Psalmen
Inleiding 1-5 De HEERE regeert 6-7 Alle goden buigen voor Hem 8-9 De Allerhoogste 10-12 Licht is gezaaid
Inleiding

Hier wordt uitvoerig ingegaan op het laatste vers van de vorige psalm, waar wordt gewezen op de komst van de Messias (Ps 96:1313voor het aangezicht van de HEERE,
want Hij komt, want Hij komt om de aarde te oordelen.
Hij zal de wereld oordelen in gerechtigheid
en de volken met Zijn waarheid.
)
. In deze psalm verschijnt de Messias. De gebeurtenis en de gevolgen daarvan worden bezongen. De boodschap aan Maria over de heerschappij van de Zoon Die zij zal krijgen, wordt profetisch voorgesteld (Lk 1:3232Deze zal groot zijn en Zoon van [de] Allerhoogste worden genoemd, en [de] Heer, God, zal Hem de troon van Zijn vader David geven,).


De HEERE regeert

1De HEERE regeert, laat de aarde zich verheugen
en vele kustlanden zich verblijden.
2Wolken en donkerheid zijn rondom Hem,
gerechtigheid en recht zijn het fundament van Zijn troon.
3Vuur gaat voor Zijn aangezicht uit
en zet rondom Zijn tegenstanders in vlam.
4Zijn bliksemflitsen verlichten de wereld,
de aarde ziet ze en beeft.
5De bergen smelten als was
voor het aangezicht van de HEERE,
voor het aangezicht van de Heere van heel de aarde.

De psalmist roet het uit dat “de HEERE regeert” (vers 11De HEERE regeert, laat de aarde zich verheugen
en vele kustlanden zich verblijden.
)
. Hij zit op de troon. Het universum is niet uitsluitend onderworpen aan natuurwetten of het gezag van een boze macht. Er is een soevereine Heerser, Die wijs, heilig, rechtvaardig en verstandig is. Daarom kan “de aarde zich verheugen en vele kustlanden zich verblijden”. Daartoe worden ze dan ook opgeroepen. De kustlanden worden apart genoemd omdat zij ver weg gelegen zijn (Jr 31:1010Hoor het woord van de HEERE, heidenvolken,
verkondig het in de kustlanden van ver weg,
en zeg:
Hij Die Israël verstrooid heeft, zal het [weer] bijeenbrengen
en het hoeden, zoals een herder zijn kudde [hoedt].
)
. Maar ook zij mogen zich verblijden, want de zegen van de heerschappij van de Messias komt ook tot hen.

De HEERE, dat is de Messias, hult Zich in “wolken en donkerheid” (vers 22Wolken en donkerheid zijn rondom Hem,
gerechtigheid en recht zijn het fundament van Zijn troon.
)
. Deze kenmerken geven aan dat wat Hij doet, door mensen niet te volgen is. Hoe zouden sterfelijke mensen Hem kunnen begrijpen in Zijn onnavolgbare gerechtelijke daden? Ze zullen ze erkennen, zonder de diepte ervan te beseffen.

Hij regeert in “gerechtigheid en recht”. Zijn heerschappij is volmaakt. Een rechterlijke dwaling komt niet voor, laat staan een verdraaien van het recht. “Het fundament van Zijn troon” bestaat juist in het uitoefenen van volstrekte gerechtigheid. Zijn regering zal weldadig aandoen na alle corrupte regeringen waarvan de wereld vóór Zijn komst vol is geweest. Zijn rijk is niet gefundeerd op willekeur, zoals zo vaak nu het geval is bij regeringen, maar op gerechtigheid en recht. Daarom houdt Zijn heerschappij eeuwig stand (Sp 16:1212Voor koningen is het een gruwel goddeloos te handelen,
want door gerechtigheid wordt een troon bevestigd.
; 25:55Doe een goddeloze weg van voor [de ogen van] een koning,
en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.
)
.

Hij spreekt niet alleen rechtvaardige oordelen uit, maar voert die ook uit. Dat zien we in het “vuur” dat “voor Zijn aangezicht” uitgaat (vers 33Vuur gaat voor Zijn aangezicht uit
en zet rondom Zijn tegenstanders in vlam.
)
. Vuur stelt het verterende oordeel over de zonde voor (vgl. Lv 10:1-21De zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen beiden hun wierookschaal, deden vuur daarin, legden reukwerk daarop en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE, wat Hij hun niet geboden had.2Toen ging een vuur uit van het aangezicht van de HEERE, en verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht van de HEERE.). God is een verterend vuur, zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe Testament (Hb 12:2929Immers, onze God is een verterend vuur.). Zijn heiligheid verdraagt geen zonde in Zijn tegenwoordigheid. Dat zullen “Zijn tegenstanders” ervaren als Hij hen “rondom … in vlam” zet (vgl. 2Th 1:7-87en aan u die verdrukt wordt, rust met ons bij de openbaring van de Heer Jezus van [de] hemel met [de] engelen van Zijn kracht, in vlammend vuur,8als Hij wraak brengt over hen die God niet kennen en over hen die het evangelie van onze Heer Jezus niet gehoorzamen.).

Behalve de vlam rondom Hem die alles verteert wat zich niet aan Zijn heiligheid onderwerpt, zijn daar “Zijn bliksemflitsen” (vers 44Zijn bliksemflitsen verlichten de wereld,
de aarde ziet ze en beeft.
)
. Ook bliksemflitsen maken diepe indruk. Ze verlichten de wereld en maken daarin alles openbaar. Het zijn de plotselinge, onnavolgbare bezorgers van Gods oordelen. “De aarde ziet ze en beeft”, want ze zijn schrikwekkend en onweerstaanbaar. Zo’n machtsontplooiing heeft de aarde nog nooit gezien.

“De bergen”, symbolen van stabiliteit en onbeweeglijkheid, “smelten als was voor het aangezicht van de HEERE” (vers 55De bergen smelten als was
voor het aangezicht van de HEERE,
voor het aangezicht van de Heere van heel de aarde.
; vgl. Mi 1:44De bergen smelten onder Hem weg,
de dalen splijten
als was voor het vuur,
als water dat langs een helling vloeit.
)
. Zo verterend is Zijn verschijning. Niets houdt stand als Hij verschijnt en oordeelt. Dit oordeel komt Hem toe want Hij is “de Heere van heel de aarde”. Hij is Adonai, de soevereine Heerser van het heelal Die Zijn aangezicht, dat is Zijn tegenwoordigheid, aan de aarde laat zien.


Alle goden buigen voor Hem

6De hemel verkondigt Zijn gerechtigheid
en alle volken zien Zijn heerlijkheid.
7Beschaamd moeten zijn allen die beelden dienen
en zich op de afgoden beroemen.
Buig u voor Hem neer, alle goden.

Als de HEERE verschijnt, komt Hij uit de hemel, waar alles in overeenstemming met “Zijn gerechtigheid” is (vers 66De hemel verkondigt Zijn gerechtigheid
en alle volken zien Zijn heerlijkheid.
)
. Hij is Zelf de verkondiging van de hemel. “Alle volken” op aarde “zien Zijn heerlijkheid” als Hij verschijnt.

Zijn verschijning houdt ook het oordeel in over “allen die beelden dienen en zich op de afgoden beroemen” (vers 77Beschaamd moeten zijn allen die beelden dienen
en zich op de afgoden beroemen.
Buig u voor Hem neer, alle goden.
)
. Het zal beschaming bij hen veroorzaken. Ze hebben zich in hun dwaasheid tot beeldendienst verlaagd en zich op hun zelfgemaakte afgoden beroemd. Die zouden hen wel helpen.

Daarmee hebben ze God getart en Hem geloochend. Wanneer ze oog in oog komen te staan met de ware God, is er niets meer over van hun onzinnige vertrouwen op hun afgoden. “Alle goden” waarvoor zij zich hebben neergebogen, moeten buigen voor de HEERE. ‘Goden’ zijn alle soorten gezagsdragers, in de zichtbare en onzichtbare wereld. Hier worden de eerste plaats engelen bedoeld, zoals blijkt uit de aanhaling van deze zin in de brief aan de Hebreeën (Hb 1:66En opnieuw, wanneer Hij de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: ‘En laten alle engelen van God Hem aanbidden’.).


De Allerhoogste

8Sion heeft het gehoord en zich verblijd,
de dochters van Juda hebben zich verheugd
vanwege Uw oordelen, HEERE.
9Want U, HEERE, bent de Allerhoogste over de hele aarde,
U bent zeer [hoog] verheven boven alle goden.

“Sion heeft … gehoord” van de verdelging van de opstandelingen en afgodendienaars door de Messias “en zich verblijd” (vers 88Sion heeft het gehoord en zich verblijd,
de dochters van Juda hebben zich verheugd
vanwege Uw oordelen, HEERE.
)
. Hetzelfde geldt voor “de dochters van Juda”, waarmee de dorpen en steden in Juda worden bedoeld. De oordelen van de HEERE veroorzaken vreugde bij allen die met Hem verbonden zijn. Zij delen in Zijn gevoelens over het kwaad en verheugen zich over het oordeel dat Hij daarover uitvoert (vgl. Op 18:2020Wees vrolijk over haar, hemel, en u, heiligen en apostelen en profeten, omdat God uw rechtszaak tegen haar berecht heeft.).

Nu is voor iedereen duidelijk Wie “de Allerhoogste over de hele aarde” is (vers 99Want U, HEERE, bent de Allerhoogste over de hele aarde,
U bent zeer [hoog] verheven boven alle goden.
)
. Het is niemand anders dan de “HEERE”. Het overblijfsel en allen die Hem in Zijn heerschappij erkennen, zeggen tegen Hem: “U bent zeer [hoog] verheven boven alle goden.” Hij is met niemand te vergelijken, Hij gaat elke denkbare heerser ver te boven. Hij is “de Overste van de koningen van de aarde” (Op 1:55en van Jezus Christus, de trouwe Getuige, de Eerstgeborene van de doden en de Overste van de koningen van de aarde. Hem Die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft verlost door Zijn bloed,), “de Koning der koningen en Heer der heren” (1Tm 6:1515Die de gelukkige en enige Heerser, de Koning der koningen en Heer der heren op Zijn eigen tijd zal vertonen,; Op 17:1414Dezen zullen oorlog voeren tegen het Lam, en het Lam zal hen overwinnen – want Hij is Heer van [de] heren en Koning van [de] koningen – en zij die met Hem zijn, geroepenen en uitverkorenen en getrouwen.; 19:1616En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.; vgl. Dt 10:1717Want de HEERE, uw God, is de God der goden en de Heere der heren; die grote, machtige en ontzagwekkende God, Die niet partijdig is en geen geschenk in ontvangst neemt,).


Licht is gezaaid

10U die de HEERE liefhebt, haat het kwade.
Hij bewaart de ziel van Zijn gunstelingen,
Hij redt hen uit de hand van de goddelozen.
11Licht is gezaaid voor de rechtvaardige
en blijdschap voor de oprechten van hart.
12Rechtvaardigen, verblijd u in de HEERE;
loof Hem ter gedachtenis aan Zijn heiligheid.

In deze verzen wordt het woord gericht tot het overblijfsel. Zij worden aangesproken als “u, die de HEERE liefhebt” (vers 1010U die de HEERE liefhebt, haat het kwade.
Hij bewaart de ziel van Zijn gunstelingen,
Hij redt hen uit de hand van de goddelozen.
)
. Dit kenmerkt hen. Daarop sluit “haat het kwade” direct aan. Het is een leugen te zeggen God lief te hebben en niet tegelijk alles te haten wat kwaad is. Liefde voor de HEERE betekent alles haten wat Hij haat. Wie deze beide kenmerken heeft, zijn “Zijn gunstelingen”. Zij staan in Zijn gunst. Hun ziel, hun leven, bewaart Hij. “Hij redt hen uit de hand van de goddelozen.” Hij komt voor hen op en zal niet toelaten dat Zijn tegenstanders hen definitief in hun macht krijgen.

De komst van de Messias is als het zaaien van licht (vers 1111Licht is gezaaid voor de rechtvaardige
en blijdschap voor de oprechten van hart.
)
. Hij maakt “de rechtvaardige” de weg naar het vrederijk bekend en gaat hem op die weg voor. Het wordt nooit donker op die weg en in hun hart. Hij bestraalt die weg met Zijn licht. Dat licht gezaaid wordt, wil ook zeggen dat het de bedoeling is dat het vrucht voortbrengt, vrucht die aan het zaad beantwoordt. Dat is te zien in hen die wandelen als kinderen van het licht (vgl. Ef 5:7-97Weest dus hun mededeelgenoten niet;8want vroeger was u duisternis, maar nu bent u licht in [de] Heer; wandelt als kinderen van het licht9(want de vrucht van het licht [bestaat] in alle goedheid en gerechtigheid en waarheid),).

Het zaaien van het licht heeft ook blijdschap tot gevolg. Er is geen ware blijdschap zonder licht, zoals er ook geen licht is dat geen blijdschap bewerkt. Zijn komst betekent “blijdschap voor de oprechten van hart”. Allen die hun hart op Hem gericht hebben, zijn oprecht van hart. Het is hun verlangen dat Hij verheerlijkt wordt. Dat is ook in hun leven te zien, want ze doen Zijn wil.

Het laatste vers is een oproep aan alle “rechtvaardigen” om zich te verblijden “in de HEERE” (vers 1212Rechtvaardigen, verblijd u in de HEERE;
loof Hem ter gedachtenis aan Zijn heiligheid.
)
. Hij heeft voor hen met Zijn kracht alles wonderlijk ten goede doen keren. Daarom worden ze opgeroepen om Hem te loven en dat te doen “ter gedachtenis aan Zijn heiligheid”.

Niet Zijn liefde voor en ontferming over hen zijn aanleiding om Hem te loven, maar Zijn heiligheid. Juist Zijn heiligheid bewijst Zijn volkomen afrekening met de zonde, waardoor elke dreiging voor een verstoring van de vrede is tenietgedaan. Ze kunnen ongestoord met lof en dank en blijdschap van de zegen van Zijn heerschappij genieten.


Lees verder