Richteren
Inleiding 1-6 De greep naar de macht 7 Waar en waarom Jotham gaat spreken 8-9 De olijfboom 10-11 De vijgenboom 12-13 De wijnstok 14-15 De doornstruik 16-20 De uitleg van de gelijkenis 21 Jotham vlucht 22-25 God gaat vergelden 26-29 Gaäl 30-33 Zebul 34-49 Het verzet gebroken 50-57 Het einde van Abimelech
Inleiding

Dit hoofdstuk is een vervolg op de laatste verzen van het vorige hoofdstuk. Daar wordt melding gemaakt van een hernieuwd afwijken van de HEERE. Hier lezen we over een verdergaand verlaten van Hem. Het gevolg is slavernij en vernedering. Hier is de slavernij echter niet het gevolg van een vijandige macht van buiten, maar van binnen. De voorgaande lessen gaan over de houding van het volk tegenover hun vijanden. De les die we in de geschiedenis van Abimelech te zien krijgen, heeft te maken met de relaties binnen het volk van God.

In Abimelech ontmoeten we iemand die in plaats van tegen de vijanden te strijden over Gods volk heerst. Aan hem en zijn gedrag wordt het langste hoofdstuk van dit boek gewijd, een hoofdstuk van maar liefst zevenenvijftig verzen. Abimelech is geen bevrijder van Israël, maar iemand die een beginsel voorstelt dat we ook bij een zekere Diótrefes zien. Diótrefes wordt in de derde brief van Johannes genoemd. Hij is iemand “die graag onder hen [dat is in de gemeente] de eerste is” (3Jh 1:99Ik heb aan de gemeente <een en ander> geschreven; maar Diótrefes, die graag onder hen de eerste is, neemt ons niet aan.). Hij is iemand die zich gezag aanmatigt, met uitsluiting van anderen, zoals Johannes verder van hem zegt: hij “neemt ons niet aan”. Hij duldt geen concurrentie.

Deze handelwijze zien we geïllustreerd in Abimelech. Wat opvalt, is dat hij niet één keer de naam van God noemt. Ook is hij een van die duistere figuren die in het Oude Testament een voorafschaduwing zijn van de mens der zonde, de antichrist. Daar mogen we ook aan denken als we ons met zijn geschiedenis bezighouden.

Het belangrijkste is echter dat hij iets laat zien van wat in het hart van ieder van ons aanwezig is. De eerste, de voornaamste, willen zijn, zit ons allemaal in het bloed. Wat we nodig hebben, is te kijken naar de Heer Jezus Die Zichzelf heeft weggecijferd en de Dienaar van allen is geworden. Hij Die “niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn leven te geven tot een losprijs voor velen” (Mt 20:2828zoals de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn leven te geven tot een losprijs voor velen.).

Hij heeft het niet alleen gezegd, maar ook gedaan. Daarom kan Hij tegen Zijn discipelen zeggen, als zij er ruzie over maken wie van hen wel de grootste mocht zijn (het zat dus ook in hen): “Laat de grootste onder u als de jongste zijn, en de voorganger als een die dient. Want wie is groter, hij die aanligt of hij die dient? Niet hij die aanligt? Ik echter ben in uw midden als Degene Die dient” (Lk 22:26-2726U echter niet aldus, maar laat de grootste onder u als de jongste zijn, en de voorganger als een die dient.27Want wie is groter, hij die aanligt of hij die dient? Niet hij die aanligt? Ik echter ben in uw midden als Degene Die dient.). Laten we bij het overdenken van het optreden van Abimelech steeds letten op het contrast met het optreden van onze Heiland.


De greep naar de macht

1En Abimelech, de zoon van Jerubbaäl, ging naar Sichem, naar de broers van zijn moeder, en hij sprak tot hen en tot heel het geslacht van de familie van zijn moeder: 2Spreek toch ten aanhoren van alle burgers van Sichem: Wat is beter voor u? Dat zeventig mannen, allemaal zonen van Jerubbaäl, over u heersen, of dat één man over u heerst? Bedenk daarbij dat ik uw beenderen en uw vlees ben. 3Toen spraken de broers van zijn moeder ten aanhoren van alle burgers van Sichem al deze woorden over hem. En hun hart neigde zich naar Abimelech, want zij zeiden: Hij is onze broeder. 4Zij gaven hem zeventig zilverstukken uit het huis van Baäl-Berith, en daarmee huurde Abimelech lichtzinnige leeglopers in, die hem volgden. 5Toen kwam hij in het huis van zijn vader in Ofra en doodde zijn broers, de zonen van Jerubbaäl, op één [en dezelfde] steen: zeventig mannen. Maar Jotham, de jongste zoon van Jerubbaäl, bleef over, omdat hij zich had verborgen. 6Daarop verzamelden zich alle burgers van Sichem en heel Beth-Millo. Zij gingen [op weg] en maakten Abimelech koning bij de hoge eik die bij Sichem staat.

Van Abimelech lezen we niet dat hij richter wordt genoemd. Hij is ook niet door God verwekt om Israël te bevrijden. Misschien is hij wel door de betekenis van zijn naam – zijn naam betekent ‘mijn vader is koning’ – op het idee gekomen om op basis van opvolging de heerschappij op te eisen. Zijn vader was leider van het volk, hij zou dat ook zijn. Hoe het ook zij, hij komt ertoe op te eisen wat zijn vader heeft geweigerd en wordt op die manier een ’heerser over de erfgoederen’ (1Pt 5:33ook niet als heersers over de erfgoederen, maar als zij die voorbeelden voor de kudde worden.). Hij is iemand over wie Paulus het heeft als hij tot de oudsten van de gemeente in Efeze zegt: “Uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken” (Hd 20:3030en uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken.).

Hij is een Diótrefes. Abimelech is van het type mensen dat de gemeente runt zoals managers hun bedrijf runnen. Zo’n persoon zal altijd proberen mensen om zich heen te verzamelen om zo zijn ideeën over gemeente zijn te verwezenlijken en veranderingen door te voeren. Hij zal dat doen door het verlenen van gunsten, waardoor men zich aan hem verplicht gaat voelen. Zijn wervingscampagne loopt goed en zijn taal slaat aan.

Abimelech doet alsof hij zich sterk wil maken voor de belangen van zijn familie en speelt handig in op de gevoelens, terwijl hij zijn zeventig halfbroers aan de kant schuift. Hij presenteert zich niet als de zoon van Gideon, maar hij neemt het karakter van zijn moeder aan. Gideon heeft zijn zeventig zonen ongetwijfeld opgevoed in zijn eigen huis, terwijl Abimelech is opgegroeid in Sichem.

Er is bij Abimelech geen enkel respect voor zijn halfbroers. Als hij eenmaal gekozen is, laat hij hen ombrengen. Daarvoor betaalt hij per persoon een zilverstuk aan nietswaardige lieden die de hele club van zeventig man gevangennemen en hen in bedwang houden, terwijl Abimelech hen een voor een doodt op één steen. Misschien is dat wel de steen geweest die Jozua in Sichem heeft opgericht als een getuige tegen het volk (Jz 24:25-2725Zo sloot Jozua op die dag een verbond met het volk en stelde [het] in Sichem voor hen vast als een verordening en bepaling.26Jozua schreef deze woorden in het wetboek van God. Vervolgens nam hij een grote steen en richtte die daar op, onder de eik die bij het heiligdom van de HEERE stond.27En Jozua zei tegen heel het volk: Zie, deze steen zal voor ons getuige zijn, want hij heeft al de woorden van de HEERE gehoord, die Hij tegen ons gesproken heeft. Ja, hij zal getuige voor u zijn, opdat u uw God niet verloochent.). Dat het geld uit de afgodstempel komt, deert hem allerminst.

Abimelech wil zichzelf verhogen en lijkt daarin op de persoon die in Daniël 11 wordt beschreven (Dn 11:3636Die koning zal handelen naar eigen goeddunken. Hij zal zich verheffen en zich groot maken boven elke god. Hij zal tegen de God der goden wonderlijke dingen spreken. Hij zal voorspoedig zijn tot de gramschap voltrokken is. Want wat vast besloten is, zal gebeuren.). Er is al gewezen op de overeenkomst tussen Abimelech en de antichrist. De kenmerken van de antichrist worden onder andere in 1 Johannes 2, 1 Johannes 4 en 2 Thessalonicenzen 2 beschreven (1Jh 2:2222Wie is de leugenaar dan hij die loochent dat Jezus de Christus is? Deze is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent.; 4:33en iedere geest die niet Jezus <als in het vlees gekomen> belijdt, is niet uit God; en dit is de [geest] van de antichrist, waarvan u gehoord hebt dat hij komt, en hij is nu al in de wereld.; 2Th 2:3-43Laat niet iemand u op enigerlei wijze bedriegen, want [die komt niet] als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf,4die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is.). De antichrist gaat net zo te werk als Abimelech. Ook hij zal met fraaie woorden de gunst van het volk weten te winnen (Ps 55:2222Zijn mond is gladder dan boter,
maar zijn hart wil strijd;
zijn woorden zijn zachter dan olie,
maar het zijn getrokken zwaarden.
; Dn 11:3232En hen die goddeloos handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen. Het volk echter, zij die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zij zullen [hun wil] ten uitvoer brengen.)
. In Absalom, een zoon van David, treffen we dit kenmerk, het gebruik van vleitaal, ook aan. We lezen van hem: “Zo stal Absalom het hart van de mannen van Israël” (2Sm 15:66Op die manier deed Absalom met heel Israël dat naar de koning ging voor recht. Zo stal Absalom het hart van de mannen van Israël.). Dat is wat Abimelech hier doet.

Er ontkomt één man aan de moordpartij (vgl. 2Kr 22:10-1210Toen Athalia, de moeder van Ahazia, zag dat haar zoon dood was, stond zij op en bracht heel het koninklijk nageslacht van het huis van Juda om.11Maar Josabat, de dochter van de koning, nam Joas, de zoon van Ahazia, en nam hem weg uit het midden van de koningszonen die ter dood gebracht werden, en bracht hem en zijn voedster naar de linnenkamer. En Josabat, de dochter van koning Joram, de vrouw van de priester Jojada – zij was namelijk de zuster van Ahazia – verborg hem voor Athalia, zodat zij hem niet doodde.12Hij bleef zes jaar bij hen verborgen in het huis van God, terwijl Athalia over het land regeerde.). Dat is Jotham. Zijn naam betekent ‘de HEERE is volmaakt’. Hij is een waar getuige van zijn naam. God zal nooit zonder een getuige zijn. Jotham geeft zijn getuigenis in de volgende verzen. Hij is een ware Antipas (Op 2:1313Ik weet waar u woont, daar waar de troon van de satan is; en u houdt vast aan Mijn Naam en het geloof in Mij hebt u niet verloochend, <zelfs niet> in de dagen waarin Antipas Mijn trouwe getuige was, die gedood werd bij u waar de satan woont.), dat betekent ‘één tegen allen’. Hij vertegenwoordigt het getrouwe overblijfsel dat God in alle tijden naar de verkiezing van Zijn genade in stand houdt (Rm 11:55Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel naar [de] verkiezing van [de] genade.).

Abimelech is de eerste persoon die zich in Israël tot koning laat uitroepen. Hij gaat volledig voorbij aan de eisen van God die Hij voor dit ambt heeft laten opschrijven in de wet (Dt 17:14-2014Wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, en u [dan] zegt: Ik wil een koning over mij aanstellen, zoals al de volken die rondom mij zijn,15dan moet u voorzeker hem tot koning over u aanstellen die de HEERE, uw God, verkiezen zal. Uit het midden van uw broeders moet u een koning over u aanstellen; u mag geen buitenlander over u zetten, die uw broeder niet is.16Maar hij mag voor zichzelf niet veel paarden aanschaffen en het volk niet laten terugkeren naar Egypte om veel paarden aan te schaffen, omdat de HEERE tegen u gezegd heeft: U mag nooit meer langs deze weg terugkeren.17Ook mag hij voor zichzelf niet veel vrouwen nemen, anders zal zijn hart afwijken. Hij mag voor zichzelf ook niet al te veel zilver en goud nemen.18Verder moet het [zó] zijn, als hij op de troon van zijn koninkrijk zit, dat hij voor zichzelf op een boekrol een afschrift van deze wet schrijft, vanuit [de rol] die onder het toezicht van de Levitische priesters is.19Dat moet bij hem zijn en hij moet er alle dagen van zijn leven in lezen om de HEERE, zijn God, te leren vrezen [en] om alle woorden van deze wet en deze verordeningen in acht te nemen door [ze] te houden,20opdat zijn hart zich niet verheft boven zijn broeders, opdat hij niet afwijkt van het gebod, naar rechts of naar links en opdat hij [zijn] dagen verlengt in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, te midden van Israël.). Ironisch genoeg vindt de huldiging plaats vlakbij de boom in Sichem waar Jozua de woorden van het verbond in het wetboek van God heeft geschreven (Jz 24:2626Jozua schreef deze woorden in het wetboek van God. Vervolgens nam hij een grote steen en richtte die daar op, onder de eik die bij het heiligdom van de HEERE stond.).


Waar en waarom Jotham gaat spreken

7Toen zij dit Jotham verteld hadden, ging hij op de top van de berg Gerizim staan, en hij verhief zijn stem en riep en zei tegen hen: Luister naar mij, burgers van Sichem! Dan zal God naar u luisteren.

Wat Jotham met zijn gelijkenis wil duidelijk maken, is laten zien dat heersen over anderen het bederf betekent van de zegen die God wil geven. Waar mensen de kans krijgen te gaan heersen, worden het gebruik en de zegen van de Heilige Geest (voorgesteld in de olijfboom), de gerechtigheid (voorgesteld in de vijgenboom) en de blijdschap (voorgesteld in de wijnstok), die allemaal gaven van God zijn, verdorven. Het uiteindelijke resultaat van heersen is te zien in de doornstruik – waarmee de inwoners van Sukkoth een gevoelige les hebben gekregen (Ri 8:1616En hij nam de oudsten van die stad en [ook] woestijndorens en distels, en daarmee liet hij het de mensen van Sukkoth weten.) –, die niets anders dan pijn zal veroorzaken. Hier wordt aangetoond waar menselijke regering in het huis van God op uitloopt.

De boom is hier een beeld van een regerende macht. We kunnen dat bijvoorbeeld ook zien bij Nebukadnezar (Dn 4:20-2220De boom die u gezien hebt – hij was groot en sterk geworden, zijn hoogte reikte tot aan de hemel en hij was te zien over heel de aarde,21zijn loof was prachtig en zijn vruchten talrijk, er zat voedsel aan voor allen, de dieren van het veld verbleven eronder en de vogels in de lucht nestelden in zijn takken –22dat bent u, o koning, u die groot en sterk bent geworden. Want uw grootheid is [zo] toegenomen dat ze reikt tot de hemel, en uw heerschappij [reikt] tot het einde van de aarde.). Bij de bomen gaat het steeds om vrucht dragen en het prijsgeven daarvan als er geheerst gaat worden. Van nature willen mensen graag geregeerd worden door iemand in wiens leven vrucht gezien wordt. De ware geest van regeren is de geest van dienen (Lk 22:2727Want wie is groter, hij die aanligt of hij die dient? Niet hij die aanligt? Ik echter ben in uw midden als Degene Die dient.). Gezag uitoefenen in heersende zin is van veel minder waarde dan vruchtbaar dienen.

In het verhaal van de bomen legt Jotham het karakter van Abimelech bloot en ook het oneerlijke en onoprechte handelen van de burgers van Sichem tegenover de herinnering aan zijn vader Gideon. We zullen zien dat we Jothams verhaal kunnen toepassen op het leiderschap bij personen, maar ook op de overaccentuering van een bepaalde leer. Het doel van de gelijkenis is, dat wij de leiding van God erkennen en ervoor waken onszelf in zo’n positie te willen bevestigen of te laten bevestigen door anderen die ons een ereplaats willen geven.

Als Jotham bericht krijgt dat Abimelech tot koning is uitgeroepen, legt hij zijn handen niet in de schoot. Hij gaat naar de berg Gerizim, de berg van de zegen (Dt 27:1212Wanneer u de Jordaan overgestoken bent, moeten de volgende [stammen] op de berg Gerizim gaan staan om het volk te zegenen: Simeon, Levi, Juda, Issaschar, Jozef en Benjamin.). Daarmee geeft hij aan dat hij zegen voor het volk zoekt. Daarvoor wil hij zich door God laten gebruiken en zo de taak vervullen die God hem heeft gegeven. Wie door de genade van God ontkomen is aan het oordeel, zoals Jotham, is een geschikt instrument om te worden gebruikt tot zegen voor hen die zich van God hebben afgewend.

Jotham kondigt niet zonder meer het oordeel aan. Wat hij te vertellen heeft, is van grote betekenis. Hij spreekt niet in raadselen. Iedereen begrijpt goed waarover hij het heeft. Hij stelt de weg van zegen voor en laat zien wat de gevolgen zijn als men die weg niet wil gaan. Ieder die naar hem luistert, dus de waarheid van zijn woorden erkent en ernaar gaat handelen, vindt een open weg tot God en zal tevens een open oor bij Hem opmerken. Zo staat daar de eenling die tot zegen wil zijn voor het hele volk. De gelijkenis van Jotham bevat het geheim om door God te worden gehoord.


De olijfboom

8Eens gingen de bomen [op weg] om een koning over zich te zalven. Ze zeiden tegen de olijfboom: Wees koning over ons! 9Maar de olijfboom zei tegen hen: Zou ik mijn olie opgeven, die God en de mensen in mij prijzen, en zou ik weggaan om boven de [andere] bomen te zweven?

De olijfboom is de eerste boom die aan het woord komt. Hij is een beeld van de energie en verlichting, kracht en vrucht van de Heilige Geest. Olijfolie zorgde ervoor dat de kandelaar in de tabernakel bleef branden, zodat daar licht was (Ex 27:2020Ú moet de Israëlieten gebieden dat zij zuivere olie, [uit] gestoten olijven, voor u [mee]nemen voor het licht, om voortdurend een lamp te laten branden.). We lezen ook dat in het Oude Testament priesters, koningen en profeten met olie worden gezalfd. In het Nieuwe Testament worden de gelovigen gezien als priesters en koningen (Op 1:66en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijn God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in <alle> eeuwigheid! Amen.) en wordt gesproken over de gelovigen als mensen die gezalfd zijn, niet met letterlijke olie, maar met de Heilige Geest (1Jh 2:20,2720En u hebt [de] zalving vanwege de Heilige en u weet alles.27En wat u betreft, de zalving die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig dat iemand u leert; maar zoals Zijn zalving u over alles leert, en waar is en geen leugen, en zoals zij u geleerd heeft, blijft u in Hem.). Olie is een beeld van de Heilige Geest.

Als nu in iemands leven het werk van de Heilige Geest duidelijk zichtbaar wordt, is de kans groot dat men hem zal vragen de leiding te nemen. Het kan in een geloofsgemeenschap ook voorkomen dat men de werking en uiting van de Heilige Geest zo benadrukt, dat daarmee Zijn ware plaats verloren gaat. Dan worden de geestesgaven de maatstaf voor de beoordeling van iemands geestelijk leven. Iemand die een bepaalde geestesgave heeft, geniet dan een hoger aanzien dan iemand die de betreffende gave niet heeft.

Wie in dit opzicht de Bijbel onderzoekt, zal ontdekken dat de Heilige Geest niet is gekomen om Zichzelf te presenteren, maar dat Hij is gekomen om de Heer Jezus te verheerlijken. De Heer Jezus zegt van de Heilige Geest: “Maar wanneer Hij is gekomen, de Geest van de waarheid, zal Hij u in de hele waarheid leiden; want Hij zal vanuit Zichzelf niet spreken, maar alles wat Hij zal horen, zal Hij spreken en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen. Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het Mijne nemen en het u verkondigen” (Jh 16:13-1413Maar wanneer Hij is gekomen, de Geest van de waarheid, zal Hij u in de hele waarheid leiden; want Hij zal vanuit Zichzelf niet spreken, maar alles wat Hij zal horen, zal Hij spreken en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen.14Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het Mijne nemen en het u verkondigen.).

Dit doet niets af van de heerlijkheid en Godheid van de Heilige Geest. Het gaat erom vast te stellen welke plaats de Heilige Geest in de Godheid inneemt en wat Hij op aarde doet. Even terzijde: daarom is ook het aanspreken en aanbidden van de Heilige Geest in woord en lied en het bidden tot Hem misplaatst. Dit vindt nergens grond in de Bijbel.

Wat wel in iemands leven zichtbaar kan worden, is de vrucht van de Geest (Gl 5:2222Maar de vrucht van de Geest is: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.). Als aan zo iemand, bij wie dit gevonden wordt, gevraagd wordt de leiding te nemen, zal het antwoord zijn: ‘Ik ben te zeer bezig in de dingen van God dan om leiding te gaan geven.’

De olijfboom heeft ook te maken met de beloften die God aan Zijn volk heeft gegeven (Rm 11:16-2416Immers, als de eerstelingen heilig zijn, dan ook het deeg; en als de wortel heilig is, dan ook de takken.17En als enkele van de takken afgebroken zijn, en u die een wilde olijfboom was, daartussen geënt bent en mededeelgenoot van de wortel <en> de vettigheid van de olijfboom bent geworden,18beroem u dan niet tegen de takken; en als u zich beroemt, niet u draagt de wortel, maar de wortel u.19U zult dan zeggen: Er zijn takken afgebroken, opdat ik zou worden geënt.20Inderdaad! Zij zijn afgebroken door het ongeloof en u staat door het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees;21want heeft God de natuurlijke takken niet gespaard, Hij mocht ook u niet sparen!22Zie dan [de] goedertierenheid en [de] strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, maar goedertierenheid van God over u, als u in de goedertierenheid blijft; anders zult ook u worden afgehouwen.23En ook zij zullen, als zij niet in het ongeloof blijven, weer geënt worden; want God is machtig hen opnieuw te enten.24Want als u uit de van nature wilde olijfboom uitgehouwen en tegen [de] natuur op [de] edele olijfboom geënt bent, hoeveel te meer zullen dezen, die natuurlijke [takken] zijn, op hun eigen olijfboom geënt worden!). Ook stelt het de gelovigen voor als degenen die alles aan God ontlenen (Ps 52:1010Maar ik zal zijn als een bladerrijke olijfboom
in het huis van God;
ik vertrouw op Gods goedertierenheid,
eeuwig en altijd.
)
.

Samenvattend kunnen we zeggen dat een ‘olijfboombroeder’ iemand is die zich laat leiden door de Heilige Geest en bij wie de vrucht van de Geest zichtbaar wordt. Hij is iemand die rekening houdt met de beloften van God en in alles op Hem vertrouwt. Als er een ‘olijfboombroeder’ in de plaatselijke gemeente is, zou tegen hem gezegd kunnen worden: ‘Wij willen jou als leider aanstellen, zoals in de kerken om ons heen gebeurt.’ Het is te hopen dat zijn antwoord is zoals dat van de olijfboom, zodat hij vrucht kan blijven dragen tot eer van God.


De vijgenboom

10Toen zeiden de bomen tegen de vijgenboom: Komt u, wees koning over ons! 11Maar de vijgenboom zei tegen hen: Zou ik mijn zoetigheid en mijn goede vrucht opgeven, en zou ik weggaan om boven de [andere] bomen te zweven?

De eerste keer dat we iets over de vijgenboom lezen, is als Adam en Eva gezondigd hebben (Gn 3:77Toen werden de ogen van beiden geopend en zij merkten dat zij naakt waren. Zij vlochten vijgenbladeren samen en maakten voor zichzelf schorten.). Nadat ze gezondigd hebben en zien dat ze naakt zijn, willen ze hun naaktheid bedekken met bladeren van de vijgenboom. Hierin ligt een aanwijzing dat de vijgenboom in beeld iets zegt over gerechtigheid. Adam en Eva maken een eigen bedekking om voor God te kunnen verschijnen. Maar die bedekking werkt niet.

Het is ermee als met alle werken van eigen gerechtigheid, waardoor een mens meent aangenaam te kunnen zijn voor God. Het is een gerechtigheid zonder vrucht voor God. Het zijn alleen bladeren, het is een uiterlijke zaak. Dat is ook het geval in Markus 11 (Mk 11:13-1413En toen Hij in de verte een vijgenboom zag die bladeren had, ging Hij [kijken] of Hij daar misschien iets aan zou vinden; en daarbij gekomen vond Hij niets dan bladeren, want het was niet de tijd van de vijgen.14En Hij antwoordde en zei tot hem: Laat niemand meer vrucht van u eten in eeuwigheid! En Zijn discipelen hoorden het.). De Heer Jezus heeft honger en wil van een vijgenboom eten. Er zitten echter alleen bladeren aan en geen vrucht. De Heer vervloekt daarop die vijgenboom.

De vijgenboom is een beeld van Israël (Hs 9:11Wees niet blij, Israël, tot jubelens toe, zoals de volken,
want u hebt in hoererij uw God verlaten.
U hebt hoerenloon lief
op alle dorsvloeren voor koren.
)
. God kwam in Christus tot Zijn volk om vrucht bij hen te zoeken. Hij verlangde daarnaar. Maar wat trof Hij aan? Een volk dat volledig beheerst werd door een zelf opgebouwde gerechtigheid. Maar nooit zal iets van eigen inspanning de mens aangenaam maken voor God. Toen de Heer Jezus door dit volk vol eigen gerechtigheid naar het kruis werd gebracht en gedood, is ten volle gebleken dat het doen en laten van de mens door en door zondig is.

Het gaat God om de vrucht van de gerechtigheid, niet om een schijn van gerechtigheid. Deze vrucht wordt zeker zichtbaar, maar alleen als ze het gevolg is van een liefde die overvloeit in kennis en alle inzicht en die uitgewerkt wordt in het praktisch geloofsleven met het oog gericht op de komst van Christus (Fp 1:9-109En dit bid ik, dat uw liefde nog meer en meer mag overvloeien in kennis en alle inzicht,10om te beproeven wat het beste is, opdat u zuiver en onberispelijk bent tegen [de] dag van Christus,). Iemand bij wie dat gevonden wordt, is “vervuld met de vrucht van de gerechtigheid die door Jezus Christus is, tot heerlijkheid en lof van God” (Fp 1:1111vervuld met [de] vrucht van [de] gerechtigheid die door Jezus Christus is, tot heerlijkheid en lof van God.).

De vijgenboom spreekt van voedsel, en ook van genezing. In Jesaja 38 is sprake van een vijgenkoek die gelegd moet worden op de zweer van Hizkia (Js 38:2121Jesaja had namelijk gezegd: Laat men een klomp vijgen nemen en [die] als een pleister op de zweer leggen; dan zal hij genezen.). Daardoor zal hij beter worden.

We kunnen van dit alles het volgende leren. In de gemeente hebben vooral de herder en de leraar een dienst van voeding en verkwikking, heling en ondersteuning voor de leden van het volk van God. Hun dienst zal erop gericht zijn de vrucht van gerechtigheid in de gelovigen tot groei en bloei te laten komen, zodat God daarvan zal kunnen genieten.

Waarvoor deze ‘vijgenboombroeders’ moeten oppassen, is dat zij die dienst niet inwisselen voor een plaats van heerschappij over Gods volk. Het houdt ook een waarschuwing in dat de praktische geloofsbeleving niet een te grote nadruk moet krijgen. Dat gebeurt daar, waar vooral gehamerd wordt op het praktisch christen zijn, terwijl men voorbijgaat aan wat de Bijbel daarover zegt. Dan gaat de vijgenboom ook zweven boven de andere bomen.


De wijnstok

12Toen zeiden de bomen tegen de wijnstok: Komt u, wees koning over ons! 13Maar de wijnstok zei tegen hen: Zou ik mijn nieuwe wijn opgeven, die God en mensen vrolijk maakt, en zou ik weggaan om boven de [andere] bomen te zweven?

De volgende is de wijnstok. Als de wijnstok, of de wijn, in de Bijbel genoemd wordt, stelt dat vreugde, blijdschap voor. We lezen dit in vers 1313Maar de wijnstok zei tegen hen: Zou ik mijn nieuwe wijn opgeven, die God en mensen vrolijk maakt, en zou ik weggaan om boven de [andere] bomen te zweven?, waar van de wijn wordt gezegd dat “die God en mensen vrolijk maakt”. Die gedachte wordt in Psalm 104 bevestigd: “Wijn, die het hart van de sterveling verblijdt” (Ps 104:15a15wijn, die het hart van de sterveling verblijdt,
olie, die [zijn] gezicht doet glanzen,
en brood, dat het hart van de sterveling versterkt.
)
. Israël wordt vergeleken met een wijngaard (Js 5:1-71Ik wil graag voor mijn Beminde zingen,
een lied van mijn Geliefde over Zijn wijngaard.
Mijn Beminde had een wijngaard
op een vruchtbare heuvel.
2Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen,
Hij beplantte hem met edele wijnstokken.
In het midden ervan bouwde Hij een toren,
en hakte ook een perskuip daarin uit.
Hij verwachtte dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
maar hij bracht stinkende druiven voort.
3Nu dan, inwoners van Jeruzalem
en mannen van Juda,
oordeel toch tussen Mij
en Mijn wijngaard.
4Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard,
dan wat Ik eraan gedaan heb?
Waarom heb Ik verwacht dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
terwijl hij [slechts] stinkende druiven voortbracht?
5Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken
wat Ik met Mijn wijngaard ga doen:
Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden;
Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden.
6Ik zal er een wildernis van maken.
Hij zal niet gesnoeid worden of geschoffeld,
maar dorens en distels zullen er opschieten.
En Ik zal de wolken gebieden
geen regen erop te laten neerkomen.
7Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
)
. God wilde een volk waaraan Hij blijdschap, vreugde kon beleven: Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant” (Js 5:7a7Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
)
. Helaas moet daarop volgen: “Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur, gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw” (Js 5:7b7Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
)
. Israël heeft Hem niet de blijdschap gebracht waarop Hij heeft gerekend en waarvoor Hij alles heeft gedaan.

De Heer Jezus vertelt in Johannes 15, waar Hij gezien wordt als de ware wijnstok (Jh 15:11Ik ben de ware wijnstok en Mijn Vader is de Landman.), hoe wij vrucht kunnen dragen tot verheerlijking en blijdschap van de Vader. In één woord gezegd, komt wat Hij zegt neer op gehoorzaamheid. De Heer zegt het zo: “Als u Mijn geboden bewaart, zult u in Mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van Mijn Vader heb bewaard en in Zijn liefde blijf. Dit heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u is en uw blijdschap volkomen wordt” (Jh 15:10-1110Als u Mijn geboden bewaart, zult u in Mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van Mijn Vader heb bewaard en in Zijn liefde blijf.11Dit heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u is en uw blijdschap volkomen wordt.).

In het leven van een ‘wijnstokbroeder’ wordt gehoorzaamheid zichtbaar met als gevolg blijdschap voor de Vader en voor hemzelf. Hij wil het gehoorzaam zijn aan God en de vreugde die Hem dat geeft, niet inruilen voor een positie van heersen over het volk van God. In de samenkomsten van de gemeente kan ook de blijdschap te veel nadruk krijgen. Dit kan gebeuren als een reactie op de somberheid die soms in de samenkomsten heerst. Die somberheid is niet goed. Er mag blijdschap zijn over alles wat God ons heeft gegeven.

Het gaat om een evenwicht tussen aan de ene kant het besef wie wij van nature zijn en dat de Heer Jezus daarvoor heeft moeten lijden en aan de andere kant de grote dankbaarheid en blijdschap om wat de Heer Jezus heeft gedaan en de resultaten waarin wij mogen delen. Het te veel benadrukken van blijdschap vervaagt in de praktijk de echte blijdschap tot het hebben van een ‘lekker’ gevoel en komt steeds verder af te staan van wat het hart van God echt blij maakt.

Om dat laatste gaat het. Het hart van God wordt blij gemaakt door alles wat we Hem vertellen over de Heer Jezus, over Zijn werk aan het kruis en hoe Hij in alles God heeft verheerlijkt. Het hart van God wordt blij door alles wat Hij in ons leven ziet van de Heer Jezus, van het gehoorzame en toegewijde leven van Zijn Zoon.


De doornstruik

14Ten slotte zeiden al de bomen tegen de doornstruik: Kom, weest u koning over ons! 15En de doornstruik zei tegen de bomen: Als u mij naar waarheid tot koning over u zalft, kom dan [en] neem de toevlucht in mijn schaduw. Maar zo niet, laat er [dan] vuur uitgaan van de doornstruik, dat de ceders van de Libanon zal verteren.

Dan komt de ‘echte’ heerser naar voren. De bomen die op weg zijn om een koning over zich te zalven (vers 88Eens gingen de bomen [op weg] om een koning over zich te zalven. Ze zeiden tegen de olijfboom: Wees koning over ons!), hebben tevergeefs een beroep gedaan op de olijfboom, de vijgenboom en de wijnstok. En, heel merkwaardig, het resultaat is niet dat ze zich afvragen of ze wel goed bezig zijn, maar ze gaan door met hun zoektocht. Ze gaan niet terug naar hun eigen plek om daar hun eigen vrucht te dragen. Ze zijn ontevreden met hun plaats in het bos en dat blijven ze. Als niemand van de echte kandidaten bereid is koning te worden, dan gaan ze maar iemand vragen aan wie ze in eerste instantie niet hebben gedacht, maar die het zeker wel zal willen.

In vers 1414Ten slotte zeiden al de bomen tegen de doornstruik: Kom, weest u koning over ons! lezen we iets wat er de andere keren niet bij staat, namelijk dat het verzoek uitgaat van “al de bomen”. Het lijkt alsof door alle afwijzingen de hunkering naar een leider alleen nog maar sterker is geworden. Ze moeten en zullen iemand hebben die over hen heerst. Dat is een ideaal uitgangspunt voor de doornstruik.

Een doornstruik spreekt tot de verbeelding van ieder die er wel eens mee in aanraking is gekomen. Van een doornstruik kun je alleen pijn verwachten. De doornstruik praat niet over vrucht, maar over schaduw – alsof een doornstruik bescherming tegen de brandende zon kan bieden – en vuur. Wie onder een doornstruik gaat liggen, kan alleen maar schrammen en pijn oplopen.

Doornen zijn een direct gevolg van de zonde (Gn 3:1818dorens en distels zal hij voor u laten opkomen
en u zult het gewas van het veld eten.
)
. Wie zijn toevlucht neemt tot zondige middelen om de eigen verlangens te bevredigen, kan niet anders dan de ondergang verwachten. De doornstruik stelt de vloek voor als gevolg van de zonde die gestalte krijgt in een man die zichzelf zoekt. Een compromis is niet mogelijk. Het is buigen of omkomen. Dat wordt in de rest van dit hoofdstuk bewezen. Wie zelf iets wil zijn onder de broeders, bewijst alleen maar dat hij een doornstruik is.


De uitleg van de gelijkenis

16Welnu, als u naar waarheid en in oprechtheid gehandeld hebt, toen u Abimelech koning maakte, en als u goed gehandeld hebt met Jerubbaäl en zijn huis, en als u met hem hebt gedaan overeenkomstig de verdienste van zijn handen 17– mijn vader heeft immers voor u gestreden, zijn leven gewaagd en u uit de hand van Midian gered; 18maar ú bent deze dag in opstand gekomen tegen het huis van mijn vader en hebt zijn zonen, zeventig mannen, op één [en dezelfde] steen gedood, en u hebt Abimelech, de zoon van zijn slavin, koning gemaakt over de burgers van Sichem, omdat hij uw broer is – 19als u dan op deze dag naar waarheid en in oprechtheid gehandeld hebt met Jerubbaäl en zijn huis, verblijd u dan over Abimelech, en laat ook hij zich verblijden over u. 20Maar zo niet, laat er dan vuur uitgaan uit Abimelech, dat de burgers van Sichem en Beth-Millo verteert, en laat er vuur uitgaan van de burgers van Sichem en Beth-Millo dat Abimelech verteert.

Vanaf de veilige hoogte van de berg Gerizim gaat Jotham vervolgens de gelijkenis aan zijn gehoor uitleggen. Door de weerkaatsing tussen de bergen is hij voor iedereen duidelijk verstaanbaar. Wat hij zegt, moet een krachtige indruk maken op de gewetens van de hoorders (vers 1616Welnu, als u naar waarheid en in oprechtheid gehandeld hebt, toen u Abimelech koning maakte, en als u goed gehandeld hebt met Jerubbaäl en zijn huis, en als u met hem hebt gedaan overeenkomstig de verdienste van zijn handen) die zich in het dal beneden hem bevinden. Hij herinnert hen aan de gunsten die hun in het verleden door zijn vader Gideon zijn bewezen (vers 1717– mijn vader heeft immers voor u gestreden, zijn leven gewaagd en u uit de hand van Midian gered;) en noemt hun grote ondankbaarheid (vers 1818maar ú bent deze dag in opstand gekomen tegen het huis van mijn vader en hebt zijn zonen, zeventig mannen, op één [en dezelfde] steen gedood, en u hebt Abimelech, de zoon van zijn slavin, koning gemaakt over de burgers van Sichem, omdat hij uw broer is –). Dan beklemtoont hij het resultaat van hun opstand (vers 2020Maar zo niet, laat er dan vuur uitgaan uit Abimelech, dat de burgers van Sichem en Beth-Millo verteert, en laat er vuur uitgaan van de burgers van Sichem en Beth-Millo dat Abimelech verteert.).

In zijn uitleg tekent Jotham het contrast tussen Gideon en Abimelech. Hij beschrijft de waardeloosheid van Abimelech, die de mannen van Sichem gewillig als koning over zich hebben aanvaard. Hij beschuldigt hen ook van een schaamteloze behandeling van het huis van zijn vader aan wie zij zoveel verschuldigd zijn. Zoveel onrecht kan niet ongestraft blijven. Zij zullen de vrucht van hun eigen handelingen eten. Het verbond tussen Abimelech en de burgers van Sichem zal uitlopen op een strijd waarbij ze elkaar zullen uitroeien. In vers 2020Maar zo niet, laat er dan vuur uitgaan uit Abimelech, dat de burgers van Sichem en Beth-Millo verteert, en laat er vuur uitgaan van de burgers van Sichem en Beth-Millo dat Abimelech verteert. zegt Jotham wie er met de doornstruik wordt bedoeld: Abimelech.

Het contrast met zijn vader Gideon komt ook hierin tot uiting, dat Gideon het koningschap heeft geweigerd, net als de goede bomen. Het koningschap van Abimelech zal het verderf betekenen van het volk en van zichzelf. Ook hier zien we een contrast met Gideon van wie Jotham zegt: “Mijn vader heeft immers voor u gestreden, zijn leven gewaagd en u uit de hand van Midian gered” (vers 1717– mijn vader heeft immers voor u gestreden, zijn leven gewaagd en u uit de hand van Midian gered;). Gideon heeft zijn leven geriskeerd, letterlijk staat er ‘zijn leven weggegooid’. Dat laat de volle inzet van Gideon zien om het volk van God te bevrijden. Hij lijkt hierin op de Heer Jezus, Die Zijn leven niet alleen gewaagd heeft, maar het heeft overgegeven om ons te redden.

Abimelech lijkt op de duivel, die komt om te stelen, te slachten en te verderven, zoals de Heer Jezus zegt: “De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verderven; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben, en het overvloedig hebben. Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen” (Jh 10:10-1110De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verderven; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben, en het overvloedig hebben.11Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen;). In de eerste (de dief) herkennen we Abimelech, in de tweede (de goede herder) Gideon.


Jotham vlucht

21Toen ging Jotham haastig op de vlucht. Hij ging naar Beër en woonde daar vanwege zijn broer Abimelech.

Na deze korte, maar veelzeggende toespraak vlucht Jotham, misschien omdat mensen van Sichem de berg willen beklimmen om hem te grijpen. Hij komt terecht in Beër, dat ‘bron’ betekent. Een bron is een goede schuilplaats. Bij een bron is levend water, je kunt je daar voortdurend verkwikken. Tegelijk vormt de bron een bescherming tegen de vijand. Jotham gaat daar uit vrees voor zijn broer wonen.

Ook voor ons is er zo’n bron van verkwikking en bescherming. Die bron is het Woord van God. Als we, net als Jotham, hebben gewezen op verkeerde dingen bij het volk van God en we ontmoeten vijandschap, dan is onze enige verkwikking en veiligheid te vinden in het Woord van God.

In Numeri 21 wordt ook de naam Beër genoemd (Nm 21:16-1816Vandaar [reisden] zij naar Beër. Dat is de bron waarvan de HEERE tegen Mozes zei: Verzamel het volk en Ik zal hun water geven.
17Toen zong Israël dit lied:
Spring op, put,
zing ervan in beurtzang!
18Put, die de vorsten gegraven hebben,
die de edelen van het volk gedolven hebben,
met een scepter, met hun staven.
Van de woestijn [reisden zij] naar Mattana,
)
. Daar treffen we niet een enkeling aan, wat een kenmerk is van een tijd van verval en algemene ontrouw, maar daar zien we het hele volk. Wat doet dat volk daar? Zingen. Daar hebben we een prachtig resultaat van het zijn bij de bron. De trouwe getuigen trekken zich terug naar de bron waar levend water is en zingen er liederen en lofzangen tot eer van God en de Heer Jezus.


God gaat vergelden

22Toen Abimelech drie jaar over Israël geheerst had, 23zond God een boze geest tussen Abimelech en de burgers van Sichem. De burgers van Sichem handelden trouweloos tegen Abimelech, 24opdat het geweld tegen de zeventig zonen van Jerubbaäl en hun bloed zouden neerkomen op hun broer Abimelech, die hen gedood had; en op de burgers van Sichem, die hem aangemoedigd hadden om zijn broers te doden. 25De burgers van Sichem plaatsten [mannen] in hinderlaag tegen hem op de toppen van de bergen, en die beroofden iedereen die over de weg langs hen heen kwam. En het werd aan Abimelech verteld.

Er is een gezegde dat luidt: Gods molens malen langzaam, maar zeker. Soms lijkt het erop dat God niets doet met wat Hij heeft gezegd. Ook in 2 Petrus 3 hebben we zo’n situatie (2Pt 3:3-103Weet dit eerst, dat er in [het] laatst van de dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen4en zeggen: Waar is de belofte van Zijn komst? Want sinds de vaderen zijn ontslapen, blijft alles zó [als] van [het] begin van [de] schepping.5Want moedwillig is hun dit onbekend, dat door het Woord van God [de] hemelen van oudsher waren en een aarde bestaande uit water en door water,6waardoor de toenmalige wereld, door water overstroomd, vergaan is.7Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde Woord opgespaard voor [het] vuur en worden bewaard tot [de] dag van [het] oordeel en van [de] ondergang van de goddeloze mensen.8Maar laat dit ene u niet onbekend zijn, geliefden, dat één dag bij [de] Heer is als duizend jaar en duizend jaar als één dag.9[De] Heer vertraagt de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen.10Maar [de] dag van [de] Heer zal komen als een dief, waarop de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan en [de] elementen brandend vergaan en [de] aarde en de werken daarop zullen gevonden worden.). En heeft de Heer Jezus niet gezegd dat Hij spoedig zal komen? Hij is nog steeds niet gekomen. Maar wat is voor de eeuwige God duizend jaar? Welnu, in het geval van Abimelech zijn er drie jaren verstreken. Maar wat is drie jaar voor de eeuwige God? Hij is echt niet vergeten wat Hij door Jotham heeft gezegd.

Het kan best lang duren, maar er komt een tijd dat Gods Woord in vervulling gaat. De zonde wordt door Hem achterhaald. Nadat Abimelech drie jaar over Sichem heeft geregeerd, zendt God een boze geest. Deze drijft een wig van ontrouw tussen Abimelech en de burgers van Sichem. God bedient Zich wel vaker van een boze geest om een door Hem gewenst doel te bereiken (1Sm 16:1414De Geest van de HEERE was van Saul geweken, en een boze geest bij de HEERE vandaan joeg hem angst aan.; 1Kn 22:19-2319Verder zei [Micha]: Daarom, hoor het woord van de HEERE: Ik zag de HEERE op Zijn troon zitten, en heel het hemelse leger stond bij Hem, aan Zijn rechter- en aan Zijn linkerzijde.20En de HEERE zei: Wie zal Achab misleiden, zodat hij zal optrekken en bij Ramoth in Gilead zal vallen [in de strijd]? De een nu zei dit, en de ander zei dat.21Toen trad er een geest naar voren en ging voor het aangezicht van de HEERE staan. Hij zei: Ík zal hem misleiden. En de HEERE zei tegen hem: Waarmee?22Hij zei: Ik zal eropuit gaan en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U mag misleiden, en u zult er ook toe in staat zijn. Vertrek en doe het zo.23Welnu, zie, de HEERE heeft een leugengeest in de mond van al deze profeten van u gegeven, en de HEERE heeft onheil over u uitgesproken.). Het woord dat in vers 2222Toen Abimelech drie jaar over Israël geheerst had, met ‘geheerst’ is vertaald, komt in Richteren alleen hier voor en is waarschijnlijk gekozen om de slechte, eigenmachtige regering van Abimelech te onderscheiden van die van de trouwe richters.

Gods oordeel komt zowel over Abimelech als over de burgers van Sichem. We zien hoe God de zaak beoordeelt. Hij laat het oordeel komen over Abimelech omdat hij de moordenaar van zijn broers is en over de burgers van Sichem omdat zij daaraan medeplichtig zijn. God acht de burgers van Sichem niet minder schuldig. Zij hebben Abimelech gesteund. Dat laat zien hoe kwalijk het voor God is om iemand te steunen die met verkeerde dingen bezig is, ook al doet de steunverlener daar zelf niet actief aan mee.

Het lijkt erop dat Abimelech niet meer in Sichem woont. Dat blijkt wellicht uit het feit dat hij een stadhouder of bevelhebber, Zebul, heeft (verzen 28,3028Toen zei Gaäl, de zoon van Ebed: Wie is Abimelech, en wat is Sichem, dat wij hem zouden dienen? Is hij niet de zoon van Jerubbaäl en is Zebul niet zijn bevelhebber? Dien [liever] de mannen van Hemor, de vader van Sichem, want waarom zouden wíj hem dienen?30Toen Zebul, de overste van de stad, de woorden van Gaäl, de zoon van Ebed, hoorde, ontstak hij in woede.) die zijn zaken behartigt. Hij heeft zijn doel bereikt en heeft de burgers van Sichem niet meer nodig. Zijn persoonlijke betrokkenheid, waarmee hij hun gunst heeft gewonnen in het begin van dit hoofdstuk, is verdwenen. Op hun beurt worden de Sichemieten hem ontrouw. Dat bedrieglijke handelen van Sichem wordt door een ontrouwe Sichemiet aan Abimelech overgebracht. Het is een aaneenschakeling van verraad, leugen en bedrog.


Gaäl

26Gaäl, de zoon van Ebed, kwam ook met zijn broeders, en zij kwamen over naar Sichem. En de burgers van Sichem vertrouwden op hem. 27Zij gingen [de stad] uit, het veld in, en zij plukten hun wijngaarden leeg, traden [de druiven] en zongen feestliederen. Daarna gingen zij het huis van hun god binnen, aten, dronken en vervloekten Abimelech. 28Toen zei Gaäl, de zoon van Ebed: Wie is Abimelech, en wat is Sichem, dat wij hem zouden dienen? Is hij niet de zoon van Jerubbaäl en is Zebul niet zijn bevelhebber? Dien [liever] de mannen van Hemor, de vader van Sichem, want waarom zouden wíj hem dienen? 29Och, had ik dit volk maar in mijn hand! Dan zou ik Abimelech wel verdrijven. Ook zei hij tegen Abimelech: Vergroot uw leger en trek uit!

Er verschijnt een nieuwe speler op het toneel. Zijn naam is Gaäl, dat betekent ‘walging’, ‘afkeer’. Hij is de zoon van Ebed en dat betekent ‘slavernij’, ‘dienstbaarheid’. Hij maakt handig gebruik van het machtsvacuüm dat is ontstaan en speelt in op de negatieve gevoelens die de burgers van Sichem voor Abimelech hebben. Hij maakt de kloof tussen beide partijen nog groter.

De gelegenheid die hij daarvoor gebruikt, is een oogstfeest, als iedereen in een opperbeste stemming is en daardoor gemakkelijk te beïnvloeden. Daarbij doet hij een beroep op hun nationale gevoelens. Abimelech heeft een beroep gedaan op hun familieverband met hem, maar Gaäl gaat terug naar het verre voorgeslacht. Hij laat hun de gemeenschappelijke wortels zien. Dat spreekt de burgers van Sichem wel aan. Zo zaait hij het zaad van ontevredenheid over hun huidige koning en merkt daarbij hoe gemakkelijk zijn woorden een ommezwaai bij het volk bewerken. Zijn tactiek lijkt geslaagd.

Na deze voorbereidende acties doet hij een greep naar de macht en werpt zichzelf als de betere leider op. Hij maakt Abimelech belachelijk en zij, die het eerst met Abimelech eens zijn, keren zich nu tegen hem. Zo eenvoudig is de volksgunst te veranderen. De ene vleselijke leider wordt ingewisseld voor de andere. Maar Gaäl heeft slechts praatjes. Dat zien we in het vervolg van de geschiedenis.


Zebul

30Toen Zebul, de overste van de stad, de woorden van Gaäl, de zoon van Ebed, hoorde, ontstak hij in woede. 31Heimelijk stuurde hij boden naar Abimelech om te zeggen: Zie, Gaäl, de zoon van Ebed, en zijn broers zijn in Sichem gekomen, en zie, zij zetten de stad tegen u op. 32Welnu dan, sta vannacht op, u en het volk dat bij u is, en leg een hinderlaag in het veld. 33En laat het 's morgens, als de zon opgaat, [zo] gebeuren: u moet vroeg opstaan en deze stad overvallen; en zie, als hij met het volk dat bij hem is, tegen u uittrekt, doe dan met hem zoals uw hand vindt [om te doen].

Zoals bij alle slim opgezette plannen die dienen om zichzelf te promoten, vinden we ook hier elementen waarmee geen rekening is gehouden. Gaäl heeft zich misrekend waar het Zebul betreft. Die blijft trouw aan Abimelech en laat een boodschap naar Abimelech sturen met daarin tegelijk een plan van aanpak om de indringer te verjagen.

Zebul is een man met militair inzicht. Als Abimelech snel komt, kan hij Gaäl verrassen. Die zal dan geen tijd hebben om uit de Sichemieten een geordend leger samen te stellen. Hij doet ook nog de aanbeveling om hinderlagen te leggen. Verder laat hij het aan Abimelech over om te handelen naar dat de situatie het vereist.


Het verzet gebroken

34Toen stond Abimelech, met al het volk dat bij hem was, 's nachts op, en zij legden zich in een hinderlaag tegen Sichem, in vier groepen. 35En Gaäl, de zoon van Ebed, kwam naar buiten en ging bij de ingang van de stadspoort staan. Daarop stond Abimelech op uit de hinderlaag, met het volk dat bij hem was. 36Toen Gaäl het volk zag, zei hij tegen Zebul: Zie, er komt volk van de bergtoppen naar beneden. Zebul zei echter tegen hem: U ziet de schaduw van de bergen voor mensen aan. 37Maar Gaäl sprak opnieuw en zei: Zie, daar komt volk naar beneden vanuit het midden van het land, en één groep komt uit de richting van de Waarzeggerseik. 38Toen zei Zebul tegen hem: Waar is nu die [grote] mond van u waarmee u zei: Wie is Abimelech, dat wij hem zouden dienen? Is dit niet het volk dat u veracht hebt? Trek nu toch [de stad] uit en strijd tegen hem! 39En Gaäl trok voor de ogen van de burgers van Sichem [de stad] uit en streed tegen Abimelech. 40Maar Abimelech jaagde hem na, want hij vluchtte voor hem weg. En velen vielen er dodelijk gewond neer tot bij de ingang van de [stads]poort. 41En Abimelech bleef in Aruma, en Zebul verdreef Gaäl en zijn broeders, zodat zij niet meer in Sichem konden wonen. 42En het gebeurde de volgende dag dat het volk [de stad] uittrok, het veld in, en men vertelde het aan Abimelech. 43Toen nam hij [zijn] manschappen, verdeelde hen in drie groepen en legde een hinderlaag in het veld. Daarna zag hij, en zie, het volk trok de stad uit. Daarop viel hij hen aan en versloeg hen. 44Terwijl Abimelech en de groepen die bij hem waren, hen overvielen en bij de ingang van de stadspoort bleven staan, overvielen de twee [andere] groepen allen die in het veld waren, en versloegen hen. 45Die hele dag streed Abimelech tegen de stad. Hij nam de stad in, en het volk dat daarin was, doodde hij. Hij brak de stad af en bestrooide die met zout. 46Toen alle burgers van Migdal-Sichem dit hoorden, gingen zij de schuilplaats van het huis van El-Berith in. 47En Abimelech werd verteld dat alle burgers van Migdal-Sichem zich [daar] verzameld hadden. 48Vervolgens ging Abimelech de berg Zalmon op, hij en al het volk dat bij hem was. Abimelech nam een bijl ter hand, hakte een tak van de bomen, pakte hem op en legde hem op zijn schouder. En tegen het volk dat bij hem was, zei hij: Wat u mij hebt zien doen, haast u [dat ook] te doen, [net] als ik. 49Daarop hakte ook eenieder van het volk zijn tak af en zij gingen Abimelech achterna. Zij legden [de takken] tegen de schuilplaats en staken daarmee de schuilplaats in brand. Zo stierven ook alle mensen van Migdal-Sichem, ongeveer duizend mannen en vrouwen.

Abimelech volgt de raad van Zebul op. Hij gebruikt de tactiek van zijn vader Gideon. Hij handelt ‘s nachts en verdeelt zijn leger in groepen (Ri 7:16-1916Toen verdeelde hij de driehonderd man in drie groepen en gaf iedereen een bazuin en lege kruiken in de hand, met fakkels binnenin de kruiken.17En hij zei tegen hen: Kijk naar mij en doe [net] zo. En zie, als ik aan de rand van het kamp ben gekomen, dan moet het [zó] zijn dat u doet zoals ik doe.18Als ik op de bazuin blaas, ik en allen die bij mij zijn, dan moet u ook op de bazuin blazen, rondom heel het kamp, en zeggen: Voor de HEERE en voor Gideon!19Zo kwam Gideon met de honderd mannen die bij hem waren, bij de rand van het kamp. [Het was] aan het begin van de middelste nachtwake, net nadat zij de wacht [weer] hadden opgesteld. Toen bliezen zij op de bazuinen en sloegen de kruiken die in hun hand waren, in stukken.). Als Gaäl de poort uitgaat, ziet hij het leger van Abimelech de bergen afkomen. Maar Zebul oppert dat het een zinsbegoocheling is. Als Gaäl zich niet om de tuin laat leiden, daagt Zebul hem uit om te laten zien dat hij niet alleen een praatjesmaker is, maar ook iemand die de moed heeft te vechten.

De burgers van Sichem zijn de toeschouwers bij deze strijd. Ze hebben nog niet echt partij gekozen voor Gaäl. Gaäl wordt verslagen en Zebul ziet zijn kans om zich van Gaäl te ontdoen, zodat hij het gezag over Sichem blijft houden. Dat wil niet zeggen dat hij Sichem weer onder het bestuur van Abimelech brengt. De vriendschap tussen Abimelech en Sichem is volledig verbroken.

Nadat Gaäl is verslagen, wil Abimelech de afvallige stad weer aan zich onderwerpen. Hij wil wraak nemen voor hun gebrek aan trouw tegenover hem. In zijn persoonlijke trots gekrenkt, trekt hij op tegen de inwoners van de stad als zij aan het werk gaan op het veld. Gekrenkte trots van mensen met een hoge dunk van zichzelf is in alle tijden en ook in de christelijke gemeente de oorzaak geweest van veel strijd met veel slachtoffers.

Abimelech laat er geen gras over groeien. Terwijl de burgers van Sichem op het land aan het werk zijn, bezet hij met een groep de stad en overvallen twee andere groepen de mensen op het platteland. Wie in zijn handen valt, ontkomt niet aan zijn woede. De stad breekt hij af en bestrooit haar met zout om een volledige verwoesting en altijddurende onvruchtbaarheid te symboliseren (Dt 29:2323zeggen dat heel zijn land zwavel en zout, een brandplek, is; dat het niet wordt bezaaid, er niets op groeit en er geen enkel gewas opkomt, zoals bij de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboïm, die de HEERE omgekeerd heeft in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid –; Ps 107:3434vruchtbaar land tot een zoutvlakte,
vanwege de slechtheid van zijn bewoners.
)
. Pas twee eeuwen later wordt Sichem herbouwd (1Kn 12:2525Jerobeam bouwde Sichem uit, in het bergland van Efraïm, en ging daar wonen. Naderhand vertrok hij vandaar en bouwde Penuel.).

De wraakzucht en bloeddorst van de meedogenloze Abimelech richten zich op de ongeveer duizend overgebleven mannen en vrouwen van Sichem die hun toevlucht hebben genomen in de toren van de tempel van El-Berith in de hoop dat hun afgod hun bescherming biedt. Ze komen bedrogen uit.

Abimelech geeft zijn manschappen de opdracht te doen wat hij doet (vers 4848Vervolgens ging Abimelech de berg Zalmon op, hij en al het volk dat bij hem was. Abimelech nam een bijl ter hand, hakte een tak van de bomen, pakte hem op en legde hem op zijn schouder. En tegen het volk dat bij hem was, zei hij: Wat u mij hebt zien doen, haast u [dat ook] te doen, [net] als ik.). Zoiets heeft zijn vader ook gezegd (Ri 7:1717En hij zei tegen hen: Kijk naar mij en doe [net] zo. En zie, als ik aan de rand van het kamp ben gekomen, dan moet het [zó] zijn dat u doet zoals ik doe.). Alleen is het voorbeeld van Gideon goed en dat van Abimelech is slecht. Goed voorbeeld doet goed volgen, maar slecht voorbeeld doet slecht volgen. Abimelech gaat zijn leger voor in een strijd die zuiver gaat om het eigen belang en het halen van zijn gram.

Dit gaat ten koste van zijn volksgenoten, zijn ‘beenderen en vlees’ zoals hij hen in vers 22Spreek toch ten aanhoren van alle burgers van Sichem: Wat is beter voor u? Dat zeventig mannen, allemaal zonen van Jerubbaäl, over u heersen, of dat één man over u heerst? Bedenk daarbij dat ik uw beenderen en uw vlees ben. heeft genoemd. Maar dat alles doet er niet meer toe. Met de waas van wraakzucht voor zijn ogen verbrandt hij de menigte in de toren. Het eerste deel van Jothams profetie is vervuld (vers 20a20Maar zo niet, laat er dan vuur uitgaan uit Abimelech, dat de burgers van Sichem en Beth-Millo verteert, en laat er vuur uitgaan van de burgers van Sichem en Beth-Millo dat Abimelech verteert.).


Het einde van Abimelech

50Daarna ging Abimelech naar Tebez. Hij sloeg zijn kamp op bij Tebez en nam het in. 51Maar er stond een sterke toren in het midden van de stad, en alle mannen en vrouwen, ja, alle burgers van de stad vluchtten daarheen. Zij sloten [de deur] achter zich en klommen op het dak van de toren. 52Toen kwam Abimelech bij de toren en bestormde die. Maar toen hij de ingang van de toren naderde om die in brand te steken, 53wierp een vrouw een stuk van een molensteen op Abimelechs hoofd, en zij verbrijzelde zijn schedel. 54Toen riep hij snel de knecht die zijn wapens droeg en zei tegen hem: Trek uw zwaard en dood mij, want anders zullen zij over mij zeggen: Een vrouw heeft hem gedood. Daarop doorstak zijn knecht hem, zodat hij stierf. 55En toen de mannen van Israël zagen dat Abimelech dood was, gingen zij [terug], iedereen naar zijn [woon]plaats. 56Zo liet God het kwaad van Abimelech, dat hij zijn vader aangedaan had door zijn zeventig broers te doden, [op zijn hoofd] terugkeren. 57Evenzo liet God al het kwaad van de mensen van Sichem op hun hoofd terugkeren. En de vloek van Jotham, de zoon van Jerubbaäl, kwam over hen.

De vervulling van het tweede deel van Jothams profetie (vers 20b20Maar zo niet, laat er dan vuur uitgaan uit Abimelech, dat de burgers van Sichem en Beth-Millo verteert, en laat er vuur uitgaan van de burgers van Sichem en Beth-Millo dat Abimelech verteert.) laat niet lang op zich wachten. In zijn onverzadigbare honger naar macht trekt Abimelech verder naar Tebez, een stad die blijkbaar ook onder zijn bestuur stond, maar ook afvallig is geworden. Evenals Sichem heeft Tebez een toren die dient als vluchtplaats voor de inwoners.

Omdat het in brand steken van de toren in Sichem afdoende is gebleken, wil Abimelech dit middel hier ook maar gebruiken om de inwoners voor hun ontrouw tegenover hem te straffen. Maar dan is Gods tijd aangebroken om Abimelech het kwaad te vergelden dat hij heeft aangericht. God gebruikt een vrouw om Zijn oordeel uit te voeren. We hebben dat eerder gezien, in Richteren 4, waar Jaël de vijand verslaat.

Tot in zijn dood denkt Abimelech aan eigen eer. Er is geen gedachte aan berouw over zijn leven en het kwaad dat hij heeft bedreven. Hij wil niet de geschiedenis ingaan als iemand die door een vrouw is gedood. Het heeft niet mogen baten. God schrijft de geschiedenis, niet de mens. In 2 Samuel 11 herinnert Joab David aan deze geschiedenis en vermeldt de dood van Abimelech door een vrouw (2Sm 11:21a21Wie doodde Abimelech, de zoon van Jerubbeseth? Wierp niet een vrouw een stuk van een molensteen op hem vanaf de muur, zodat hij in Tebez stierf? Waarom bent u [zo] dicht bij de muur gekomen? – dan moet u zeggen: Uw dienaar Uria, de Hethiet, is ook dood.).

Na de dood van Abimelech gaat iedereen naar zijn eigen woonplaats terug. Het strenge regime van de op macht beluste Abimelech heeft geen invloed meer op hen.

De laatste verzen bewijzen dat God niet met Zich laat spotten. “Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten. Want wie voor zijn eigen vlees zaait zal uit het vlees verderf oogsten” (Gl 6:7-8a7Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten.8Want wie voor zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderf oogsten; maar wie voor de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten.). Abimelech en de burgers van Sichem hebben de waarheid van dat woord ondervonden. Het is een waarschuwing die ook tot ieder van ons spreekt.


Lees verder