Psalmen
Inleiding 1-5 De HEERE is een groot God 6-7 De schapen van Zijn hand 8-11 Waarschuwing voor verharding
Inleiding

Deze psalm houdt de oproep aan Gods volk in om zich gereed te maken om God te ontmoeten.


De HEERE is een groot God

1Kom, laten wij vrolijk zingen voor de HEERE,
laten wij juichen voor de rots van ons heil.
2Laten wij Zijn aangezicht tegemoet gaan met een lof[lied],
laten wij voor Hem juichen met psalmen.
3Want de HEERE is een groot God,
ja, een groot Koning boven alle goden.
4In Zijn hand zijn de diepste plaatsen van de aarde
en de toppen van de bergen zijn van Hem.
5Van Hem is [ook] de zee, want Híj heeft haar gemaakt,
Zijn handen hebben het droge gevormd.

De opdracht luidt om vrolijk te zingen “voor de HEERE” (vers 11Kom, laten wij vrolijk zingen voor de HEERE,
laten wij juichen voor de rots van ons heil.
)
. Er moet worden gejuicht “voor de rots van ons heil”. “Vrolijk zingen” en “juichen” zijn uitingen van een hart dat vol dankbaarheid is voor Wie de HEERE is en wat Hij heeft gedaan. Hier doet de psalmist dat niet individueel, maar spoort het hele volk daartoe aan.

De HEERE is hier de onwankelbare rots van het heil of de behoudenis van het volk – hij spreekt niet over ‘mijn heil’, maar over “ons heil”. Het hele volk is een verlost volk. Het volk is verlost uit de slavernij van Egypte, van de gevaren van de woestijn, van de vijanden die het hebben onderdrukt en bedreigd in het land. Dat de HEERE de rots is, betekent dat het heil, of de behoudenis onaantastbaar en eeuwig zeker is.

Het zingen en juichen moet niet persoonlijk en ook niet zomaar ergens gebeuren, maar voor “Zijn aangezicht” ofwel in Zijn tegenwoordigheid (vers 22Laten wij Zijn aangezicht tegemoet gaan met een lof[lied],
laten wij voor Hem juichen met psalmen.
)
. Daar moeten ze zijn “met een lof[lied]”, dat is met woorden waarin ze hun dankbaarheid voor Hem uitspreken. Daar moeten ze “voor Hem juichen met psalmen”. In de psalmen die zij met gejuich voor Hem zingen loven ze Hem.

Het woord “want” waarmee vers 33Want de HEERE is een groot God,
ja, een groot Koning boven alle goden.
begint, geeft aan dat de reden volgt voor de oproep die in de vorige verzen wordt gedaan. Er blijken meerdere redenen te zijn. In de eerste plaats is de “HEERE …een groot God”. Hij steekt overal bovenuit en omvat alles. Er is ook geen enkele vergelijking met wie of wat ook. Hij is groot.

“Ja, een groot Koning” is Hij “boven alle goden”. Er zijn er wel die goden worden genoemd (1Ko 8:55Want al zijn er ook die goden genoemd worden, hetzij in [de] hemel, hetzij op aarde (zoals er vele goden en vele heren zijn),). Dat zijn dode afgoden waarachter demonische machten schuilgaan. Ze zijn geen rivalen van Hem, maar Zijn onderdanen. God heerst als “een groot Koning” over hen. Hij zit op de troon en iedereen is aan Hem ondergeschikt.

Daar sluit een volgende verhevenheid van Hem op aan die aanleiding geeft om voor Hem te juichen en psalmen te zingen. De dode afgoden zijn lokale goden, maar God is de God van de hele schepping (vers 44In Zijn hand zijn de diepste plaatsen van de aarde
en de toppen van de bergen zijn van Hem.
)
. Alles in het heelal is Zijn bezit. Niemand anders kan er een claim op leggen. Zijn recht erop is absoluut en totaal.

Dit geldt voor “de diepste plaatsen van de aarde” en “voor de toppen van de bergen”. De diepst bekende plek van de aarde is de Marianentrog in de Stille Oceaan met een diepte van ongeveer elf kilometer. Het is een plek van diepe duisternis, waar nooit enig zonlicht is geweest. Maar voor God is het daar even licht als op aarde. Hij kan niet alleen naar dergelijke diepe plaatsen afdalen, ze zijn “in Zijn hand”. Dat wil zeggen dat Hij het gezag erover heeft, dat Hij alles wat erin is, controleert en bestuurt.

Wat voor de diepste plaatsen geldt, geldt ook voor de hoogste plaatsen, voor “de toppen van de bergen”. Die “zijn van Hem”. Hij heeft de bergen gemaakt, ze behoren Hem toe. De hoogte en de kracht ervan weerspiegelen Zijn verhevenheid boven wat op aarde verheven is. Als de diepste diepten en de hoogste hoogten in Zijn hand zijn, is ook alles wat daartussen ligt in Zijn hand.

“De zee” is ook “van Hem, want Híj heeft haar gemaakt” (vers 55Van Hem is [ook] de zee, want Híj heeft haar gemaakt,
Zijn handen hebben het droge gevormd.
)
. Omdat Híj, met nadruk, Hij en niemand anders, de zee heeft gemaakt, is die Zijn onvervreemdbaar eigendom. Hetzelfde geldt voor “het droge”. Zijn handen hebben dat gevormd. Er is geen sprake van een ontwikkeling, een ‘evolutieproces’, waardoor het droge na een paar miljard jaren de vorm zou hebben gekregen die het nu heeft. Nee, het droge is een kunststuk dat de Schepper eigenhandig de vorm heeft gegeven die het nu heeft.


De schapen van Zijn hand

6Kom, laten wij ons neerbuigen en neerbukken,
laten wij knielen voor de HEERE, Die ons gemaakt heeft.
7Want Hij is onze God
en wij zijn het volk van Zijn weide
en de schapen van Zijn hand.
Heden, indien u Zijn stem hoort,

In vers 66Kom, laten wij ons neerbuigen en neerbukken,
laten wij knielen voor de HEERE, Die ons gemaakt heeft.
roepen de leden van Gods volk elkaar ertoe op dat ze voor de HEERE zullen “neerbuigen en neerbukken” en voor Hem zullen “knielen”. Het zijn drie houdingen van diep eerbetoon en ontzag, waarbij de aanbidder zich zo klein mogelijk maakt voor God. Ware aanbidding is niet een hoop lawaai maken, waarbij het hart leeg kan zijn, maar een houding die past tegenover Hem “Die ons gemaakt heeft”. Als we van Hem onder de indruk komen, worden we niet omgeduwd, we blijven ook niet staan, maar vallen neer voor Hem (Op 5:14b14En de vier levende wezens zeiden: Amen. En de oudsten vielen neer en aanbaden.).

Opnieuw volgt er een “want” waarna de reden wordt gegeven om deze houding van diepe eerbied en diep ontzag aan te nemen (vers 77Want Hij is onze God
en wij zijn het volk van Zijn weide
en de schapen van Zijn hand.
Heden, indien u Zijn stem hoort,
)
. Nu is het niet omdat Hij de Schepper en soevereine Heerser van de hele aarde is zoals in de voorgaande verzen, maar omdat Hij de Herder van Zijn volk is. Hij staat met hen in een bijzondere betrekking.

Ze noemen zich “het volk van Zijn weide en de schapen van Zijn hand”. Hiermee geven ze aan dat ze van Hem afhankelijk zijn zoals schapen afhankelijk zijn van de herder. Hij zorgt ervoor dat ze weide vinden, dat ze voedsel krijgen. Daarbij leidt Hij hen ook door Zijn hand. Meer nog wil de uitdrukking ‘schapen van Zijn hand’ zeggen dat Hij ze met Zijn hand beschermt. Ze zijn geborgen in Zijn hand (vgl. Jh 10:28-2928En Ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen geenszins verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze rukken uit Mijn hand.29Mijn Vader Die [ze] Mij heeft gegeven, is groter dan allen, en niemand kan [ze] rukken uit de hand van Mijn Vader.).

In de laatste regel van vers 77Want Hij is onze God
en wij zijn het volk van Zijn weide
en de schapen van Zijn hand.
Heden, indien u Zijn stem hoort,
spreekt Jahweh. Dat doet Hij “heden”. Dat zegt Hij hier. Dat zegt Hij honderden jaren later tegen de Hebreeën (Hb 3:77Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: ‘Heden, als u Zijn stem hoort,). Dat zegt Hij ook tegen ons. Elke keer dat Hij spreekt, dat Hij Zijn volk Zijn stem laat horen, is het “heden”. Hij laat Zijn volk Zijn stem horen. De vraag is wat zij doen als zij Zijn stem horen. ‘Heden’ laat geen uitstel naar later toe. Het is van belang direct in gehoorzaamheid op Gods stem te reageren.

God Zelf maakt door een voorbeeld uit hun geschiedenis duidelijk hoe ze vroeger op Zijn stem hebben gereageerd. Dit voorbeeld bevat een ernstige waarschuwing. Het stelt hen voor de keus. Het stelt ook ons voor de keus, want het ‘heden’ geldt nu voor ons. God spreekt ook ‘heden’ tot ons en wel door Zijn Woord.


Waarschuwing voor verharding

8verhard uw hart niet, zoals te Meriba,
zoals in de dagen van Massa in de woestijn:
9daar stelden uw vaderen Mij op de proef,
[daar] beproefden zij Mij, hoewel zij Mijn werk zagen.
10Veertig jaar heb Ik gewalgd van [dit] geslacht;
Ik heb gezegd: Zij zijn een volk met een dwalend hart,
en zíj kennen Mijn wegen niet.
11Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen:
Mijn rust zullen zij nooit binnengaan!

De waarschuwing is: als zij Zijn stem horen, moeten ze hun hart niet verharden (vers 88verhard uw hart niet, zoals te Meriba,
zoals in de dagen van Massa in de woestijn:
)
. Hier spreekt God. Hun vaderen hebben in het verleden wel hun hart verhard, namelijk “te Meriba … in de dagen van Massa in de woestijn”. Het gaat hier om twee gebeurtenissen. Meriba – dat betekent ‘twist(water)’ of ‘verbittering’ – is een plaats bij Kades (Nm 20:11De Israëlieten kwamen in de woestijn Zin, heel de gemeenschap, in de eerste maand, en het volk bleef in Kades. Daar stierf Mirjam, en zij werd er begraven.. Daar laat Mozes aan het einde van de veertigjarige omzwerving door de woestijn water uit de rots voortkomen (Nm 20:10-1310En Mozes en Aäron riepen de gemeente voor de rots bijeen, en hij zei tegen hen: Luister toch, ongehoorzamen, zullen wij voor u uit deze rots water voortbrengen?11Toen hief Mozes zijn hand op en hij sloeg de rots twee keer met zijn staf, en er kwam veel water uit, zodat de gemeenschap en hun vee konden drinken.12Maar de HEERE zei tegen Mozes en tegen Aäron: Omdat u niet in Mij geloofd hebt, en Mij voor de ogen van de Israëlieten [niet] geheiligd hebt, zult u deze gemeente niet in het land brengen dat Ik hun gegeven heb.13Dit is het water van Meriba, waar de Israëlieten de HEERE ter verantwoording riepen, en waar Hij onder hen geheiligd werd.).

Deze woestijnplaats Meriba bij Kades aan het einde van de woestijnreis moet onderscheiden worden van de plaats Massa en Meriba in Rafidim (Ex 17:11Daarna brak heel de gemeenschap van de Israëlieten uit de woestijn Sin op [en trok] van rustplaats tot rustplaats, op bevel van de HEERE, en zij sloegen hun kamp op in Rafidim. Daar was echter geen water voor het volk om te drinken.). Daar heeft het morrende volk aan het begin van de woestijnreis water uit de rots ontvangen. Deze plaats krijgt de dubbele naam Massa en Meriba, dat betekent ‘verzoeking’ en ‘twist’ of ‘verbittering’ (Ex 17:77Hij gaf die plaats de naam Massa en Meriba, vanwege de onenigheid van de Israëlieten en omdat zij de HEERE op de proef gesteld hadden door te zeggen: Is de HEERE [nu] in ons midden of niet?). Beide betekenissen komen terug in het citaat van dit vers in de brief aan de Hebreeën: “Verhardt uw harten niet zoals bij de verbittering, in de dag van de verzoeking in de woestijn” (Hb 3:88verhardt uw harten niet zoals bij de verbittering, in de dag van de verzoeking in de woestijn,).

Het volk heeft Hem in de woestijn op de proef gesteld, Hem beproefd of verzocht (vers 99daar stelden uw vaderen Mij op de proef,
[daar] beproefden zij Mij, hoewel zij Mijn werk zagen.
)
. Ze hebben Hem uitgetest om te laten zien of Hij in hun midden is of niet (Ex 17:77Hij gaf die plaats de naam Massa en Meriba, vanwege de onenigheid van de Israëlieten en omdat zij de HEERE op de proef gesteld hadden door te zeggen: Is de HEERE [nu] in ons midden of niet?). Een dergelijke test kunnen we vergelijken met de vraag aan de zon om te schijnen, terwijl we in de volle zon staan. Dit is het verwijt dat God het volk maakt als Hij zegt: “[Daar] beproefden zij Mij, hoewel zij Mijn werk zagen.”

Hij heeft onophoudelijk Zijn aanwezigheid in hun midden bewezen. Zijn werk is onloochenbaar. Ze hebben Zijn verlossing uit Egypte gezien, ze hebben gezien hoe Hij een pad door de Rode Zee heeft gemaakt en de Egyptenaren daarin heeft laten verdrinken. Elke dag hebben zij Zijn zorg gezien door het manna dat elke morgen weer voor hen klaar lag. Het is puur ongeloof om na zoveel werken te hebben gezien God uit te dagen te laten zien dat Hij in hun midden is.

Deze houding van Israël is helaas geen incident, maar heeft het volk gedurende de hele reis door de woestijn gekenmerkt. Dat horen we in de woorden van God: “Veertig jaar heb Ik gewalgd van [dit] geslacht” (vers 1010Veertig jaar heb Ik gewalgd van [dit] geslacht;
Ik heb gezegd: Zij zijn een volk met een dwalend hart,
en zíj kennen Mijn wegen niet.
)
. Veertig jaar lang heeft Hij Zijn zorg voor hen laten zien (Dt 4:32-3532Vraag immers toch naar de vorige dagen, die vóór u geweest zijn, vanaf de dag dat God de mens op de aarde geschapen heeft, van het [ene] einde van de hemel tot het [andere] einde van de hemel, of zoiets indrukwekkends [ooit] gebeurd is, of dat zoiets [ooit] gehoord is:33Heeft [ooit] een volk de stem van God horen spreken vanuit het midden van het vuur, zoals ú gehoord hebt, en [daarbij] het leven behouden?34Of heeft God [ooit] getracht om voor Zich een volk uit het midden van een [ander] volk weg te halen, met beproevingen, met tekenen, met wonderen en met strijd, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met grote ontzagwekkende daden, zoals de HEERE, uw God, dat alles met u in Egypte voor uw ogen gedaan heeft?35Aan ú is dat getoond, opdat u zou weten dat de HEERE God is, niemand anders dan Hij alleen!). Hij heeft hen bevrijd, geleid en verzorgd en toch zijn zij dwars tegen Hem ingegaan (vgl. Dt 6:1616U mag de HEERE, uw God, niet op de proef stellen, zoals u Hem bij Massa op de proef gesteld hebt.; 9:2222Ook bij Tabera, Massa en Kibroth-Taäva maakte u de HEERE zeer toornig.; 33:88Over Levi zei hij:
Uw Tummim en Uw Urim zijn bij deze man, Uw gunsteling;
U stelde hem op de proef in Massa,
U riep hem ter verantwoording bij de wateren van Meriba.
)
. Deze sterke uitdrukking van afkeer geeft wel aan hoezeer ze God met hun houding oneer hebben aangedaan. Wij kunnen de grote fout maken te denken dat we beter zijn dan zij. Het is daarom belangrijk dat ook wij deze waarschuwing ter harte te nemen.

Als het volk op deze wijze heeft geantwoord op al Gods zorg, is het niet verwonderlijk dat Hij toornig is geworden op dit geslacht. God geeft ook aan wat de diepe oorzaak is: de dwaling van hun zondige hart. Omdat hun hart altijd van God is afgedwaald, hebben zij Zijn wegen niet gekend. Ze hebben niets begrepen van Zijn handelingen, of Hij nu in zegen of in oordeel met hen heeft gehandeld.

Mozes heeft Gods wegen wel gekend, want God heeft die Zelf aan hem bekendgemaakt (Ps 103:77Hij heeft aan Mozes Zijn wegen bekendgemaakt,
aan de nakomelingen van Israël Zijn daden.
)
omdat hij Hem vreesde en liefhad. Om Gods wegen te kennen is het nodig dat wij Hem ons hart geven. Daar vraagt Hij om (Sp 23:2626Mijn zoon, geef mij je hart,
en laten je ogen behagen scheppen in mijn wegen.
)
. Als we Hem ons hart geven, geven we Hem ons hele leven in handen, opdat Hij het kan besturen. Dan wandelen we op Zijn weg die uitkomt in de heerlijkheid.

Het is voor God onmogelijk Zijn volk dat zo met het hart dwaalt, in Zijn rust in te laten gaan (vers 1111Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen:
Mijn rust zullen zij nooit binnengaan!
; Nm 14:21-2321Echter, [zo waar] Ik leef, de hele aarde zal met de heerlijkheid van de HEERE vervuld worden!22Want al de mannen die Mijn heerlijkheid gezien hebben en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en die Mij nu al tien keer op de proef gesteld hebben en niet naar Mijn stem hebben geluisterd,23zij zullen het land dat Ik hun vaderen gezworen heb, niet zien! Ja, geen van allen die Mij verworpen hebben, zullen het zien!)
. Omdat zij zo met hun hart dwalen en zo onbekend zijn met Zijn wegen, kan Hij niet anders dan in Zijn toorn zweren dat Hij dat nooit zal toelaten. “Mijn rust” is Gods rust. Het is de rust die Hij heeft als Hij te midden van Zijn volk zal wonen. Dat is het beloofde land, waar het volk in vrede en veiligheid zal wonen, zonder angst voor vijanden. Deze rust zal er pas zijn in het vrederijk van de Messias, de grote Zoon van David.


Lees verder