet [heimelijk] knipogen
 wie mij zonder reden haten.
)
. Hetzelfde geldt voor het geven van “een teken met zijn voeten”. Hij kan zijn metgezel in het kwaad onder de tafel met zijn voeten aanstoten om iets wel of niet te zeggen. Ook door een gebaar “met zijn vingers” kan hij een signaal geven. Zijn blik en gebaren zijn insinuerend en erop gericht iemand te misleiden.

Het is de geheimtaal van de duisternis die alleen wordt begrepen door de ingewijden. Het is de taal van de mens van de zonde, de antichrist, die het prototype is van “een verdorven mens, een man van onrecht”. De antichrist is “de mens van de zonde … de zoon van het verderf”, die zich bedient van “allerlei bedrog van [de] ongerechtigheid” (2Th 2:3,103Laat niet iemand u op enigerlei wijze bedriegen, want [die komt niet] als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf,10en met allerlei bedrog van [de] ongerechtigheid voor hen die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet hebben aangenomen om behouden te worden.). Deze mens is door en door verdorven.

Het hart van de verdorven mens, het centrum van zijn wezen, is een smederij van het kwaad (vers 1414In zijn hart zijn verderfelijke dingen, hij smeedt te allen tijde kwaad
en hij brengt twisten teweeg.
; Mt 15:1919Want uit het hart komen voort boze overleggingen, moorden, overspel, hoererijen, diefstallen, valse getuigenissen, lasteringen.)
. Hij is voortdurend bezig plannen te beramen en middelen te bedenken om angst en ellende onder de mensen te zaaien. Hij is “vol van alle bedrog en alle schurkerij”, een “zoon van de duivel” en een “vijand van alle gerechtigheid” (Hd 13:1010O jij, vol van alle bedrog en alle schurkerij, zoon van [de] duivel, vijand van alle gerechtigheid, zul je niet ophouden de rechte wegen van <de> Heer te verdraaien?). Wat er uit zijn hart naar buiten komt, “brengt twisten teweeg” (vgl. vers 19b19een valse getuige [die] leugens blaast,
en die tussen broeders twisten teweegbrengt.
)
in de meest intieme relaties. “Twisten” zijn de boodschappers die hij uitstuurt. Waar twist wordt gevonden, is hij aanwezig en aan het werk. Twist, ruzie, is het tegenovergestelde van de harmonie en de eensgezindheid die er onder de gelovigen behoren te zijn.

Deze onruststoker en twistveroorzaker, die op de val van anderen uit is, zal plotseling, zonder voorafgaande waarschuwing, door het verderf worden overvallen (vers 1515Daarom zal plotseling zijn ondergang komen,
opeens zal hij gebroken worden, zonder dat er genezing [voor] is.
)
. Zo zal de antichrist plotseling door het oordeel van Christus worden getroffen, evenals allen die hem volgen (1Th 5:33Wanneer zij zullen zeggen: Vrede en veiligheid, dan zal een plotseling verderf over hen komen zoals de barensnood over een zwangere, en zij zullen geenszins ontkomen.). Hij zal totaal geruïneerd worden, waarbij een kans op herstel uitgesloten is (vgl. 2Kr 36:1616Maar zij spotten met de boden van God, verachtten Zijn woorden en maakten Zijn profeten belachelijk, tot de grimmigheid van de HEERE tegen Zijn volk [zo hoog] opsteeg dat er geen genezing [meer mogelijk] was.; Sp 29:11Wie na bestraffingen halsstarrig is,
zal opeens gebroken worden, en er zal geen genezing [meer] zijn.
; Jr 19:1111en tegen hen zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Zo zal Ik dit volk en deze stad stukbreken, zoals men een pot van een pottenbakker stukbreekt, zodat die niet meer hersteld kan worden. Men zal hen in Tofet begraven, omdat er geen [andere] plaats om te begraven is.)
.


Wat de HEERE haat

16Deze zes haat de HEERE,
ja, zeven zijn een gruwel voor Zijn ziel:
17hoogmoedige ogen, een valse tong
en handen die onschuldig bloed vergieten,
18een hart dat zondige plannen smeedt,
voeten die zich haasten om naar het kwade te rennen,
19een valse getuige [die] leugens blaast,
en die tussen broeders twisten teweegbrengt.

Deze verzen sluiten aan op de vorige verzen over de verdorven mens en vooral op vers 1414In zijn hart zijn verderfelijke dingen, hij smeedt te allen tijde kwaad
en hij brengt twisten teweeg.
. Om enkele ondeugden van die mens aan zijn zoon voor te houden gebruikt de vader voor zijn onderwijs de vorm van een getalsspreuk, “zes … ja, zeven” (vers 1616Deze zes haat de HEERE,
ja, zeven zijn een gruwel voor Zijn ziel:
; Sp 30:15,18,21,24,2915De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, Geef.
Deze drie dingen worden niet verzadigd,
vier zeggen niet: Het is genoeg.
18Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk,
ja, vier zijn er die ik niet kan vatten:
21Onder drie dingen siddert de aarde,
ja, onder vier [die] ze niet kan dragen:
24Deze vier zijn het kleinst op aarde,
maar wijs zijn ze, wijs gemaakt:
29Deze drie hebben een voorname tred,
ja, vier hebben een statige gang:
; Jb 5:1919In zes benauwdheden zal Hij je redden,
en in zeven zal het kwaad je niet treffen.
; Pr 11:22Verdeel het in zevenen
of zelfs in achten,
want u weet niet
welk kwaad er over de aarde komen zal.
; Am 1:6,9,136Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Gaza,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij [Mijn volk] volkomen in ballingschap gevoerd hebben
om hen uit te leveren aan Edom.
9Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Tyrus,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij [Mijn volk] volledig als ballingen hebben uitgeleverd aan Edom,
en zij niet aan het verbond met [hun] broeders gedacht hebben.
13Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van de Ammonieten,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij de zwangere [vrouwen] van Gilead opengereten hebben
om [zo] hun gebied te verruimen.
; 2:1,4,61Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Moab,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat hij de beenderen van de koning van Edom
tot kalk verbrand heeft.
4Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Juda,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij de wet van de HEERE verworpen hebben,
Zijn verordeningen niet in acht genomen hebben,
en hun leugengoden hen hebben misleid,
de goden die hun vaderen naliepen.
6Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Israël,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen
en de arme voor een paar schoenen.
, Mi 5:55Zij zullen het land van Assur weiden met het zwaard,
het land van Nimrod met getrokken zwaarden.
Zo zal Hij [ons] redden van Assur,
wanneer die in ons land zal komen
en wanneer die ons gebied zal betreden.
)
. Dat betekent dat de ondeugden die hij noemt, geen uitputtende opsomming ervan is. Seksuele zonden en stelen worden bijvoorbeeld niet genoemd. Wat de HEERE “haat”, wat “een gruwel voor Zijn ziel” is, zijn dingen die totaal vreemd zijn aan Wie Hij is.

De zeven dingen die de HEERE haat, en die wij dus ook moeten haten, zijn specifieke persoonlijke houdingen en gedragingen.
1. “Hoogmoedige ogen” (vers 1717hoogmoedige ogen, een valse tong
en handen die onschuldig bloed vergieten,
)
zijn ogen met een trotse blik die arrogante ambitie verraadt. Het is een “hooghartige oogopslag” (Js 10:12-1412Het zal gebeuren, zodra de Heere heel Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem voltooid heeft, dat Ik de vrucht van de trots van de koning van Assyrië en de glans van zijn hooghartige oogopslag zal vergelden.
13Want hij zegt:
Door de kracht van mijn hand heb ik [dit] gedaan,
en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig.
Ik heb de grenzen tussen de volken weggenomen,
hun voorraden uitgeplunderd,
en als een machtige de [hoog]gezetenen neergehaald.
14Mijn hand vond, als was het een vogelnest,
het vermogen van de volken.
En zoals men verlaten eieren bijeenraapt,
raapte ík de hele wereld bijeen.
Niemand was er die [zijn] vleugel verroerde,
die [zijn] snavel opende of die [ook maar] piepte.
)
.
2. “Een valse tong” is een misleidende tong, een tong die woorden spreekt waardoor bij de luisteraar een verkeerde indruk wordt gewekt, waardoor hij op het verkeerde been wordt gezet. Dit zien we bij de valse profeten, die Gods volk misleiden (Jr 14:1414De HEERE zei tegen mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam. Ik heb hen niet gezonden, Ik heb hun geen opdracht gegeven en Ik heb niet tot hen gesproken. Zij profeteren u een leugenvisioen, waarzeggerij, holle praat en bedrog van hun [eigen] hart.). Het wordt ook gezegd van de goddeloze verrader Judas (Ps 109:22Want de mond van de goddeloze
en de mond van bedrog zijn tegen mij geopend,
met valse tong hebben zij met mij gesproken.
; Hd 1:20b20Want er staat geschreven in [het] boek van [de] Psalmen: ‘Laat zijn woonplaats woest worden en laat er niemand zijn die daarin woont’, en: ‘Laat een ander zijn opzienerschap nemen’.)
. Een valse tong veroorzaakt verwondingen (Sp 26:2828Een valse tong haat hen die hij kwetst,
en een gladde mond brengt verderf.
)
, maar hij zal een keer verstommen (Sp 12:1919Een waarachtige lip houdt voor eeuwig stand,
maar een valse tong [slechts] voor een ogenblik.
)
.
3. “Handen die onschuldig bloed vergieten”, zijn moordenaarshanden die een onschuldige hebben omgebracht. Koning Manasse “vergoot … heel veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem [daarmee] vervuld had” (2Kn 21:1616Bovendien vergoot Manasse heel veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem [daarmee] vervuld had, van het ene einde tot het andere einde, afgezien van zijn [andere] zonde, waarmee hij Juda deed zondigen, door te doen wat slecht was in de ogen van de HEERE.; 24:3-43Ja, naar het bevel van de HEERE gebeurde dit in Juda, om hen van voor Zijn aangezicht weg te doen vanwege de zonden van Manasse, vanwege alles wat hij gedaan had,4en ook [vanwege] het onschuldig bloed dat hij vergoten had – hij had Jeruzalem met onschuldig bloed gevuld. Daarom wilde de HEERE geen vergeving schenken.).
In de kenmerken 1-3 – trots, leugen en moord – zien we de hoofdzonden van de satan die in hoogmoed viel en daardoor “een mensenmoordenaar van [het] begin af” en “een leugenaar” is (Jh 8:4444U bent uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van [het] begin af en staat niet in de waarheid, omdat geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan.).
4. Een hart dat zondige plannen smeedt” (vers 1818een hart dat zondige plannen smeedt,
voeten die zich haasten om naar het kwade te rennen,
)
, is een volgende gruwel voor God. In het hart vinden de overleggingen plaats. Andere mensen zien die niet, maar God wel. Hij gruwt ervan wanneer mensen in hun hart zonden bedenken.
5. Voeten die zich haasten om naar het kwade te rennen” (Js 59:77Hun voeten snellen naar het kwaad,
zij haasten zich om onschuldig bloed te vergieten.
Hun gedachten zijn zondige gedachten,
verwoesting en ondergang [zijn] op hun gebaande wegen.
; Rm 3:1515‘hun voeten zijn snel om bloed te vergieten;)
, getuigen van een duister enthousiasme en een duivelse snelheid om het beraamde kwaad uit te voeren en bij anderen leed te veroorzaken.
6. “Een valse getuige [die] leugens blaast” (vers 1919een valse getuige [die] leugens blaast,
en die tussen broeders twisten teweegbrengt.
)
, kunnen we verbinden met de eerder genoemde valse tong (zie 2.). Er worden nu geen lichaamsdelen meer gebruikt om personen mee aan te duiden, maar het betreft de hele persoon. Hier gaat het om overtreding van het negende gebod: “U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste” (Ex 20:1616U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.).
7. “Die tussen broeders twisten teweegbrengt”, is een algemene beschrijving van iemand die verdeeldheid en ruzie veroorzaakt en aanwakkert (vgl. Rm 16:17-1817En ik vermaan u, broeders, geeft acht op hen die tweedracht en aanleidingen tot vallen verwekken tegen de leer die u geleerd hebt, en onttrekt u aan hen.18Want zulke [mensen] dienen niet onze Heer Christus, maar hun eigen buik; en door vleitaal en lofspraak bedriegen zij de harten van de argelozen.). Mogelijk is dit een dieptepunt in de dingen die de HEERE haat. Het zevende punt wordt speciaal benadrukt (“ja, zeven”). Het is het resultaat van het voorgaande. De zes voorgaande gruwelen lopen hierop uit.

De tegenhangers van deze zeven hatelijke gruwelen zijn (1) nederigheid, (2) het spreken van waarheid, (3) het behoud van het leven, (4) zuivere gedachten, (5) ijverig zijn om goede dingen te doen, (6) eerlijke getuigen en (7) vreedzame harmonie.


Wat bewaart voor een slechte vrouw

20Mijn zoon, neem het gebod van je vader in acht
en veronachtzaam het onderricht van je moeder niet.
21Bind ze voortdurend op je hart,
hang ze om je hals.
22Als je [op weg] gaat, zal het je leiden,
als je neerligt, over je waken,
als je ontwaakt, zal dat tot je spreken.
23Want een gebod is een lamp, en onderricht is een licht,
bestraffingen [en] vermaning zijn de weg van het leven,
24om je te bewaren voor een slechte vrouw,
voor het gevlei van de tong van een onbekende.

Na het onderwijs over verschillende onderwerpen in de verzen 1-191Mijn zoon, als je borg staat voor je naaste,
[en] je [iets] met handslag aan een vreemde bevestigt,
2ben je verstrikt in de woorden van je [eigen] mond,
ben je in de woorden van je [eigen] mond gevangen.
3Doe dan dit, mijn zoon, en red je,
want je bent in de greep van je naaste gekomen,
ga, onderwerp je en dring bij je naaste aan.
4Geef je ogen geen slaap,
en je oogleden geen sluimer.
5Red je als een gazelle uit de hand [van de jager],
en als een vogel uit de hand van de vogelvanger.6Ga naar de mier, luiaard,
zie zijn wegen en word wijs.
7Hoewel hij geen aanvoerder heeft,
[geen] leidinggevende of heerser,
8maakt hij zijn eten gereed in de zomer,
verzamelt hij zijn voedsel in de oogst[tijd].
9Hoelang, luiaard, blijft u liggen?
Wanneer staat u op uit uw slaap?
10Een beetje slapen, een beetje sluimeren,
een beetje liggen met gevouwen handen!
11Zo komt uw armoede [over u] als een wandelaar
en uw gebrek als een gewapend man.12Een verdorven mens, een man van onrecht,
gaat rond met valsheid van mond,
13knipoogt [heimelijk], geeft een teken met zijn voeten
en wijst met zijn vingers.
14In zijn hart zijn verderfelijke dingen, hij smeedt te allen tijde kwaad
en hij brengt twisten teweeg.
15Daarom zal plotseling zijn ondergang komen,
opeens zal hij gebroken worden, zonder dat er genezing [voor] is.16Deze zes haat de HEERE,
ja, zeven zijn een gruwel voor Zijn ziel:
17hoogmoedige ogen, een valse tong
en handen die onschuldig bloed vergieten,
18een hart dat zondige plannen smeedt,
voeten die zich haasten om naar het kwade te rennen,
19een valse getuige [die] leugens blaast,
en die tussen broeders twisten teweegbrengt.
gaat de vader vanaf vers 2020Mijn zoon, neem het gebod van je vader in acht
en veronachtzaam het onderricht van je moeder niet.
door met onderwijs over de zonde van hoererij waarmee hij in Spreuken 5 is begonnen. Dit onderwijs loopt door tot en met Spreuken 7. Hij beschrijft twee nieuwe aspecten van die zonde. In Spreuken 2 spreekt hij over de verhouding tussen de hoer en haar man en in Spreuken 5 belicht hij de verhouding tussen de overspelige man en diens eigen vrouw. In de nu volgende verzen stelt hij de verhouding aan de kaak tussen de man van de overspelige vrouw en zijn zoon als hij met de overspelige vrouw overspel pleegt. Zijn zoon zal in geval van overspel met die man te maken krijgen.

De vader is heel praktisch. Overspel is niet alleen een zaak waarover de gemeente tucht moet uitoefenen. Dat is een belangrijk aspect, maar er zijn meer aspecten aan deze zonde verbonden. Zoals we eerder hebben gezien, spreekt de vader over de financiële gevolgen van overspel. Een ander praktisch aspect is dat de zoon met de man van die vrouw te maken zal krijgen. Daarover gaat hij nu spreken.

Voordat hij dat doet, stelt hij de zoon eerst het belang en de schoonheid van het gebod van de vader en het onderricht van de moeder voor (vers 2020Mijn zoon, neem het gebod van je vader in acht
en veronachtzaam het onderricht van je moeder niet.
)
. Dit onderstreept opnieuw het belang van het onderwijs dat thuis door vader en moeder wordt gegeven. Vader en moeder voeden samen de kinderen op. Als de kinderen naar hun onderwijs luisteren, zal hen dat bewaren voor een immoreel leven.

Om deze reden dringt de vader erop aan dat zijn zoon het gebod en het onderricht “voortdurend” op zijn “hart” bindt (vers 2121Bind ze voortdurend op je hart,
hang ze om je hals.
)
. Als het hart de bewaarplaats is van het onderwijs van de ouders, zal dat zijn beschermende functie kunnen uitoefenen op de handelingen en wegen van de jonge mens. Hij moet ze ook om zijn hals hangen (vgl. Sp 3:33Mogen goedertierenheid en trouw jou niet verlaten.
Bind ze om je hals, schrijf ze op de tafel van je hart,
; 7:33Bind ze aan je vingers,
schrijf ze op de tafel van je hart.
)
. Dat zal hem ervoor bewaren zijn hoofd te draaien naar een mooie, slechte vrouw om haar aandacht te geven.

Het totale leven van de jonge mens zal erdoor worden bestuurd (vers 2222Als je [op weg] gaat, zal het je leiden,
als je neerligt, over je waken,
als je ontwaakt, zal dat tot je spreken.
)
. Het leidt hem als hij “[op weg] gaat”, het waakt over hem als hij “neerligt” en het spreekt tot hem als hij “ontwaakt”. Het is een samenvatting van alles wat hij doet (Dt 6:77U moet ze uw kinderen inprenten en erover spreken, als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat.; 11:1919En leer ze aan uw kinderen door erover te spreken als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat;). ´Op weg gaan´ is de dagelijkse activiteit. ‘Neerliggen’ doet hij na zijn dagelijkse activiteiten. Nadat hij zich heeft neergelegd, ‘ontwaakt’ hij om weer ‘op weg te gaan’. Maar voordat hij gaat, is het belangrijk om raad te vragen voor de komende dag en het gebod tot zijn hart te laten spreken. We kunnen dit toepassen op het houden van ‘stille tijd’ voor het lezen van Gods Woord.

Het “gebod” van de vader (vers 20a20Mijn zoon, neem het gebod van je vader in acht
en veronachtzaam het onderricht van je moeder niet.
)
en het “onderricht” van de moeder (vers 20b20Mijn zoon, neem het gebod van je vader in acht
en veronachtzaam het onderricht van je moeder niet.
)
werken als “een lamp” en “een licht” (vers 2323Want een gebod is een lamp, en onderricht is een licht,
bestraffingen [en] vermaning zijn de weg van het leven,
; Ps 19:88De wet van de HEERE is volmaakt,
zij bekeert de ziel;
de getuigenis van de HEERE is betrouwbaar,
zij geeft de eenvoudige wijsheid.
; 119:130130Het opengaan van Uw woorden geeft licht,
het schenkt eenvoudigen inzicht.
)
. Het maakt dingen duidelijk en openbaar, het laat zien wat goed en wat verkeerd is, zodat we weten wat we moeten doen. De “bestraffingen [en] vermaningen” die bij de opvoeding horen, zijn een weg die naar het “leven” leidt. Wie de terechtwijzingen opvolgt, bereikt het leven.

Licht en leven horen bij elkaar. Ze worden in het Nieuwe Testament verdiept (Jh 1:4-54In Hem was leven, en het leven was het licht van de mensen.5En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen.). Het Woord van God is een lamp en een licht (Ps 119:105105Uw woord is een lamp voor mijn voet
en een licht op mijn pad.
).
Een lamp verlicht de volgende stap; het licht schijnt ver vooruit, over de hele weg. De lamp en het licht corrigeren wat verkeerd is en voeden op in wat juist is. Als we de Heer Jezus volgen, zullen we niet in de duisternis wandelen, maar zullen we het licht van het leven hebben (Jh 8:1212Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.).

Het Woord geeft leiding en bescherming. Hier gaat het er vooral om dat het Woord de zoon zal bewaren voor en beschermen tegen de slechte, overspelige vrouw als hij luistert naar het gebod en het onderricht (vers 2424om je te bewaren voor een slechte vrouw,
voor het gevlei van de tong van een onbekende.
)
. De jongeling zal zich dan niet door de gladde en vleiende tong van deze slechte vrouw laten misleiden en verleiden (Sp 2:1616om je te redden van de vreemde vrouw,
de onbekende [die] met haar woorden vleit,
)
. Zij is “een onbekende”, iemand die niet van of voor hem is, maar aan een ander toebehoort.


Neem geen vuur in je boezem

25Begeer haar schoonheid niet in je hart
en laat ze je niet vangen met haar oogleden,
26want door een vrouw [die] een hoer is, [komt men] tot een homp brood,
en de vrouw van een [getrouwde] man jaagt op een kostbare ziel.
27[Als] iemand vuur in zijn boezem neemt,
zullen dan zijn kleren niet in brand vliegen?
28Als iemand op [gloeiende] kolen loopt,
zullen dan zijn voeten niet verbranden?
29Zo ook wie naar de vrouw van zijn naaste gaat:
al wie haar aanraakt, zal niet voor onschuldig gehouden worden.

De eerste waarschuwing voor de slechte, onbekende vrouw betreft het hart van de jongeman (vers 2525Begeer haar schoonheid niet in je hart
en laat ze je niet vangen met haar oogleden,
)
, “want daaruit zijn de uitingen van het leven” (Sp 4:2323Bescherm je hart boven alles wat te behoeden is,
want daaruit zijn de uitingen van het leven.
)
. In het hart wordt de verzoeking geboren (Jk 1:14-1514Maar ieder wordt verzocht als hij door zijn eigen begeerte meegesleept en verlokt wordt.15Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volwassen geworden is, brengt zij [de] dood voort.). Hij mag niet toelaten dat in zijn hart de begeerte postvat vanwege de schoonheid van die vrouw. Immoreel handelen begint met een begerige blik (2Sm 11:22Tegen de avond gebeurde het dat David opstond van zijn slaapplaats en op het dak van het huis van de koning wandelde. Vanaf het dak zag hij een vrouw die zich aan het wassen was; deze vrouw nu was heel knap om te zien.; 13:1-141Daarna gebeurde [het volgende]. Absalom, de zoon van David, had een knappe zuster, en haar naam was Tamar. En Amnon, de zoon van David, kreeg haar lief.2Amnon leed om zijn zuster Tamar tot [hij] er ziek van werd, want zij was een maagd, zodat het in de ogen van Amnon moeilijk was haar iets aan te doen.3Maar Amnon had een vriend, van wie de naam Jonadab was, een zoon van Simea, een broer van David. Jonadab was een heel wijze man.4Die zei tegen hem: Waarom ben je [er] morgen na morgen zo ellendig [aan toe], zoon van de koning? Zou je het mij niet vertellen? Toen zei Amnon tegen hem: Ik heb Tamar, de zuster van mijn broer Absalom, lief.5Jonadab zei tegen hem: Ga op je slaapplaats liggen en houd je ziek. Als je vader dan komt om naar je te kijken, moet je tegen hem zeggen: Laat mijn zuster Tamar toch komen om mij brood te doen eten. Als zij voor mijn ogen eten klaarmaakt zodat ik het kan zien, zal ik het uit haar hand eten.6Amnon ging liggen en hield zich ziek. Toen de koning kwam om naar hem te kijken, zei Amnon tegen de koning: Laat mijn zuster Tamar toch komen en twee koeken voor mijn ogen klaarmaken, zodat ik die uit haar hand kan eten.7Toen stuurde David [een bode] naar Tamar, in het huis, om te zeggen: Ga toch naar het huis van je broer Amnon en maak eten voor hem klaar.8Tamar ging naar het huis van haar broer Amnon terwijl hij daar lag. Zij nam deeg, kneedde het, maakte voor zijn ogen koeken en bakte de koeken.9Daarop nam zij de pan en schudde die voor hem leeg, maar hij weigerde te eten. En Amnon zei: Laat iedereen bij mij weggaan. Iedereen ging toen bij hem weg.10Toen zei Amnon tegen Tamar: Breng het eten in de kamer, zodat ik het uit je hand kan eten. Toen nam Tamar de koeken die zij gemaakt had, en bracht ze bij haar broer Amnon in de kamer.11Toen zij die bij hem bracht om te eten, greep hij haar en zei tegen haar: Kom, slaap met mij, mijn zuster.12Maar zij zei tegen hem: Nee, mijn broer, verkracht mij niet, want zoiets doet men niet in Israël; doe deze schandelijke daad niet.13Want ik, waar zou ik mijn schande brengen? En wat jou betreft, jij zou zijn als een van de dwazen in Israël. Welnu, spreek toch met de koning, want hij zal mij aan jou niet onthouden.14Hij wilde echter niet naar haar stem luisteren, maar omdat hij sterker was dan zij, verkrachtte hij haar en sliep met haar.).

Zodra een dergelijke begeerte de kop wil opsteken, moet die direct worden geoordeeld. Wie de begeerte koestert, zondigt en begaat de daad van overspel (Mt 5:2828Maar Ik zeg u, dat ieder die een vrouw aanziet om haar te begeren, al overspel met haar gepleegd heeft in zijn hart.). Daarom moet hij niet naar haar ogen kijken, want die werken als touwen waarmee hij gebonden kan worden. Voor het begaan van de zonde van overspel moet een hoge prijs worden betaald (vers 2626want door een vrouw [die] een hoer is, [komt men] tot een homp brood,
en de vrouw van een [getrouwde] man jaagt op een kostbare ziel.
)
. Het brengt tot de diepste armoede, “een homp brood”, en zelfs tot doodsgevaar: er wordt gejaagd op zijn “kostbare ziel”.

Er is hier sprake van twee soorten slechte vrouwen. Er is “een vrouw die een hoer is”, dat is iemand die haar verdorven ‘diensten’ aanbiedt om het geld. Wie zich met haar inlaat, verarmt erdoor. Er is ook “de vrouw van een [getrouwde] man”. Zij is uitgekeken op haar man en zoekt iemand anders voor seksuele bevrediging. Zich met haar inlaten is nog gevaarlijker dan zich inlaten met een hoer, want wie zich met haar inlaat, is zijn leven niet meer zeker. Hij is volledig in haar macht. Daarbij komt dat de jaloerse echtgenoot op zijn “kostbare ziel” zal jagen om hem te doden. De vrouw zal hem met een stalen gezicht aan haar jaloerse echtgenoot overleveren (vgl. Gn 39:16-2016Zij liet zijn kleed bij zich liggen, totdat zijn heer thuiskwam,17en zij sprak tot hem met dezelfde woorden: De Hebreeuwse slaaf die je bij ons [in huis] gebracht hebt, is bij mij gekomen om de spot met mij te drijven.18En het gebeurde, toen ik luid begon te roepen, dat hij zijn kleed bij mij achterliet en naar buiten vluchtte.19En het gebeurde, toen zijn heer de woorden hoorde die zijn vrouw tot hem sprak: Zoals ik het zeg, heeft jouw slaaf met mij gedaan, dat hij in woede ontstak.20En de heer van Jozef greep hem en leverde hem over in de gevangenis, de plaats waar de gevangenen van de koning gevangenzaten. Zo zat hij daar in de gevangenis.).

De vreemde vrouw moet worden gemeden als vuur (verzen 27-2827[Als] iemand vuur in zijn boezem neemt,
zullen dan zijn kleren niet in brand vliegen?
28Als iemand op [gloeiende] kolen loopt,
zullen dan zijn voeten niet verbranden?
)
. De kleren van wie zich toch met haar inlaat, zullen in brand vliegen (vers 2727[Als] iemand vuur in zijn boezem neemt,
zullen dan zijn kleren niet in brand vliegen?
)
. Toegepast wil dat zeggen dat het gedrag van de hoereerder en overspeler, zijn aanzien en waardigheid, waarvan de kleren spreken, verachtelijk wordt (Gn 38:13-1813En men vertelde Tamar: Zie, uw schoonvader gaat naar Timna om zijn schapen te scheren.14Toen trok zij haar weduwkleed uit, bedekte zich met een sluier, omhulde zich en ging zitten bij de ingang van Enaïm, dat op de weg naar Timna ligt. Zij had namelijk gezien dat Sela groot geworden was en zij aan hem niet tot vrouw was gegeven.15Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een hoer, omdat zij haar gezicht bedekt had.16En hij ging naar haar toe langs de weg en zei: Kom toch [mee], ik wil bij u komen; hij wist immers niet dat het zijn schoondochter was. En zij zei: Wat zult u mij geven, als u bij mij komt?17Hij zei: Ik zal u een geitenbokje van [mijn] kudde sturen. Zij zei: [Goed], als u een onderpand geeft, totdat u het [bokje] gestuurd hebt.18Toen zei hij: Wat is het onderpand dat ik u zal geven? Zij zei: Uw zegelring, uw snoer en uw staf, die u in uw hand hebt. Hij gaf ze haar, kwam bij haar, en zij werd zwanger van hem.). Er hangt niet alleen een ‘brandlucht’ aan, wat soms even zo lijkt, maar zijn hele gedrag en waardigheid zijn verdwenen. Hij wordt veracht.

Iemand zal niet zo dom zijn om op gloeiende kolen te lopen en dan te denken dat zijn voeten niet verbranden (vers 2828Als iemand op [gloeiende] kolen loopt,
zullen dan zijn voeten niet verbranden?
)
. ‘Lopen’ wijst op een herhaaldelijk gebeuren; het gaat niet om iets wat incidenteel gebeurt. Het ziet op doorgaand seksueel contact, op iemand die een hoerenloper is. Het is onmogelijk zoiets te doen zonder zichzelf te beschadigen. Dit past de vader toe op wat er gebeurt als zijn zoon zich inlaat met de vrouw van een andere man. Hij moet dan de gevolgen dragen. Daaraan valt niet te ontkomen. Het zijn de ‘natuurwetten’ van hoererij. Aan het einde wacht het verderf.

In vers 2929Zo ook wie naar de vrouw van zijn naaste gaat:
al wie haar aanraakt, zal niet voor onschuldig gehouden worden.
geeft de vader de slotsom. Het naar de vrouw van zijn naaste gaan heeft de betekenis van seksuele omgang met haar hebben. Dezelfde betekenis heeft het aanraken van haar. Wie zo intiem met de vrouw van een ander is, wie overspel pleegt met de vrouw van zijn naaste, blijft niet ongestraft. De straf voor de overspeler is onvermijdelijk.


Er is geen losgeld voor overspel

30Men veracht een dief niet als hij steelt
om zijn mond te vullen, als hij honger heeft.
31Als hij gevonden wordt, vergoedt hij het zevenvoudig:
al het bezit van zijn huis moet hij geven.
32Wie met een vrouw overspel pleegt, is zonder verstand.
Wie dat doet, richt zijn ziel te gronde.
33Plaag en schande zal hij vinden
en zijn smaad zal niet uitgewist worden,
34want jaloersheid is [de] woede van een man
en hij zal geen medelijden hebben op de dag van de wraak.
35Hij zal geen enkel losgeld aannemen,
en er niet in bewilligen, al vergroot men het geschenk.

In de verzen 30-3130Men veracht een dief niet als hij steelt
om zijn mond te vullen, als hij honger heeft.
31Als hij gevonden wordt, vergoedt hij het zevenvoudig:
al het bezit van zijn huis moet hij geven.
wordt de zonde van overspel vergeleken met de zonde van stelen. Als een dief steelt om zijn honger te stillen, is daar begrip voor, hoewel het verkeerd is wat hij doet (vers 3030Men veracht een dief niet als hij steelt
om zijn mond te vullen, als hij honger heeft.
)
. Als ze hem te pakken krijgen, moet hij zwaar boeten voor zijn misdaad (vers 3131Als hij gevonden wordt, vergoedt hij het zevenvoudig:
al het bezit van zijn huis moet hij geven.
; Ex 22:11Wanneer iemand een rund of een [stuk] kleinvee steelt en het slacht of verkoopt, moet hij vijf runderen als vergoeding geven voor het rund, en vier [stuks] kleinvee voor het [stuk] kleinvee.; Lk 19:88Zacheüs echter ging staan en zei tot de Heer: Zie, de helft van mijn bezittingen, Heer, geef ik aan de armen; en als ik iemand iets heb afgeperst, vergoed ik dat vierdubbel.)
. Het kan hem zijn hele bezit kosten. Maar als hij zijn schuld heeft voldaan, is hij weer een vrij man.

Bij iemand die overspel pleegt, ligt het totaal anders (vers 3232Wie met een vrouw overspel pleegt, is zonder verstand.
Wie dat doet, richt zijn ziel te gronde.
)
. Voor iemand die steelt omdat hij honger heeft, is begrip, maar voor iemand die de vrouw van een ander ‘steelt’, is nooit begrip. De jongeman had bij ‘honger’ naar zijn eigen vrouw kunnen gaan. Hij zit niet zonder brood, maar “zonder verstand”, of zoals er letterlijk staat, hem ontbreekt het hart, hij heeft gebrek aan hart. Wat hij doet, lijkt op genot, maar het is zelfmoord. Hij “richt zijn ziel te gronde”.

Overspel verschaft hem een kortstondig ‘plezier’, maar wat hij vindt, is “plaag en schande” en een “smaad” die niet uitgewist kan worden (vers 3333Plaag en schande zal hij vinden
en zijn smaad zal niet uitgewist worden,
)
. Het is onmogelijk ongestraft te blijven. Er blijft alleen wraak over. Er is niets wat die smaad kan wegnemen. Het is een hatelijke zonde voor God en er zijn ook afschuwelijke gevolgen voor de betrokkenen. Zo praktisch is de vader, zo praktisch is de Schrift.

Het woord dat in vers 2929Zo ook wie naar de vrouw van zijn naaste gaat:
al wie haar aanraakt, zal niet voor onschuldig gehouden worden.
is vertaald met “aanraakt”, is in dit vers vertaald met “plaag”. We zien hier dat de relatie tussen de zonde en de straf wordt getoond door een Hebreeuwse woordspeling. Wie een overspelige vrouw liefkozend aanraakt, zal hard aangeraakt worden door de plagen die over hem zullen komen.

Hij krijgt te maken met een in jaloersheid ontstoken man die woedend op hem is (vers 3434want jaloersheid is [de] woede van een man
en hij zal geen medelijden hebben op de dag van de wraak.
)
. Het medelijden dat er kan zijn voor een dief die uit honger steelt, ontbreekt volledig voor een echtbreker bij de man met wiens vrouw hij overspel heeft gepleegd. Op de dag van de wraak, dat is de dag dat hij het overspel ontdekt, is wraak het enige waarin hij genoegdoening kan vinden. De man die met zijn vrouw overspel heeft gepleegd, moet geoordeeld worden.

In tegenstelling tot de dief kan de overspeler of echtbreker niets vergoeden voor zijn zonde (vers 3535Hij zal geen enkel losgeld aannemen,
en er niet in bewilligen, al vergroot men het geschenk.
)
. De jaloerse echtgenoot accepteert geen enkele compensatie. Hoe groot het bedrag ook zou zijn, deze zaak is niet met geld af te kopen. De overspeler kan niets doen om goed te maken wat hij heeft gedaan. Hij kan zijn zonde niet terugdraaien. Hij moet de rest van zijn leven met die zonde leven, als hij tenminste in leven blijft en niet door de jaloerse man wordt gedood.


Lees verder