Richteren
Inleiding 1 Na de dood van Ehud 2 Jabin en Sisera 3 Roepen tot de HEERE 4 Debora, de profetes 5 Debora, de richter 6-7 De opdracht van de HEERE aan Barak 8-10 Debora moet mee 11 De Kenieten 12-13 De vijand wordt actief 14-16 De vijand verslagen 17-22 Jaël 23-24 De vijand omgebracht
Inleiding

In dit hoofdstuk gebruikt God twee vrouwen voor de verlossing van Zijn volk. Het zijn Debora en Jaël. Hij laat daardoor zien dat Zijn kracht in zwakheid wordt volbracht (2Ko 12:9a9en Hij zei tegen mij: Mijn genade is u genoeg; want de kracht wordt in zwakheid volbracht. Heel graag zal ik dus veeleer roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus op mij woont.). Vrouwen stellen zwakheid voor (1Pt 3:77Mannen, evenzo, woont bij hen met verstand als bij een zwakker vat, het vrouwelijke, en bewijst hun eer, omdat zij ook mede-erfgenamen van [de] genade van [het] leven zijn, opdat uw gebeden niet verhinderd worden.). Dit feit geeft ook aan dat er op dat moment geen geschikte man in Israël is die God kan gebruiken. Als God vrouwen voor zulke diensten moet gebruiken, is dat tot beschaming van de man.

Tegelijk is deze geschiedenis een grote bemoediging voor alle vrouwen die God vrezen en door Hem gebruikt willen worden. Zij worden hier onderwezen over de wijze waarop God hen wil gebruiken tot zegen voor Zijn volk.


Na de dood van Ehud

1Toen Ehud gestorven was, deden de Israëlieten opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE.

Opnieuw wordt de waarheid bewezen van wat in Richteren 2 is gezegd (Ri 2:1919Maar bij het sterven van de richter gebeurde het dat zij zich [weer] afkeerden en [nog] verderfelijker handelden dan hun vaderen, door achter andere goden aan te gaan, die te dienen en zich daarvoor neer te buigen. Zij gaven geen van hun daden op en evenmin hun halsstarrige levenswandel.). De man die leiding heeft gegeven bij de bevrijding van het volk, is gestorven. Daarmee is de goede invloed verdwenen die hij op het volk heeft gehad. Als goede leiders ontbreken, wordt het volk stuurloos en geeft het zich over aan allerlei vormen van kwaad. De tachtig jaar rust (Ri 3:3030Zo werd Moab op die dag onder de hand van Israël vernederd. En het land had tachtig jaar rust.) hebben de situatie niet beter, maar slechter gemaakt. Voor de vierde keer lezen we de uitdrukking dat de Israëlieten doen “wat slecht was in de ogen van de HEERE.


Jabin en Sisera

2Daarom leverde de HEERE hen over in de hand van Jabin, koning van Kanaän, die te Hazor regeerde. En zijn legerbevelhebber was Sisera. Deze nu woonde in Haroseth-Haggojim.

De vijand die nu door God wordt gebruikt, bevindt zich in het noorden van Israël. Twintig jaar lang, van 1257-1237 v.Chr., wordt het volk door deze vijand onderdrukt. Ongeveer honderddertig jaar daarvoor heeft Jozua met dezelfde vijand te maken gehad (Jz 11:10-1110Jozua keerde in diezelfde tijd terug en nam Hazor in, en de koning ervan versloeg hij met het zwaard. Vroeger was Hazor namelijk het hoofd van al deze koninkrijken.11Zij sloegen al wat leefde wat daarin was, met de scherpte van het zwaard, en sloegen hen met de ban. Er bleef niets over van al wat adem had, en Hazor verbrandde hij met vuur.). Ogenschijnlijk is hij toen volledig vernietigd. Hier blijkt hij weer springlevend te zijn. Een oude vijand herleeft.

Daarin zit een belangrijke les. De satan weet precies hoe hij oude dwalingen en boosheid moet laten herleven en hij weet ze ook te gebruiken om het volk van God opnieuw in slavernij te voeren. Dat is ook in ons leven zo. We hebben te maken met een overwonnen vijand, maar hij is nog in leven en probeert het volk van God aan zich te onderwerpen. Hij zal pas in de toekomst definitief worden uitgeschakeld. Zó zal het met de duivel gaan.

In de namen die ons in dit vers worden gegeven, kunnen we weer het nodige over deze vijand te weten komen. Het gaat bij de betekenis van de namen steeds om zijn karakter, zijn manier van werken. De vijand kan veel gedaanten aannemen. Elke keer past hij zich bij de situatie aan. Gelukkig heeft God steeds een afdoend antwoord op al die methoden. Jabin betekent ‘inzicht’, ‘verstand’, ‘wijsheid’. Het gaat om een wijsheid die tegengesteld is aan die van God, een wijsheid die niet van boven is, maar die “aards, zinnelijk, duivels” (Jk 3:1515Dat is niet de wijsheid die van boven neerkomt, maar zij is aards, ongeestelijk, demonisch.) is. Het is de wijsheid van de wereld, die door God tot dwaasheid wordt gemaakt (1Ko 1:2020Waar is [de] wijze? Waar [de] schriftgeleerde? Waar [de] redetwister van deze eeuw? Heeft God niet de wijsheid van de wereld tot dwaasheid gemaakt?).

Het lijkt er trouwens op dat de naam Jabin een soort titel is die een positie aangeeft, zoals ‘farao’ in Egypte en ‘Herodes’ in Israël en ‘Abimelech’ bij de Filistijnen. Het gaat dan ook niet om dezelfde man als in Jozua 11, maar om een andere persoon met dezelfde naam. Hazor betekent ‘ingesloten’, ‘omsloten gebied’. Sisera betekent ‘slagorde’.

In verband met de namen kunnen we deze vijand zien als de wijsheid van de wereld, het menselijk verstand, die regeert op zijn eigen afgesloten gebied en die verwerpt en buitensluit wat van God is. Zodra de rede van het menselijk verstand wordt losgelaten op de dingen van God, wordt God buiten de deur gezet. Nuttigheidsredeneringen laten zich gelden, terwijl er niet meer wordt gevraagd wat God over een bepaalde zaak zegt in de Bijbel. Een voorbeeld daarvan hebben we in het samenkomen van de gelovigen, waaraan door verschillende mensen verschillende invullingen worden gegeven. Daar zijn veel zaken door mensen geregeld die in de Schrift niet terug te vinden zijn.

Wie wel naar Gods normen vraagt, vindt ‘Sisera’ tegenover zich. Het zijn mensen die zich in ‘slagorde’ opstellen om de ‘dwarsliggers’ de mond te snoeren. In grote delen van de christenheid is dit een herkenbare situatie. We kunnen in 2 Korinthiërs 10 lezen hoe Paulus, dat wil zeggen de Heilige Geest, met vijanden als ‘Jabin’ en ‘Sisera’ omgaat en door ons kan worden nagevolgd (2Ko 10:55daar wij [de] overleggingen en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, afbreken en elke gedachte gevangennemen tot de gehoorzaamheid van Christus,).


Roepen tot de HEERE

3Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE, want hij had negenhonderd ijzeren strijdwagens en hij had de Israëlieten met geweld onderdrukt, twintig jaar [lang].

Na twintig jaar onderdrukking erkent het volk de nood waarin het zich bevindt. De vijand heeft met ijzeren hand (wagens) geregeerd. In Richteren 1 hebben we het al over die ijzeren strijdwagens gehad (Ri 1:1919En de HEERE was met Juda, zodat hij [de bewoners van] het Bergland verdreef. [Het lukte hem] echter niet de bewoners van het dal te verdrijven, omdat zij ijzeren strijdwagens hadden.). We hebben gezien dat, als er geloof was geweest, deze wagens geen probleem hadden opgeleverd. Nu moet het twintig jaar duren voordat ze tot de HEERE gaan roepen om van de vijand, van de ‘insluiting’, te worden bevrijd. Gelukkig komt dit moment wel. God heeft Zijn instrument al klaar.


Debora, de profetes

4En Debora, een vrouw die een profetes was, de vrouw van Lappidoth, die gaf in die tijd als richter leiding aan Israël.

Debora is een profetes. Haar naam betekent ‘activiteit’ of ‘bij’. Een andere betekenis vloeit voort uit het verband dat bestaat tussen de namen Debir en Debora. Beide namen hebben de betekenis ‘het woord’ in zich. Voor de toepassing van de naam Debora maak ik gebruik van deze betekenis. Dat zij een profetes is, past daarbij. Een profeet of profetes is iemand die Gods gedachten meedeelt, iemand die “uitspraken van God” (1Pt 4:1111Als iemand spreekt, laat het zijn als uitspraken van God; als iemand dient, laat het zijn als uit sterkte die God verleent, opdat in alles God verheerlijkt wordt door Jezus Christus, aan Wie de heerlijkheid en de kracht is tot in alle eeuwigheid! Amen.) doet.

De Bijbel kent een aantal profetessen: Mirjam (Ex 15:2020Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron, nam een tamboerijn in haar hand, en al de vrouwen gingen achter haar aan, met tamboerijnen en in reidans.), Hulda (2Kn 22:1414Toen gingen de priester Hilkia, Ahikam, Achbor, Safan en Asaja naar de profetes Hulda, de vrouw van Sallum, de zoon van Tikva, de zoon van Harhas, de beheerder van de [priester]kleding – zij woonde in Jeruzalem, in het nieuwe gedeelte – en zij spraken met haar.), Anna (Lk 2:3636En er was een profetes, Anna, een dochter van Fanuël, uit [de] stam van Aser; deze was op zeer hoge leeftijd gekomen, nadat zij na haar maagdelijke staat zeven jaar met [haar] man had geleefd.) en de dochters van Filippus (Hd 21:99Deze nu had vier maagdelijke dochters die profeteerden.). Deze voorbeelden zijn even zoveel aansporingen voor vrouwen om zich door God te laten gebruiken.

Er zijn slechts twee beperkingen die God verbindt aan de dienst van vrouwen:
1. Een vrouw moet zich stil, in alle onderdanigheid laten leren; maar ik sta aan een vrouw niet toe dat zij leert of over een man heerst, maar zij moet stil zijn” (1Tm 2:11-1211Een vrouw moet zich stil, in alle onderdanigheid laten leren;12maar ik sta aan een vrouw niet toe dat zij leert of over een man heerst, maar zij moet stil zijn.).
2. “Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet geoorloofd te spreken, maar laten zij onderdanig zijn, zoals ook de wet zegt” (1Ko 14:3434Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet geoorloofd te spreken, maar laten zij onderdanig zijn, zoals ook de wet zegt.).

In de eerste tekst staat dat zij niet mag leren en niet over de man mag heersen. Zij bezit niet de gave van leraar en mag geen gezag uitoefenen. De andere tekstplaats spreekt over haar houding in de samenkomst van gemeente. Daar moet zij daar stil zijn, wat betekent dat zij niet haar stem mag verheffen om de gemeente iets te laten doen of iets tegen de gemeente te zeggen.

We zullen zien dat de houding en de dienst van Debora, zoals die in dit hoofdstuk naar voren komen, een mooie illustratie zijn van het onderwijs dat over de dienst en de houding van de vrouw in het Nieuwe Testament te vinden is.

Zij is getrouwd met Lappidoth. Zijn naam betekent ‘brandende fakkels’. Dat herinnert aan Handelingen 2, waar de Heilige Geest wordt uitgestort. We lezen daar over “tongen als van vuur” (Hd 2:33En er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen.).

Zo zien we in het echtpaar Debora en Lappidoth de prachtige combinatie van het Woord van God dat in de kracht van de Heilige Geest wordt toegepast.


Debora, de richter

5Zij woonde onder de palmboom van Debora, tussen Rama en Bethel, in het bergland van Efraïm, en de Israëlieten gingen voor de rechtspraak naar haar toe.

De woon- en werkplek van Debora worden nauwkeurig beschreven. Ze woont onder een palmboom die haar naam draagt. Daardoor wordt zij als het ware met die boom vereenzelvigd. De palmboom is een symbool van vruchtbaarheid. Sommige van die bomen dragen overvloedige vrucht en soms over een periode van wel zeventig jaar. De rechtvaardige wordt met zo’n palmboom vergeleken als van hem wordt gezegd dat hij vrucht draagt in het huis van de HEERE en dat tot in de ouderdom (Ps 92:13-1513De rechtvaardige zal groeien als een palmboom,
hij zal opgroeien als een ceder op de Libanon.
14Wie in het huis van de HEERE geplant zijn,
die mogen groeien in de voorhoven van onze God.
15In de ouderdom zullen zij nog vruchten dragen,
zij zullen fris en groen zijn,
)
.

De gedachte aan het huis van de HEERE komt ook tot uiting in de plaats waar Debora woont. Zij woont tussen Rama en Bethel. Rama betekent ‘verhoging’ of ‘hoogte’ en Bethel betekent ‘huis van God’. De combinatie van de palmboom en de namen van de plaatsen vertellen ons dat Debora een rechtvaardige is, die vrucht draagt en leeft op de hoogte van de gedachten van God. Ook is zij verbonden met Gods huis op aarde. Daardoor is zij in staat om recht te spreken in de situatie waarin Israël verkeert. Deze voorwaarden gelden ook voor ons om door God gebruikt te kunnen worden tot welzijn van Zijn volk.

Debora is een vrouw van geloof die de haar door God gegeven plaats als vrouw niet verlaat. Zij reist niet het land door, maar de Israëlieten komen tot haar. Dit laat zien dat zij haar taak en gave uitoefent op het terrein dat God haar heeft gegeven.

Bij andere profetessen zien we hetzelfde. Josia stuurt boodschappers naar de profetes Hulda om door haar Gods wil te horen (2Kr 34:21-2821Ga de HEERE raadplegen, voor mij en voor wie overgebleven zijn in Israël en in Juda, over de woorden van deze boek[rol] die gevonden is. Want de grimmigheid van de HEERE die over ons is uitgegoten, is groot, omdat onze vaderen het woord van de HEERE niet nauwlettend in acht genomen hebben, overeenkomstig alles wat in deze boek[rol] geschreven is.22Toen ging Hilkia met [hen] die de koning [gestuurd had], naar de profetes Hulda, de vrouw van Sallum, de zoon van Tokhat, de zoon van Hasra, de beheerder van de [priester]kleding – zij woonde in Jeruzalem, in het nieuwe gedeelte – en zij spraken met haar overeenkomstig die [opdracht].23Zij zei tegen hen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zeg tegen de man die u naar Mij toe gestuurd heeft:24Zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga onheil over deze plaats brengen en over de inwoners ervan, [namelijk] al de vervloekingen die in de boek[rol] beschreven zijn die men in de tegenwoordigheid van de koning van Juda gelezen heeft.25Omdat zij Mij verlaten hebben en reukoffers aan andere goden gebracht hebben, zodat zij Mij tot toorn verwekt hebben met al het werk van hun handen, daarom zal Mijn grimmigheid uitgegoten worden over deze plaats en niet uitgeblust worden.26Maar tegen de koning van Juda, die u gestuurd heeft om de HEERE te raadplegen, tegen hem moet u dit zeggen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Wat betreft de woorden die u gehoord hebt,27omdat uw hart week geworden is en u zich voor het aangezicht van God vernederd hebt, toen u Zijn woorden hoorde tegen deze plaats en de inwoners ervan, en u zich voor Mijn aangezicht vernederd hebt, u uw kleren gescheurd hebt en voor Mijn aangezicht gehuild hebt, daarom heb Ík [u] ook verhoord, spreekt de HEERE.28Zie, Ik ga u met uw vaderen verenigen en u zult met vrede in uw graf bijgezet worden. Uw ogen zullen al het onheil dat Ik over deze plaats en over de inwoners ervan ga brengen, niet zien. Daarop brachten zij de koning verslag uit.). De profetes Anna is iemand “die niet uit de tempel week” (Lk 2:3737En zij was een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar, die niet uit de tempel week, terwijl zij met vasten en bidden [God] diende, nacht en dag.). In Handelingen 21 lezen we over de vier dochters van Filippus die profeteren (Hd 21:99Deze nu had vier maagdelijke dochters die profeteerden.). Toch laat God daar de profeet Agabus uit Judéa komen om een boodschap aan Paulus te brengen en gebruikt Hij niet de dochters van Filippus omdat die boodschap meegedeeld moet worden in een openbare samenkomst (Hd 21:10-1210Terwijl wij nu vele dagen bleven, kwam er een profeet van Judéa genaamd Agabus;11en hij kwam bij ons, nam de gordel van Paulus, en na zichzelf aan voeten en handen gebonden te hebben zei hij: Dit zegt de Heilige Geest: de man van wie deze gordel is, zullen de Joden zó binden in Jeruzalem en overleveren in handen van [de] volken.12Toen wij nu dit hoorden, drongen zowel wij als de plaatselijke [gelovigen] erop aan, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem.).

Als we denken aan de gaven en de taak van de vrouw, is het belangrijk om ons af te vragen wat God daarover zegt in Zijn Woord. In de wereld van vandaag worden vrouwen steeds meer gestimuleerd zich te laten gelden en dezelfde plaats op te eisen als de man. Zij is toch niet zijn mindere? Ze hoeft zich toch niet te laten wegdrukken?

De achtergrond van deze vragen is de minachtende behandeling die de man de vrouw vaak heeft gegeven. Die behandeling moet veroordeeld worden. Toch doet alle misbruik die zo’n opstelling in de hand heeft gewerkt, niets af van wat God zegt over de positie waarin Hij zowel de man als de vrouw heeft geplaatst. Dit misbruik wordt niet weggenomen door het emancipatiestreven van de vrouw of de inzet van allerlei feministische bewegingen. Dit misbruik verdwijnt alleen wanneer zowel de man als de vrouw zich gaat houden aan wat de Bijbel ieder van hen over hun gedrag voorhoudt. Dit geeft niet alleen goede verhoudingen, het wordt ook een bron van zegen. Debora houdt zich eraan en gezegend is iedere vrouw die dat ook doet. Zij brengt daarmee zegen voor het hele volk van God.


De opdracht van de HEERE aan Barak

6Zij stuurde [een bode] en liet Barak, de zoon van Abinoam, uit Kedes-Naftali, roepen en zei tegen hem: Heeft de HEERE, de God van Israël, niet geboden: Ga, trek op naar de berg Tabor en neem tienduizend man met u mee, van de nakomelingen van Naftali en van de nakomelingen van Zebulon? 7Dan zal Ik bij de beek Kison Sisera, de legerbevelhebber van Jabin, naar u toe trekken met zijn strijdwagens en zijn troepenmacht, en Ik zal hem in uw hand geven.

In overeenstemming met wat we zojuist hebben gezien, laat Debora Barak naar zich toe komen; zij gaat niet naar hem. Als zij een woord van de HEERE, de God van Israël, tot hem moet spreken, doet zij dat op de plaats waar zij woont. Zij laat zich leiden door de Geest van God en handelt met Zijn inzicht. Dit handelen van God door Debora is niet Zijn gebruikelijke handelen en is tot beschaming van de man.

Barak betekent ‘lichtend’. “God is licht” (1Jh 1:55En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is.). Wie het licht van God laat schijnen, zal de vijand de nederlaag bezorgen. Barak moet daartoe worden opgeroepen en aangespoord. Hij is de betekenis van zijn naam blijkbaar vergeten, misschien door de lange overheersing door de vijand.

De naam van zijn vader, Abinoam, betekent ‘vader van de lieflijkheid’. Barak lijkt te zijn opgegroeid in een gezin waarin veel liefde en vriendelijkheid worden gevonden. Zó wil God Zijn kinderen opvoeden. In zo’n sfeer worden mensen gevormd die Hij kan gebruiken.

De streek waar hij vandaan komt, is Kedes in Naftali. Kedes betekent ‘heiligdom’ en Naftali betekent ‘worstelaar’ of ‘strijder’. Dat geeft aan dat Barak het heiligdom kent en weet wat het is om te strijden. Hij lijkt op Epafras van wie we lezen dat hij altijd voor de Kolossenzen strijdt in de gebeden (Ko 4:1212U groet Epafras, die [een] van u is, een slaaf van Christus <Jezus>, die altijd voor u strijdt in de gebeden dat u mag vaststaan, volmaakt en ten volle verzekerd in [de] hele wil van God.). Als we bidden, gaan we Gods heiligdom binnen. Bidden is geen gemakkelijk werk, het is een inspannende bezigheid. Barak is in zo’n omgeving tot ontwikkeling gekomen.

Het lijkt erop dat alles aanwezig is om een bevrijder te worden, maar dat het hem aan geestelijke moed ontbreekt. Wat is het dan prachtig om te zien hoe Debora hem tot activiteit – een eerder genoemde betekenis van haar naam – brengt. Zij maakt hem deelgenoot van haar overtuiging dat God de vijand aan hem zal uitleveren. Zij heeft deze boodschap van Hem ontvangen.

Barak moet daarvoor naar de berg Tabor gaan, dat betekent ‘berg van het voornemen’. Is dat geen grote bemoediging? We moeten naar de berg gaan, dus omhoog, waar we kunnen zien hoe God denkt en doet, wat Hij Zich heeft voorgenomen. Als we blijven kijken naar de toestand om ons heen, blijft het wellicht bij klagen. Maar als we ons gaan bezighouden met het voornemen van God, wat er in Zijn hart is, zullen we worden bemoedigd. Gods plannen en raadsbesluiten kunnen door geen vijand worden aangetast. Laten we ons vooral daarmee bezighouden, dan zullen we zien welke kracht dat geeft om te strijden.

Staan op de hoogte van het voornemen en de gedachten van God is de beste basis voor de strijd om te overwinnen. Wat is het goed elkaar daarmee te bemoedigen. Debora zegt als het ware tot Barak wat Paulus tot Archippus laat zeggen: “Let erop dat u de bediening die u in [de] Heer hebt ontvangen, ook vervult” (Ko 4:1717En zegt aan Archippus: Let erop, dat u de bediening die u in [de] Heer hebt ontvangen, ook vervult.). Op die manier kunnen zusters broeders bemoedigen. Er is een groot gebrek aan zulke zusters.


Debora moet mee

8Toen zei Barak tegen haar: Als u met mij mee zult gaan, dan ga ik. Maar als u niet met mij mee zult gaan, dan ga ik niet. 9En zij zei: Ik zal wel met u meegaan. Maar er zal op de weg die u gaat voor u geen eer [te behalen] zijn, want de HEERE zal Sisera overleveren in de hand van een vrouw. Toen stond Debora op en ging met Barak naar Kedes. 10Barak riep vervolgens Zebulon en Naftali te Kedes bijeen en hij trok te voet op [met] tienduizend man. Ook Debora trok met hem op.

Ondanks de mooie betekenis van de namen die met Barak in verbinding staan, durft hij niet alleen op de vijand af te gaan. Hij wil wel gaan, maar heeft iemand nodig van wie hij weet dat die op God vertrouwt. Zo’n persoon vindt hij in Debora. Hierin lijkt hij een klein beetje op Lot die ook op het geloof van een ander blijkt te vertrouwen, namelijk dat van zijn oom Abraham. Debora stemt toe, maar ze zegt erbij dat daardoor de eer van de onderneming niet voor hem, maar voor een vrouw zal zijn. God beloont vertrouwen op Hem; als dat ontbreekt, kan Hij zijn beloning niet geven.

Dit mag een aansporing voor ons zijn om de taak die Hij ons te doen geeft uit te voeren, zonder daarbij afhankelijk te willen zijn van de steun van anderen. Dit wil niet zeggen dat we steun niet op prijs stellen, maar het mag niet de voorwaarde zijn om te doen wat ons is opgedragen. Toch is Barak een man van geloof. Niet voor niets wordt hij in Hebreeën 11 als een geloofsheld vermeld (Hb 11:3232En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken als ik vertel van Gideon, Barak, Simson, Jefta, David, Samuel en de profeten,). Hij gelooft de profetie van Debora en met een klein leger trekt hij tegen een machtige vijand ten strijde.


De Kenieten

11Heber nu, de Keniet, had zich afgezonderd van Kaïn, van de zonen van Hobab, de schoonvader van Mozes. Hij had zijn tenten opgezet tot aan de eik in Zaänaïm, die bij Kedes staat.

Ineens wordt de Keniet Heber genoemd, naar het schijnt zonder aanleiding. In Richteren 1 hebben we al even naar de Kenieten gekeken (Ri 1:1616En de nakomelingen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, trokken met de Judeeërs op vanuit de Palmstad naar de woestijn van Juda, die in het Zuiderland van Harad ligt. Zij gingen erheen en woonden onder het volk.). Daar lezen we dat ze zich onder het volk van God bevinden, zonder er deel van uit te maken. In hun houding vormen zij een contrast met mensen als Kaleb en Achsa. We hebben hier te maken met een man die wel tot de Kenieten behoort, maar zich van dit volk heeft afgescheiden. Hij is zijn eigen weg gegaan, evenwel zonder zich met het volk van God te verbinden. Wat dat betreft, verloochent hij zijn afkomst niet.

Waarom hij hier genoemd wordt, is wellicht om het contrast met Barak te laten uitkomen die wel handelt uit geloof en ten gunste van het volk van God. Heber houdt zich afzijdig, hij is zelfs een vriend van de vijand van het volk (vers 1717En Sisera vluchtte te voet naar de tent van Jaël, de vrouw van Heber, de Keniet. Er was namelijk vrede tussen Jabin, de koning van Hazor, en het huis van Heber, de Keniet.). Heber wordt hier ook genoemd omdat zijn vrouw Jaël degene is die Debora in vers 99En zij zei: Ik zal wel met u meegaan. Maar er zal op de weg die u gaat voor u geen eer [te behalen] zijn, want de HEERE zal Sisera overleveren in de hand van een vrouw. Toen stond Debora op en ging met Barak naar Kedes. bedoelt.


De vijand wordt actief

12Toen vertelde men Sisera dat Barak, de zoon van Abinoam, de berg Tabor was opgetrokken. 13Daarop riep Sisera al zijn strijdwagens bijeen, negenhonderd ijzeren strijdwagens, en al het volk dat bij hem was, vanuit Haroseth-Haggojim, bij de beek Kison.

Het is een telkens terugkerend verschijnsel dat de vijand actief wordt zodra het volk van God in geloof gaat handelen. De vijand komt niet in actie zolang het volk van God passief is en ook geen aanstalten maakt om iets aan de situatie te doen.

In het leven van een gelovige werkt dat niet anders. Als een gelovige helemaal opgaat in de dingen van de wereld, zal de duivel zich niet druk om hem maken. Zodra een gelovige echter tot het besef komt dat hij verkeerd bezig is en zijn verbinding met de wereld wil verbreken, wordt de duivel razend actief. Hij zal alles proberen om de gelovige in zijn macht te houden.


De vijand verslagen

14En Debora zei tegen Barak: Sta op, want dit is de dag waarop de HEERE Sisera in uw hand gegeven heeft. Is de HEERE niet uitgetrokken voor u uit? Toen daalde Barak van de berg Tabor af met tienduizend man achter zich. 15En de HEERE bracht Sisera met al [zijn] strijdwagens en heel [zijn] leger door de scherpte van het zwaard in verwarring vóór Barak, zodat Sisera van [zijn] wagen afklom en te voet vluchtte. 16Barak joeg de strijdwagens en het leger na tot Haroseth-Haggojim. En heel het leger van Sisera viel door de scherpte van het zwaard; zelfs niet één bleef er over.

Nu de strijd voor de deur staat, is het opnieuw Debora die Barak inspireert. Door haar omgang met God kent ze Zijn wil. Met die kennis bemoedigt ze, zet ze aan tot de strijd en wijst ze op de uiteindelijke overwinning. Wie voor God strijdt, in vertrouwen op Hem, mag rekenen op ‘winst’. Net als in vers 77Dan zal Ik bij de beek Kison Sisera, de legerbevelhebber van Jabin, naar u toe trekken met zijn strijdwagens en zijn troepenmacht, en Ik zal hem in uw hand geven. richt zij hier het geloof van Barak op de HEERE. Niet de tienduizend mannen die Barak volgen, zijn de garantie voor de overwinning. Zij wijst erop dat de HEERE Zelf vooraan gaat; Barak hoeft slechts te volgen.

We zien hoe Debora zichzelf niet openlijk in de strijd mengt. Dat past bij haar plaats als vrouw. Tevens zien we hoe zij door haar vaste vertrouwen, haar geloof in de HEERE, de basis legt voor het verslaan van de vijand. Zó groot is de invloed van een Godvrezende vrouw. Laat niemand zeggen dat een vrouw monddood gemaakt wordt als zij zich houdt aan de grenzen die het Woord van God aan haar openbare optreden stelt.

Dan gaat Barak over tot daadwerkelijk handelen. De HEERE laat zien dat Hij Zich aan de zijde van Barak bevindt en zaait verwarring onder het leger van Sisera. Dat doet God altijd. Als wij geloven, mag dat geloof erop rekenen dat God onze zaak tot de Zijne maakt. Opnieuw, evenals bij Ehud, wordt de vijand door “de scherpte van het zwaard” verslagen. God geeft ons in de strijd tegen de vijand geen ander wapen in de hand dan Zijn Woord, waarvan het zwaard een beeld is (Ef 6:1717En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God,).


Jaël

17En Sisera vluchtte te voet naar de tent van Jaël, de vrouw van Heber, de Keniet. Er was namelijk vrede tussen Jabin, de koning van Hazor, en het huis van Heber, de Keniet. 18Jaël kwam naar buiten, Sisera tegemoet, en zei tegen hem: Wijk af [van uw weg], mijn heer! Wijk af [van uw weg en kom] bij mij, wees niet bevreesd! En hij week naar haar af in de tent en zij dekte hem toe met een deken. 19Daarna zei hij tegen haar: Geef mij toch een beetje water te drinken, want ik heb dorst. Toen opende zij een leren melkzak en gaf hem te drinken en dekte hem [weer] toe. 20Ook zei hij tegen haar: Ga bij de ingang van de tent staan, en als er iemand komt en u vraagt en zegt: Is hier iemand, dan moet u zeggen: Niemand. 21Vervolgens nam Jaël, de vrouw van Heber, een tentpin, nam een hamer in haar hand, ging stilletjes naar hem toe en dreef de pin in zijn slaap, zodat hij aan de grond vastzat. Hij was namelijk in een diepe slaap gevallen, en uitgeput. En hij stierf. 22En zie, Barak achtervolgde Sisera. Jaël kwam naar buiten, hem tegemoet, en zei tegen hem: Kom, en ik zal u de man laten zien die u zoekt. Zo ging hij bij haar naar binnen, en zie, [daar] lag Sisera dood, met de pin in zijn slaap.

Vrouwen spelen in het verslaan van deze vijand een hoofdrol. De tweede vrouw die genoemd wordt, komt de eer toe de aanvoerder van het vijandelijke leger te doden. Debora heeft al, zonder haar naam te noemen, over deze vrouw gesproken in vers 99En zij zei: Ik zal wel met u meegaan. Maar er zal op de weg die u gaat voor u geen eer [te behalen] zijn, want de HEERE zal Sisera overleveren in de hand van een vrouw. Toen stond Debora op en ging met Barak naar Kedes., tot beschaming van Barak bij wie geloofsmoed ontbrak. Nu lezen we haar naam en zijn we getuigen van haar optreden. Ook hier valt veel te leren van de wijze waarop God vrouwen inschakelt. Van deze vrouwen zijn er helaas maar weinig te vinden, net zo weinig trouwens als de echte mannen van het geloof die in volle toewijding zich overgeven aan de Heer om door Hem gebruikt te worden.

De vrouw die op dit belangrijke moment in de strijd betrokken wordt, heet Jaël. Zij is de echtgenote van Heber over wie we het al even hebben gehad bij vers 1111Heber nu, de Keniet, had zich afgezonderd van Kaïn, van de zonen van Hobab, de schoonvader van Mozes. Hij had zijn tenten opgezet tot aan de eik in Zaänaïm, die bij Kedes staat.. Het lijkt erop dat zij een totaal ander karakter heeft dan haar man. Hij leeft in vrede met de vijand van Gods volk. Jaël doet daar niet aan mee. Net als vroeger Rachab (Jz 2:4,6,15-164Maar de vrouw had die beide mannen ontvangen en zij had hen verborgen. Zij zei: Inderdaad zijn er mannen naar mij toe gekomen, maar ik wist niet waar zij vandaan [kwamen].6Maar zij had hen op het dak laten klimmen en hen verborgen onder de vlasstengels, die door haar op het dak uitgespreid waren.15Daarop liet zij hen neer met een touw door het venster, want haar huis bevond zich op de stadsmuur en zij woonde op de muur.16En zij zei tegen hen: Ga naar het bergland, anders treffen de achtervolgers u aan. Verberg u daar drie dagen, totdat de achtervolgers teruggekeerd zijn. Daarna kunt u uw weg vervolgen.) maakt zij zich een met het volk van God. Net als later Abigaïl (1Sm 25:33De naam van de man was Nabal, en de naam van zijn vrouw was Abigaïl. De vrouw was goed van verstand en mooi van gestalte, maar de man was hard en slecht in [zijn] optreden. Hij was een nakomeling van Kaleb.) is zij verbonden aan een man die geen belangstelling heeft voor de dingen van God.

In haar hart is geloof. Zij nodigt Sisera uit zich in haar tent te verbergen. Zij verzorgt hem zo goed, dat hij zich op zijn gemak voelt. Nadat hij haar op het hart heeft gedrukt hem niet te verraden, valt hij in een diepe slaap. Dan ziet Jaël haar kans. Met hamer en tentpin maakt zij een einde aan de activiteiten van deze wrede onderdrukker van Gods volk.

Wat kunnen wij nu van haar leren? Haar naam betekent ‘klimmer’. Zij stelt iemand voor die zoekt naar “de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand” (Ko 3:1-21Als u nu met Christus opgewekt bent, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand.2Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.). Om inzetbaar te zijn in de strijd moeten we ons bezighouden met Christus zoals Hij nu in de hemel is. Daarvoor moeten we ons inspannen, we moeten er moeite voor doen. Klimmen gaat niet vanzelf.

Haar leven op aarde is daarmee in overeenstemming. Zij woont in een tent. Een tent is het symbool van vreemdelingschap, van het op reis zijn en geen thuis hier op aarde hebben. De tentpin, het middel waarmee zij de vijand velt, toont aan dat het voor het verslaan van de vijand noodzakelijk is dat wij ons gedragen als echte “bijwoners en vreemdelingen” (1Pt 2:1111Geliefden, ik vermaan [u] dat u zich als bijwoners en vreemdelingen onthoudt van de vleselijke begeerten die strijd voeren tegen uw ziel,). We zullen nooit overwinnen als wij ons een maken met de wereld en vergeten te zoeken naar de dingen die boven zijn.

De tentpin wordt gebruikt in combinatie met de hamer. De hamer wordt vergeleken met het Woord van God (Jr 23:2929Is niet Mijn woord zó, als het vuur, spreekt de HEERE,
of als een hamer [die] een rots verplettert?
)
. De plaats waar Sisera getroffen wordt, is de slaap, de zijkant van zijn hoofd. De tentpin wordt er zo hard ingeslagen, dat hij in de grond blijft vastzitten. We kunnen zeggen dat de slaap de plaats is waar de gedachten van de mens worden gevormd.

Aan het begin van dit hoofdstuk hebben we gezien dat deze vijand spreekt van het verstand, de wijsheid van de wereld die haar invloed uitoefent op het volk van God. Met deze vijand kan alleen radicaal worden afgerekend door een consequent leven als vreemdeling. Dat wil zeggen dat we ons niet moeten inlaten met de politiek die de wereld nastreeft. Er kunnen allerlei ‘verstandige’ redenen aangevoerd worden om dit toch te doen. Daarom moeten we steeds het Woord lezen en bestuderen waardoor we de dingen die boven zijn, dat is Christus, zullen gaan ontdekken. Ook zullen we merken dat het Woord dan als een hamer al deze ‘verstandige’ redeneringen tenietdoet.

We kunnen nog opmerken dat Jaël geen openlijke overwinning behaalt, maar zegeviert in haar huis, met de middelen die zij heeft. Dit geldt voor iedere Godvrezende vrouw. Debora en Jaël nemen de plaats in die God hun gegeven heeft, nederig, maar met beslistheid en trouw. Jaël weet door haar dagelijkse ervaring hoe zij de pin en de hamer moet gebruiken. Zo vergaat de wijsheid van de wijzen (1Ko 1:1919Want er staat geschreven: ‘Ik zal de wijsheid van de wijzen doen vergaan, en het inzicht van de verstandigen tenietdoen’.).

Barak weet nog niet dat Sisera dood is en is nog in de achtervolging. Dan komt Jaël “naar buiten, hem tegemoet”. Precies hetzelfde heeft ze gedaan toen Sisera bij haar kwam (vers 1818Jaël kwam naar buiten, Sisera tegemoet, en zei tegen hem: Wijk af [van uw weg], mijn heer! Wijk af [van uw weg en kom] bij mij, wees niet bevreesd! En hij week naar haar af in de tent en zij dekte hem toe met een deken.). Toen was het om de vijand van Gods volk te kunnen doden en zo mee te helpen aan de bevrijding van Gods volk. Nu is het om de dood van de vijand van Gods volk bekend te maken en anderen te laten delen in de vreugde van de bevrijding. Debora prijst Jaël in haar lofzang op de bevrijding om wat zij heeft gedaan (Ri 5:24-2724Laat gezegend zijn boven de vrouwen
Jaël, de vrouw van Heber, de Keniet,
laat zij boven de vrouwen in de tent gezegend zijn.
25Water vroeg hij, melk gaf zij.
In een schaal voor machtigen bracht zij boter.
26Haar hand strekte zij uit naar de pin,
en haar rechterhand naar de hamer van de arbeiders.
Zij sloeg Sisera, spleet zijn hoofd,
verbrijzelde en doorboorde zijn slaap.
27Tussen haar voeten kromde hij zich, viel hij, lag hij.
Tussen haar voeten kromde hij zich, viel hij.
Waar hij zich kromde,
daar viel hij, geschonden.
)
.

Barak krijgt opnieuw een bevel van een vrouw. Eerder heeft Debora tegen hem gezegd: “Ga” (vers 66Zij stuurde [een bode] en liet Barak, de zoon van Abinoam, uit Kedes-Naftali, roepen en zei tegen hem: Heeft de HEERE, de God van Israël, niet geboden: Ga, trek op naar de berg Tabor en neem tienduizend man met u mee, van de nakomelingen van Naftali en van de nakomelingen van Zebulon?) en: “Sta op” (vers 1414En Debora zei tegen Barak: Sta op, want dit is de dag waarop de HEERE Sisera in uw hand gegeven heeft. Is de HEERE niet uitgetrokken voor u uit? Toen daalde Barak van de berg Tabor af met tienduizend man achter zich.). Nu zegt Jaël: “Kom” (vers 2222En zie, Barak achtervolgde Sisera. Jaël kwam naar buiten, hem tegemoet, en zei tegen hem: Kom, en ik zal u de man laten zien die u zoekt. Zo ging hij bij haar naar binnen, en zie, [daar] lag Sisera dood, met de pin in zijn slaap.). Ze nodigt Barak uit naar binnen te komen en te kijken naar de man die hij zoekt. Barak ziet Sisera, de overwonnen vijand en daarmee de vervulling van wat Debora heeft gezegd (vers 99En zij zei: Ik zal wel met u meegaan. Maar er zal op de weg die u gaat voor u geen eer [te behalen] zijn, want de HEERE zal Sisera overleveren in de hand van een vrouw. Toen stond Debora op en ging met Barak naar Kedes.). De pin is nog in zijn slaap, het bewijs dat hij werkelijk dood is en zich niet voor dood houdt. Zo mogen wij kijken naar de zonde als een volledig verslagen vijand.


De vijand omgebracht

23Zo vernederde God op die dag Jabin, de koning van Kanaän, vóór de Israëlieten. 24De hand van de Israëlieten drukte gaandeweg harder op Jabin, de koning van Kanaän, totdat zij Jabin, de koning van Kanaän, hadden uitgeroeid.

Uiteindelijk is het God Zelf Die de vijand ombrengt. Hem komt alle eer toe. Maar Hij wil voor het verslaan van de vijand de Zijnen inschakelen. Het is voor de Israëlieten – en dat geldt ook voor ons – niet voldoende te stellen dat God alles moet doen. Dat is wel zo, maar zij, en wij, moeten ons beschikbaar stellen. Het land is Gods land. Hij wil het in bezit nemen door middel van Zijn volk.

Dat geeft, naast een grote verantwoordelijkheid, ook een grote zegen, want God wil Zijn volk laten delen in wat Zijn hart bezighoudt, waar Zijn verlangen naar uitgaat. God wil ons omhoogtrekken naar Zijn eigen niveau, opdat we kunnen zien hoe Hij alles ziet en beoordeelt.

Op dat niveau gaan leven en ons daarvoor inzetten betekent het grootste geluk voor ons hart. Hoe meer wij definitief afrekenen met de vijand, des te meer zullen we in staat zijn te genieten van de dingen waarvan God geniet. In de geschiedenis die we voor ons hebben, heeft Israël dat gedaan. Laten ook wij korte metten maken met de vijand die ons in dit hoofdstuk wordt voorgesteld en samen met God van de zegen van Zijn hemelse land gaan genieten.


Lees verder