Psalmen
Inleiding 1-6 Een nieuw lied voor de HEERE 7-9 Wereldwijde lof voor de HEERE 10-13 De HEERE regeert
Inleiding

Psalm 96 is nagenoeg woordelijk gelijk aan het middelste deel van het loflied in 1 Kronieken 16 (1Kr 16:23-3323       Zing voor de HEERE, heel de aarde,
                        breng de boodschap van Zijn heil van dag tot dag.
24       Vertel onder de heidenvolken Zijn eer,
                        onder alle volken Zijn wonderen.
25       Want de HEERE is groot en zeer te prijzen,
                        en Hij is ontzagwekkend boven alle goden.
26       Want al de goden van de volken zijn afgoden,
                        maar de HEERE heeft de hemel gemaakt.
27       Majesteit en glorie zijn voor Zijn aangezicht,
                        macht en vreugde zijn in Zijn plaats.
28       Geef de HEERE, geslachten van de volken,
                        geef de HEERE eer en macht.
29       Geef de HEERE de eer van Zijn Naam,
                        breng offers en kom voor Zijn aangezicht.
                                    Buig u neer voor de HEERE in Zijn heerlijke heiligdom;
30       beef voor Zijn aangezicht, heel de aarde.
                        Ja, vast staat de wereld, zij zal niet wankelen.
31       Laat de hemel zich verblijden en de aarde zich verheugen,
                        laat men onder de heidenvolken zeggen: De HEERE regeert.
32       Laat de zee bulderen met al wat zij bevat,
                        laat het veld van vreugde opspringen met al wat erin is.
33       Dan zullen de bomen van het woud juichen
                        voor het aangezicht van de HEERE, want Hij komt
                                    om de aarde te oordelen.
)
. David geeft in 1 Kronieken 16 opdracht om de HEERE te loven door de dienst van Asaf en zijn broeders (1Kr 16:77Toen, op die dag, gaf David voor de eerste maal [deze psalm] om de HEERE te loven door de dienst van Asaf en zijn broeders.). Dit loflied is een samenstelling van gedeelten uit diverse psalmen, waaronder Psalm 96.

1 Kronieken 16 sluit de beschrijving van de grote gebeurtenis van het plaatsen van de ark in Jeruzalem, de koningsstad, af. Daarmee wordt de openbare aanbidding van God gedurende de regering van David bevestigd. In het opbrengen van de ark naar Jeruzalem zien we een beeld van de komst van de Messias naar de aarde om te gaan regeren.

Psalm 96 bezingt niet het koningschap van David, maar dat van de Heer Jezus. Davids koningschap en dat van de Heer Jezus zijn op het nauwst met elkaar verbonden, want de grote Zoon van David is de HEERE van de legermachten. Deze verzen zien vooruit naar de vervulling van de beloften, als de HEERE openlijk Zijn gezag over de naties uitoefent.


Een nieuw lied voor de HEERE

1Zing voor de HEERE een nieuw lied,
zing voor de HEERE, heel de aarde.
2Zing voor de HEERE, loof Zijn Naam,
breng de boodschap van Zijn heil van dag tot dag.
3Vertel onder de heidenvolken van Zijn eer,
onder alle volken van Zijn wonderen.
4Want de HEERE is groot en zeer te prijzen,
Hij is ontzagwekkend boven alle goden.
5Want al de goden van de volken zijn afgoden,
maar de HEERE heeft de hemel gemaakt.
6Majesteit en glorie zijn voor Zijn aangezicht,
macht en luister in Zijn heiligdom.

De oproep klinkt tot de volken om “voor de HEERE een nieuw lied” te zingen (vers 11Zing voor de HEERE een nieuw lied,
zing voor de HEERE, heel de aarde.
)
. De oproep komt van Israël, dat Gods volk is. Zij zijn door de komst van de Messias uit de nood gered en in de zegen ingevoerd. Het is een nieuwe situatie in de geschiedenis van de wereld. Christus regeert en God wordt door de volken erkend. Dat vraagt om een nieuw lied van de volken (vgl. Ps 33:33Zing voor Hem een nieuw lied,
speel welluidend met vrolijke klanken.
)
. In de hemel wordt dan al een nieuw lied gezongen (Op 5:99En zij zingen een nieuw lied en zeggen: U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht en hebt voor God gekocht met Uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie,).

“Heel de aarde” wordt opgeroepen om voor de HEERE te zingen. Het volk is overweldigd door de grote goedheid die hun deel is. Daarin willen ze de volken laten delen die met hen in verbinding zijn gebracht. De komst van Christus op aarde moet nog plaatsvinden (vers 1313voor het aangezicht van de HEERE,
want Hij komt, want Hij komt om de aarde te oordelen.
Hij zal de wereld oordelen in gerechtigheid
en de volken met Zijn waarheid.
)
, maar het geloof bezingt de heerlijke gevolgen er al van en roept iedereen op daarmee in te stemmen.

Nog eens klinkt de oproep voor de HEERE te zingen en Zijn Naam te loven (vers 22Zing voor de HEERE, loof Zijn Naam,
breng de boodschap van Zijn heil van dag tot dag.
)
. Het motief is het heil of de behoudenis van God die Hij voor Zijn volk heeft bewerkt. De volken moeten de boodschap daarvan “van dag tot dag” brengen, dat wil zeggen dat ze dat voortdurend, onophoudelijk moeten doen. Zo worden wij ook opgeroepen om Gods behoudenis elke dag uit te dragen, waar Hij ons daarvoor ook maar de gelegenheid geeft. Dat is tot Zijn eer en mogelijk tot eeuwige zegen van iemand die ons getuigenis hoort.

De opdracht luidt om “onder de heidenvolken Zijn eer” te vertellen (vers 33Vertel onder de heidenvolken van Zijn eer,
onder alle volken van Zijn wonderen.
)
. Zijn eer wordt gezien in “Zijn wonderen”. We kunnen hierbij denken aan de wonderen die Hij heeft gedaan in Egypte bij de bevrijding van Zijn volk uit de slavernij. We kunnen het toepassen op het wonder van onze verlossing uit de macht van de zonde en de talrijke wonderen die Hij in ons leven heeft gedaan.

De HEERE is inderdaad “groot en zeer te prijzen” (vers 44Want de HEERE is groot en zeer te prijzen,
Hij is ontzagwekkend boven alle goden.
)
. Hij is niet ‘groter dan’, maar Hij alleen is groot in absolute zin, Hij is oneindig groot. Daarom is alleen Hij het waard om zeer te prijzen. Hij is inderdaad “boven alle goden” verheven, maar daar tevens “ontzagwekkend” boven verheven. Zijn grootheid boezemt ontzag in. De goden zijn engelen of rechtspersonen, wezens met een bepaald gezag. Maar ze vallen in het niet bij Hem. Ze zijn uiterst beperkte schepselen, zowel wat hun persoon als wat hun capaciteiten betreft.

De volken hebben hun goden (vers 55Want al de goden van de volken zijn afgoden,
maar de HEERE heeft de hemel gemaakt.
; 1Ko 8:5-65Want al zijn er ook die goden genoemd worden, hetzij in [de] hemel, hetzij op aarde (zoals er vele goden en vele heren zijn),6dan is er toch voor ons maar één God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem; en één Heer, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn, en wij door Hem.)
. Deze goden zijn gevallen engelen ofwel demonen. Afgoden zijn dode stukken materie waarachter demonen schuilgaan. God heeft de materie geschapen. De mens neemt in zijn grote dwaasheid dode materie om die te aanbidden. Afgoden zijn niets, nietigheden (1Ko 8:44wat dan het eten van de afgodenoffers betreft, wij weten dat een afgod niets is in [de] wereld, en dat er geen God is dan Eén.). Het zijn schepselen van de verbeelding van de mens onder inspiratie van demonen. Tegenover de inbeelding van de mens staat de HEERE Die “de hemel gemaakt” heeft. Hij heeft het hele terrein van de hemel gemaakt en daarom mag alleen Hij aangebeden worden. Hij geeft Zijn eer aan geen ander.

Alles wat “voor Zijn aangezicht” is, wat zich dus in Zijn tegenwoordigheid bevindt, straalt majesteit en glorie uit (vers 66Majesteit en glorie zijn voor Zijn aangezicht,
macht en luister in Zijn heiligdom.
)
. Wat zich in Zijn tegenwoordigheid bevindt, weerspiegelt de kenmerken van Zijn Wezen. Hij legt Zijn majesteit en glorie op alles om Hem heen. Zo is het ook “in Zijn heiligdom” te midden van Zijn volk. Daar zijn “macht en luister”, wat wil zeggen dat Zijn heiligdom de bron van macht is en vandaaruit zicht baar wordt. En als Zijn macht zichtbaar wordt, wordt de luister, de alles overtreffende heerlijk van God zichtbaar.


Wereldwijde lof voor de HEERE

7Geef de HEERE, geslachten van de volken,
geef de HEERE eer en macht.
8Geef de HEERE de eer van Zijn Naam,
breng offers en kom in Zijn voorhoven.
9Buig u neer voor de HEERE in Zijn heerlijke heiligdom;
beef voor Zijn aangezicht, heel de aarde.

De “geslachten van de volken” worden opgeroepen “de HEERE eer en macht” te geven (vers 77Geef de HEERE, geslachten van de volken,
geef de HEERE eer en macht.
)
. De volken bestaan uit geslachten of families, mensen die niet alleen door dezelfde nationaliteit met elkaar zijn verbonden, maar ook met een bloedband (vgl. Zc 12:12-1412Het land zal rouw bedrijven, elk geslacht afzonderlijk: het geslacht van het huis van David afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van het huis van Nathan afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk,13het geslacht van het huis van Levi afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van Simeï afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk,14al de overige geslachten: elk geslacht afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk.). Er kan Hem niets worden gegeven wat Hij nog niet bezit. Hij bezit alle eer en macht. Hem eer en macht geven betekent tegen Hem zeggen dat Hij alle eer waard is en dat Hem alle macht toekomt.

Ze geven Hem de eer van Zijn Naam als zij met offers in Zijn voorhoven komen (vers 88Geef de HEERE de eer van Zijn Naam,
breng offers en kom in Zijn voorhoven.
)
. Daarmee maken zij duidelijk dat ze alleen met offers in Gods tegenwoordigheid kunnen komen. De offers spreken van het werk van Christus, Die het offer voor de zonde is geworden. Alleen op grond van Zijn werk en het geloof daarin kan God mensen in Zijn nabijheid ontvangen. Daardoor wordt Zijn Naam geëerd. Met offers komen betekent de erkenning van en instemming met Gods weg naar Hem toe.

Niet alleen de uiterlijke offers zijn belangrijk, maar ook het voor Hem buigen met innerlijk beven van ontzag (vers 99Buig u neer voor de HEERE in Zijn heerlijke heiligdom;
beef voor Zijn aangezicht, heel de aarde.
)
. Een offer is alleen aangenaam voor en aanvaardbaar door God “in Zijn heerlijke heiligdom” als het in een nederige gezindheid en met ontzag voor Hem wordt gebracht (vgl. Ps 51:1919De offers voor God zijn een gebroken geest;
een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.
)
. “Heel de aarde”, dat wil zeggen alle volken van de aarde, wordt opgeroepen zich “voor Zijn aangezicht” te buigen en te beven. ‘Zijn aangezicht’ betekent in Zijn tegenwoordigheid, onder Zijn toeziend oog.


De HEERE regeert

10Zeg onder de heidenvolken: De HEERE regeert;
ja, vast staat de wereld, ze zal niet wankelen;
Hij zal [over] de volken op billijke [wijze] rechtspreken.
11Laat de hemel zich verblijden en de aarde zich verheugen,
laat de zee bulderen met al wat ze bevat.
12Laat het veld van vreugde opspringen met al wat erin is;
dan zullen al de bomen van het woud vrolijk zingen
13voor het aangezicht van de HEERE,
want Hij komt, want Hij komt om de aarde te oordelen.
Hij zal de wereld oordelen in gerechtigheid
en de volken met Zijn waarheid.

Deze verzen zien vooruit naar het vrederijk, waar de hele natuur in verrukking is voor de Messias. De boodschap dat “de HEERE regeert” – de HEERE is de Messias –, moet “onder de heidenvolken” bekendgemaakt worden (vers 1010Zeg onder de heidenvolken: De HEERE regeert;
ja, vast staat de wereld, ze zal niet wankelen;
Hij zal [over] de volken op billijke [wijze] rechtspreken.
)
. Onder alle regeringen van mensen heeft de wereld geen vastigheid gekend en heeft ze steeds gewankeld. Aan die situatie komt onder Zijn koningschap een einde. Alles krijgt vastheid en stabiliteit.

Dat zal blijken als “Hij … [over] de volken op billijke wijze rechtspreken” zal. Onkreukbaar en volkomen rechtvaardig zal Hij vanaf de “troon van Zijn heerlijkheid” rechtspreken (Mt 25:31-4631Wanneer nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid;32en vóór Hem zullen alle volken worden verzameld, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt;33en Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan Zijn linker.34Dan zal de Koning zeggen tot hen die aan Zijn rechterhand zijn: Komt, gezegenden van Mijn Vader, beërft het koninkrijk dat u bereid is van [de] grondlegging van [de] wereld af;35want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij opgenomen;36naakt en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek en u hebt Mij bezocht; Ik was in [de] gevangenis en u bent bij Mij gekomen.37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig en hebben U gevoed, of dorstig en hebben U te drinken gegeven?38En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed?39En wanneer zagen wij U ziek of in [de] gevangenis en zijn bij U gekomen?40En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.41Dan zal Hij ook zeggen tot hen die aan Zijn linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen is bereid;42want Ik had honger en u hebt Mij niet te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij niet te drinken gegeven;43Ik was een vreemdeling en u hebt Mij niet opgenomen; naakt en u hebt Mij niet gekleed; ziek en in [de] gevangenis en u hebt Mij niet bezocht.44Dan zullen ook dezen antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in [de] gevangenis, en hebben U niet gediend?45Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het aan een van deze geringsten niet hebt gedaan, hebt u het Mij ook niet gedaan.46En dezen zullen gaan in [de] eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in [het] eeuwige leven.). Zijn billijke rechtspraak is de basis voor een onwankelbare wereld. Wat Hij zegt en beslist, is eerlijk en rechtvaardig en daarom van blijvende waarde. Het is onveranderlijk, er hoeft nooit op te worden teruggekomen.

“De hemel”, dat wil zeggen de hemelbewoners, wordt opgeroepen zich te verblijden (vers 1111Laat de hemel zich verblijden en de aarde zich verheugen,
laat de zee bulderen met al wat ze bevat.
)
. “De aarde”, dat zijn de op aarde levende mensen, wordt opgeroepen zich te verheugen. Hemel en aarde horen bij elkaar als door dezelfde Schepper geschapen. Ze verenigen zich in vreugde omdat de Messias Zijn koningschap heeft aanvaard (vgl. Op 18:2020Wees vrolijk over haar, hemel, en u, heiligen en apostelen en profeten, omdat God uw rechtszaak tegen haar berecht heeft.; 19:66En ik hoorde als een stem van een grote menigte en als een stem van vele wateren en als een stem van zware donderslagen, die zeiden: Halleluja! Want [de] Heer, <onze> God, de Almachtige, heeft Zijn koningschap aanvaard.). Dit betekent het einde van alle onrecht en het rechtvaardige oordeel over alle ooit gepleegde onrecht. “De zee”, steeds een beeld van de opstandige volken, wordt nu “met al wat ze bevat” opgeroepen bulderend in te stemmen.

“Het veld … met al wat erin is”, zoals de dieren en de planten, wordt opgeroepen om “van vreugde” op te springen (vers 1212Laat het veld van vreugde opspringen met al wat erin is;
dan zullen al de bomen van het woud vrolijk zingen
)
. “De bomen van het woud” zullen dan “vrolijk juichen”. De hele schepping in al haar onderdelen, de onzichtbare en de zichtbare, wordt opgeroepen tot vreugde-uitingen, omdat het moment is aangebroken dat de HEERE plaatsneemt op Zijn troon om de aarde te oordelen (vgl. Js 44:2323Zing vrolijk, hemel, want de HEERE heeft het gedaan!
Juich, diepten van de aarde!
Breek uit, bergen, in gejuich,
bossen en elke boom daarin!
Want de HEERE heeft Jakob verlost
en Zich verheerlijkt in Israël.
)
.

De aanleiding van deze uitbarsting van vreugde is de komst van de Messias (vers 1313voor het aangezicht van de HEERE,
want Hij komt, want Hij komt om de aarde te oordelen.
Hij zal de wereld oordelen in gerechtigheid
en de volken met Zijn waarheid.
)
. Vol geestdrift wordt melding gemaakt van Zijn komst. Zijn komst is “om de aarde te oordelen”. Hij regeert altijd, maar dan zal het voor iedereen zichtbaar zijn. De regels waarnaar Hij regeert zijn die van gerechtigheid en waarheid, want Hij is de alwetende, almachtige God.

Dit is een indrukwekkend moment, een moment van ongekend belang. Het is het grote keerpunt in de geschiedenis van de mensheid. Nu gaat alles totaal anders worden, God gaat regeren door Zijn Zoon. Hij heeft heel het oordeel aan Hem gegeven, omdat Hij de Mensenzoon is (Jh 5:2727en Hij heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is.). Door het oordeel komt er orde en rust in de wereld.


Lees verder