Psalmen
1-7 Roep om vergelding 8-11 De HEERE kent de mens 12-13 Bestraffing, onderwijs en rust 14-19 De HEERE helpt 20-21 Onrecht heerst 22-23 De HEERE is een veilige vesting
Roep om vergelding

1O God van alle wraak, HEERE,
God van alle wraak, verschijn blinkend!
2Rechter van de aarde, verhef U,
vergeld de hoogmoedigen[naar] wat zij verdienen.
3Hoelang zullen de goddelozen, HEERE,
hoelang zullen de goddelozen van vreugde opspringen,
4[hun mond] doen overvloeien, hooghartige taal spreken?
[Hoelang] zullen allen die onrecht bedrijven, zich beroemen?
5HEERE, zij verbrijzelen Uw volk,
zij verdrukken Uw eigendom.
6De weduwe en de vreemdeling doden zij;
zij vermoorden de wezen
7en zeggen: De HEERE ziet het niet,
de God van Jakob merkt het niet.

De psalmist roept tot de “God van alle wraak” om “blinkend” te verschijnen (vers 11O God van alle wraak, HEERE,
God van alle wraak, verschijn blinkend!
)
. Deze roep houdt de vraag aan God in om alle onrecht te wreken. Dat God de God van alle wraak is, houdt ook in dat Hij de Enige is Die het recht heeft om wraak uit te oefenen en niemand anders (Dt 32:3535Aan Mij komt de wraak en de vergelding toe,
op het tijdstip dat hun voet wankelt.
Voorzeker, de dag van hun ondergang is dichtbij,
en spoedig komen de dingen die hen te wachten staan.
; Na 1:22Een na-ijverig God en een Wreker is de HEERE, /aleph/
een Wreker is de HEERE, en zeer grimmig.
Een Wreker is de HEERE voor Zijn tegenstanders,
en Hij handhaaft [Zijn toorn] jegens Zijn vijanden.
; Rm 12:1919Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn; want er staat geschreven: ‘Aan Mij de wraak, Ik zal vergelden, zegt [de] Heer’.; 1Th 4:66[en] dat men zijn broeder geen onrecht aandoet en hem bedriegt in die zaak; want [de] Heer is een wreker van dit alles, zoals wij u ook vroeger gezegd en ernstig betuigd hebben.)
. Hij kan die wraak wel delegeren, waarbij hij de grenzen daarvoor bepaalt (Nm 35:19-2519De bloedwreker, díe moet hem die een doodslag begaan heeft, doden; als hij hem aantreft, mag híj hem doden.20Ook als hij hem uit haat een duw heeft gegeven, of met opzet [iets] naar hem toe heeft gegooid, zodat hij stierf;21of wanneer hij hem uit vijandschap met zijn hand [zo] geslagen heeft, dat hij stierf, moet degene die [hem] geslagen heeft, zeker gedood worden: hij is een moordenaar. De bloedwreker mag degene die een doodslag begaan heeft, doden als hij hem aantreft.22Maar als hij hem onverwachts zonder vijandschap een duw gegeven heeft, of zonder opzet welk voorwerp dan ook naar hem toe gegooid heeft,23of zonder het te zien een of andere steen, waardoor men zou kunnen sterven, op hem heeft laten vallen, zodat hij stierf, terwijl hij geen vijand van hem was en niet zijn onheil zocht,24dan moet de gemeenschap overeenkomstig deze bepalingen oordelen tussen hem die een doodslag begaan heeft, en de bloedwreker.25De gemeenschap moet hem die een doodslag begaan heeft, redden uit de hand van de bloedwreker, en de gemeenschap moet hem laten terugkeren naar zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was. Dan moet hij daar blijven tot de dood van de hogepriester, die men met de heilige olie gezalfd heeft.; Jz 20:55En als de bloedwreker hem achtervolgt, mogen zij hem die de doodslag begaan heeft, niet in zijn hand overleveren, omdat hij zijn naaste niet met voorbedachten rade doodgeslagen heeft, en hem tevoren niet haatte.; 2Kn 9:77En u zult het huis van Achab, uw heer, doden, opdat Ik het bloed van Mijn dienaren, de profeten, en het bloed van alle dienaren van de HEERE op Izebel zal wreken.; Rm 13:44want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u het kwade doet, vrees dan; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade bedrijft.).

De roep om wraak is voor de Godvrezende Jood gepast (vgl. Jr 11:2020Maar, HEERE van de legermachten, rechtvaardige Rechter,
U Die de nieren en het hart beproeft,
laat mij Uw wraak aan hen zien,
want aan U heb ik mijn rechtszaak bekendgemaakt.
; Op 6:9-119En toen het [Lam] het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen die geslacht waren om het Woord van God en om het getuigenis dat zij hadden.10En zij riepen met luider stem en zeiden: Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen?11En aan ieder van hen werd een lang wit kleed gegeven; en hun werd gezegd dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook hun medeslaven en hun broeders die gedood zouden worden evenals zij, voltallig zouden zijn.)
. De wraak van God is het uitoefenen van gerechtigheid over het onrecht dat de goddelozen God en Zijn volk hebben aangedaan. De psalmist noemt die God “HEERE”, waarmee hij een beroep doet op de trouw van God aan Zijn verbond met Zijn volk. Voor ons, die in de genadetijd leven, geldt dat we zullen bidden voor hen die ons onrecht aandoen (Mt 5:4444Maar Ik zeg u: hebt uw vijanden lief en bidt voor hen die u vervolgen,; Lk 23:3434<Jezus nu zei: Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen.> En om Zijn kleren te verdelen wierpen zij het lot daarover.; Hd 7:6060En terwijl hij neerknielde, riep hij met luider stem: Heer, reken hun deze zonde niet toe. En toen hij dit gezegd had, ontsliep hij.; Rm 12:1414Zegent wie <u> vervolgen; zegent en vervloekt niet.; 1Ko 4:1212en vermoeien ons door met onze eigen handen te werken. Worden wij gescholden, wij zegenen; vervolgd, wij verdragen;).

De psalmist weet dat het hem niet toekomt wraak te oefenen, maar dat dit alleen aan God toekomt (vgl. 1Sm 24:1313De HEERE zal rechtspreken tussen mij en u. De HEERE zal Zich vanwege mij op u wreken, maar mijn hand zal niet tegen u zijn.). Daarom vraagt hij het aan Hem. Hij zoekt ook geen genoegdoening voor het geleden onrecht, maar omdat wraak de weg vrijmaakt voor de vestiging van Gods rijk op aarde. De vraag om blinkend te verschijnen is de vraag om de Messias te zenden. God zal blinkend verschijnen in de terugkeer naar de aarde van Zijn Zoon, de Messias Jezus.

Dan noemt hij God “Rechter van de aarde” (vers 22Rechter van de aarde, verhef U,
vergeld de hoogmoedigen[naar] wat zij verdienen.
; Gn 18:2525Er kan toch geen sprake van zijn dat U zoiets doet, dat [U] de rechtvaardige [samen] met de goddeloze doodt? Dan zal het zijn: zo de rechtvaardige zo de goddeloze. [Daar] kan bij U toch geen sprake van zijn! Zou de Rechter van de hele aarde geen recht doen?)
. De hele aarde valt onder Zijn gezag. De “hoogmoedigen” hebben al te lang hun gang kunnen gaan. Het is hoog tijd dat Hij Zich verheft, dat Hij opstaat om Zijn rechterlijke majesteit te tonen en hun te geven “[naar] wat zij verdienen”. De hoogmoedigen hebben al die tijd gedaan of zij ‘rechter van de aarde’ zijn, met verloochening van God. Dit kwaad heeft zijn eigen ‘beloning’ en dat is het oordeel van God.

Dat God zal handelen, is voor de psalmist geen vraag. Maar wanneer zal Hij dat doen (vers 33Hoelang zullen de goddelozen, HEERE,
hoelang zullen de goddelozen van vreugde opspringen,
)
? “Hoelang” tolereert God nog dat de goddelozen ongestoord hun gang gaan? Het lijkt wel alsof er geen einde komt aan hun trotse gedrag. Hoe lang zal Hij nog alleen maar zitten en toekijken? Zij hebben alle plezier van de wereld en God roept hun geen halt toe. Hoe vaak hebben wij ook niet die gedachte?

Er is reden genoeg om hen het verdiende loon van het oordeel te geven. De psalmist wijst God op een aantal dingen. Hij wijst eerst op hun mond. Hun mond vloeit over van “hooghartige taal” (vers 44[hun mond] doen overvloeien, hooghartige taal spreken?
[Hoelang] zullen allen die onrecht bedrijven, zich beroemen?
; vgl. Sp 15:2b,28b2De tong van wijzen maakt kennis goed.
maar de mond van dwazen vloeit over van dwaasheid.28Het hart van een rechtvaardige overdenkt wat het antwoorden zal,
maar de mond van goddelozen vloeit over van kwaad.
)
. Ze beroemen zich op het onrecht dat ze bedrijven, waardoor ze zich het luxe leven kunnen permitteren dat ze leiden.

Hij somt enkele daden van onrecht op die zij bedrijven en wijst daar de “HEERE” op:

1. “HEERE, zij verbrijzelen Uw volk” (vers 55HEERE, zij verbrijzelen Uw volk,
zij verdrukken Uw eigendom.
)
. De goddelozen vergrijpen zich aan het volk dat van Hem is, het volk dat Hij heeft uitverkoren om Zijn volk te zijn. Ze vertrappen hen, lopen hen onder de voet, maken hen tot niets. En zij zijn toch Zijn volk, het volk waarvan Hij Koning is. Welke koning komt er niet voor Zijn volk op?

2. “HEERE … zij verdrukken Uw eigendom.” De goddelozen nemen de vrijheid weg van het eigendom van de HEERE, wat Hem toebehoort. Ze verdrukken hen die Hij heeft bevrijd uit de slavernij om Zijn bezit te zijn. Waarom laat Hij dit toe zonder in te grijpen?

3. En Hij moet toch ook zien wat de goddelozen met “de weduwe en de vreemdeling” doen: die doden zij (vers 66De weduwe en de vreemdeling doden zij;
zij vermoorden de wezen
)
. Ook de wezen zijn een prooi voor deze harteloze lieden: ze vermoorden hen. Deze misdaden bewijzen een bijzondere wreedheid. De weduwe, vreemdeling en wees zijn bijzonder kwetsbare mensen. Deze mensen hebben vaak niet veel meer dan hun leven. Tegenover hen bewijzen de goddelozen dat ze niet alleen op vermeerdering van hun bezit uit zijn, maar dat ze uit moordlust handelen.

De kwellende vraag van de psalmist in verband hiermee is, waar de zorg van de HEERE voor deze weerloze mensen is. Hij heeft Zich immers speciaal voor hen garant gesteld (Dt 10:17-1817Want de HEERE, uw God, is de God der goden en de Heere der heren; die grote, machtige en ontzagwekkende God, Die niet partijdig is en geen geschenk in ontvangst neemt,18Die recht verschaft aan de wees en de weduwe, Die de vreemdeling liefheeft door hem brood en kleding te geven.; Ps 68:66Vader van de wezen en Rechter van de weduwen:
[dát is] God in Zijn heilige woning;
)
. Maar Hij lijkt onverschillig te zijn voor wat Zijn volk, Zijn eigendom, en de kwetsbare groepen mensen wordt aangedaan. De goddelozen kunnen hun gang gaan zonder enige vrees voor het oordeel van God.

Hebben die goddelozen dan toch gelijk als zij in hun verwaandheid zeggen: “De HEERE ziet het niet, de God van Jakob merkt het niet” (vers 77en zeggen: De HEERE ziet het niet,
de God van Jakob merkt het niet.
)
? Dat de goddelozen ongestoord hun gang kunnen gaan, lijkt hun woorden te bevestigen. Wat kan de Godvrezende daar tegenin brengen? Hij begrijpt niet hoe God dit kan toelaten, terwijl hij weet dat God toch Zijn eer zal handhaven. Hij kan dit niet met elkaar rijmen.


De HEERE kent de mens

8Let op, onverstandigen onder het volk;
dwazen, wanneer zult u verstandig worden?
9Zou Hij Die het oor plant, niet horen?
Zou Hij Die het oog vormt, niet zien?
10Zou Hij Die de heidenvolken bestraft, niet straffen,
Hij Die de mens kennis bijbrengt?
11De HEERE kent de gedachten van de mens:
vluchtig zijn ze.

De psalmist, de Godvrezende, heeft God Zijn vragen gesteld, vragen waarmee hij worstelt. Nu richt hij zich tot de “onverstandigen onder het volk” en de “dwazen” (vers 88Let op, onverstandigen onder het volk;
dwazen, wanneer zult u verstandig worden?
)
. De mensen tot wie hij spreekt, gebruiken hun verstand niet, ze zijn “onverstandigen”. Daarbij zijn ze dwaas, want ze zeggen door hun manier van leven dat er geen God is. Hoelang duurt het nog voordat ze verstandig worden? Dat kan nog, als ze letten op wat hij gaat zeggen, als ze dat ter harte nemen. Wat hij gaat zeggen, is onverminderd van kracht voor de hele mensheid, ook vandaag!

Ze moeten zich goed realiseren dat God aanwezig is bij alles wat ze zeggen, doen en denken. Daarover laat hij er geen twijfel over bestaan. Hij begint met God als de Planter van het oor. Hij heeft het oor geplant, wat doet denken aan het graven van een gat in de grond om daarin een plant te doen. Zo heeft God een gat aan de zijkant van het hoofd gemaakt om daarin een oor te zetten, dat wil zeggen de mogelijkheid om te horen.

Zijn vraag “zou Hij Die het oor plant, niet horen?” (vers 99Zou Hij Die het oor plant, niet horen?
Zou Hij Die het oog vormt, niet zien?
)
, betreft alle woorden die zij hooghartig hebben gesproken. De vraag betekent dat Hij al hun woorden natuurlijk hoort. Hij Die de mens de bekwaamheid geeft om te horen, is de alles horende God. Alles wat de mens heeft en kan, zijn eigenschappen van God die Hij hem heeft gegeven en die Hij Zelf in oneindig hogere mate bezit.

Dat geldt ook voor het zien. De vraag “zou Hij Die het oog vormt, niet zien?”, betreft al het onrecht dat zij bedrijven. Natuurlijk ziet Hij, de Formeerder van het oog, dat. Hij heeft het oog kunstig gevormd zoals een pottenbakker kunstig een pot vormt. Het oog is een kunststuk van God waarin Zijn bekwaamheid en wijsheid tot uiting komen. Zijn ogen zien alles wat alle ogen van alle mensen zien. Er ontgaat Hem niets van wat zij doen.

God is niet alleen de Planter van het oor en de Formeerder van het oog van de individuele mens. Hij is ook de Bestraffer van “de heidenvolken” (vers 1010Zou Hij Die de heidenvolken bestraft, niet straffen,
Hij Die de mens kennis bijbrengt?
)
. Hij beheerst en controleert ook de volken. Zij worden door Hem bestraft vanwege hun opstandigheid tegen Hem. Dat kan Hij bijvoorbeeld doen door natuurrampen of epidemieën. Daardoor toont Hij dat Hij boven de volken van de aarde staat. Het is Zijn methode waardoor Hij “de mens kennis bijbrengt”. Hij is de grote Leraar Die de mens leert over Wie Hij is en wie de mens zelf is. Hij is de Alwetende.

De HEERE hoort alle woorden van de mens. Hij ziet alle daden van de mens. Woorden en daden zijn uiterlijk waarneembaar. Maar het gaat nog dieper. “De HEERE kent” ook de verborgen “gedachten van de mens” (vers 1111De HEERE kent de gedachten van de mens:
vluchtig zijn ze.
; Mt 9:3-43En zie, sommigen van de schriftgeleerden zeiden bij zichzelf: Deze lastert.4En daar Jezus hun gedachten zag, zei Hij: Waarom denkt u kwaad in uw harten?)
. Dit sluit aan op het vorige vers. Hij Die de mens kennis bijbrengt, is de Kenner van alles wat de mens denkt, wat er in Zijn hart is (Hd 1:2424En zij baden aldus: U, Heer, Kenner van aller harten, wijs van deze twee één aan die U hebt uitverkoren).

Met Zijn kennis geeft Hij ook Zijn beoordeling van alles wat de mens bedenkt. “Vluchtig zijn ze”, zo klinkt het kort en krachtig. Waarvan mensen diep onder de indruk kunnen komen, veegt God met één zwaai van tafel. Zo weinig stelt al hun intellectuele gebazel voor.


Bestraffing, onderwijs en rust

12Welzalig de man die U bestraft, HEERE,
en die U onderwijst uit Uw wet.
13Zo geeft U hem rust voor dagen van onheil,
totdat de kuil voor de goddeloze gegraven wordt.

Het overblijfsel spreekt het welzalig uit over “de man die U bestraft, HEERE” (vers 1212Welzalig de man die U bestraft, HEERE,
en die U onderwijst uit Uw wet.
)
. Dat is een andere bestraffing dan de bestraffing die de heidenvolken krijgen. Het wordt in algemene bewoordingen gegeven, want het is algemeen van toepassing. Deze bestraffing is het deel van de Godvrezenden. God geeft hem die bestraffing om hem aan Zijn heiligheid deel te laten krijgen (Hb 12:4-114U hebt nog niet ten bloede toe tegenstand geboden in de strijd tegen de zonde,5en u hebt de vermaning vergeten die tot u als tot zonen spreekt: ‘Mijn zoon, acht [de] tuchtiging van [de] Heer niet gering en bezwijk niet als u door Hem bestraft wordt;6want wie [de] Heer liefheeft, tuchtigt Hij en Hij geselt iedere zoon die Hij aanneemt’.7U verdraagt het tot tuchtiging; God behandelt u als zonen; want welke zoon is er die een vader niet tuchtigt?8Maar als u zonder tuchtiging bent waaraan allen deel hebben, dan bent u bastaarden en geen zonen.9Bovendien, wij hadden de vaders van ons vlees om [ons] te tuchtigen en wij hadden ontzag voor hen; zullen wij <dan> niet veel meer aan de Vader van de geesten onderworpen zijn en leven?10Zij tuchtigden [ons] wel voor weinige dagen, naar het hun goed dacht, maar Hij tot ons nut, opdat wij aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen.11Nu schijnt alle tuchtiging wel op het ogenblik zelf geen reden voor vreugde maar voor droefheid te zijn, maar daarna geeft zij aan hen die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht van gerechtigheid.). Het is een noodzakelijke bestraffing die met dit doel wordt gegeven.

Wie deze bestraffing ondergaat, wordt daardoor niet van God vervreemd, maar juist naar Hem uitgedreven. Zo iemand wordt door God onderwezen uit Zijn wet. Het maakt iemand gewillig dit onderwijs aan te nemen. Hij zal daardoor groeien in de kennis van God en van Zijn wegen met hem. Dit voert tot het resultaat dat in het volgende vers wordt beschreven.

Wie de bestraffing van de HEERE waardeert, krijgt van Hem “rust voor de dagen van onheil” (vers 1313Zo geeft U hem rust voor dagen van onheil,
totdat de kuil voor de goddeloze gegraven wordt.
)
. De dagen van onheil zijn de dagen van de grote verdrukking die door “de goddeloze”, de antichrist over het volk van God en in het bijzonder de gelovigen daaronder zullen komen. Aan zijn heerschappij komt een einde, want er wordt een kuil voor hem gegraven. Die kuil is zijn graf. Zodra die gegraven wordt, is het met zijn machtsuitoefening gedaan. Daar kijkt de Godvrezende in de tijd van de grote verdrukking met rust in zijn hart vol vertrouwen naar uit.

Als we leren buigen onder de tucht van God, zal dat rust geven in de tijd dat we worden overspoeld door moeilijkheden die mensen ons aandoen. We ervaren dan de “vreedzame vrucht van gerechtigheid” (Hb 12:1111Nu schijnt alle tuchtiging wel op het ogenblik zelf geen reden voor vreugde maar voor droefheid te zijn, maar daarna geeft zij aan hen die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht van gerechtigheid.). Dan weten we dat de moeilijkheden een keer zullen eindigen. Dat is voor ons niet zozeer door de dood van de goddelozen, maar door de komst van de Heer om ons tot Zich te nemen. Dat uitzicht bewaart ons ervoor ongeduldig te worden omdat we menen dat God Zich niets van onze moeiten aantrekt.


De HEERE helpt

14Want de HEERE zal Zijn volk niet in de steek laten,
Hij zal Zijn eigendom niet verlaten.
15Want het oordeel zal weer rechtvaardig zijn,
alle oprechten van hart zullen ermee instemmen.
16Wie zal voor mij opkomen tegen de kwaaddoeners?
Wie zal zich voor mij opstellen tegen wie onrecht bedrijven?
17Als de HEERE niet mijn Helper was geweest,
had mijn ziel bijna in de stilte gewoond.
18Toen ik zei: Mijn voet wankelt,
ondersteunde Uw goedertierenheid mij, HEERE.
19Toen mijn gedachten binnen in mij zich vermenigvuldigden,
verkwikten Uw vertroostingen mijn ziel.

Voor het geloof is het duidelijk dat de HEERE “Zijn volk niet in de steek” zal laten (vers 1414Want de HEERE zal Zijn volk niet in de steek laten,
Hij zal Zijn eigendom niet verlaten.
)
, hoewel het erop lijkt dat het in de macht van de goddelozen is (vers 55HEERE, zij verbrijzelen Uw volk,
zij verdrukken Uw eigendom.
)
. De zekerheid daarvan is een troost te midden van de nood. Met dezelfde zekerheid van het geloof zegt de psalmist dat de HEERE “Zijn eigendom niet verlaten” zal. Het maakt de geest rustig.

Deze vertroostende zekerheid vloeit voort uit de wetenschap dat “het oordeel … weer rechtvaardig” zal zijn (vers 1515Want het oordeel zal weer rechtvaardig zijn,
alle oprechten van hart zullen ermee instemmen.
)
. Nu is het oordeel dat door mensen wordt uitgesproken en uitgevoerd door de zonde onrechtvaardig. Dat het nu onrechtvaardig is, zien we op de duidelijkste manier in het oordeel van Pilatus over de Heer Jezus. Pilatus voltrekt het meest onrechtvaardige oordeel dat ooit is voltrokken. In hem en Christus zien we de grootst mogelijke tegenstelling tussen oordeel en rechtvaardigheid.

Als Christus regeert, zal het “het oordeel … weer rechtvaardig zijn”. In Hem zijn oordeel en rechtvaardigheid in volkomen harmonie met elkaar. Naar die tijd ziet de Godvrezende uit. Als Christus Zijn oordelen uitvoert, doet Hij dat volstrekt rechtvaardig. Niemand zal dat betwisten en “alle oprechten van hart zullen ermee instemmen”. Wat zij in hun hart altijd hebben geloofd, zullen ze dan volmondig en openlijk uitspreken: er is een God Die recht doet op aarde.

De psalmist, de oprechte van hart, de Godvrezende, spreekt de vraag uit wie voor hem zal “opkomen tegen de kwaaddoeners” (vers 1616Wie zal voor mij opkomen tegen de kwaaddoeners?
Wie zal zich voor mij opstellen tegen wie onrecht bedrijven?
)
. Het is een vraag die voortvloeit uit de omstandigheden die hij heeft beschreven in het eerste deel van de psalm (verzen 3-63Hoelang zullen de goddelozen, HEERE,
hoelang zullen de goddelozen van vreugde opspringen,
4[hun mond] doen overvloeien, hooghartige taal spreken?
[Hoelang] zullen allen die onrecht bedrijven, zich beroemen?
5HEERE, zij verbrijzelen Uw volk,
zij verdrukken Uw eigendom.
6De weduwe en de vreemdeling doden zij;
zij vermoorden de wezen
)
. Hetzelfde geldt voor de vraag: “Wie zal zich voor mij opstellen tegen wie onrecht bedrijven?” Maar hij heeft daarna zijn geloof uitgesproken in God Die alles hoort en Die Zijn volk niet in de steek zal laten en Zijn eigendom niet zal verlaten.

Dat heeft hij ook ervaren in de tijd dat Gods volk en eigendom zijn vertrapt en verdrukt. Er is niemand die het voor hem heeft opgenomen tegen de kwaaddoeners en onrechtbedrijvers. Maar de HEERE is er wel geweest. Hij is zijn Helper geweest en heeft hem erdoorheen geholpen. Als Hij niet zijn “Helper was geweest”, zou hij nu “in de stilte” van het graf wonen (vers 1717Als de HEERE niet mijn Helper was geweest,
had mijn ziel bijna in de stilte gewoond.
)
. Dan zou hij geen woord meer hebben kunnen zeggen, want hij zou dood zijn (Ps 115:1717De doden zullen de HEERE niet prijzen,
evenmin al wie in de stilte neergedaald zijn.
)
.

Hij is aan het eind van zijn krachten geweest. Zijn voet heeft gewankeld (vers 1818Toen ik zei: Mijn voet wankelt,
ondersteunde Uw goedertierenheid mij, HEERE.
)
. Dat heeft hij ook tegen de HEERE gezegd. En de HEERE heeft hem geholpen. Hij heeft hem ondersteund met Zijn goedertierenheid. De HEERE heeft hem het bewustzijn gegeven dat Hij hem liefheeft, ondanks de vertrapping en verdrukking of juist in de vertrapping en verdrukking. De goedertierenheid van God wordt op haar diepst gevoeld als de omstandigheden vol ellende zijn. Hij neemt de ellende niet weg, maar komt met Zijn goedertierenheid om de ellendige te ondersteunen.

In een tijd van zwaar en uitzichtloos lijden vermenigvuldigen de gedachten van een gelovige zich (vers 1919Toen mijn gedachten binnen in mij zich vermenigvuldigden,
verkwikten Uw vertroostingen mijn ziel.
)
. Hij stelt zichzelf en God talloze vragen, vragen die hem kwellen, waarop maar geen antwoord komt. Hij komt er niet uit. Al die vragen veroorzaken grote innerlijke onrust. Van buiten is er strijd, van binnen is er vrees. Dan zijn daar Gods vertroostingen. God verkwikt de ziel van de worstelende gelovige door Zijn aanwezigheid.

Als de worstelende ziel ertoe gebracht wordt van zichzelf en zijn problemen af te zien en zijn hart op God te richten, is de nood niet verdwenen, maar is God erbij gekomen. Dit kan soms een langdurig proces zijn. Toch zal de gelovige ten slotte bij God uitkomen. Als hij dan terugkijkt op die donkere periode in zijn leven, zal hij getuigen dat hij door die periode is heen gekomen omdat God zijn Helper is geweest.


Onrecht heerst

20Zou de zetel van het verderf een verbintenis met U aangaan,
[die] onheil sticht bij verordening?
21Zij spannen samen tegen de ziel van de rechtvaardige,
onschuldig bloed verklaren zij schuldig.

Het kan toch niet zo zijn dat God een verbond met het kwaad heeft gesloten (vers 2020Zou de zetel van het verderf een verbintenis met U aangaan,
[die] onheil sticht bij verordening?
)
? Dit is de vraag die de geplaagde Godvrezende stelt in de tijd van de grote verdrukking, als de antichrist regeert. Hij weet dat God regeert. Wat hij ziet is dat het kwaad regeert. Maar “de zetel van het verderf” – dat is de zetel van de antichrist – is toch geen “verbintenis” met God aangegaan? God verbindt Zich toch niet aan iemand die “onheil sticht bij verordening”, die een wet uitvaardigt die onheil over Zijn volk brengt?

Deze zetel van verderf en de verordening van onheil richten zich “tegen de ziel van de rechtvaardige” (vers 2121Zij spannen samen tegen de ziel van de rechtvaardige,
onschuldig bloed verklaren zij schuldig.
)
. De antichrist en zijn volgelingen spannen tegen hem samen. Hun wetgeving sticht werkelijk onheil, want “onschuldig bloed verklaren zij schuldig”. Ze zijn uit op het bloed van de onschuldige rechtvaardige en daarvoor passen ze de wetgeving aan en verdraaien ze het recht.


De HEERE is een veilige vesting

22Maar de HEERE is mij een veilige vesting geweest,
mijn God is [mij] tot een rots, mijn toevlucht.
23Hij zal hun onrecht op hen doen terugkeren,
Hij zal hen in hun slechtheid ombrengen,
de HEERE, onze God, zal hen ombrengen.

De rechtvaardige heeft wel moeten vluchten voor de vijand, maar hij heeft in “de HEERE … een veilige vesting” gevonden (vers 2222Maar de HEERE is mij een veilige vesting geweest,
mijn God is [mij] tot een rots, mijn toevlucht.
)
. Dit is het resultaat van alle pogingen van de vijand om de rechtvaardige het leven onmogelijk te maken. Het vertrouwen op de HEERE wordt erdoor versterkt. De persoonlijke band met God, “mijn God”, wordt er hechter door. Hij is “een rots”, onwankelbaar, en “mijn toevlucht”, een verberging.

In die veiligheid komt de gelovige tot rust. Hij geeft hen die hem onrecht doen over in de handen van God. De goddelozen zullen het lot ondergaan dat zij de gelovigen hebben willen aandoen (vers 2323Hij zal hun onrecht op hen doen terugkeren,
Hij zal hen in hun slechtheid ombrengen,
de HEERE, onze God, zal hen ombrengen.
)
. Het keert op hun hoofd terug. Hij zal hen in de slechtheid die zij doen ombrengen. Zo zullen ze ervaren wat ze de rechtvaardigen hebben willen aandoen. Zo zal het gaan: “De HEERE, onze God, zal hen ombrengen”.


Lees verder