Spreuken
1 Eerlijkheid in de handel 2-3 Ootmoed en oprechtheid 4-6 Gerechtigheid redt en leidt 7-8 Het lot van de goddeloze 9 Kennis die redt van de huichelaar 10-11 De vreugde en verhevenheid van een stad 12-13 Inzicht, betrouwbaarheid 14-15 Wijze raad, geen borg zijn 16 Een bevallige vrouw en geweldplegers 17-21 Gevolgen van rechtvaardig of goddeloos gedrag 22 Een mooie vrouw zonder inzicht 23-27 De zegen van de rechtvaardige 28-31 De groei van de rechtvaardige
Eerlijkheid in de handel

1Een bedrieglijke weegschaal is voor de HEERE een gruwel,
maar een zuivere [weeg]steen is Hem welgevallig.

Dit vers gaat over het zakendoen, zoals dat op de markt en in de winkel gebeurt, dus in het alledaagse leven. God wil dat alle handel eerlijk gebeurt. Als dat niet gebeurt, is dat “een gruwel” voor Hem; als dat wel gebeurt, is dat “Hem welgevallig”. We zien hier Gods persoonlijke reactie op de manier waarop handel wordt gedreven. Het hanteren van “een bedrieglijke weegschaal” houdt in dat een van de leden van Zijn volk tekortgedaan wordt. God komt hier voor de misdeelde op. In Zijn ‘afweging’ van het gedrag van de verkoper hanteert Hij een absoluut eerlijke maat.

Er is niets in het dagelijkse leven waar Hij buiten staat. Het leven van Zijn volk in hun onderlinge omgang behoort Zijn eigenschappen te reflecteren. Alles behoort in overeenstemming met Zijn wil te gebeuren, dat wil zeggen in overeenstemming met Wie Hij is als licht en liefde. Dat geldt ook voor de handel.

Omdat het bij de handel om winst, om geld, gaat, zijn vooral daar de gevaren groot om oneerlijk te zijn. Iemand kan zomaar door geldzucht gedreven worden. Een beetje meer rekenen dan het product waard is, een beetje minder product leveren dan waarvoor is betaald, maakt de winst groter. God kent Zijn volk en wil daarom dat het “een zuivere weegschaal, een zuiver efa en een zuivere bath” gebruikt (Ez 45:1010U moet een zuivere weegschaal, een zuivere efa(1) en een zuivere bath(2) hebben.).

De hele Schrift door wordt oneerlijkheid in de handel veroordeeld (Lv 19:35-3635U mag geen onrecht doen in de rechtspraak, met de lengtemaat, met het gewicht en met de inhoudsmaat.36U moet een zuivere weegschaal hebben, zuivere gewichten, een zuivere efa en een zuivere hin. Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte geleid heeft.; Dt 25:13-1613U mag niet twee verschillende [weeg]stenen in uw zak hebben, een grote en een kleine.14U mag in uw huis niet twee verschillende efa's hebben, een grote en een kleine.15U moet een zuivere en rechtmatige [weeg]steen hebben, u moet een zuivere en rechtmatige efa hebben, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.16Want iedereen die dat doet, iedereen die onrecht doet, is voor de HEERE, uw God, een gruwel.; Am 8:55door te zeggen: Wanneer is de nieuwemaansdag voorbij, zodat wij graan kunnen verkopen? En de sabbat, zodat wij de korenschuren kunnen openen? U maakt de efa kleiner, de sikkel groter, en u bedriegt met valse weegschalen.). God verbiedt het niet alleen, het is voor Hem een gruwel. God aanvaardt iemands handelwijze alleen als die eerlijk is. Hij let erop of wij product geven voor het geld dat we voor dat product vragen. Oneerlijkheid tiert welig als er met God geen rekening wordt gehouden. Een bedrieglijke weegschaal is letterlijk een ‘gewicht van bedrog’. Wie een bedrieglijke weegschaal gebruikt, ontbreekt het aan oprechtheid in het hart (vers 2020De verkeerden van hart zijn voor de HEERE een gruwel,
maar de oprechten van weg zijn Hem welgevallig.
)
.

Eerlijk zijn wordt door God in de wet gekoppeld aan de verlossing van Zijn volk uit Egypte (Lv 19:35-3635U mag geen onrecht doen in de rechtspraak, met de lengtemaat, met het gewicht en met de inhoudsmaat.36U moet een zuivere weegschaal hebben, zuivere gewichten, een zuivere efa en een zuivere hin. Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte geleid heeft.). Door de verlossing heeft Hij hen tot Zijn eigen volk gemaakt. Daarom moeten ze eerlijk zijn, zoals Hij dat is. Zo behoren ook wij, die tot de gemeente van God behoren, op grond van onze verlossing uit de wereld, eerlijk te zijn in ons zakendoen. Elk onrecht, elke oneerlijkheid, moet door ons worden vermeden (1Ko 6:88Maar ú doet onrecht en doet tekort en dat aan broeders!). Dat geldt niet alleen voor stoffelijke zaken, maar ook als we ons met geschillen of zonden moeten bezighouden. Leggen we dan een eerlijke norm aan, of laten we ons in onze afweging beïnvloeden door familie- of vriendschapsbanden?


Ootmoed en oprechtheid

2Komt overmoed, dan komt [ook] schande,
maar bij de ootmoedigen is wijsheid.
3De oprechtheid van de oprechten leidt hen,
maar de verkeerdheid van de trouwelozen verwoest henzelf.

“Overmoed”, of trots, is letterlijk ‘overkoken’, ofwel het overschrijden van grenzen en het kenmerk van opstandigheid (vers 22Komt overmoed, dan komt [ook] schande,
maar bij de ootmoedigen is wijsheid.
)
. Overmoedige mensen blazen zichzelf op tot het niveau van een godheid. In het kielzog van hun opgeblazenheid volgt “schande”, een woord dat ‘licht gemaakt worden’ betekent. De overmoedige, opgeblazen mens is als een ballon die leegloopt, tot er slechts een vod overblijft.

Een treffende illustratie daarvan is Herodes Agrippa die zich als God laat bejubelen en ogenblikkelijk daarna door de wormen wordt gegeten en sterft (Hd 12:21-2321Op een vastgestelde dag nu hield Herodes, na een koninklijk gewaad te hebben aangedaan <en> gezeten op de rechterstoel, een toespraak tot hen.22En het volk riep hem toe: Een stem van God en niet van een mens!23En onmiddellijk sloeg een engel van [de] Heer hem, omdat hij God niet de heerlijkheid gaf; en hij werd door wormen gegeten en stierf.). Hij was een opgeblazen god die verschrompelde tot een vod. Ook de farizeeën zijn opgeblazen. Zij denken groot van zichzelf in hun relatie met God en kijken verachtelijk neer op anderen (Lk 18:9-129Hij nu zei ook tot sommigen die van zichzelf vertrouwden dat zij rechtvaardig waren en de overigen verachtten, deze gelijkenis:10Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden, de een een farizeeër en de ander een tollenaar.11De farizeeër ging [daar] staan en bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet ben zoals de overige mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook als deze tollenaar.12Ik vast tweemaal in de week, ik geef tienden van al mijn inkomsten.; Mt 6:55En wanneer u bidt, zult u niet zijn zoals de huichelaars; want zij houden ervan in de synagogen en op de hoeken van de straten te staan bidden, om zich aan de mensen te vertonen. Voorwaar, Ik zeg u: zij hebben hun loon al.). De Heer spreekt het ‘wee u’ over hen uit (Mt 23). Nog een voorbeeld van overmoed is het grote Babylon, dat is de roomse kerk, dat daarvoor ook geoordeeld zal worden (Op 18:7-87Naarmate zij zichzelf verheerlijkt heeft en weelderig geleefd heeft, geeft haar zoveel pijniging en rouw. Want zij zegt in haar hart: Ik zit als koningin en ben geen weduwe en zal helemaal geen rouw zien.8Daarom zullen haar plagen op één dag komen: dood en rouw en honger, en met vuur zal zij verbrand worden; want sterk is [de] Heer, God, Die haar geoordeeld heeft.). Het enige wat ervan overblijft, is “de rook van haar brand” (Op 18:1818en terwijl zij de rook van haar brand zagen, riepen zij de woorden: Welke [stad] was aan die grote stad gelijk?).

Tegenover overmoed staat ootmoed of nederigheid. “Bij de ootmoedigen is wijsheid”, wat blijkt uit de plaats die zij tegenover God en mensen innemen. Zij matigen zich niets aan, zij zijn niet opgeblazen. Bij hen is de vrees voor God aanwezig en dat is hun wijsheid. Zij zullen op Gods tijd worden verhoogd (Lk 14:1111Want ieder die zichzelf verhoogt, zal worden vernederd; en die zichzelf vernedert, zal worden verhoogd.; 1Pt 5:66Vernedert u dus onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoogt op Zijn tijd,).

Wie ootmoedig is, is ook oprecht (vers 33De oprechtheid van de oprechten leidt hen,
maar de verkeerdheid van de trouwelozen verwoest henzelf.
)
. Het gevolg of resultaat van innerlijke “oprechtheid” is dat het “de oprechten leidt” op de weg die zij gaan en in de contacten die zij hebben. Er is vrijheid en leven in hun gaan en staan, zowel voor henzelf als voor hen die zij ontmoeten. We zien hier de gezegende invloed die oprechtheid op de oprechten heeft. Oprechtheid is een gezindheid van hart, die tot uiting komt in eerlijk en trouw handelen.

Tegenover de oprechten staan “de trouwelozen”. Bij hen is geen oprechtheid, maar het tegenovergestelde, “de verkeerdheid”. Deze verkeerdheid blijkt uit de verkeerde wegen die ze gaan en de verkeerde leer die zij verkondigen. Ze ondergaan daarvan zelf het effect. Door hun verkeerdheid verwoesten zij zichzelf. We zien hier de verwoestende invloed die verkeerdheid op de trouwelozen zelf heeft. Wie erop uit is anderen te beschadigen, beschadigt zichzelf.


Gerechtigheid redt en leidt

4Bezit baat niet op de dag van de verbolgenheid,
maar gerechtigheid redt van de dood.
5De gerechtigheid van de oprechte maakt zijn weg recht,
maar de goddeloze komt ten val door zijn [eigen] goddeloosheid.
6De gerechtigheid van de oprechten zal hen redden,
maar de trouwelozen worden gevangen in [hun eigen] begeerten.

Al bezit iemand al het goud en zilver van wereld, het is van geen enkele betekenis “op de dag van de verbolgenheid”, dat is de dag van de toorn van God over de zonde (vers 44Bezit baat niet op de dag van de verbolgenheid,
maar gerechtigheid redt van de dood.
; Zf 1:1818Ook hun zilver, ook hun goud zal hen niet kunnen redden
op de dag van de verbolgenheid van de HEERE.
Door het vuur van Zijn na-ijver zal heel dit land verteerd worden,
want Hij zal zeker [en] spoedig een vernietigend einde maken aan alle inwoners van het land.
; Ez 7:1919Zij zullen hun zilver op de straten werpen,
en hun goud zal tot onreinheid zijn.
Hun zilver en hun goud zal hen niet kunnen redden op de dag van de verbolgenheid van de HEERE.
Hun ziel zullen zij [er] niet [mee] verzadigen,
en hun ingewanden zullen zij [er] niet [mee] vullen,
want het is voor hen een struikelblok van ongerechtigheid geweest.
; Mk 8:37-3837Want wat zou een mens geven in ruil voor zijn ziel?38Want wie zich voor Mij en Mijn woorden schaamt onder dit overspelig en zondig geslacht, voor hem zal ook de Zoon des mensen Zich schamen wanneer Hij komt in de heerlijkheid van Zijn Vader, met de heilige engelen.)
. ‘De dag van de verbolgenheid’ kan zowel de sterfdag als het toekomstige oordeel zijn. In dit leven kan met bezit een rechter worden omgekocht en een straf worden afgekocht. Maar zo werkt het niet bij God. Het enige waarop het op die dag aankomt, is of iemand verlost is door het bloed van het Lam (1Pt 1:18-1918daar u weet dat u niet door vergankelijke dingen zilver of goud, verlost bent van uw onvruchtbare, door de vaderen overgeleverde wandel,19maar door kostbaar bloed, als van een vlekkeloos en onbesmet lam, [het bloed] van Christus.). Wie daardoor is verlost, heeft de gerechtigheid van God door het geloof in Christus. Alleen die “gerechtigheid redt van de dood”.

Gerechtigheid redt niet alleen van de dood, maar heeft ook grote praktische waarde voor het leven. Gerechtigheid maakt de weg van de oprechte recht (vers 55De gerechtigheid van de oprechte maakt zijn weg recht,
maar de goddeloze komt ten val door zijn [eigen] goddeloosheid.
)
. De oprechte is onomkoopbaar, onkreukbaar, altijd eerlijk. Dat blijkt uit zijn gerechtigheid, uit het doen wat recht is. Daardoor is zijn weg ook recht. Er is niets verdraaids of dubbelzinnigs in. Hij gaat een veilige en zekere weg door het leven. De weg die Jozef te midden van zijn broers en in Egypte ging, is daarvan een voorbeeld. Het is volmaakt waar van de Heer Jezus, de volkomen Oprechte, en het is ook waar voor ieder die Hem in oprechtheid volgt.

Wat de weg van de oprechte kenmerkt, ontbreekt totaal bij de goddeloze. Bij hem zien we het tegenovergestelde. Zijn goddeloosheid geeft hem geen enkele stabiliteit in het leven, maar veroorzaakt juist zijn val.

In vers 66De gerechtigheid van de oprechten zal hen redden,
maar de trouwelozen worden gevangen in [hun eigen] begeerten.
is opnieuw sprake van “de gerechtigheid van de oprechten”. In vers 55De gerechtigheid van de oprechte maakt zijn weg recht,
maar de goddeloze komt ten val door zijn [eigen] goddeloosheid.
is het enkelvoud, ‘de oprechte’, nu is het meervoud, ‘de oprechten’. Het gaat nu om de redding uit gevaarlijke, levensbedreigende situaties. De rechte weg van vers 55De gerechtigheid van de oprechte maakt zijn weg recht,
maar de goddeloze komt ten val door zijn [eigen] goddeloosheid.
is een weg met gevaren. Dezelfde gerechtigheid die de weg recht maakt, helpt ook bij het overwinnen van moeilijkheden op die weg. De oprechten zoeken daarvoor hun hulp bij Hem Die de gerechtigheid heeft gegeven.

“De trouwelozen” ontbreekt het aan gerechtigheid en daardoor aan hulp in gevaren. Zij zien die gevaren niet eens, maar worden geleid door hun “begeerten”. Ze worden door hun begeerten “gevangen”, waardoor ze erin als in een gevangenis opgesloten zitten. Hun begeerten brengen hen tot het begaan van zonden, die hen omgeven als een net waaruit ze zichzelf niet kunnen bevrijden. Door dat net worden ze naar het oordeel gesleept en uiteindelijk naar de eeuwige dood.


Het lot van de goddeloze

7Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn hoop,
dan vergaat [zelfs] de allersterkste verwachting.
8De rechtvaardige wordt uit benauwdheid gered,
maar de goddeloze komt in zijn plaats.

Van “de goddeloze mens” vergaat op het moment dat hij sterft “zijn hoop” (vers 77Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn hoop,
dan vergaat [zelfs] de allersterkste verwachting.
; Ps 49)
. Uit dit vers spreekt een grote tragiek die is verbonden aan de hoop die de goddeloze mens meent te hebben. Elke hoop op een lange levensduur of succes zal eindigen in een desillusie omdat die hoop verankerd ligt in het vertrouwen op aards bezit.

Hij kan “de allersterkste verwachting” hebben gehad dat hij altijd in voorspoed zou blijven leven, met een rotsvast vertrouwen op het uitvoeren van zijn plannen, maar het vergaat allemaal als een damp als hij sterft. De Heer Jezus vertelt over een rijke man die zonder God sterft. Deze man heeft bij zijn dood al zijn rijkdom moeten achterlaten en heeft in het hiernamaals zelfs geen druppel water om zijn tong ook maar enigszins te verkoelen (Lk 16:19-3119Nu was er een rijk mens, en hij ging gekleed in purper en fijn linnen en vierde elke dag schitterend feest.20Nu lag er ook een arme, genaamd Lazarus, aan zijn voorpoort, vol zweren,21begerig zich te verzadigen met wat van de tafel van de rijke viel; maar zelfs de honden kwamen zijn zweren likken.22Het gebeurde nu dat de arme stierf en door de engelen werd gedragen in de schoot van Abraham.23De rijke nu stierf ook en werd begraven. En toen hij in de hades zijn ogen opsloeg, terwijl hij in pijnen verkeerde, zag hij Abraham uit de verte, en Lazarus in zijn schoot.24En hij riep de woorden: Vader Abraham, erbarm u over mij en zend Lazarus om de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong te verkoelen, want ik lijd smart in deze vlam.25Abraham echter zei: Kind, bedenk dat u het goede hebt ontvangen in uw leven, en Lazarus evenzo het kwade; en nu wordt hij hier vertroost, maar u lijdt smart.26En bij dat alles is er tussen ons en u een grote kloof gevestigd, zodat zij die van hier naar u willen overgaan, niet kunnen, en zij vandaar niet naar ons kunnen overkomen.27Hij echter zei: Ik bid u dan, vader, dat u hem zendt naar het huis van mijn vader, want ik heb vijf broers,28opdat hij ernstig tot hen kan getuigen, zodat ook zij niet komen in deze plaats van pijn.29Abraham echter zei: Zij hebben Mozes en de profeten; laten zij naar hen luisteren.30Hij echter zei: Nee, vader Abraham, maar als iemand van [de] doden naar hen toe gaat, zullen zij zich bekeren.31Hij echter zei tot hem: Als zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij, ook al stond iemand uit [de] doden op, zich niet laten overtuigen.).

Wat een genade dat de gelovige een zekere hoop mag hebben, een hoop die als hij sterft niet vergaat, maar juist in vervulling gaat. De hoop van de gelovige is een zekerheid, het is een hoop die niet beschaamt (Hb 11:11Het geloof nu is [de] zekerheid van wat men hoopt, [de] overtuiging van wat men niet ziet.; Rm 5:55en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten is uitgestort door [de] Heilige Geest Die ons gegeven is.). Daarom hoopt hij “met volharding” (Rm 8:24-2524Want wij zijn behouden geworden in de hoop. Een hoop nu die men ziet, is geen hoop; want wie hoopt er op wat hij ziet?25Maar als wij hopen op wat wij niet zien, dan verwachten wij het met volharding.).

“De rechtvaardige wordt” door God “uit benauwdheid gered” (vers 88De rechtvaardige wordt uit benauwdheid gered,
maar de goddeloze komt in zijn plaats.
)
. De rechtvaardige kan in benauwdheid terechtkomen. We kunnen daarbij denken aan beklemmende, beknellende situaties, die hem beperken in zijn vrijheid en hem angst bezorgen. Goddeloze mensen kunnen het leven heel benauwd voor hem maken. Maar God zorgt ervoor dat hij niet omkomt en zal hem eruit redden.

Wat “de goddeloze” treft, staat daar tegenover en wel op een opmerkelijke manier. De goddeloze krijgt niet alleen een verdiende straf, maar hij krijgt de plaats waar hij zelf eerst de rechtvaardige in heeft gebracht. De rollen worden omgedraaid. Een duidelijk voorbeeld daarvan is Haman die in de plaats van Mordechai wordt opgehangen (Es 7:1010Toen hingen zij Haman aan de galg die hij voor Mordechai had laten oprichten. Toen bedaarde de woede van de koning.; 9:11In de twaalfde maand, [dat is] de maand Adar, op de dertiende dag ervan, toen [het moment] gekomen was om het woord van de koning en zijn wet uit te voeren, op de dag waarop de vijanden van de Joden hoopten hen in hun macht te krijgen, gebeurde het omgekeerde, want de Joden zelf kregen hun haters in hun macht.). Bij de mannen die in de plaats van Daniël in de leeuwenkuil worden geworpen, zien we hetzelfde (Dn 6:24-2524Toen werd de koning zeer verheugd, en hij gaf bevel om Daniël uit de kuil te trekken. Toen Daniël uit de kuil was getrokken, werd er geen enkel letsel bij hem aangetroffen, omdat hij op zijn God had vertrouwd.25Vervolgens gaf de koning bevel en men haalde de mannen die Daniël openlijk hadden beschuldigd, en men wierp hen, hun kinderen en hun vrouwen, in de leeuwenkuil. Zij hadden de bodem van de kuil nog niet bereikt, of de leeuwen maakten zich van hen meester en verbrijzelden al hun beenderen.). Deze omkering van rollen zal ook plaatsvinden wanneer de Heer Jezus verschijnt. De gelovigen worden dan uit de verdrukking bevrijd en de goddelozen komen dan in de verdrukking (2Th 1:6-76daar het rechtvaardig is bij God, aan hen die u verdrukken, verdrukking te vergelden,7en aan u die verdrukt wordt, rust met ons bij de openbaring van de Heer Jezus van [de] hemel met [de] engelen van Zijn kracht, in vlammend vuur,).


Kennis die redt van de huichelaar

9De huichelaar richt zijn naaste met [zijn] mond te gronde,
maar door kennis worden de rechtvaardigen gered.

“De huichelaar” is een onoprecht iemand. Hij doet zich voor als een hulpvaardige naaste, maar is een vijand. Hij is erop uit “zijn naaste met [zijn] mond te gronde” te richten, wat benadrukt hoe intens gemeen hij is. Hij wekt bij zijn naaste de verwachting dat hij iets voor hem wil betekenen, dat hij het goede voor hem zoekt. In plaats van die verwachting waar te maken is hij uit op zijn verderf. Hij spreekt allerlei kwaad over zijn naaste om hem daardoor een slechte naam te bezorgen. Dit wordt wel ‘karaktermoord’ genoemd. Hierdoor maakt hij het leven van de naaste tot een kwelling.

Maar “de rechtvaardigen” zullen niet aan zijn verderfelijke bezigheid ten prooi vallen. Zij bezitten namelijk “kennis”. Door hun kennis doorzien zij de huichelaar. Zij zien de werkelijke bedoeling achter de woorden van de huichelaar, ze ontmaskeren hem en weerstaan hem. De mond van de huichelaar wordt gestopt en de rechtvaardigen zijn gered. De trouwe christen weet door het vasthouden “aan het naar de leer betrouwbare woord … de tegensprekers te weerleggen”, waardoor hij “hun de mond stoppen” kan (Tt 1:9-119vasthoudend aan het naar de leer betrouwbare woord, opdat hij in staat is zowel met de gezonde leer te vermanen als de tegensprekers te weerleggen.10Want er zijn vele <en> weerspannige zwetsers en bedriegers, vooral zij die uit de besnijdenis zijn.11Men moet hun de mond stoppen, daar zij hele huizen omkeren, door te leren wat niet behoort ter wille van schandelijke winst.).


De vreugde en verhevenheid van een stad

10Een stad springt op van vreugde over de welstand van de rechtvaardigen,
maar als de goddelozen vergaan, is er gejuich.
11Door de zegen van de oprechten wordt een stad verheven,
maar door de mond van goddelozen wordt ze met de grond gelijkgemaakt.

In de verzen 10-1110Een stad springt op van vreugde over de welstand van de rechtvaardigen,
maar als de goddelozen vergaan, is er gejuich.
11Door de zegen van de oprechten wordt een stad verheven,
maar door de mond van goddelozen wordt ze met de grond gelijkgemaakt.
gaat het niet over personen, maar over “een stad”, een leefgemeenschap. Een leefgemeenschap weet het te waarderen als het de rechtvaardigen goed gaat (vers 1010Een stad springt op van vreugde over de welstand van de rechtvaardigen,
maar als de goddelozen vergaan, is er gejuich.
)
. De rechtvaardigen hebben hun “welstand”, hun toestand van voorspoed, te danken aan hun eerlijke handel en daar vaart de stad wel bij. Een stad, dat wil zeggen de burgers van de stad, springt daarover zelfs in uitbundige vreugde op (vgl. Es 8:1515Mordechai ging bij de koning weg in een blauwpurperen en wit koninklijk gewaad, met een grote gouden kroon en een mantel van fijn linnen en roodpurper. En de stad Susan juichte en was blij.).

Er is ook gejuich als de goddelozen vergaan (2Kn 11:2020De hele bevolking van het land was blij en de stad bleef rustig, nadat zij Athalia [bij] het huis van de koning met het zwaard gedood hadden.). Zo zal er ook gejuich in de hemel zijn als het goddeloze Babylon is verwoest (Op 18:20-2120Wees vrolijk over haar, hemel, en u, heiligen en apostelen en profeten, omdat God uw rechtszaak tegen haar berecht heeft.21En één sterke engel hief een steen op als een grote molensteen en wierp die in de zee en zei: Zó zal de grote stad Babylon met geweld neergeworpen worden en zij zal geenszins meer gevonden worden.; 19:1-21Hierna hoorde ik als een luide stem van een grote menigte in de hemel zeggen: Halleluja! De behoudenis en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God!2Want waarachtig en rechtvaardig zijn Zijn oordelen, want Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde heeft verdorven met haar hoererij, en Hij heeft het bloed van Zijn slaven van haar hand gewroken.). In het eerste geval is er vreugde over de goede invloed van de rechtvaardigen. In het tweede geval is er gejuich over het uitschakelen van de verderfelijke invloed van de goddelozen.

De goede invloed van de oprechten en de slechte invloed van de goddelozen op het leven in een stad worden in vers 1111Door de zegen van de oprechten wordt een stad verheven,
maar door de mond van goddelozen wordt ze met de grond gelijkgemaakt.
onderstreept. “De oprechten” spreken zegen over de stad uit en wensen haar voorspoed toe. Het blijft niet alleen bij zegenwensen, maar de oprechten bewerken ook zegen. Zo wordt de stad “verheven”. Ze krijgt een goede naam, het is aangenaam om er te wonen en te zijn. De stad wordt aantrekkelijk.

Daartegenover staat ‘de reclame’ die de goddelozen ervoor maken. Zij breken de stad met hun woorden tot de grond toe af. Dat doen ze door negatief over de stad te spreken, maar ook door hun algemene taalgebruik. Uit hun mond komt alleen maar vervloeking en vuiligheid. Zelfs bij een net taalgebruik, zoals veel politici dat meestal hanteren, schuilt in hun woorden valsheid en volgen ze een verborgen agenda. Ze werpen zich op als beschermers, maar hun praktijk zal tonen dat ze de stad afbreken.

We kunnen dit toepassen op de plaatselijke gemeente van God als een stad. Als we oprecht zijn, zullen we over de gemeente als een plaatselijke gemeenschap goede dingen zeggen en er een zegen voor willen zijn. Allen die deel uitmaken van de plaatselijke gemeente, zullen zich daarover verheugen. Mensen die er geen enkele binding mee hebben omdat ze buiten God leven, zullen een plaatselijke gemeente geen enkele bestaansgrond gunnen. Ze zullen er lasterpraat over verspreiden en er alles aan doen om hun het leven en samenkomen onmogelijk te maken. Zulke mensen kunnen zich ook in de gemeente bevinden en hun afbrekend werk verrichten door het verspreiden van valse leringen.


Inzicht, betrouwbaarheid

12Wie zonder verstand is, veracht zijn naaste,
maar iemand met inzicht zwijgt.
13Wie al lasterend [zijn weg] gaat, openbaart geheimen,
maar wie betrouwbaar van geest is, bedekt een zaak.

Wie zijn naaste veracht, bewijst dat hij “zonder verstand is” (letterlijk ‘zonder hart is’) (vers 1212Wie zonder verstand is, veracht zijn naaste,
maar iemand met inzicht zwijgt.
)
. Het ontbreekt zo iemand volledig aan zelfkennis. Hij geeft ook uiting aan zijn verachting. Dat blijkt uit de tweede versregel. Iemand die inzicht heeft in wie hij zelf is, zal zich niet verachtelijk over zijn naaste uitlaten, maar “zwijgt”. Hij beseft dat zijn naaste niet minder is dan hijzelf en dat hijzelf is als zijn naaste. De norm voor de christen ligt zelfs nog hoger: hij zal “in nederigheid de ander uitnemender” achten dan zichzelf (Fp 2:33[Doet] niets uit partijzucht of uit ijdele roem, maar laat elk in nederigheid de ander uitnemender achten dan zichzelf;; Ef 4:2525Legt daarom de leugen af en spreekt [de] waarheid, ieder met zijn naaste, want wij zijn leden van elkaar.).

Een persoon die “al lasterend” zijn weg gaat, is slecht bezig en niet te vertrouwen (vers 1313Wie al lasterend [zijn weg] gaat, openbaart geheimen,
maar wie betrouwbaar van geest is, bedekt een zaak.
; vgl. 1Tm 5:1313En tevens leren zij ook in ledigheid rond te gaan bij de huizen, en niet alleen in ledigheid, maar ook babbelachtig, bemoeiziek, sprekend wat niet behoort.)
. Als hem iets in het geheim wordt toevertrouwd, zal hij dat met plezier openbaar maken. Tegenover de lasteraar staat de persoon die “betrouwbaar van geest is”. Als hem iets in vertrouwen wordt gezegd, zal hij die zaak bedekken en niet openbaar maken. Hij maakt geen misbruik van het vertrouwen dat hem is geschonken en zal degene die hem in vertrouwen heeft genomen dan ook niet beschadigen en beschamen.


Wijze raad, geen borg zijn

14Als er geen wijze raad is, komt een volk ten val,
maar er komt verlossing door een veelheid van raadgevers.
15Wie borg is voor een vreemde, zal het beslist slecht vergaan,
maar wie handslag haat, leeft veilig.

“Wijze raad” is wezenlijk voor de stabiliteit van een volk (vers 1414Als er geen wijze raad is, komt een volk ten val,
maar er komt verlossing door een veelheid van raadgevers.
)
. Wijze raad is te vergelijken met het besturen van een schip. Dat schip is hier het volk, de natie. De oude uitdrukking ‘het schip van staat’ duidt dat aan. De vergelijking wordt gemaakt omdat ook een schip voor zijn veiligheid afhankelijk is van de leiding van een kapitein die ter zake kundig dient te zijn. Zonder mensen aan het roer van ‘het schip van staat’ die bekwaam zijn om het volk te besturen, zinkt een schip, dat wil zeggen “komt een volk ten val”. Maar “door een veelheid van raadgevers”, door veel wijzen op allerlei gebied, “komt verlossing” uit de nood en wordt het volk van de ondergang gered.

Dit geldt ook voor het volk van God, waarvan de plaatselijke gemeente een representatie is. Overleg onder gebed en aan de hand van Gods Woord is nodig om een gemeente te zijn waar de Heer Jezus in het midden kan zijn. Bij de bespreking in Jeruzalem over de twistvraag of de volken de wet moeten houden, is men door de bijdragen van meerdere wijze raadgevers tot een verlossend antwoord gekomen (Hd 15).

Voor een financieel solide beleid is het noodzakelijk geen ondoorzichtige financiële verplichtingen aan te gaan. Een van dat soort ondoorzichtige verplichtingen is “borg” zijn “voor een vreemde” (vers 1515Wie borg is voor een vreemde, zal het beslist slecht vergaan,
maar wie handslag haat, leeft veilig.
)
. Borg zijn is een uiterst domme zaak (vgl. Sp 6:1-61Mijn zoon, als je borg staat voor je naaste,
[en] je [iets] met handslag aan een vreemde bevestigt,
2ben je verstrikt in de woorden van je [eigen] mond,
ben je in de woorden van je [eigen] mond gevangen.
3Doe dan dit, mijn zoon, en red je,
want je bent in de greep van je naaste gekomen,
ga, onderwerp je en dring bij je naaste aan.
4Geef je ogen geen slaap,
en je oogleden geen sluimer.
5Red je als een gazelle uit de hand [van de jager],
en als een vogel uit de hand van de vogelvanger.6Ga naar de mier, luiaard,
zie zijn wegen en word wijs.
)
, zeker als het gedaan wordt voor een vreemde. Salomo is hier zeer duidelijk in zijn waarschuwing: wie borg staat, “zal het beslist slecht vergaan”. Wie borg staat, garandeert de ander dat hij diens schuld zal voldoen als deze in gebreke blijft, terwijl hij zonder enige garantie is dat de ander hem zal terugbetalen. Dat kan tot zijn failliet en de bedelstaf leiden.

Door de tegenstelling in de tweede versregel wordt onderstreept hoe gevaarlijk het is om borg te zijn. Het gaat om niets minder dan “veilig”, onbezorgd, leven. Dat is het perspectief van “wie handslag haat”. De handslag is de bevestiging van een overeenkomst, wat wij tegenwoordig onder andere doen met het zetten van een handtekening. Zet nooit een handtekening of geef nooit wat voor soort bekrachtiging ook voordat je volledig weet waartoe je jezelf met je handtekening verplicht.


Een bevallige vrouw en geweldplegers

16Een bevallige vrouw houdt vast aan [haar] eer,
zoals geweldplegers vasthouden aan [hun] rijkdom.

“Een bevallige vrouw” is een charmante, innemende vrouw. De vrouw is wel ‘het zwakkere vat’ (1Pt 3:77Mannen, evenzo, woont bij hen met verstand als bij een zwakker vat, het vrouwelijke, en bewijst hun eer, omdat zij ook mede-erfgenamen van [de] genade van [het] leven zijn, opdat uw gebeden niet verhinderd worden.), maar toch bezit zij de kracht om “aan [haar] eer” vast te houden. Zij doet dat “zoals geweldplegers vasthouden aan [hun] rijkdom”. Haar kracht komt wel op een heel andere manier tot uiting dan bij geweldplegers. Haar kracht is niet lichamelijk, maar geestelijk van aard. Ze is een vrouw met deugd, dat is geestelijke moed of kracht, een vrouw die op God vertrouwt. Een voorbeeld van zo iemand is Ruth (Ru 3:1111En nu, mijn dochter, wees niet bevreesd. Alles wat u gezegd hebt, zal ik voor u doen, want ieder in de poort van mijn volk weet dat u een deugdelijke vrouw bent.).

Ze is “bevallig” of innemend omdat zij aan onvergankelijke “eer” vasthoudt. Die eer blijft bestaan, ook als de uiterlijke schoonheid afneemt. Zij kent de waarde daarvan. Dat er moet worden ‘vastgehouden’, betekent dat er krachten werkzaam zijn die haar eer van haar willen afnemen. In het Nieuwe Testament wordt de eer van de vrouw verbonden aan haar lange haar dat een symbool is van haar onderdanigheid ten opzichte van de man (1Ko 11:1515Maar als een vrouw lang haar draagt, is het een eer voor haar, omdat <haar> het lange haar tot een sluier gegeven is.). Daaraan houdt ze vast, ondanks alle emancipatiegeweld.

Geweldplegers houden vast aan vergankelijke “rijkdom”. Om hun rijkdom veilig te stellen gebruiken ze lichamelijk geweld tegen hun naaste. Ze hebben hun rijkdom met geweld verkregen en zullen die met geweld vasthouden. Als een naaste bij hen aanklopt om het van hem geroofde bezit terug te halen, zullen ze hem met geweld wegjagen.


Gevolgen van rechtvaardig of goddeloos gedrag

17Een goedertieren mens doet zijn [eigen] ziel goed,
maar een meedogenloze stort zijn [eigen] vlees in het ongeluk.
18De goddeloze doet een bedrieglijk werk,
maar wie gerechtigheid zaait, [oogst] betrouwbaar loon.
19Ware gerechtigheid is ten leven,
najagen van kwaad [leidt] tot de dood.
20De verkeerden van hart zijn voor de HEERE een gruwel,
maar de oprechten van weg zijn Hem welgevallig.
21Hand op hand: een kwaaddoener zal niet voor onschuldig gehouden worden,
maar het nageslacht van rechtvaardigen zal ontkomen.

Wie voor andere mensen “goedertieren” is, zal het weldadige gevolg daarvan in zijn eigen “ziel”, dat wil zeggen zelf, persoonlijk, ervaren (vers 1717Een goedertieren mens doet zijn [eigen] ziel goed,
maar een meedogenloze stort zijn [eigen] vlees in het ongeluk.
)
. Een “goedertieren mens” heeft liefde voor zijn naaste, voor hen die aan hem verbonden zijn of met wie hij in contact komt. Zo iemand is een navolger van God, Die goedertieren is en Zijn goedertierenheid aan mensen bewijst (Tt 3:44Maar toen de goedertierenheid en de mensenliefde van God, onze Heiland, verschenen is,). Rachab heeft de verspieders goedertierenheid bewezen en daarmee haar eigen ziel goed gedaan en ook de ziel van hen die tot het huis van haar vader behoren (Jz 2:12,1412Nu dan, zweer mij toch bij de HEERE, omdat ik goedertierenheid aan u bewezen heb, dat u ook goedertierenheid zult bewijzen aan het huis van mijn vader, en geef mij een teken van trouw14Toen zeiden die mannen tegen haar: Als u deze zaak van ons niet bekendmaakt, [zetten wij] ons leven [in] om in uw plaats te sterven. Het zal dan gebeuren, wanneer de HEERE ons dit land geeft, dat wij aan u goedertierenheid en trouw zullen bewijzen.).

Op dezelfde manier werkt dat bij “een meedogenloze”, maar dan omgekeerd. Wie zonder mededogen is, bewerkt zijn eigen ongeluk. Zo iemand is een wreedaard bij wie alle liefde voor zijn naaste ontbreekt, zowel in zijn gedachten als in zijn optreden. Hij stort zichzelf in het ongeluk. Dat hebben Achab en Izebel ondervonden (1Kn 22:37-3837Zo stierf de koning. Hij werd naar Samaria gebracht en zij begroeven de koning in Samaria.38Men spoelde de wagen af bij de vijver van Samaria, waar de hoeren zich wasten. De honden likten zijn bloed op, overeenkomstig het woord van de HEERE, dat Hij gesproken had.; 2Kn 9:36-3736Toen kwamen zij terug en vertelden het hem. Hij zei: Dit is het woord van de HEERE dat Hij gesproken heeft door de dienst van Zijn dienaar Elia, de Tisbiet, [die zei]: Op het stuk [land] van Jizreël zullen de honden het vlees van Izebel eten.37En het dode lichaam van Izebel zal zijn als mest op het veld, in het stuk [land] van Jizreël, zodat men niet zal kunnen zeggen: Dit is Izebel.).

“De goddeloze” is bezig met een werk dat “bedrieglijk” is, dat wil zeggen met werk dat niets oplevert, dat zonder resultaat is (vers 1818De goddeloze doet een bedrieglijk werk,
maar wie gerechtigheid zaait, [oogst] betrouwbaar loon.
)
. “Wie gerechtigheid zaait” (vgl. Jk 3:1818[De] vrucht van [de] gerechtigheid nu wordt in vrede gezaaid voor hen die vrede maken.), vergaat het anders. Zo iemand brengt anderen ertoe gerechtigheid in hun leven te doen, wat een weldaad is voor weer anderen. Wat gezaaid wordt, zal vrucht dragen (1Ko 9:1111Als wij voor u het geestelijke hebben gezaaid, is het iets groots, als wij het stoffelijke van u zullen maaien?; 2Ko 9:66En dit [zeg ik]: Wie spaarzaam zaait, zal ook spaarzaam maaien; en wie rijkelijk zaait, zal ook rijkelijk maaien.). De oogst die dat oplevert, wordt hier “betrouwbaar loon” genoemd.

Wanneer “ware gerechtigheid” wordt gezaaid (vers 1818De goddeloze doet een bedrieglijk werk,
maar wie gerechtigheid zaait, [oogst] betrouwbaar loon.
)
, is dat “ten leven” (vers 1919Ware gerechtigheid is ten leven,
najagen van kwaad [leidt] tot de dood.
)
. Met leven wordt hier het leven in zijn diepste en rijkste vorm bedoeld, dat wil zeggen het leven in gemeenschap met God, het eeuwige leven. Het doen van gerechtigheid en het leven horen bij elkaar. Daartegenover staat het “najagen van kwaad”, het met inspanning van alle krachten het kwaad najagen om het te doen. Dat leidt altijd en onvermijdelijk “tot de dood”. Evenals gerechtigheid en leven horen kwaad doen en de dood bij elkaar, “want het loon van de zonde is de dood” (Rm 6:2323Want het loon van de zonde is [de] dood; maar de genadegave van God is [het] eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer.).

“De verkeerden van hart” (vers 2020De verkeerden van hart zijn voor de HEERE een gruwel,
maar de oprechten van weg zijn Hem welgevallig.
)
zijn de mensen die een kromme, verwrongen geest hebben. Hun hele geestelijke leven is door het kwaad beïnvloed en ervan doortrokken. Zij zijn “voor de HEERE een gruwel”, omdat zij met hun hart slinkse dingen bedenken en op geen enkele manier rekening houden met Gods wil. Maar “de oprechten van weg”, dat zijn zij die innerlijk op Hem zijn gericht en daarom Zijn weg gaan, “zijn Hem welgevallig”.

Net als in vers 11Een bedrieglijke weegschaal is voor de HEERE een gruwel,
maar een zuivere [weeg]steen is Hem welgevallig.
gaat het om wat “voor de HEERE een gruwel” is en daartegenover om wat “Hem welgevallig” is. In vers 11Een bedrieglijke weegschaal is voor de HEERE een gruwel,
maar een zuivere [weeg]steen is Hem welgevallig.
gaat het om eerlijk of oneerlijk zakendoen, de praktijk van het leven. Hier gaat het om de gezindheid van het hart, of die verkeerd of oprecht is. Het gaat niet alleen om het uiterlijke gedrag, maar vooral ook om de motieven die daarachter zitten. God let op onze wegen en ziet tevens wat er in ons hart is (1Sm 16:77Maar de HEERE zei tegen Samuel: Kijk niet naar zijn uiterlijk en ook niet naar de hoogte van zijn gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het is namelijk niet wat de mens ziet, want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan.). We kunnen wel eerlijk zijn, maar daarmee enkel en alleen ons eigen belang op het oog hebben. Dan zijn we Hem niet welgevallig.

Er komt een dag van vergelding, daar kun je zeker van zijn, daar kan “hand op hand” op gegeven worden, zoals iets met een handslag wordt bevestigd (vers 2121Hand op hand: een kwaaddoener zal niet voor onschuldig gehouden worden,
maar het nageslacht van rechtvaardigen zal ontkomen.
)
. Ieder zal voor de rechterstoel van God gesteld worden en daar verantwoording moeten afleggen voor zijn daden (Rm 14:10b-1210Maar u, waarom oordeelt u uw broeder? Of ook u, waarom minacht u uw broeder? Want wij zullen allen voor de rechterstoel van God gesteld worden;11want er staat geschreven: ‘[Zo waar] Ik leef, zegt [de] Heer, voor Mij zal elke knie zich buigen en elke tong zal God belijden’.12Dus zal <dan> ieder van ons voor zichzelf rekenschap geven <aan God>.; 2Ko 5:1010Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is [gedaan], naardat hij heeft bedreven, hetzij goed hetzij kwaad.). Dan zal de kwaaddoener zichzelf niet “onschuldig” kunnen verklaren. De Rechter doorziet hem volkomen. Maar “het nageslacht van de rechtvaardigen”, dat zijn niet de nakomelingen, maar allen die tot het geslacht van de rechtvaardigen behoren, zullen aan het oordeel ontkomen (vgl. Jh 5:2424Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie Mijn woord hoort en gelooft Hem Die Mij heeft gezonden, die heeft eeuwig leven en komt niet in [het] oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven.).


Een mooie vrouw zonder inzicht

22Een mooie vrouw zonder inzicht
is een gouden ring in een varkenssnuit.

Een uiterlijk “mooie vrouw” die “zonder inzicht” is, is vergelijkbaar met een mooie “gouden ring” die in “een varkenssnuit” is gedaan. De Israëlitische vrouwen droegen als versiering onder andere een neusring (Gn 24:22,30,4722En het gebeurde, toen de kamelen genoeg gedronken hadden, dat de man een gouden ring pakte, waarvan het gewicht een halve sikkel was, en twee armbanden voor haar armen, waarvan het gewicht tien sikkel goud was,30En het gebeurde, toen hij de ring gezien had, en de armbanden aan de armen van zijn zuster, en toen hij de woorden van zijn zuster Rebekka gehoord had, die zei: Zo en zo heeft die man tot mij gesproken, dat hij naar die man toe ging; en zie, hij stond bij de kamelen bij de bron.47Toen vroeg ik haar en zei: Van wie bent u een dochter? Zij antwoordde: Ik ben de dochter van Bethuel, de zoon van Nahor, die Milka hem gebaard heeft. Toen deed ik een ring in haar neus en de armbanden aan haar armen.; Js 3:2121de ringen, de neusringen,). Het is onzinnig te denken dat het dragen van een neusring een dier dat voortdurend smerig is, mooi zou maken. Het komt overeen met ons spreekwoord: het is een vlag op een modderschuit.

De vergelijking is dat een prachtig sieraad wordt verbonden aan een onwaardig lichaam. Een varken kent de waarde er niet van. Je kunt dat dier wel willen optuigen met sieraden en zo proberen het aantrekkelijk te maken, maar het dier blijft stinken en vindt er een genoegen in om in de modder en de stank te leven. De ring verliest er zijn schoonheid door. Izebel was zo’n vrouw. Tussen haar gedrag en haar opgedofte uiterlijk was geen enkele overeenstemming. Haar uiterlijke verfraaiing verbleekte in het licht van haar verdorven binnenste (2Kn 9:3030En Jehu kwam in Jizreël. Toen Izebel [dat] hoorde, voorzag zij haar ogen van oogschaduw, verzorgde haar kapsel en zag door het venster neer [naar buiten].). We kunnen dit ook toepassen op het fraaie uiterlijk van de roomse kerk die echter van binnen vol verderf is (Op 17:4-64En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken en versierd met goud en edelgesteente en parels, en had een gouden drinkbeker in haar hand, vol gruwelen en de onreinheden van haar hoererij.5En op haar voorhoofd was een naam geschreven: Verborgenheid, het grote Babylon, de moeder van de hoeren en van de gruwelen van de aarde.6En ik zag de vrouw dronken van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus. En toen ik haar zag, verwonderde ik mij met grote verwondering.).

De ware versiering van een vrouw zit van binnen, in haar hart, in haar gezindheid (1Pt 3:3-43Laat uw versiering niet de uiterlijke zijn: [het] vlechten van [het] haar en [het] omhangen van gouden [dingen] of [het] aantrekken van kleren,4maar de verborgen mens van het hart, in de onvergankelijke [versiering] van de zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is voor God.). Van Abigaïl wordt eerst opgemerkt dat zij “goed van verstand” was en daarna dat zij “mooi van gestalte” was (1Sm 25:33De naam van de man was Nabal, en de naam van zijn vrouw was Abigaïl. De vrouw was goed van verstand en mooi van gestalte, maar de man was hard en slecht in [zijn] optreden. Hij was een nakomeling van Kaleb.). Een vrouw is aantrekkelijk als zij de gezindheid en kenmerken van Christus vertoont. De bruid, de vrouw van het Lam, zal die kenmerken in volle heerlijkheid bezitten (Op 21:9-109En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, vol van de zeven laatste plagen, kwam en sprak met mij en zei: Kom, ik zal u de bruid, de vrouw van het Lam tonen.10En hij voerde mij weg in [de] Geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, die uit de hemel neerdaalde van God).


De zegen van de rechtvaardige

23Het verlangen van rechtvaardigen is alleen het goede,
maar de hoop van goddelozen is verbolgenheid.
24Er zijn er die mild uitdelen en nog meer ontvangen,
en [er zijn er] die meer inhouden dan rechtmatig is, maar het is tot gebrek.
25Een zegenende ziel wordt verzadigd,
en wie te drinken geeft, die zal ook te drinken krijgen.
26Het volk vervloekt wie [hun] koren onthoudt,
maar zegening rust er op het hoofd van wie het verkoopt.
27Wie het goede nastreeft, zoekt welgevallen,
maar wie het kwade najaagt, die zal het overkomen.

Het karakter van “rechtvaardigen” en “goddelozen” blijkt niet alleen uit wat zij doen, maar ook uit wat zij verlangen en hopen (vers 2323Het verlangen van rechtvaardigen is alleen het goede,
maar de hoop van goddelozen is verbolgenheid.
)
. “Rechtvaardigen” hebben geen ander verlangen dan “alleen het goede”. Zij staan in verbinding met God en hebben daarom een verlangen naar goede materiële en geestelijke dingen om daarmee ook zelf weer goed te doen.

“De hoop van de goddelozen” zal hun niets anders brengen dan “verbolgenheid”. Zij hebben geen verbinding met God en hopen zoveel mogelijk voordeel uit hun goddeloze leven te halen. Maar hun hoop zal op niets anders uitlopen dan op Gods “verbolgenheid” over hen, omdat al hun verlangens Gods toorn oproepen.

In de regering van God is het zo geregeld, dat er eerst moet worden uitgedeeld, gegeven, gezaaid, en dat daarna de winst, de opbrengst, het voordeel, komt (vers 2424Er zijn er die mild uitdelen en nog meer ontvangen,
en [er zijn er] die meer inhouden dan rechtmatig is, maar het is tot gebrek.
)
. God wil ook dat er “mild” of rijkelijk wordt uitgedeeld en niet mondjesmaat. Als dat gebeurt, zal iemand ervaren dat de opbrengst veel overvloediger is dan wat is uitgedeeld, weggegeven of gezaaid (Lk 6:38a38geeft en u zal worden gegeven; een goede, ingedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met de <zelfde> maat waarmee u meet, zal u ook worden gemeten.; 2Ko 9:6-96En dit [zeg ik]: Wie spaarzaam zaait, zal ook spaarzaam maaien; en wie rijkelijk zaait, zal ook rijkelijk maaien.7Laat ieder [geven] naardat hij zich in zijn hart heeft voorgenomen; niet met tegenzin of uit dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief.8En God is machtig alle genade overvloedig te doen zijn jegens u, opdat u in alles, altijd in bezit van al het nodige, overvloedig bent tot alle goed werk,9zoals geschreven staat: ‘Hij heeft uitgestrooid, hij heeft aan de armen gegeven; zijn gerechtigheid blijft tot in eeuwigheid’.; Ps 112:99Hij deelt [mild] uit, hij geeft aan de armen, /pe/
zijn gerechtigheid houdt voor eeuwig stand, /tsade/
zijn hoorn zal met eer opgeheven worden. /koph/
)
. We kunnen ook mild tijd en aandacht uitdelen.

Het tegenovergestelde is ook waar. Er zijn mensen “die meer inhouden dan rechtmatig is”. Zij menen daardoor rijk te worden. Maar behalve dat ze anderen onrecht aandoen, bedriegen ze ook zichzelf. Al hun oneerlijk verkregen winst zal tot hun gebrek leiden, want God zal de rekening met hen vereffenen. Uiteindelijk zullen ze met lege handen staan en met een lijst vol schulden die niet meer te vereffenen zijn.

Iemand niet geven wat hem toekomt, is ook een vorm van meer inhouden dan rechtmatig is. Nabal had die houding tegenover David (1Sm 25:10-11,3810antwoordde Nabal de dienaren van David: Wie is David, en wie is de zoon van Isaï? Er zijn [vandaag] de dag zoveel slaven die losbreken, ieder bij zijn heer vandaan.11Zou ik dan mijn brood, mijn water en mijn vlees nemen, dat ik voor mijn schaapscheerders geslacht heb, en zou ik het aan mannen geven van wie ik niet weet waar zij vandaan komen?38En [na] ongeveer tien dagen gebeurde het dat de HEERE Nabal trof, zodat hij stierf.). De oppertollenaar Zacheüs heeft het zondige van dit gedrag tijdig ingezien en zich van deze zonde bekeerd (Lk 19:88Zacheüs echter ging staan en zei tot de Heer: Zie, de helft van mijn bezittingen, Heer, geef ik aan de armen; en als ik iemand iets heb afgeperst, vergoed ik dat vierdubbel.).

Vers 2525Een zegenende ziel wordt verzadigd,
en wie te drinken geeft, die zal ook te drinken krijgen.
sluit aan op vers 2424Er zijn er die mild uitdelen en nog meer ontvangen,
en [er zijn er] die meer inhouden dan rechtmatig is, maar het is tot gebrek.
. “Een zegenende ziel” is iemand die met woord en daad zegen om zich heen verspreidt, weldaden bewijst en het geluk van de ander zoekt. Wie dat doet, zal daarvan zelf de zegen ontvangen. Men zal hem weldoen, hij zal zelf verzadigd worden. Wie iemand anders (geestelijk) verkwikt, zal daardoor ook zelf worden verkwikt. Dat zien we bij de Heer Jezus in Zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw. Het geestelijke voedsel dat Hij de vrouw heeft gegeven, heeft Hem Zelf ook verkwikt (Jh 4:31-3431Intussen vroegen de discipelen Hem aldus: Rabbi, eet.32Maar Hij zei tot hen: Ik heb voedsel om te eten dat u niet kent.33De discipelen dan zeiden tot elkaar: Heeft iemand Hem soms iets te eten gebracht?34Jezus zei tot hen: Mijn voedsel is, dat Ik de wil doe van Hem Die Mij heeft gezonden en Zijn werk volbreng.; Mt 10:4242En wie een van deze kleinen slechts een beker koud <water> te drinken zal geven in naam van een discipel, voorwaar, Ik zeg u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.; Jr 31:2424Daarin zullen Juda en al zijn steden met elkaar wonen, akkerbouwers en [wie] met de kudde rondtrekken.).

Wie geen zegen uitdeelt (vers 2525Een zegenende ziel wordt verzadigd,
en wie te drinken geeft, die zal ook te drinken krijgen.
)
, maar integendeel egoïstisch alles voor zichzelf houdt, en dat in een tijd van schaarste, wordt door het volk vervloekt (vers 2626Het volk vervloekt wie [hun] koren onthoudt,
maar zegening rust er op het hoofd van wie het verkoopt.
)
. God wil dat wij van de zegen die Hij ons heeft gegeven, aan anderen uitdelen. Dat geldt zowel voor stoffelijke als voor geestelijke zegen. Als we van de zegen die wij hebben gekregen beschikbaar stellen en te koop aanbieden, zal er zegen op ons hoofd rusten. Bij verkopen hoeven we niet alleen aan geld of een ruilmiddel te denken. Verkopen betekent dat de ander moeite moet doen om in het bezit te komen van wat te koop wordt aangeboden (vgl. Sp 23:2323Koop de waarheid en verkoop haar niet –
wijsheid, vermaning en inzicht.
)
.

Wie het goede weet te waarderen, zal dat nastreven, dat wil zeggen dat hij zich ervoor zal inzetten om in het bezit ervan te komen (vers 2727Wie het goede nastreeft, zoekt welgevallen,
maar wie het kwade najaagt, die zal het overkomen.
)
. Zo iemand is bezig “welgevallen” te zoeken, waarbij we vooral mogen denken aan het welgevallen van God. Wie “het kwade najaagt”, doet dat omdat hij meent daar beter van te worden. Hij zal wat hij najaagt niet als kwaad zien. Niemand jaagt voor zichzelf het kwade na. Het gaat om kwade dingen in het oog van God. Wat hij najaagt, zal hij echter niet krijgen, maar het zal hem “overkomen”. Dat ziet op een oorzaak van buitenaf. Het betekent dat hij ten slotte door het kwaad van Gods oordeel zal worden getroffen.


De groei van de rechtvaardige

28Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal ten val komen,
maar de rechtvaardigen zullen groeien als loof.
29Wie zijn huis in het ongeluk stort, zal wind erven,
en de dwaas zal een slaaf zijn van wie wijs is van hart.
30De vrucht van de rechtvaardige is een boom des levens,
en wie zielen vangt, is wijs.
31Zie, een rechtvaardige krijgt vergelding op aarde,
hoeveel te meer de goddeloze en de zondaar!

Rijk willen worden en rijkdom misbruiken zijn te veroordelen. Er is nog een kwaad aan rijkdom verbonden en dat is op rijkdom vertrouwen (vers 2828Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal ten val komen,
maar de rechtvaardigen zullen groeien als loof.
)
. “Wie op zijn rijkdom vertrouwt”, zal daarmee beschaamd uitkomen. Dat zal hij tot zijn schade en schande merken als hij “ten val” komt. Rijkdom biedt geen vaste grondslag voor het leven. Ten val komen wil zeggen dat zijn leven in een puinhoop eindigt. De oorzaak daarvan is dat hij God geen plaats in zijn leven geeft (Lk 12:16-2116Hij nu sprak een gelijkenis tot hen en zei: Het land van een rijk mens bracht veel op;17en hij overlegde bij zichzelf en zei: Wat zal ik doen? want ik heb niets waarin ik mijn vruchten kan verzamelen.18En hij zei: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen, en ik zal daar al mijn gewas en mijn goederen verzamelen;19en ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, je hebt vele goederen liggen voor vele jaren; rust, eet, drink, wees vrolijk.20God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u hebt bereid, voor wie zal het zijn?21Zo is hij die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God.).

Voor “de rechtvaardigen” geldt het tegenovergestelde. Zij vertrouwen op God en “groeien als loof”. Hun leven is geworteld in Hem en wordt gekenmerkt door voorspoed en vruchtbaarheid (vgl. Ps 92:13-1613De rechtvaardige zal groeien als een palmboom,
hij zal opgroeien als een ceder op de Libanon.
14Wie in het huis van de HEERE geplant zijn,
die mogen groeien in de voorhoven van onze God.
15In de ouderdom zullen zij nog vruchten dragen,
zij zullen fris en groen zijn,
16om te verkondigen dat de HEERE waarachtig is;
Hij is mijn rots en in Hem is geen onrecht.
; Jr 17:7-87Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt,
wiens vertrouwen de HEERE is.
8Hij zal zijn als een boom, die bij water geplant is,
en [die] zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop.
Hij merkt het niet als er hitte komt,
zijn blad blijft groen.
Een jaar van droogte deert hem niet,
en hij houdt niet op vrucht te dragen.
)
. Het leven van wie op rijkdom vertrouwt, is als een afgevallen en verdord blad, terwijl dat van de rechtvaardige is als een groenend blad vol vitaliteit dat blijft groeien.

Iemand die in zijn hebzucht alleen aan zichzelf denkt, stort zijn huis in het ongeluk (vers 2929Wie zijn huis in het ongeluk stort, zal wind erven,
en de dwaas zal een slaaf zijn van wie wijs is van hart.
)
. Er is geen enkele belangstelling voor de medehuisgenoten, die hij slechts als lastig beschouwt bij het najagen van het kwaad. Wat er van zijn inspanningen overblijft, is slechts wind, niets wat hij kan beetpakken. Uit de manier waarop hij zijn huis heeft bestuurd, blijkt dat hij een dwaas is. De tweede versregel veronderstelt dat hij alles is kwijtgeraakt en dat hij zoveel schulden heeft gemaakt, dat hij zich als slaaf moet verhuren aan “wie wijs is van hart”.

Wat de rechtvaardige voortbrengt (vers 3030De vrucht van de rechtvaardige is een boom des levens,
en wie zielen vangt, is wijs.
)
, staat in tegenstelling tot de dwaas van vers 2929Wie zijn huis in het ongeluk stort, zal wind erven,
en de dwaas zal een slaaf zijn van wie wijs is van hart.
. Zijn leven als een rechtvaardige laat zien dat hij leven heeft. Dat leven heeft hij niet in zichzelf. Wat uit hem komt, wat zichtbaar wordt van het leven dat in hem is, komt voort uit de ware Boom van het leven, de Heer Jezus. Het leven van de rechtvaardige lijkt daarom op het leven van Hem, de volmaakt Rechtvaardige.

Deze overeenkomst komt ook tot uiting in de verhouding tot andere mensen. Iemand die een boom des levens als vrucht voortbrengt, is erop uit om anderen in verbinding met de ware Boom van het leven te brengen. Het gaat er in de eerste plaats om dat anderen worden aangetrokken door en gewonnen worden voor de wijsheid. Wie dat doet, wie op deze manier zielen vangt, is wijs.

We kunnen het ook toepassen op het evangelie. We kunnen vissers van mensen worden en hen vangen (Mt 4:1919en Hij zei tot hen: Komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken.) door ze voor Christus te winnen, opdat ze achter Hem aangaan. Paulus is een bijzonder voorbeeld van zo’n wijze man (vgl. 1Ko 9:20-2220En ik ben de Joden geworden als een Jood, om [de] Joden te winnen; hun die onder [de] wet zijn, als onder [de] wet (hoewel ik zelf niet onder [de] wet ben), om hen die onder [de] wet zijn te winnen;21hun die zonder wet zijn, als zonder wet (hoewel ik niet zonder wet voor God ben, maar aan Christus wettelijk onderworpen), om hen die zonder wet zijn te winnen.22Ik ben de zwakken een zwakke geworden, om de zwakken te winnen; allen ben ik alles geworden, om in elk geval enigen te behouden.; 10:3333evenals ook ik in alles allen behaag, niet om mijn eigen voordeel te zoeken, maar dat van de velen, opdat zij behouden worden.). Zijn hele dienst is een bron van leven en geestelijk voedsel voor de generaties na hem.

“Een rechtvaardige” heeft evengoed als “de goddeloze en de zondaar” met de regering van God te maken (vers 3131Zie, een rechtvaardige krijgt vergelding op aarde,
hoeveel te meer de goddeloze en de zondaar!
)
. God moet in Zijn gerechtigheid met elke zonde handelen, ongeacht wie die zonde begaat. Een rechtvaardige die zondigt, moet de gevolgen daarvan ondergaan en dragen. Mozes is daarvan een voorbeeld. Omdat hij zondigde, mocht hij het volk niet in het beloofde land brengen. Ook het leven van David laat de waarheid zien van wat hier staat. Deze vergelding gebeurt op aarde. Een troost daarbij is dat de rechtvaardige mag weten dat Christus hem helpt bij het dragen van de gevolgen van zijn zonden, omdat Hij het oordeel over zijn zonden heeft gedragen op het kruis.

“De goddeloze en de zondaar” krijgt evenzeer met de gevolgen van zijn zonden op aarde te maken en zal die moeten dragen. Maar er is voor hem een “hoeveel te meer” – dit is de eerste van de vier ‘hoeveel te meer’ spreuken (Sp 11:3131Zie, een rechtvaardige krijgt vergelding op aarde,
hoeveel te meer de goddeloze en de zondaar!
; 15:1111Graf en verderf liggen [open] voor de HEERE –
hoeveel te meer de harten van de mensenkinderen.
; 19:77Alle broers van een arme haten hem,
hoeveel te meer blijven zijn vrienden ver van hem!
Achtervolgt hij hen met woorden, dan zijn zij er niet.
; 21:2727Het offer van goddelozen is een gruwel,
hoeveel te meer als zij het met een schandelijke bedoeling brengen!
)
. Hij zal de last alleen moeten dragen omdat hij zonder Christus leeft en, als hij zich niet alsnog bekeert, zonder Hem sterft. Het lijkt erop dat Petrus dit woord in zijn eerste brief aanhaalt wanneer hij schrijft: En als de rechtvaardige met moeite behouden wordt, waar zal de goddeloze en zondaar verschijnen?” (1Pt 4:1818En als de rechtvaardige met moeite behouden wordt, waar zal de goddeloze en zondaar verschijnen?).


Lees verder