Psalmen
1-3 De HEERE regeert en is heilig 4-5 De HEERE doet recht en is heilig 6-9 De HEERE verhoort en is heilig
De HEERE regeert en is heilig

1De HEERE regeert; laten de volken sidderen.
Hij troont tussen de cherubs; laat de aarde beven.
2De HEERE is groot in Sion,
Híj is verheven boven alle volken.
3Laten zij Uw grote en ontzagwekkende Naam loven.
Heilig is Hij.

De psalmist ziet de tijd van de regering van de HEERE als aangebroken (vers 11De HEERE regeert; laten de volken sidderen.
Hij troont tussen de cherubs; laat de aarde beven.
)
. De rollen zijn omgedraaid. Israël is in de zegen, de volken moeten sidderen. De HEERE heeft altijd al getroond “tussen de cherubs” die op het verzoendeksel op de ark staan (Ex 25:2020De cherubs moeten hun beide vleugels naar boven uitgespreid houden, terwijl ze met hun vleugels het verzoendeksel bedekken en hun gezichten naar elkaar toe [gericht zijn]; de gezichten van de cherubs moeten naar het verzoendeksel [gericht] zijn.; 1Sm 4:44Toen zond het volk [boden] naar Silo, en men bracht vandaar de verbondsark van de HEERE van de legermachten, Die tussen de cherubs troont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God.; 2Sm 6:22David stond op en ging [op weg] met al het volk dat bij hem was, vanuit Baälim-Juda, om vandaar de ark van God op te halen, [de ark] waarbij de Naam wordt aangeroepen: de Naam van de HEERE van de legermachten, Die daarop troont, tussen de cherubs.). De ark met de cherubs heeft in het verborgene van het heilige der heiligen gestaan. De cherubs, de bewakers van Zijn heiligheid (vgl. Gn 3:2424Hij verdreef de mens, en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog, om de weg naar de boom des levens te bewaken.), zijn verborgen gebleven. Nu regeert Hij openlijk. Het past de aarde te beven voor die Koning.

Hij “is groot” (vers 22De HEERE is groot in Sion,
Híj is verheven boven alle volken.
)
. Hij is groot in Zichzelf. Het gaat niet om een vergelijking, waarbij dan blijkt dat Hij de grootste is. Er is eenvoudig niemand met Hem te vergelijken. Hij is groot. Hij is onmetelijk, grenzeloos groot in macht, liefde, gerechtigheid en in al Zijn eigenschappen. In die onbeschrijflijke grootheid woont Hij “in Sion” dat Hij als Zijn woonplaats op aarde heeft gekozen. Hij is ook “verheven boven alle volken.” Alle volken zijn aan Hem onderworpen. Hij is ‘groot’ voor Zijn volk en ‘verheven’ voor de volken.

De psalmist richt zich in de eerste regel van vers 33Laten zij Uw grote en ontzagwekkende Naam loven.
Heilig is Hij.
rechtstreeks tot de HEERE. Hij zegt tegen Hem dat het gepast is dat “zij Uw grote en ontzagwekkende Naam loven”. Zijn Naam is de uitdrukking van alles wat Hij is. Zijn Naam omvat Zijn Wezen en al Zijn eigenschappen. De psalmist sluit daarop aan met de vaststelling: “Heilig is Hij.” Hij is absoluut afgezonderd van alles wat Hij heeft gemaakt. Het betekent niet dat Hij er niet bij betrokken is, maar Hij maakt nergens deel van uit. Hij is heilig ten opzichte van alles wat er is.


De HEERE doet recht en is heilig

4[Loof] de macht van de Koning, Die het recht liefheeft.
Ú hebt een billijk [bestuur] gevestigd,
Ú hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.
5Roem de HEERE, onze God;
buig u neer voor de voetbank van Zijn voeten.
Heilig is Hij.

Niet alleen de Naam van de Koning moet worden geloofd, maar ook “de macht van de Koning” (vers 44[Loof] de macht van de Koning, Die het recht liefheeft.
Ú hebt een billijk [bestuur] gevestigd,
Ú hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.
)
. Zijn macht uit zich niet in een grillige, willekeurige machtsuitoefening. Zijn macht uit zich in de uitoefening van het recht. Die uitoefening van het recht gebeurt niet uit Zelfbescherming, maar omdat Hij “het recht liefheeft” (vgl. Ps 45:88U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid;
daarom heeft Uw God U gezalfd, o God,
met vreugdeolie, boven Uw metgezellen.
)
. Bij Hem gaan macht, liefde en recht samen. Dit is een combinatie van eigenschappen die geen aardse heerser ooit heeft gehad.

Zijn bestuur, de manier waarop Hij regeert, is “billijk”. ‘Billijk’ wil zeggen ‘eerlijk’. Zijn regering is volstrekt eerlijk voor iedereen, er is door niemand iets op af te dingen, iedereen aanvaardt Zijn regering omdat die absoluut rechtvaardig is en ingebed is in liefde voor Zijn God, Zijn schepselen en Zijn schepping.

Dit bestuur wordt nu nergens gevonden. In plaats van billijk bestuur is er zo vaak corrupt bestuur. Als Hij regeert, vestigt Hij dat billijke bestuur op de hele aarde, met Israël als voorbeeld. Hij heeft “recht en gerechtigheid gedaan in Jakob”. Het volk wordt ‘Jakob’ genoemd, niet ‘Israël’. Daardoor wordt de nadruk gelegd op de verkiezing van Jakob door God. Deze verkiezing kan door de ontrouw die het volk vaak heeft getoond, niet ongedaan worden gemaakt.

Dan klinkt de oproep “de HEERE, onze God” te roemen (vers 55Roem de HEERE, onze God;
buig u neer voor de voetbank van Zijn voeten.
Heilig is Hij.
)
. Die oproep geldt in de eerste plaats Israël, want alleen zij kunnen spreken over “onze God”. Roemen is met waardering en lof spreken over. Het is vereren en verheffen. Dit gebeurt door zich “voor de voetbank voor Zijn voeten”, waarmee de ark van het verbond in de tempel of de tempel zelf wordt bedoeld, neer te buigen (1Kr 28:22Toen stond koning David op en zei: Luister naar mij, mijn broeders, en mijn volk! Het leefde in mijn hart om een huis van rust voor de ark van het verbond van de HEERE te bouwen, en voor de voetbank van de voeten van onze God. Ik heb [alles] voorbereid voor de bouw.; Ps 132:77Laten wij Zijn woning binnengaan,
ons neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten.
; vgl. Js 66:11Zo zegt de HEERE:
De hemel is Mijn troon
en de aarde de voetbank van Mijn voeten.
Waar zou [dan] het huis zijn dat u voor Mij zou willen bouwen
en waar de plaats van Mijn rust?
; Mt 5:3535niet bij de aarde, want zij is [de] voetbank voor Zijn voeten; niet bij Jeruzalem, want zij is [de] stad van de grote Koning;)
.

Op de voetbank rusten de voeten van een koning. Daarvoor neerbuigen betekent de diepst mogelijke buiging maken, waardoor de diepste eerbied tot uitdrukking wordt gebracht. Dit zal wel in de eerste plaats door Gods volk gebeuren, maar ook door de volken (Zc 14:1616Het zal geschieden dat al de overgeblevenen van alle heidenvolken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, van jaar tot jaar zullen opgaan om zich neer te buigen voor de Koning, de HEERE van de legermachten, en om het Loofhuttenfeest te vieren.). Deze houding tegenover Hem is gepast, want “heilig is Hij”. Dit vers is een refrein, dat al in vers 33Laten zij Uw grote en ontzagwekkende Naam loven.
Heilig is Hij.
heeft geklonken en met enige wijzigingen ook in vers 99Roem de HEERE, onze God;
buig u neer voor Zijn heilige berg,
want heilig is de HEERE, onze God.
staat.


De HEERE verhoort en is heilig

6Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters,
Samuel onder wie Zijn Naam aanriepen;
zij riepen tot de HEERE
en Híj verhoorde hen.
7Hij sprak tot hen in een wolkkolom;
zij hebben Zijn getuigenissen in acht genomen
en de verordeningen [die] Hij hun had gegeven.
8HEERE, onze God, Ú hebt hen verhoord;
U bent voor hen een vergevend God geweest,
hoewel U wraak oefende over hun daden.
9Roem de HEERE, onze God;
buig u neer voor Zijn heilige berg,
want heilig is de HEERE, onze God.

De HEERE is in het vrederijk dezelfde Koning als in de tijd van Mozes en Aäron en Samuel (vers 66Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters,
Samuel onder wie Zijn Naam aanriepen;
zij riepen tot de HEERE
en Híj verhoorde hen.
)
. Mozes en Aäron zijn “onder Zijn priesters” de mannen geweest door wie Hij met Zijn volk in verbinding heeft gestaan. In strikte zin is Mozes geen priester geweest, maar wel iemand die God op een priesterlijke wijze heeft gediend. Samuel wordt bij name genoemd onder andere mensen die Zijn Naam ten gunste van Zijn volk hebben aangeroepen.

Alle drie hebben ze tot de HEERE geroepen en Hij heeft hen verhoord (Ex 17:10-1310Jozua deed zoals Mozes tegen hem gezegd had door de strijd aan te binden met Amalek. Mozes, Aäron en Hur klommen echter op de top van de heuvel.11En het gebeurde, als Mozes zijn hand ophief, dat Israël de overhand had, maar als hij zijn hand neerliet, dat Amalek de overhand had.12De handen van Mozes werden echter zwaar; daarom namen zij een steen en legden die onder hem, zodat hij erop kon gaan zitten. Aäron en Hur ondersteunden zijn handen, de een aan de ene en de ander aan de andere [kant]. Zo bleven zijn handen onbeweeglijk, totdat de zon onderging.13Zo overwon Jozua Amalek en zijn volk met de scherpte van het zwaard.; 32:11-1411Maar Mozes trachtte het aangezicht van de HEERE, zijn God, gunstig te stemmen, en zei: HEERE, waarom zou Uw toorn ontbranden tegen Uw volk, dat U met grote kracht en sterke hand uit het land Egypte geleid hebt?12Waarom zouden de Egyptenaren zeggen: Met kwade [bedoelingen] heeft Hij hen uitgeleid, om hen in de bergen te doden en hen van de aardbodem te vernietigen? Laat Uw brandende toorn varen, en heb berouw over het kwaad voor Uw volk.13Denk aan Abraham, aan Izak en aan Israël, Uw dienaren, aan wie U bij Uzelf hebt gezworen en tot hen gesproken hebt: Ik zal uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en dit hele land waarover Ik gesproken heb, zal Ik aan uw nageslacht geven, zodat zij het voor eeuwig in erfbezit nemen.14Toen kreeg de HEERE berouw over het kwaad dat Hij gesproken had Zijn volk te zullen aandoen.; Nm 12:1313Toen riep Mozes tot de HEERE: O God, genees haar toch!; 16:19-2219Korach liet heel zijn aanhang vanwege hen bijeenkomen, bij de ingang van de tent van ontmoeting. Toen verscheen de heerlijkheid van de HEERE aan heel de gemeenschap.20En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron:21Zonder u af uit het midden van deze gemeenschap, [want] Ik zal hen in een ogenblik vernietigen!22Maar zij wierpen zich met hun gezicht [ter aarde] en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! Als één man zondigt, zult U dan zeer toornig worden op heel de gemeenschap?; 21:77En het volk kwam naar Mozes toe. Zij zeiden: Wij hebben gezondigd, want wij hebben tegen de HEERE en tegen u gesproken. Bid tot de HEERE dat Hij de slangen van ons wegneemt. Toen bad Mozes voor het volk.; 1Sm 7:5,8-95Verder zei Samuel: Roep heel Israël in Mizpa bijeen, dan zal ik voor u tot de HEERE bidden.8En de Israëlieten zeiden tegen Samuel: Laat toch niet na voor ons te roepen tot de HEERE, onze God, opdat Hij ons zal verlossen uit de hand van de Filistijnen.9Toen nam Samuel een melklammetje en offerde het in zijn geheel als brandoffer voor de HEERE. Samuel riep tot de HEERE voor Israël en de HEERE verhoorde hem.; 12:16-18,2316Blijf dan nu staan, en zie het indrukwekkende dat de HEERE voor uw ogen zal doen.17Is het vandaag niet [de tijd van] de tarweoogst? Ik zal tot de HEERE roepen, en Hij zal donder en regen geven. Besef dan en zie, dat uw kwaad, dat u voor de ogen van de HEERE gedaan hebt, groot is, omdat u een koning voor u verlangd hebt.18Toen Samuel de HEERE aanriep, gaf de HEERE donder en regen op die dag. Daarom werd heel het volk zeer bevreesd voor de HEERE en voor Samuel.23En wat mij betreft, er is bij mij geen sprake van dat ik tegen de HEERE zou zondigen door op te houden voor u te bidden; maar ik zal u de goede en juiste weg leren.; vgl. Jr 15:11De HEERE zei tegen mij: Al stond Mozes of Samuel voor Mijn aangezicht, dan [nog] zou Mijn ziel niet met dit volk van doen willen hebben. Stuur [hen] van voor Mijn aangezicht weg, laten zij weggaan!). Ze hebben niet tevergeefs tot Hem geroepen. Het roepen tot Hem is gebeurd vanwege de afdwalingen van het volk. Op grond van hun roepen heeft God Zijn volk gespaard en hen in het land gebracht en daar geholpen. Zo zal God de uiteindelijke zegen aan Zijn volk geven op grond van de voorbede van de Heer Jezus.

De HEERE heeft tot Zijn volk “in een wolkkolom” gesproken. Dit is een spreken niet met woorden, maar door Zijn leiding. Hij is voor hen uitgegaan en heeft hun de weg gewezen (vers 77Hij sprak tot hen in een wolkkolom;
zij hebben Zijn getuigenissen in acht genomen
en de verordeningen [die] Hij hun had gegeven.
; Ex 13:2121De HEERE ging vóór hen uit, overdag in een wolkkolom om hen de weg te wijzen, en 's nachts in een vuurkolom om hun licht te geven, zodat zij dag en nacht verder konden trekken.)
. Mozes, Aäron en Samuel “hebben Zijn getuigenissen in acht genomen en de verordeningen [die] Hij hun had gegeven”. Zij hebben naar Hem geluisterd en daarom heeft Hij naar hen geluisterd. Het betekent niet dat zij volmaakt en zondeloos zijn geweest. Dat blijkt uit het volgende vers.

De psalmist richt zich in vers 88HEERE, onze God, Ú hebt hen verhoord;
U bent voor hen een vergevend God geweest,
hoewel U wraak oefende over hun daden.
weer rechtstreeks tot de HEERE. Hij noemt Hem net als in vers 55Roem de HEERE, onze God;
buig u neer voor de voetbank van Zijn voeten.
Heilig is Hij.
weer “de HEERE, onze God”. Zo kennen ze Hem, God is hún God. Hij weet dat God de drie genoemde mannen heeft verhoord, omdat Hij “voor hen een vergevend God geweest” is. Zij zijn niet volmaakt geweest in hun gehoorzaamheid. Ze hebben alle drie gefaald. Maar ze hebben ook alle drie hun falen erkend, waardoor God hen heeft vergeven.

Daarbij heeft Hij ook “wraak” moeten oefenen over “hun daden”. Ze hebben soms verkeerde, zondige daden gedaan. Dat ziet God niet door de vingers. Hij kan vergeven op grond van het werk van Zijn Zoon dat Hij in het Oude Testament al vooruitgezien heeft (vgl. Rm 3:2525Hem heeft God gesteld tot een genadetroon door <het> geloof, in Zijn bloed, tot betoning van Zijn gerechtigheid wegens het voorbij laten gaan van de zonden die tevoren hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God;). Toch hebben zondige daden tot gevolg dat God daarvoor straft. We zien dat bij Mozes en Aäron. Als zij zondigen bij Meriba, vergeeft God hun, maar zij mogen het volk niet in het land brengen (Nm 20:10-1210En Mozes en Aäron riepen de gemeente voor de rots bijeen, en hij zei tegen hen: Luister toch, ongehoorzamen, zullen wij voor u uit deze rots water voortbrengen?11Toen hief Mozes zijn hand op en hij sloeg de rots twee keer met zijn staf, en er kwam veel water uit, zodat de gemeenschap en hun vee konden drinken.12Maar de HEERE zei tegen Mozes en tegen Aäron: Omdat u niet in Mij geloofd hebt, en Mij voor de ogen van de Israëlieten [niet] geheiligd hebt, zult u deze gemeente niet in het land brengen dat Ik hun gegeven heb.). Zij sterven vóór die tijd.

Gods handelingen in barmhartigheid zijn in het verleden zichtbaar geworden ten aanzien van Mozes, Aäron en Samuel. Dit brengt de psalmist ertoe nog een keer op te roepen om de HEERE te roemen, Zijn lof te zingen en Hem te eren (vers 99Roem de HEERE, onze God;
buig u neer voor Zijn heilige berg,
want heilig is de HEERE, onze God.
; vers 55Roem de HEERE, onze God;
buig u neer voor de voetbank van Zijn voeten.
Heilig is Hij.
)
. De plaats die hij daarvoor aanwijst, is “voor Zijn heilige berg”. Daar moeten ze voor Hem neerbuigen, zich klein maken voor Hem, waardoor Zijn grootheid wordt benadrukt.

De psalmist besluit met nog een keer de heiligheid van de HEERE te betuigen: “Want heilig is de HEERE, onze God.” Dit is altijd de reden voor lofprijzing en aanbidding. Hij, met wie zij in verbinding staan, is “de HEERE”, de God van het verbond dat Hij met hen heeft gesloten, waardoor zij Hem “onze God” mogen noemen.

Tegelijk is Hij “heilig”, volstrekt afgezonderd van het kwaad en vrij van elke verbinding met zonde. Dat maakt voor mensen die van nature verdorven zondaars zijn het voorrecht onuitsprekelijk groot met Hem in verbinding te zijn gebracht. Dat kan niet anders dan grote dankbaarheid bewerken, waaraan uiting wordt gegeven in eeuwige lofprijzing en aanbidding.


Lees verder