Spreuken
1 Wie halsstarrig blijft, wordt opeens gebroken 2 Een blij of een zuchtend volk 3 De vader verblijden of bezit doen vergaan 4 Een land in stand houden of afbreken 5-6 Valstrikken 7 Kennis nemen van de rechtszaak van de armen 8-11 Toornige dwazen tegenover rustige wijzen 12 Slecht voorbeeld doet slecht volgen 13 De HEERE verlicht de ogen 14 Recht doen bevestigt de troon voor eeuwig 15-17 Goede opvoeding en het ontbreken daarvan 18 Geen visioen, wel de wet 19-21 Relatie werkgever-werknemer 22-23 Toorn, drift en hoogmoed tegenover nederigheid 24 Wie met een dief deelt, haat zijn ziel 25-26 Mensenvrees of op de HEERE vertrouwen 27 Onrecht doen of oprecht van weg zijn
Wie halsstarrig blijft, wordt opeens gebroken

1Wie na bestraffingen halsstarrig is,
zal opeens gebroken worden, en er zal geen genezing [meer] zijn.

Dit vers is een waarschuwing tegen het volharden in de zonde en het negeren van “bestraffingen” om tot inkeer te komen. De bestraffingen kunnen bijvoorbeeld door de ouders gegeven worden, of door de overheid. God kan er ook een bepaalde gebeurtenis voor gebruiken, zoals een ongeluk. Door al die bestraffingen wil Hij het geweten aanspreken. We zien hier duidelijk het geduld van God. Hij oordeelt niet ineens, maar roept op tot bekering. Elke bestraffing die Hij laat komen, is een oproep.

Maar wie “halsstarrig is”, wie keer op keer niet luistert, en zich verzet tegen de bestraffingen, of concludeert dat het allemaal wel meevalt, “zal opeens gebroken worden, en er zal geen genezing [meer] zijn”. Het woord ‘halsstarrig’ doet denken aan een os die zijn nek niet wil buigen onder een juk. Toegepast op een mens stelt het iemand voor die ondanks talloze pogingen hem zover te krijgen weigert te doen wat in zijn eigen belang is. Dan treedt een toestand in dat er geen herstel meer mogelijk is (vgl. 2Kr 36:1616Maar zij spotten met de boden van God, verachtten Zijn woorden en maakten Zijn profeten belachelijk, tot de grimmigheid van de HEERE tegen Zijn volk [zo hoog] opsteeg dat er geen genezing [meer mogelijk] was.).

Het vers bevat ook de ernstige boodschap voor de zondaar dat de tijd om zich te bekeren begrensd is. “Zie, nu is het [de] welaangename tijd, zie, nu is het [de] dag van [de] behoudenis” (2Ko 6:22(want Hij zegt: ‘In [de] aangename tijd heb Ik U verhoord en op [de] dag van [de] behoudenis heb Ik U geholpen’: zie, nu is het [de] welaangename tijd, zie, nu is het [de] dag van [de] behoudenis),). Gods geduld is groot, bekering is nu nog mogelijk, maar het houdt een keer op en dan is het voor eeuwig te laat. Er zal geen tweede kans zijn.


Een blij of een zuchtend volk

2Als rechtvaardigen groot worden, verblijdt het volk zich,
maar als een goddeloze heerst, zucht het volk.

“Als rechtvaardigen groot worden”, dat wil zeggen als zij het bestuur van het land in handen krijgen en regeren, “verblijdt het volk zich” over de weldadige regering die wordt uitgeoefend. Er worden rechtvaardige wetten uitgevaardigd en onrecht wordt gestraft. De goddelozen worden geoordeeld en kunnen hun verderfelijke invloed niet meer uitoefenen. De regering van Salomo was zo’n weldadige regering die blijdschap bij het volk gaf (1Kn 4:2020Juda en Israël waren [met] velen, zo talrijk als de zand[korrels] die aan de zee zijn. Zij aten en dronken en waren blij.).

De tegenstelling, aangegeven door het woord “maar”, met een goddeloze heerser is groot. Een dergelijke heerser heerst als een tiran. Hij verdrukt het volk, vooral het Godvrezende deel ervan, en buit het uit. Slechtheid wordt beloond en gepromoot. Het onrecht heerst, want met God en Zijn wil wordt geen rekening gehouden. Er is geen blijdschap bij het volk, maar een zuchten van ellende.

Het geluk of het ongeluk van het volk hangt af van de heerser. Zo is het in het leven van een mens ook. Als hij in overeenstemming met de wil van God volgens rechtvaardige beginselen leeft, leeft hij een blij en dankbaar leven. Dit is het voorrecht van de gelovige. Als een mens volgens goddeloze beginselen leeft, zucht hij onder de enorme last van zijn zonden die op hem drukt. Hij kan daarvan bevrijd worden door zich over te geven aan de Heer Jezus.


De vader verblijden of bezit doen vergaan

3Een man die wijsheid liefheeft, verblijdt zijn vader,
maar wie met hoeren omgaat, doet bezit vergaan.

Het gaat in dit vers om Goddelijke wijsheid, maar dan als voorwerp van liefde. Het gaat hier niet in de eerste plaats om leiding in het leven door wijsheid, maar om de houding van het hart ten opzichte van de wijsheid. Die houding is er een van liefde. Als een vader dat bij zijn zoon ziet, verblijdt hem dat. Hij ziet dat zijn onderwijs niet alleen effect heeft in de praktijk van zijn leven, maar zijn liefde gaat ernaar uit.

In de tweede versregel volgt de tegenstelling, aangegeven door het woord “maar”. De tegenstelling met het liefhebben van wijsheid is hier het omgaan met hoeren, dus niet zoals we zouden verwachten het omgaan met dwazen. De tegenstelling is immers gewoonlijk die tussen de wijze en de dwaas. Maar hier gaat het om liefde. De omgang met hoeren is het beleven van een surrogaat liefde, een valse liefde. Je krijgt echter niets en verliest alles; je hele bezit vergaat (vgl. Lk 15:3030Nu echter die zoon van u gekomen is, die uw vermogen met hoeren heeft opgemaakt, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.).

Een van de vroegste lessen die een kind moet leren, is zich ver van hoeren te houden. Vandaag geldt dat in het bijzonder voor pornografie. De waarschuwingen daartegen zijn uitvoerig in het eerste deel van dit boek, Spreuken 1-9, aan de orde geweest. Hier zien we dat we onze kinderen liefde voor wijsheid moeten bijbrengen. Dat zal hen ervoor bewaren met hoeren en pornografie om te gaan omdat ze daardoor hun bezit en zelfs hun leven kunnen verliezen.


Een land in stand houden of afbreken

4Een koning houdt een land in stand door recht,
maar wie veel belasting heft, breekt het af.

“Een koning” die het “recht” handhaaft, houdt “een land in stand”. Door het uitvaardigen en handhaven van rechtvaardige wetten verzekert een koning zijn onderdanen van vrede en voorspoed. Hij zorgt op die manier ook voor de veiligheid van hun bezittingen. God is de Koning Die Israël, via het recht dat Salomo uitoefent, voor eeuwig doet standhouden (2Kr 9:88Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u heeft gehad, door u als koning voor de HEERE, uw God, op Zijn troon te zetten! Omdat uw God Israël liefheeft, om het voor eeuwig te doen standhouden, daarom heeft Hij u als koning over hen aangesteld, om recht en gerechtigheid te doen.). Het leven in een land met zo’n koning is een feest voor alle onderdanen, want iedereen geniet het voorrecht daarvan. De Heer Jezus zal in het vrederijk die Koning zijn.

“Veel belasting” heffen is in strijd met het recht. Een koning die dat doet, legt een zware druk op zijn onderdanen. Er ontstaat onvrede en armoede. Niemand is nog gelukkig. De saamhorigheid verdwijnt. Het land wordt verscheurd en afgebroken. Een koning die zijn volk onder een zware (belasting)druk heeft gebracht, is de zoon van Salomo, Rehabeam, met als gevolg de scheuring van het rijk (1Kn 12:1-191Rehabeam ging naar Sichem, want heel Israël was naar Sichem gekomen om hem koning te maken.2Het gebeurde nu, toen Jerobeam, de zoon van Nebat, [dit] hoorde, terwijl hij nog in Egypte was – want hij was gevlucht voor koning Salomo en Jerobeam woonde in Egypte –3dat zij [een bode] stuurden en hem lieten roepen. Toen kwam Jerobeam, met heel de gemeente van Israël, en zij spraken tot Rehabeam:4Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; maakt u het harde dienstwerk voor uw vader en zijn zware juk, dat hij ons heeft opgelegd nu lichter, dan zullen wij u dienen.5Hij zei tegen hen: Ga en kom over drie dagen bij mij terug. En het volk ging weg.6Koning Rehabeam pleegde overleg met de oudsten die bij zijn vader Salomo in dienst waren geweest, toen die [nog] leefde, en zei: Wat raadt u aan om dit volk te antwoorden?7Zij spraken tot hem: Als u heden een dienaar voor dit volk wilt zijn, en [als] u hen dient, hun antwoord geeft en goede woorden tot hen spreekt, dan zullen zij alle dagen uw dienaren zijn.8Maar hij verwierp de raad van de oudsten, die zij hem hadden gegeven, en pleegde overleg met de jonge mannen die met hem waren opgegroeid en bij hem in dienst waren.9Hij zei tegen hen: Wat raadt u aan dat wij dit volk zullen antwoorden, dat tot mij sprak: Maak het juk dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter?10De jonge mannen, die met hem waren opgegroeid, spraken tot hem: Dit moet u zeggen tegen dat volk, dat tot u heeft gesproken: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maakt u het voor ons lichter. Dit moet u tot hen spreken: Mijn pink is dikker dan het middel van mijn vader.11Welnu, mijn vader heeft een zwaar juk op u geladen, maar ik zal aan uw juk [nog meer] toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen.12Toen kwam Jerobeam met heel het volk bij Rehabeam, op de derde dag, zoals de koning had gesproken: Kom op de derde dag bij mij terug.13En de koning gaf het volk een hard antwoord, want hij verwierp de raad van de oudsten die hem raad gegeven hadden.14Hij sprak tot hen overeenkomstig de raad van de jonge mannen: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ík zal aan uw juk [nog meer] toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen.15Dus luisterde de koning niet naar het volk. Deze ommekeer kwam namelijk van de HEERE, opdat Hij Zijn woord gestand zou doen dat de HEERE door de dienst van Ahia uit Silo tot Jerobeam, de zoon van Nebat, had gesproken.16Toen heel Israël zag dat de koning niet naar hen geluisterd had, gaf het volk de koning ten antwoord:
Wat voor deel hebben wij aan David?
Wij hebben geen erfelijk bezit met de zoon van Isaï.
Naar uw tenten, Israël!
Zorg nu voor uw eigen huis, David!
En Israël ging naar zijn tenten.17Maar wat betreft de Israëlieten die in de steden van Juda woonden, over hen bleef Rehabeam koning.18Toen stuurde koning Rehabeam Adoram, die over de herendienst [ging]. Maar heel Israël stenigde hem met stenen, zodat hij stierf. Koning Rehabeam had echter de moed om op de wagen te klimmen om naar Jeruzalem te vluchten.19Zo werden de Israëlieten afvallig van het huis van David, tot op deze dag.
)
.


Valstrikken

5Een man die zijn naaste vleit,
spreidt een net voor diens voetstappen.
6In de overtreding van een boosaardige man ligt een valstrik,
maar een rechtvaardige juicht en verblijdt zich.

Vleierij is als een vangnet om een dier mee te vangen (vers 55Een man die zijn naaste vleit,
spreidt een net voor diens voetstappen.
)
. Vleien is manipulatie, want het doel is die persoon voor eigen doeleinden te gebruiken en niet hem te prijzen. De “naaste” die wordt gevleid, kan daardoor betoverd worden en ongemerkt in de macht van de vleier komen. Zo is hij in het net vast komen te zitten dat “een man” voor zijn “voetstappen” heeft gespreid en is de vleier in zijn opzet geslaagd.

Het vers gaat over de vleier, niet over degene die gevleid wordt, maar is natuurlijk wel een duidelijke waarschuwing om ons niet door vleierij te laten betoveren. Vleierij is een huichelachtig compliment. Als wij gevleid worden, maakt dat de sluimerend in ons aanwezige hoogmoed wakker. De gestreelde ijdelheid draagt ertoe bij dat wordt geloofd wat de vleier zegt. Vleien is letterlijk ‘iemand zacht maken’. Het gezegde ‘iemand insmeren met boter’, met de bedoeling hem op te eten, sluit hier wel op aan.

“Een boosaardige man” zit gevangen in zijn eigen overtreding (vers 66In de overtreding van een boosaardige man ligt een valstrik,
maar een rechtvaardige juicht en verblijdt zich.
)
. Zijn overtreding is een valstrik waaruit hij zichzelf niet kan bevrijden. Omdat hij een boosaardige man is, is de overtreding geen incident, maar een vaak voorkomende gebeurtenis. Hij kan niet anders, het zit in hem, in zijn boze aard, waaraan hij blijft vasthouden en waardoor hij vastgehouden wordt.

In tegenstelling tot een boosaardige man juicht en verblijdt zich “een rechtvaardige” over de veiligheid en vrede die hij geniet. Een rechtvaardige heeft geen angst voor een valstrik en kan juichen en zich verblijden. Hij is dolgelukkig en is in volle vrijheid om zijn blijdschap te uiten over wat God hem heeft gegeven en nog zal geven. De rechtvaardige heeft zijn bron van blijdschap in God.


Kennis nemen van de rechtszaak van de armen

7Een rechtvaardige neemt kennis van de rechtszaak van de armen,
[maar] een goddeloze heeft geen enkel inzicht.

“Een rechtvaardige” is hier een rechter. Een rechtvaardige rechter wil weten waarom er tegen armen een rechtszaak wordt gestart. De armen gaan hem aan het hart, omdat zij God aan het hart gaan. Daarom verdiept hij zich in hun zaak. De armen moeten ook ons aan het hart gaan. Paulus geeft ons daarin een voorbeeld (Gl 2:1010alleen moesten wij de armen gedenken, wat ik mij daarom ook beijverd heb te doen.).

Een goddeloze heeft geen enkel inzicht in de armen en hij wil zich ook helemaal niet in hen verdiepen, want hij heeft geen enkele belangstelling voor hen. Hij maalt niet om het onrecht dat armen wordt aangedaan. Integendeel, hij doet eraan mee, want hij is alleen op eigen voordeel uit.


Toornige dwazen tegenover rustige wijzen

8Spotters doen een stad ontvlammen,
maar wijzen wenden de toorn af.
9Wanneer een wijze man een rechtszaak voert met een dwaas man,
of hij zich ontzet of lacht, er komt geen rust.
10Bloeddorstigen haten de vrome,
maar oprechten zoeken zijn behoud.
11Een dwaas laat heel zijn geest de vrije loop,
maar een wijze houdt die in toom.

Bij “spotters” (vers 88Spotters doen een stad ontvlammen,
maar wijzen wenden de toorn af.
)
kunnen we denken aan corrupte leiders van de stad (vgl. Js 28:1414Daarom, hoor het woord van de HEERE,
[u,] spotters,
[u,] heersers over dit volk
dat in Jeruzalem is!
)
. Zij spotten met de wet en met de gerechtigheid. Overleggen doen ze niet en ze besturen de stad naar eigen willekeur. Beloften komen ze niet na en ze spotten met de dienst aan God. Dit ontwricht de samenleving en zet een stad in geestelijk opzicht in brand. Het vuur van opstand en verdeeldheid breekt uit en er is niemand die het blust. Zij wakkeren het vuur aan, ze stoken de ruzie op. Spotters zijn een plaag voor de samenleving.

In de tweede versregel, die begint met “maar”, wat aangeeft dat er een tegenstelling volgt, staat wat “wijzen” doen. Zij wakkeren geen strijd aan, maar zorgen voor vrede en harmonie in de samenleving. Door de rust die zij brengen, wenden zij de toorn van God en mensen af. Een voorbeeld vinden we in geschiedenis van de opstand van Seba die zich in een stad verschanst. Daar is een wijze vrouw die de verwoesting van de stad voorkomt (2Sm 20:14-2214Die was door [het gebied van] alle stammen van Israël heen naar Abel getrokken, en wel [Abel-]Beth-Maächa, [samen] met al de Berieten die bijeengekomen waren en ook achter hem aan kwamen.15Maar zij kwamen en belegerden hem in Abel-Beth-Maächa. Zij wierpen een belegeringsdam op tegen de stad, zó dat die tegen de buitenmuur aan lag; en heel het volk dat bij Joab was, was bezig de muur te vernielen om die te doen vallen.16Toen riep een wijze vrouw uit de stad: Luister, luister! Zeg toch tegen Joab: Kom hier dichterbij, dan kan ik tot u spreken.17Toen hij dichter bij haar kwam, zei de vrouw: Bent u Joab? En hij zei: Ik ben het. Zij zei tegen hem: Luister naar de woorden van uw dienares. En hij zei: Ik luister.18Toen sprak zij: In vroeger tijden zei men gewoonlijk: Laten ze het beslist in Abel vragen. Zo handelde men [een kwestie] af.19Ik ben een van de vredelievende mensen, van de getrouwen in Israël, en u probeert een stad te doden die een moeder is in Israël. Waarom wilt u het eigendom van de HEERE verslinden?20Toen antwoordde Joab en zei: Geen sprake van! Er is bij mij geen sprake van dat ik [de stad] verslinden of te gronde richten wil!21Zo ligt de zaak niet; maar een man uit het bergland van Efraïm, van wie de naam Seba is, de zoon van Bichri, heeft zijn hand opgeheven tegen de koning, tegen David. Lever alleen hem uit, dan zal ik van de stad wegtrekken. Toen zei de vrouw tegen Joab: Zie, zijn hoofd zal u over de muur toegeworpen worden.22En de vrouw ging met haar wijsheid naar heel het volk [van de stad]; en zij hakten Seba, de zoon van Bichri, het hoofd af en wierpen het naar Joab. Toen blies deze de bazuin en zij verspreidden zich, weg van de stad, ieder naar zijn tenten. En Joab keerde terug naar Jeruzalem, naar de koning.).

Het is een verspilling van tijd om te proberen een geschil te regelen met een dwaas (vers 99Wanneer een wijze man een rechtszaak voert met een dwaas man,
of hij zich ontzet of lacht, er komt geen rust.
)
. De kans dat een dwaas in alle redelijkheid een rechtszaak kan voeren, is uitgesloten. Je kunt twee reacties van hem verwachten, die echt geen bijdrage leveren aan de oplossing van het geschil. De ene reactie is dat hij zich ontzet; hij zet grote ogen van verbazing op en begint te schelden. De andere reactie is dat hij gaat bulderen van het lachen, omdat hij de zaak die tegen hem is aangespannen zo belachelijk vindt.

Een dwaas volgt zijn emoties en niet zijn verstand. Hij denkt niet na, maar geeft direct lucht aan de emotie die bij hem opkomt, welke dat ook is. De ene keer windt hij zich op, de andere keer lacht hij alles weg. Maar tot rust brengt hij de zaak niet. Daarvoor ontbreekt hem het verstand.

Bloeddorstig zijn betekent het diepe verlangen hebben om iemand te doden (vers 1010Bloeddorstigen haten de vrome,
maar oprechten zoeken zijn behoud.
)
. De haat van “bloeddorstigen” richt zich tegen “de vrome”. We zien dat bij Kaïn, die zo’n bloeddorstige hater was. Hij vermoordde zijn vrome broer (Gn 4:5-85maar op Kaïn en op zijn offer sloeg Hij geen acht. Toen ontstak Kaïn in grote [woede] en liet hij zijn hoofd zakken.6En de HEERE zei tegen Kaïn: Waarom bent u in woede ontstoken en waarom heeft u uw hoofd laten zakken?7Is het niet zo dat u, als u het goede doet, uw hoofd kunt opheffen? Maar als u niet het goede doet, ligt de zonde aan de deur. Naar u gaat zijn begeerte uit, maar ú moet over hem heersen.8En Kaïn sprak met zijn broer Abel. En het gebeurde toen zij op het veld waren, dat Kaïn zijn broer Abel aanviel en hem doodde.; 1Jh 3:12-1312niet zoals Kaïn uit de boze was en zijn broer doodsloeg. En waarom sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken boos waren en die van zijn broer rechtvaardig.13<En> verwondert u niet, broeders, als de wereld u haat.). Bloeddorstige mensen kunnen de vrome niet verdragen. De duisternis kan het licht niet verdragen, maar haat het. Daarom hebben de godsdienstige leiders de Heer Jezus vermoord.

De “oprechten” staan tegenover de bloeddorstigen, wat we zien aan het woord “maar” aan het begin van de tweede versregel. Zij zijn er niet op uit om iemand het leven te benemen, maar zij zoeken het behoud van anderen, zelfs zoals hier van de bloeddorstigen. De Heer Jezus heeft ons geleerd goed te doen aan hen die ons haten (Lk 6:2727Maar tot u die hoort, zeg Ik: Hebt uw vijanden lief, doet wél aan hen die u haten,), opdat ze tot bekering komen.

“Een dwaas” is een slaaf van zijn gedachteleven en zijn gevoelens (vers 1111Een dwaas laat heel zijn geest de vrije loop,
maar een wijze houdt die in toom.
)
. Hij heeft er geen enkele controle over, maar wordt erdoor beheerst en geleefd. Zijn geest is een open vat waarin alles zonder enige filtering binnenkomt en waaruit alles zonder enige filtering ook weer naar buiten gaat. Hij kent geen rem. Als hij zich ergens over opwindt, laat hij dat duidelijk horen. Ongevraagd geeft hij zijn mening over van alles en nog wat, terwijl hij zich inbeeldt dat hij er nog verstand van heeft ook. Zijn gebrek aan zelfbeheersing brengt hem tot het uitkramen van de grootst mogelijke onzin, zonder dat hij er zelf erg in heeft.

“Een wijze” laat zich niet door zijn impulsen sturen. Hij houdt zijn geest in toom, hij houdt die rustig. Daarom flapt hij er niet alles uit wat hij denkt, maar wacht het juiste moment af. De zelfbeheersing die hij bezit, heeft hij niet van zichzelf, maar van de Geest. De dwaas heeft geen door de Geest geleid leven, de wijze wel.


Slecht voorbeeld doet slecht volgen

12[Als] een heerser acht slaat op een leugenachtig woord,
worden al zijn dienaren goddeloos.

Als “een heerser” de raad van leugenaars aanneemt, komt hij tot een verkeerde beoordeling en neemt hij verkeerde beslissingen. Leugens worden verteld aan hen die ze graag horen. Een dergelijke heerser geeft er blijk van dat hij zich niet door Gods inzettingen laat leiden en niet naar Zijn wil vraagt.

Door zo “op een leugenachtig woord” acht te slaan alsof het de waarheid is, moedigt hij de mensen om zich heen aan om “goddeloos” te zijn en met de waarheid af te rekenen. David was niet zo’n heerser. Hij zegt: “Wie leugens spreekt, zal voor mijn ogen geen stand houden” (Ps 101:7b7Wie bedrog pleegt,
zal binnen mijn huis niet verblijven.
Wie leugens spreekt,
zal voor mijn ogen geen stand houden.
)
.

De invloed van het karakter van een heerser op het volk is groot. Mensen in een positie van gezag, zoals heersers en ouders, zijn, of ze dat nu willen of niet, rolmodellen voor hen die onder hun gezag staan.


De HEERE verlicht de ogen

13Een arme en een onderdrukker ontmoeten elkaar:
de HEERE verlicht de ogen van hen beiden.

Ongeacht de sociale status die een mens heeft of de omstandigheden waarin hij leeft, ieder mens krijgt zijn leven van God. Het verlichten van de ogen betekent dat God het licht van het leven geeft (Jb 33:3030om zijn ziel terug te brengen van het graf,
opdat hij wordt verlicht met het licht van het leven.
; Ps 13:44Zie [mij] aan, verhoor mij, HEERE, mijn God!
Verlicht mijn ogen, anders ontslaap ik [in] de dood,
)
. Tevens betekent het verlichten van de ogen dat God de mogelijkheid geeft om waar te nemen. Daarbij gaat het niet zozeer om het kijken met de natuurlijke ogen, maar met de geestelijke ogen.

Zowel een arme als een onderdrukker of de rijke krijgt licht om zijn situatie te beoordelen. God geeft zonder aanzien des persoons. De vraag is wat ieder doet met het licht dat hem geschonken is. De arme kan zien dat hij rijk is in God en dat hij mag roemen op zijn hoogheid voor God (Jk 1:99Laat de geringe broeder echter roemen in zijn hoogheid,). De rijke onderdrukker kan zien dat hij zich niet op zijn rijkdom en het misbruik daarvan moet beroemen, maar zich moet realiseren dat hij voor God arm is als hij zijn rijkdom misbruikt om de arme te verdrukken (Jk 1:1010en de rijke in zijn geringheid, omdat hij als een bloem van [het] gras zal vergaan.; 5:1-61Komaan dan, rijken, weent en jammert over de ellende die u zal overkomen.2Uw rijkdom is verrot en uw kleren zijn door de mot verteerd.3Uw goud en zilver is verroest en hun roest zal tot een getuigenis tegen u zijn en uw vlees als een vuur verteren. U hebt schatten verzameld in [de] laatste dagen.4Zie, het loon van de arbeiders die uw akkers geoogst hebben, dat door u is ingehouden, roept, en de kreten van de maaiers zijn gekomen tot de oren van [de] Heer Zebaoth.5U hebt in weelde en genotzucht geleefd op aarde; u hebt uw harten te goed gedaan op een slachtdag.6Veroordeeld, gedood hebt u de rechtvaardige; hij weerstaat u niet.).


Recht doen bevestigt de troon voor eeuwig

14Een koning die in trouw geringen recht doet,
diens troon zal voor eeuwig bevestigd worden.

“Een koning die in trouw” regeert, zal zich er vooral voor inzetten dat de “geringen recht” wordt gedaan. Het toont zijn hoogstaande karakter als blijkt dat hij vooral oog heeft voor het recht van de sociaal zwakken. Hij doet recht aan allen, maar speciaal aan de geringen. Door God zal de troon van een koning die op deze wijze regeert, “voor eeuwig bevestigd worden”.

De Heer Jezus is de enige Koning op Wie dit volledig van toepassing is. Hij zal in trouw de geringen recht doen door hun het vrederijk te laten binnengaan. Zijn troon zal voor eeuwig bevestigd worden (Dn 2:4444In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die [andere] koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.).


Goede opvoeding en het ontbreken daarvan

15De stok en de bestraffing geven wijsheid,
maar een jongeman die [aan zichzelf] is overgelaten, maakt zijn moeder beschaamd.
16Als goddelozen talrijk worden, worden de overtredingen talrijk,
maar de rechtvaardigen zullen bij hun val toezien.
17Breng uw zoon gehoorzaamheid bij, en hij zal u rust geven
en uw ziel genoegens schenken.

Vers 1515De stok en de bestraffing geven wijsheid,
maar een jongeman die [aan zichzelf] is overgelaten, maakt zijn moeder beschaamd.
behoort tot de spreuken die aandringen op tucht in de opvoeding met daarbij een duidelijke motivatie (Sp 10:1313Op de lippen van verstandigen wordt wijsheid gevonden,
maar op de rug van [mensen] zonder verstand de stok.
; 13:2424Wie zijn stok spaart, haat zijn zoon,
maar wie hem liefheeft, streeft naar vermaning voor hem.
, 22:8,15; 23:13-14; 26:3)
. Tucht zorgt ervoor dat het kind wijs wordt. Wijsheid is niet erfelijk. Zowel lichamelijke tucht (“de stok”) als geestelijke tucht (“de bestraffing”) “geven wijsheid”, dat wil zeggen dat ze bijdragen aan het geven van wijsheid. Als het kind luistert naar de tucht (vgl. Mi 6:99De stem van de HEERE roept tot de stad:
– Uw Naam ziet uit [naar] wat wezenlijk is –
Hoor de roede en Wie hem voor u bestemd heeft.
)
, leert het goede keuzes in het leven te maken.

Wie zijn kind tucht onthoudt, laat hem aan zichzelf over. Een kind dat aan zichzelf wordt overgelaten, kan doen wat het wil en krijgt wat het wenst. Het betekent ook dat het wordt overgelaten aan de heerschappij van zijn zondige natuur, een afvallige wil, een boze wereld en de duivel. Zonder leiding en correctie gaat het een leven leiden dat “zijn moeder beschaamd” maakt.

Dat hier staat dat de moeder beschaamd wordt gemaakt, is waarschijnlijk omdat zij de meeste tijd in de opvoeding heeft gestoken. Ook is zij veel gevoeliger voor het lijden dat het kind zichzelf aandoet. Dat betekent niet dat de vader niet beschaamd wordt, en ook niet dat hij niets met de opvoeding te maken heeft. De vader kan wel eens de hoofdoorzaak zijn van de verkeerde keuzes die het kind maakt, omdat hij nooit is opgetreden met stok en bestraffing. Adonia was een aan zichzelf overgelaten jongeman, want zijn vader David “had hem zijn leven lang geen verwijt gemaakt” (1Kn 1:66Zijn vader had hem zijn leven lang geen verwijt gemaakt door te zeggen: Waarom heb je dat gedaan? Ook was hij heel knap van gestalte. [Haggith] had hem gebaard, na Absalom.).

Vers 1616Als goddelozen talrijk worden, worden de overtredingen talrijk,
maar de rechtvaardigen zullen bij hun val toezien.
staat tussen twee verzen in die over opvoeding gaan. We kunnen in dit vers dan ook een beschrijving zien van de gevolgen van het ontbreken van een goede opvoeding. Laksheid in de opvoeding is de belangrijkste oorzaak van sociale rampen. We zien dat in de wereld. Ouderlijk gezag verdwijnt, met als gevolg dat de “goddelozen talrijk worden”, waardoor ook “de overtredingen talrijk” worden (vgl. Hs 4:77Hoe talrijker zij werden, hoe meer zij tegen Mij zondigden.
Ik zal hun eer inruilen voor schande.
)
.

De rechtvaardigen lijden onder die situatie. Ze lijden door het zien van de ongerechtigheid, zoals Lot leed (2Pt 2:7-87en als Hij [de] rechtvaardige Lot gered heeft die zwaar te lijden had door de wandel in losbandigheid van de zedelozen;8(want deze rechtvaardige heeft, toen hij in hun midden woonde, dag aan dag [zijn] rechtvaardige ziel door [het] zien en horen gekweld met [hun] wetteloze werken)), en ze lijden door wat de goddelozen tegen hen zeggen en hun aandoen. Maar hoe talrijk de goddelozen en hun overtredingen ook worden, de rechtvaardigen zullen zegevieren. God zal ervoor zorgen dat de goddelozen ten val komen en dat de rechtvaardigen toezien, terwijl zij zich verheugen over “een God Die op aarde recht doet” (Ps 58:11-1211De rechtvaardige zal zich verblijden als hij de wraak ziet;
hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze.
12De mens zal zeggen: Ja, er is loon voor de rechtvaardige!
Ja, er is een God Die op de aarde recht doet!
; 37:3434Wacht op de HEERE /koph/
en houd u aan Zijn weg.
Dan zal Hij u verheffen om de aarde te bezitten;
u zult zien dat de goddelozen worden uitgeroeid.
)
.

Een kind dat heeft geleerd te gehoorzamen, zal zijn ouders rust geven (vers 1717Breng uw zoon gehoorzaamheid bij, en hij zal u rust geven
en uw ziel genoegens schenken.
)
. En niet alleen de ouders, maar de hele omgeving. Dit is opnieuw een bemoediging voor ouders om hun kinderen te tuchtigen. Het gaat om het bijbrengen van gehoorzaamheid (Sp 19:1818Breng uw zoon gehoorzaamheid bij wanneer er nog hoop is,
maar laat het niet in u opkomen hem te doden.
)
. Dat geeft de ouders innerlijke rust en uiterlijk genot in het samenleven.

De ouder die zijn kind geen gehoorzaamheid bijbrengt omdat de tucht hemzelf pijn doet en hij die pijn wil vermijden, zal later de pijn van de nalatigheid onophoudelijk voelen. Talrijke slapeloze nachten zijn het gevolg, omdat het kind in de goot of in de gevangenis terecht is gekomen. Het is een voortdurende bron van zorg en onrust. Er is geen rust in het hart en er zijn geen genoegens voor de ziel. We moeten die ouders niet hard vallen, maar voor hen en hun kinderen bidden.


Geen visioen, wel de wet

18Als er geen visioen is, raakt een volk losgeslagen,
maar welzalig is hij die zich houdt aan de wet.

Dit vers verwijst naar twee vormen van Goddelijke openbaring: een “visioen” en “de wet”. Een visioen is een boodschap van God die Hij een profeet geeft om die door te geven aan Zijn volk (Hs 12:1111En Ik zal tot de profeten spreken,
en Ík zal de visioenen talrijk maken,
en Ik zal door de dienst van de profeten in gelijkenissen spreken.
)
. We vinden er talrijke voorbeelden van in het Oude Testament. De profeten Daniël, Amos en Zacharia, om er maar enkelen te noemen, hebben diverse visioenen gehad. Maar in de dagen van Eli was er “geen visioen dat in de openbaarheid kwam” (1Sm 3:11En de jonge Samuel diende de HEERE onder toezicht van Eli. Het woord van de HEERE was schaars in die dagen; er was geen visioen dat in de openbaarheid kwam.). Dat was in de tijd van de richters, toen “eenieder deed wat juist was in zijn ogen” (Ri 17:66In die dagen was er geen koning in Israël: eenieder deed wat juist was in zijn ogen.; 21:2525In die dagen was er geen koning in Israël: eenieder deed wat juist was in zijn ogen.). Het volk was “losgeslagen” van God (2Kr 15:33Vele dagen [lang] was Israël zonder de ware God, zonder een priester die onderwees, en zonder de wet.).

Dat is in de eens christelijke westerse landen waarin wij leven ook het geval. De mensen raken steeds meer losgeslagen van God omdat ze Gods Woord verwerpen en door vrijzinnige theologen ook van God afgehouden worden (vgl. 2Kr 28:1919Want de HEERE vernederde Juda, vanwege Achaz, de koning van Israël. Hij had Juda immers [van God] afgehouden, zodat het trouwbreuk had gepleegd tegen de HEERE.). Verdorvenheid en geweld nemen hand over hand toe.

Als het volk als geheel is losgeslagen, komt het aan op persoonlijke trouw. Dat is de boodschap van de tweede versregel. Hoewel een Goddelijke openbaring aan de profeten ontbreekt, is het wel mogelijk je aan de wet te houden. Wie dat doet, wordt “welzalig” geprezen.

Als alles in verval is, blijft Gods Woord voor de trouwe enkeling het richtsnoer voor zijn wandel. God waardeert en beloont het als Zijn Woord als richtsnoer wordt gevolgd. Zulke trouwe gelovigen, die door wijzen zijn onderwezen en dat onderwijs hebben aangenomen, roepen door hun levenswandel in gehoorzaamheid aan Gods Woord de ontrouwe leden van Gods volk op tot een terugkeer naar gehoorzaamheid aan Gods Woord.


Relatie werkgever-werknemer

19Een slaaf zal zich door woorden geen gehoorzaamheid bij laten brengen,
ook al begrijpt hij [u], toch komt er geen antwoord.
20Hebt u iemand gezien die overhaast is met zijn woorden?
Voor een dwaas is er meer hoop dan voor hem.
21Als men zijn slaaf van jongs af aan verwent,
zal hij uiteindelijk ondankbaar zijn.

Het is niet voldoende om een slaaf alleen door woorden gehoorzaamheid bij te brengen (vers 1919Een slaaf zal zich door woorden geen gehoorzaamheid bij laten brengen,
ook al begrijpt hij [u], toch komt er geen antwoord.
)
. Er is geen volmaakt gehoorzame slaaf. Dat was alleen de Heer Jezus. Een slaaf, of werknemer, moet leren gehoorzamen, omdat hij van nature ongehoorzaam is. Een ongehoorzaamheid moet niet alleen met woorden worden bestraft, maar ook met andere, voelbare, tuchtmiddelen. We kunnen denken aan voor straf geen eten krijgen of het tijdelijk onthouden van bepaalde voorrechten die hij genoot.

Als er geen voelbare tucht wordt uitgeoefend, zal de slaaf gewoon zijn eigen gang gaan. De meester, of werkgever, kan praten en bevelen wat hij wil, hij reageert niet. Hij hoort wel wat er wordt gevraagd en begrijpt het ook, maar hij doet het eenvoudig niet omdat hij er geen zin in heeft of omdat het hem niet uitkomt.

Gehoorzaamheid bijbrengen is van belang in het gezin (vers 1717Breng uw zoon gehoorzaamheid bij, en hij zal u rust geven
en uw ziel genoegens schenken.
)
en in de maatschappij. Er moet worden gehoorzaamd aan het gezag van ouders, de werkgever, de overheid en bovenal aan God. Wie niet leert gehoorzamen in de aardse verhoudingen, zal ook niet buigen voor God, met als dramatisch gevolg het eeuwig oordeel.

De christen is een slaaf van Christus en moet als zodanig gehoorzaamheid worden bijgebracht. In het Woord van God hoort hij wat Christus van hem vraagt. De christen is niet altijd gehoorzaam aan wat Christus zegt. Dan tuchtigt Hij hem uit liefde (vgl. Op 3:1919Allen die Ik liefheb, bestraf en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u.). Daardoor brengt Hij hem ertoe te doen wat Hij heeft opgedragen.

Omdat vers 2020Hebt u iemand gezien die overhaast is met zijn woorden?
Voor een dwaas is er meer hoop dan voor hem.
tussen twee verzen in staat die over slaven gaan, kunnen we dit vers misschien in de eerste plaats daarmee verbinden, zonder een ruimere toepassing uit te sluiten. Iemand die alleen tot zijn slaaf spreekt, maar daarop geen respons krijgt (vers 1919Een slaaf zal zich door woorden geen gehoorzaamheid bij laten brengen,
ook al begrijpt hij [u], toch komt er geen antwoord.
)
, verliest zijn geduld en is “overhaast … met zijn woorden”. Dit geldt voor alle intermenselijke betrekkingen.

Wie uit irritatie reageert, reageert impulsief, ondoordacht. Het gaat niet om een incident, maar om een gewoonte. Iemand die alleen praat, ziet daarin zijn kracht, terwijl hij er blind voor is dat het zijn zonde is. Wordt er niet naar hem geluisterd, dan zal hij nog meer woorden spreken. Hij is zeker van zijn zaak, denkt niet na, overlegt niet en is niet te corrigeren. De waarschuwing is dat wij traag moeten zijn om te spreken (Jk 1:1919Weet dit, mijn geliefde broeders; laat ieder mens echter snel zijn om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn.; Pr 5:11Wees niet te snel met uw mond,
en laat uw hart zich niet haasten
een woord te uiten voor het aangezicht van God.
Want God is in de hemel
en u bent op de aarde.
Laat daarom uw woorden weinig [in aantal] zijn.
)
.

Je kunt beter met een dwaas dan met een snelle prater te maken hebben. Er is “meer hoop” dat er iets zinnigs uit een dwaas dan uit een snelle prater komt. Dat geeft wel aan wat voor hopeloos geval de snelle prater is. Die heeft geen tijd om te luisteren. Een dwaas ontbreekt het wel aan wijsheid, maar soms neemt hij toch de tijd om te luisteren naar wat er wordt gezegd.

Evenals in vers 1919Een slaaf zal zich door woorden geen gehoorzaamheid bij laten brengen,
ook al begrijpt hij [u], toch komt er geen antwoord.
ligt in vers 2121Als men zijn slaaf van jongs af aan verwent,
zal hij uiteindelijk ondankbaar zijn.
de fout bij de meester. Hier is de fout van de meester dat hij zijn slaaf verwent. Daardoor geeft hij hem het gevoel geen slaaf te zijn, maar een familielid. Je zou verwachten dat de slaaf hem daarvoor dankbaar is, maar het tegendeel is het geval. De slaaf zal hem “uiteindelijk ondankbaar zijn”. Door zijn slaaf te verwennen wekt hij bepaalde verwachtingen bij hem, misschien wel dat hij in de erfenis zal delen. Als dat dan niet gebeurt, is hij ondankbaar.

Zulke ongegronde verwachtingen zijn het gevolg van scheefgegroeide verhoudingen. Daarvoor is de meester verantwoordelijk. Hij moet ervoor zorgen dat de verhouding meester-slaaf (werkgever-werknemer) op de juiste wijze wordt gerespecteerd. De baas moet de werknemer zeggen wat hij moet doen. Dat heeft niets te maken met heerszucht, maar met het erkennen van door God ingestelde gezagsverhoudingen.


Toorn, drift en hoogmoed tegenover nederigheid

22Een toornig man verwekt ruzie,
een driftige maakt de overtredingen talrijk.
23De hoogmoed van een mens zal hem vernederen,
maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.

Overal waar “een toornig man” komt, ontstaat ruzie (vers 2222Een toornig man verwekt ruzie,
een driftige maakt de overtredingen talrijk.
)
. Hij verwekt die, hij roept die op door zijn ongegronde toorn. Hij is niet slechts tijdelijk boos, maar de boosheid heerst over hem. Of hij nu in het gezin is, op zijn werk of waar dan ook, overal is hij als “een toornig man” aanwezig.

Zijn houding roept weerstand op. Zijn omgeving pikt dat niet en er ontstaat ruzie. In zijn drift schiet hij niet sporadisch uit, maar hij begaat een aaneenschakeling van overtredingen. Iedereen die in zijn buurt komt, snauwt hij af en behandelt hij onheus. Zo stapelt hij zijn overtredingen op.

Iemand die driftig is, is overgeleverd aan zijn emoties en begeerten. Hij is een egoïst en is uit op zelfhandhaving. Om een ander bekommert hij zich niet. Het onvermijdelijke gevolg is dat hij “de overtredingen talrijk” maakt, zowel tegen zijn naaste als tegen God.

Een toornig man (vers 2222Een toornig man verwekt ruzie,
een driftige maakt de overtredingen talrijk.
)
is ook een hoogmoedig man (vers 2323De hoogmoed van een mens zal hem vernederen,
maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.
)
. Toorn is een eigenschap van God die Hij op volmaakt rechtvaardige wijze uitoefent (Jh 3:3636Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal [het] leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.; Rm 1:1818Want toorn van God wordt van [de] hemel geopenbaard over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen die de waarheid in ongerechtigheid bezitten;). Wie eigenzinnig toornig is, meent dat hij boven anderen en boven elke vorm van kritiek staat. Daarmee neemt hij de plaats van God in. God “zal hem vernederen”. Hij zal dat zeker doen in het oordeel, maar het gebeurt ook al op aarde. Een hoogmoedig mens wordt regelmatig door zijn omgeving vernederd.

Tegenover de toornige, driftige, hoogmoedige mens staat “de nederige van geest”. Dat is niet iemand in alleen maar een nederige houding, maar iemand die innerlijk nederig is. Bij hem gaat het niet om zijn eigen eer, maar om de eer van God. Daarom wordt hij door God geëerd (1Sm 2:3030Daarom spreekt de HEERE, de God van Israël: Ik had duidelijk gezegd: Uw huis en uw familie zullen voor eeuwig voor Mijn aangezicht wandelen. Maar nu spreekt de HEERE: Er is bij Mij geen sprake van, want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij verachten, zullen [zelf] veracht worden.). Iemand met een nederige geest krijgt eer van God. Die eer is dat God bij hem komt wonen en hem de volheid van het leven met Hem geeft (Js 57:1515Want zo zegt de Hoge en Verhevene,
Die [in] de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is:
Ik woon [in] de hoge hemel en [in] het heilige,
en bij de verbrijzelde en nederige van geest,
om levend te maken de geest van de nederigen,
en om levend te maken het hart van de verbrijzelden.
)
.

Nederigheid is geen valse bescheidenheid, maar het erkennen dat alles wat we zijn, doen of krijgen, te danken is aan de goedheid van God. De nederige van geest is in Gods tegenwoordigheid.


Wie met een dief deelt, haat zijn ziel

24Wie met een dief deelt, haat zijn ziel,
hij hoort een vervloeking en maakt het niet bekend.

“Wie met een dief deelt”, is diens handlanger. Wie met een dief in zee gaat, “haat zijn ziel”. Het haten van zichzelf is het tegenovergestelde van het liefhebben van zichzelf. Hij bevindt zich in een situatie waardoor zijn leven wordt geruïneerd. Als de dief en hij worden gegrepen, moet hij getuigen tegen de dief en tegen zichzelf. De rechter verhoort hem onder ede, wat hij aangeeft door een vervloeking uit te spreken (Lv 5:11Als een persoon zondigt doordat hij een uitgesproken vervloeking hoort en hij [dus] getuige is, of dat hij het gezien heeft of [het] te weten gekomen is, als hij het niet vertelt, dan draagt hij zijn ongerechtigheid.).

Maar de handlanger zwijgt, want hij is bang voor de wraak van de dief en hij is ook bang voor een veroordeling door de rechter. Daarom maakt hij het niet bekend, hij getuigt niet, maar zwijgt. Dat maakt hem schuldig aan twee zonden: zijn hulp aan de dief en zijn weigering om te getuigen.

Wie bevriend is met criminelen, kan gemakkelijk in de verleiding komen om mee te doen, zonder de hoofdverantwoordelijkheid te dragen. Meegaan met criminelen en delen in hun buit betekent dat je een hekel hebt aan je leven. Je riskeert je leven voor een beetje afleiding, spanning, bezit. Dan ben je wel heel dom en kortzichtig bezig.


Mensenvrees of op de HEERE vertrouwen

25Mensenvrees legt [iemand] een valstrik,
maar wie op de HEERE vertrouwt, wordt in een veilige vesting gezet.
26Velen zoeken de gunst van een heerser,
maar van de HEERE krijgt iemand [zijn] recht.

Er zijn twee contrasten in vers 2525Mensenvrees legt [iemand] een valstrik,
maar wie op de HEERE vertrouwt, wordt in een veilige vesting gezet.
. Het ene contrast is tussen iemand die wordt geleid door “mensenvrees” en iemand die “op de HEERE vertrouwt”. Het andere contrast tekent de gevolgen van het eerste contrast. Mensenvrees brengt iemand in “een valstrik”, terwijl vertrouwen op God naar “een veilige vesting” voert.

Mensenvrees wil zeggen dat je je leven afstemt op wat andere mensen zeggen. De mening van mensen beheerst en controleert je leven. Je gedrag wordt bepaald door de omgeving die je te vriend wilt houden. Het belemmert je jezelf te zijn of de waarheid te spreken of te doen wat God wil. Mensenvrees werkt als een valstrik, waardoor iemand alle vrijheid wordt ontnomen om zelfstandig met de Heer keuzes te maken. De gedachte wat anderen ervan zouden vinden, is bepalend voor het nemen van beslissingen. Het maakt iemand tot een gevangene van meningen van mensen, doordat zijn handelen wordt beheerst of begrensd door mensen voor wie hij bang is.

Het is veel beter op de HEERE te vertrouwen, want dan ben je veilig, onbereikbaar hoog. Je staat boven wat mensen van je keus vinden. Wie op God vertrouwt, maakt keuzes die Hem behagen. Daar kan geen mens wat aan veranderen of invloed op uitoefenen. God bewaart ieder die op Hem vertrouwt voor het gevaar van de mening van mensen.

De keus is tussen een leven dat geregeerd wordt door wat anderen denken en Wie God is en wat Hij heeft beloofd. Het eerste is een leven in slavernij, een strik. Het tweede is een leven in vrijheid en veiligheid. Vrees voert ons in een valstrik, vertrouwen brengt ons in veiligheid en verhoging.

Vrees voor mensen bracht Abraham ertoe zijn verhouding met Sara te loochenen (Gn 12:11-1311En het gebeurde, toen hij op het punt stond om Egypte binnen te gaan, dat hij tegen zijn vrouw Sarai zei: Zie toch, ik weet dat je een vrouw bent [die] knap is om te zien.12Als de Egyptenaren je zien, dan zullen ze zeggen: Dat is zijn vrouw! Dan zullen ze mij doden en jou in leven laten.13Zeg toch dat je mijn zuster bent, zodat het mij omwille van jou goed zal gaan en ik omwille van jou blijf leven.; 20:22Abraham zei van zijn vrouw Sara: Zij is mijn zuster. Toen stuurde Abimelech, de koning van Gerar, [een bode] en haalde Sara weg.) en bracht Petrus ertoe zijn Heer te verloochenen (Mt 26:69-7469Petrus nu zat buiten in de voorhof; en een dienstmeisje kwam naar hem toe en zei: Ook u was met Jezus de Galileeër.70Hij loochende het echter ten aanhoren van allen en zei: Ik weet niet wat u zegt.71Toen hij nu naar buiten ging naar de voorpoort, zag een andere [vrouw] hem en zij zei tot hen die daar waren: <Ook> deze was met Jezus de Nazoreeër.72En hij loochende het opnieuw met een eed: Ik ken de Mens niet!73Kort daarna nu kwamen zij die [daar] stonden naar hem toe en zeiden tot Petrus: Werkelijk, ook u bent een van hen, want ook uw spraak maakt u openbaar.74Toen begon hij te vloeken en te zweren: Ik ken de Mens niet!). Paulus was vrij van mensenvrees omdat hij niet mensen, maar God wilde behagen en omdat hij geen slaaf van mensen, maar van Christus wilde zijn (Gl 1:1010Want probeer ik nu mensen tevreden te stellen of God? Of tracht ik mensen te behagen? Als ik nog mensen behaagde, zou ik geen slaaf van Christus zijn.). Het is een van de grootste kwaden voor predikers om uit mensenvrees de waarheid te verdoezelen. Het is handelen vanuit de gedachte: wat zal men ervan zeggen, en niet: wat zegt de Heer ervan.

Een vorm van mensenvrees (vers 2525Mensenvrees legt [iemand] een valstrik,
maar wie op de HEERE vertrouwt, wordt in een veilige vesting gezet.
)
is het zoeken naar “de gunst van een heerser” (vers 2626Velen zoeken de gunst van een heerser,
maar van de HEERE krijgt iemand [zijn] recht.
)
, om zijn recht te krijgen. Het kan erop uitlopen dat die heerser zich als een ‘valstrik’ ontpopt. Mensen kunnen het recht niet geven, maar God wel. Hij geeft iemand het recht dat hem toekomt. Vertrouwen op Hem is daarom veel beter dan mensen te vrezen of hun gunst te zoeken, hoe voornaam ze ook zijn en over welke middelen ze ook beschikken.


Onrecht doen of oprecht van weg zijn

27Een man die onrecht doet, is een gruwel voor rechtvaardigen,
maar wie oprecht van weg is, is een gruwel voor een goddeloze.

Dit vers is de laatste spreuk van Salomo. We kunnen wel zeggen dat het een soort samenvatting van heel het onderwijs van het boek is. Hier worden “rechtvaardigen” en “een goddeloze” tegenover elkaar gesteld. Maar dat niet alleen. Hier worden twee totaal verschillende leefstijlen en gezindheden voorgesteld en hoe die op elkaar reageren.

De rechtvaardigen en de goddelozen verafschuwen elkaars leefstijl. Ze kunnen elkaar niet waarderen en verdragen. Dat komt door hun tegenovergestelde overtuigingen. De rechtvaardigen verafschuwen “een man die onrecht doet” en een goddeloze verfoeit “wie oprecht van weg is”. Salomo gebruikt de sterke uitdrukking “een gruwel”.

Er is bij beiden sprake van afschuw, maar toch is er verschil. De rechtvaardigen verafschuwen het onrecht van de goddeloze, maar niet de goddeloze zelf, terwijl de goddeloze de persoon haat. De goddeloze voelt zich door de rechtvaardigen veroordeeld, terwijl dat andersom niet zo is. De afschuw van de rechtvaardigen heeft zijn oorsprong in hun gemeenschap met God (Ps 139:21-2221Zou ik niet haten, HEERE, wie U haten,
walgen van wie tegen U opstaan?
22Ik haat hen met een volkomen haat,
mijn [eigen] vijanden zijn het.
)
. De afschuw van de goddeloze vindt zijn oorsprong in hemzelf.

Er zijn sinds de zondeval slechts twee soorten mensen in de wereld: het zaad van de slang, dat zijn de goddelozen, en het zaad van de vrouw, dat is Christus en allen die in Hem geloven, de rechtvaardigen. De wereld kan wel spreken over ‘tolerantie’, dat alles moet kunnen, maar ten diepste is de wereld goddeloos en vol haat tegen de rechtvaardigen.

Rechtvaardigen en goddelozen leven in dezelfde wereld en doen een aantal dingen precies hetzelfde. Zo eten en drinken ze beiden om lichamelijk in leven te blijven, wonen ze beiden in huizen, hebben ze beiden een gezin en vrienden en gaan ze beiden met de auto naar hun werk. Maar daar houdt de vergelijking op, want ze worden door totaal verschillende motieven gedreven en beoordelen het leven en wat daarbij hoort vanuit een totaal verschillende achtergrond. De een beziet alles met de ogen van God, de ander kijkt met de ogen van de duivel.


Lees verder