Psalmen
1-7 Gebed in grote verdrukking 8-10 Niemand is U gelijk 11-13 Leer mij en ik zal U loven 14-17 Hulp en troost
Gebed in grote verdrukking

1Een gebed van David.
HEERE, neig Uw oor, verhoor mij,
want ik ben ellendig en arm.
2Bewaar mijn ziel, want ik ben [Uw] gunsteling;
U, mijn God, verlos Uw dienaar, die op U vertrouwt.
3Wees mij genadig, Heere,
want ik roep tot U de hele dag.
4Verblijd de ziel van Uw dienaar,
want tot U, Heere, hef ik mijn ziel op.
5U, Heere, bent immers goed, mild om te vergeven
en rijk aan goedertierenheid voor allen die U aanroepen.
6HEERE, neem mijn gebed ter ore,
sla acht op mijn luide smeekbeden.
7In de dag van mijn benauwdheid roep ik U aan,
want U verhoort mij.

Deze psalm is “een gebed van David” (vers 1a1Een gebed van David.
HEERE, neig Uw oor, verhoor mij,
want ik ben ellendig en arm.
)
. Zie bij Psalm 17:1.

David is in grote nood, hij is “ellendig en arm” (vers 1b1Een gebed van David.
HEERE, neig Uw oor, verhoor mij,
want ik ben ellendig en arm.
)
. Hij is er lichamelijk ellendig aan toe en is arm aan geestelijke kracht. In een dergelijke situatie kan een mens niet beter doen dan zich tot God richten. Dat doet David dan ook. Hij richt zich in zijn gebed tot de “HEERE”, Jahweh. Daarmee doet hij een beroep op de trouw van God aan Zijn verbond met hem.

Hij vraagt Hem Zijn oor te neigen. Dat is een beroep op Zijn welwillendheid om naar hem te luisteren. Hij vraagt Hem ook om hem te verhoren. Dat is een beroep op Zijn reddend, verlossend vermogen om hem uit zijn nood te bevrijden. Zijn gebed wordt gekenmerkt door grote aandrang, maar niet door dwang. Hij is een smekeling, geen eiser. Dit is de juiste gezindheid om tot God te naderen.

Hij vraagt om bewaring van zijn ziel, dat is van zijn leven. Zijn pleitgrond is wie hij voor God is: Zijn “gunsteling” (vers 22Bewaar mijn ziel, want ik ben [Uw] gunsteling;
U, mijn God, verlos Uw dienaar, die op U vertrouwt.
)
. Hij staat in de gunst van God. Een kind vraagt zijn ouders ook om wat hij nodig heeft omdat hij weet dat zijn ouders van hem houden. Dat hebben ze al vaak bewezen en dat blijft ook zo. Op deze wijze nadert David tot God en vraagt om Zijn bescherming. Het gaat niet om verdienste, maar om wat eigen is aan de verhouding.

Het besef van Gods gunst maakt hem niet hoogmoedig, maar nederig en klein. Hij weet dat de almachtige God zijn God is en dat hij Zijn “dienaar” is (vgl. 2Sm 7:55Ga en zeg tegen Mijn dienaar, tegen David: Zo zegt de HEERE: Zou ú voor Mij een huis bouwen, voor Mij om in te wonen?). Hij dient God niet gedwongen, maar vrijwillig. Wie beseft dat hij in de gunst van God staat, zal Hem uit dankbaarheid willen dienen. In zijn dienst voor God vertrouwt David op God. Aan die God vraagt David dat Hij hem verlost.

Hij vraagt aan de “Heere”, Adonai, de soevereine Heerser, om hem “genadig” te zijn (vers 33Wees mij genadig, Heere,
want ik roep tot U de hele dag.
)
. Hij spreekt God zeven keer in zijn gebed met Adonai aan (verzen 3,4,5,8,9,12,153Wees mij genadig, Heere,
want ik roep tot U de hele dag.
4Verblijd de ziel van Uw dienaar,
want tot U, Heere, hef ik mijn ziel op.
5U, Heere, bent immers goed, mild om te vergeven
en rijk aan goedertierenheid voor allen die U aanroepen.
8Onder de goden is niemand U gelijk, Heere;
 werken als de Uwe zijn er niet.
9Al de heidenvolken, die U gemaakt hebt, Heere,
zullen komen, zich voor Uw aangezicht neerbuigen
en Uw Naam eren.
12Heere, mijn God, ik zal U loven met heel mijn hart,
ik zal Uw Naam voor eeuwig eren.
15Maar U, Heere, bent een barmhartig en genadig God,
geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw.
)
. Dat legt de nadruk op de onvergelijkbare grootheid van God. David is zich er zich diep van bewust dat alleen die grote Heerser hem uit zijn nood kan verlossen. Hij is zich er ook van bewust dat God niet verplicht is dat te doen. Daarom vraagt hij om hem genadig te zijn. Hij houdt niet op dat aan Hem te vragen, maar roept “de hele dag” tot Hem. Daaruit blijkt ook zijn vertrouwen dat hij in Gods verhoring heeft.

Als die Heere, Adonai, hem verlost, zal Hij daarmee zijn ziel verblijden (vers 44Verblijd de ziel van Uw dienaar,
want tot U, Heere, hef ik mijn ziel op.
)
. Nog eens noemt David zich “Uw dienaar”. Hij dient God met vreugde. Tegelijk geeft hij hiermee aan hoezeer hij zich afhankelijk weet van Hem. God is de Heere en hij is Zijn dienaar. Daarom heft hij zijn ziel tot Hem op. Alleen Hij kan helpen en hem verblijden.

David kent de soevereine Heerser – Die hij weer als zodanig (Adonai) aanspreekt – als Iemand Die “goed” is (vers 55U, Heere, bent immers goed, mild om te vergeven
en rijk aan goedertierenheid voor allen die U aanroepen.
)
. Het nutteloos een God aan te roepen die niet ‘goed’ is. God is geen onbewogen heerser die ver boven het aards gebeuren en zeker boven nietige mensjes staat. Nee, Hij is “goed”. Dat is Zijn Wezen tegenover Zijn schepping en de mensen en in het bijzonder tegenover allen die Hem aanroepen.

Hij is “mild om te vergeven en rijk aan goedertierenheid voor allen die U aanroepen” (vgl. Ex 34:66Toen de HEERE bij hem voorbijkwam, riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw,). Deze eigenschappen van de soevereine Heerser kunnen niet anders dan bewondering in het hart van de gelovige oproepen. Hier spreekt zoveel tederheid en overweldigende bereidheid tot zegenen uit. God is geen harde, eisende God, maar een vergevende en gevende God. En dat is hij “voor allen die U aanroepen”. Wie ook maar in nood is en Hem aanroept, zal Hem zo leren kennen.

Als David dit zo heeft gezegd, hernieuwt hij zijn gebed waarbij hij zich weer tot de “HEERE”, Jahweh, richt (vers 66HEERE, neem mijn gebed ter ore,
sla acht op mijn luide smeekbeden.
)
. Hij vraagt hem zijn “gebed ter ore” te nemen. Hij fluistert dit gebed niet, maar het zijn “luide smeekbeden”. Voor dit luide roepen kan God Zijn oren toch niet gesloten houden? Daar zal Hij toch acht op slaan, er aandacht aan geven?

“In de dag van mijn benauwdheid”, dat is nu, en elke keer dat er zo’n dag is, roept hij de HEERE aan (vers 77In de dag van mijn benauwdheid roep ik U aan,
want U verhoort mij.
)
. Het is een gewoonte. God is zijn enige toevlucht. Alles wat hem omgeeft en alles wat in hem is, is benauwdheid, beklemming. Hij kan nog alleen tot God roepen, want niemand anders kan hem helpen.

Dan lijkt zijn ziel ineens tot rust te komen. Hij zegt tegen God: “Want U verhoort mij.” Deze zekerheid is de basis van zijn roepen. Het is het vertrouwen dat God naar zijn gebed luistert. Wat voor nut heeft het anders om tot God te roepen (vgl. Jk 1:6-76Laat hij echter vragen in geloof, geheel zonder te twijfelen. Want wie twijfelt, is gelijk aan een golf van [de] zee, die door de wind voortgedreven en opgejaagd wordt.7Want laat die mens niet menen dat hij iets van de Heer zal ontvangen;)? Het is ook in ons leven Gods bedoeling dat dagen van benauwdheid tot dagen van gebed worden (vgl. Ps 50:1515Roep Mij aan in de dag van benauwdheid;
Ik zal u eruit helpen en u zult Mij eren.
)
.


Niemand is U gelijk

8Onder de goden is niemand U gelijk, Heere;
 werken als de Uwe zijn er niet.
9Al de heidenvolken, die U gemaakt hebt, Heere,
zullen komen, zich voor Uw aangezicht neerbuigen
en Uw Naam eren.
10Want U bent groot en doet wonderen,
U bent God, U alleen.

Dan doet David weer een beroep op de “Heere”, Adonai, de soevereine Heerser (vers 88Onder de goden is niemand U gelijk, Heere;
 werken als de Uwe zijn er niet.
)
. Maar de benauwdheid is verdwenen. Adonai is met geen enkele god, waarmee zowel rechters als afgoden bedoeld kunnen zijn (Ps 82:1,61Een psalm van Asaf.
God staat in de vergadering van God,
Hij oordeelt te midden van de goden:
6Ík heb [wel] gezegd: U bent goden,
u bent allen zonen van de Allerhoogste;
; 1Ko 8:5-65Want al zijn er ook die goden genoemd worden, hetzij in [de] hemel, hetzij op aarde (zoals er vele goden en vele heren zijn),6dan is er toch voor ons maar één God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem; en één Heer, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn, en wij door Hem.)
, te vergelijken (vgl. Ex 15:1111Wie is als U
onder de goden, HEERE?
Wie is als U,
verheerlijkt in heiligheid,
ontzagwekkend in lofzangen,
[U] Die wonderen doet?
)
. Ook Zijn werken zijn niet met enig ander werk te vergelijken. David zegt hiermee dat God kan doen wat hij van Hem vraagt. Hij kan het alleen aan Hem vragen, want er is niemand anders. En Hij alleen is ook in staat om het te doen, want niemand anders kan het doen.

God staat boven alles, ook boven elke vergelijking. Hij heeft niet alleen Zijn volk gemaakt, maar Hij heeft “al de heidenvolken” gemaakt (vers 99Al de heidenvolken, die U gemaakt hebt, Heere,
zullen komen, zich voor Uw aangezicht neerbuigen
en Uw Naam eren.
; vgl. Hd 17:2626En Hij heeft uit één <bloed> [het] hele mensengeslacht gemaakt om op [het] hele aardoppervlak te wonen, terwijl Hij de bepaalde tijden en de grenzen van hun woonplaats heeft vastgesteld,)
. Hij is werkelijk de “Heere”, Adonai, de soevereine Heerser. Daarom zal niet alleen Zijn volk, maar zullen al de heidenvolken komen en “zich voor Uw aangezicht neerbuigen en Uw Naam eren”. Dit ziet vooruit naar het vrederijk, naar de tijd van de regering van de Messias, waar dit waarheid zal zijn (Zc 14:1616Het zal geschieden dat al de overgeblevenen van alle heidenvolken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, van jaar tot jaar zullen opgaan om zich neer te buigen voor de Koning, de HEERE van de legermachten, en om het Loofhuttenfeest te vieren.; Op 15:44Wie toch zou <U> niet vrezen, Heer, en Uw Naam niet verheerlijken? Want U alleen bent heilig, want alle naties zullen komen en zich voor U neerbuigen, omdat Uw gerechtigheden openbaar zijn geworden.).

De grootheid van God zien we in de wonderen die Hij heeft gedaan en nog doet (vers 1010Want U bent groot en doet wonderen,
U bent God, U alleen.
)
. Kijk maar naar de schepping. Elke scheppingsdag is vol van wonderen die ondanks de zondeval tot vandaag gezien worden. En dan Zijn wonderen in het leven van de aartsvaders, het wonder van de bevrijding van Zijn volk uit Egypte en van de begeleiding en verzorging van Zijn volk in de woestijn. We zien zijn wonderen in het leven van talloze mensen die tot bekering en geloof komen. David heeft talloze wonderen van genade en redding beleefd. Wie dit uit eigen ervaring kent, zegt met David tegen God: “U bent God, U alleen.”


Leer mij en ik zal U loven

11Leer mij, HEERE, Uw weg,
ik zal in Uw waarheid wandelen,
maak mijn hart één om Uw Naam te vrezen.
12Heere, mijn God, ik zal U loven met heel mijn hart,
ik zal Uw Naam voor eeuwig eren.
13Want Uw goedertierenheid is groot over mij,
U hebt mijn ziel aan het diepst van het graf ontrukt.

Nu er rust in het hart is gekomen, verlangt David ernaar de weg te leren die de HEERE met hem gaat (vers 1111Leer mij, HEERE, Uw weg,
ik zal in Uw waarheid wandelen,
maak mijn hart één om Uw Naam te vrezen.
)
. Het is de weg van de HEERE met hem, niet andersom, de weg van David met de HEERE. Als hij de weg van de HEERE voor hem leert kennen, zal hij in Gods waarheid wandelen, wat betekent dat hij in trouw aan de HEERE zijn weg gaat. Tegelijk vraagt hij: “Maak mijn hart één.” Hij vraagt om een ongedeeld hart, een hart dat volledig op God gericht is (vgl. Jr 32:3939Ik zal hun één hart en één weg geven om Mij te vrezen, alle dagen, hun ten goede, en hun kinderen na hen.; Ez 11:19-2019Ik zal hun één hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit hun vlees wegdoen en hun een hart van vlees geven,20zodat zij in Mijn verordeningen gaan en Mijn bepalingen in acht nemen en die houden. Dan zullen zij Mij een volk zijn, en zal Ík hun een God zijn.).

Eén hart is hetzelfde als “één ding” dat Maria en Paulus hebben gekozen (Lk 10:4242maar één ding is nodig; want Maria heeft het goede deel gekozen, dat van haar niet zal worden weggenomen.; Fp 3:1414maar één ding [doe ik]: terwijl ik vergeet wat achter is en mij uitstrek naar wat vóór is, jaag ik in de richting van [het] doel naar de prijs van de hemelse roeping van God in Christus Jezus.). Bij hen staat de Heer Jezus centraal, Hij bezit hun hart, het centrum van hun bestaan, van waaruit Hij hun leven bestuurt. Hier tegenover staat wat Jakobus in zijn brief ‘wankelmoedig’ noemt, wat letterlijk ‘dubbelbezield’ betekent (Jk 1:88hij is een wankelmoedig man, onberekenbaar in al zijn wegen.; 4:88Nadert tot God en Hij zal tot u naderen. Reinigt [de] handen, zondaars, en zuivert [de] harten, wankelmoedigen.). Er is geen hinken op twee gedachten (1Kn 18:2121Toen kwam Elia naar voren, bij heel het volk, en zei: Hoelang hinkt u [nog] op twee gedachten? Als de HEERE God is, volg Hem, maar als het de Baäl is, volg hem! Maar het volk antwoordde hem niet één woord.), maar volle toewijding aan de Heer en Zijn belangen.

David vraagt om één hart “om Uw Naam te vrezen”. Het vrezen van de HEERE is het bewijs van een wijs hart (Sp 1:77De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis,
dwazen verachten wijsheid en vermaning.
)
. Als de vrees of het ontzag voor de Naam van God het hele hart vult, is het hele leven gericht op het eren van God. Dan worden dingen gezocht en gedaan die God verheerlijken.

Een hart dat volledig vervuld is van de vrees voor God, zegt tegen Hem wat David hier doet: “Heere, mijn God, ik zal U loven met heel mijn hart” (vers 1212Heere, mijn God, ik zal U loven met heel mijn hart,
ik zal Uw Naam voor eeuwig eren.
)
. Hier zien we dat vrees voor God geen angst is, maar eerbied die zich uit in eerbetoon. Het is ook geen verlangen van een ogenblik. David zal Gods “Naam voor eeuwig eren”. Er komt nooit een einde aan.

Het loven en prijzen van God is het grote voorrecht van de verlosten in alle tijden. De gemeente mag dat op bijzondere wijze op de eerste dag van de week doen als zij samenkomt rondom de Heer Jezus. Hij heft daar de lofzang aan, waarmee de gelovigen dan instemmen (Hb 2:1212‘Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen, in [het] midden van [de] gemeente zal Ik U lofzingen’.).

De aanleiding voor de eeuwige lofprijzing is Gods “goedertierenheid” die “groot” over hem is (vers 1313Want Uw goedertierenheid is groot over mij,
U hebt mijn ziel aan het diepst van het graf ontrukt.
)
. David heeft die grote goedertierenheid ervaren. God heeft namelijk zijn “ziel aan het diepst van het graf ontrukt”. De verlossing van de dood en het dodenrijk is een persoonlijke zaak. Iemand kan daaraan alleen zelf, persoonlijk, deel krijgen, niet als lid van een volk of groep. Wie er deel aan heeft, zal geen dag vergeten daarvoor te danken. Het is het grootste geschenk dat een mens kan krijgen: de verlossing van de dood.


Hulp en troost

14O God, hoogmoedigen staan tegen mij op,
een horde geweldplegers staat mij naar het leven,
zij houden U niet voor [ogen].
15Maar U, Heere, bent een barmhartig en genadig God,
geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw.
16Wend U tot mij en wees mij genadig,
geef Uw dienaar Uw kracht,
verlos de zoon van Uw dienares.
17Doe aan mij een teken ten goede;
zodat wie mij haten [het] zien en beschaamd worden,
wanneer Ú, HEERE, mij geholpen en getroost hebt.

De “hoogmoedigen” zijn de trotse mensen, de pralers en snoevers (vers 1414O God, hoogmoedigen staan tegen mij op,
een horde geweldplegers staat mij naar het leven,
zij houden U niet voor [ogen].
)
. David is door zulke mensen omringd. Hij wijst God op hen. Het is “een horde geweldplegers” die hem willen ombrengen. Het is een hele bende, niet zomaar een enkeling. Deze mensen, zo zegt hij tegen God, “houden U niet voor [ogen]”. Zij houden geen enkele rekening met God, maar jagen hun eigen belangen na. Mensen als David staan hen daarbij in de weg. Daarom moet hij uit de weg geruimd worden.

Tegenover deze geweldplegers plaatst David de “Heere”, Adonai, de soevereine Heerser (vers 1515Maar U, Heere, bent een barmhartig en genadig God,
geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw.
)
. Bij Hem vallen die grootsprekers en kwaaddoeners in het niet. Zíj houden Hem niet voor ogen, maar híj kent de Heere als “een barmhartig en genadig God, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw” (vgl. vers 55U, Heere, bent immers goed, mild om te vergeven
en rijk aan goedertierenheid voor allen die U aanroepen.
)
.

Op Hem doet hij een beroep om Zich tot hem te wenden met opnieuw de vraag om hem “genadig” te zijn. Hij vraagt niet alleen om bescherming tegen de hoogmoedigen en geweldplegers van vers 1414O God, hoogmoedigen staan tegen mij op,
een horde geweldplegers staat mij naar het leven,
zij houden U niet voor [ogen].
, maar ook om de kracht van God om tegen hen stand te houden (vers 1616Wend U tot mij en wees mij genadig,
geef Uw dienaar Uw kracht,
verlos de zoon van Uw dienares.
)
. Hij doet dit beroep op Gods kracht weer als “Uw dienaar”.

David wijst als een pleitgrond voor zijn verlossing ook op zijn moeder als hij aan God vraagt: “Verlos de zoon van Uw dienares.” De naam van zijn vader, Isaï, wordt meerdere keren genoemd. Dit is een van de twee verwijzingen in de Schrift naar zijn moeder (vers 1616Wend U tot mij en wees mij genadig,
geef Uw dienaar Uw kracht,
verlos de zoon van Uw dienares.
; Ps 116:1616Och HEERE, voorzeker, ik ben Uw dienaar,
ik ben Uw dienaar, een zoon van Uw dienares;
U hebt mijn boeien losgemaakt.
)
. Dat David haar “Uw dienares” noemt, betekent dat zij een Godvrezende vrouw is geweest, die God heeft gediend. Zij zal hem in de dingen van God hebben onderwezen. Mogelijk denkt hij ook terug aan zijn geboorte en dat God hem vanaf de moederschoot heeft afgezonderd voor Zichzelf en Zijn volk en over hem heeft gewaakt (vgl. Jr 1:55Voordat Ik u in de [moeder]schoot vormde, heb Ik u gekend;
voordat u uit de baarmoeder naar buiten kwam, heb Ik u geheiligd.
Ik heb u aangesteld tot een profeet voor de volken.
; Gl 1:1515Maar toen het God, Die mij vanaf [de] schoot van mijn moeder afgezonderd en door Zijn genade geroepen heeft, behaagde)
.

Dat hij haar in dit gebed noemt, is misschien omdat hij zich herinnert hoe hij vroeger in zijn nood bij haar troost heeft gezocht en gevonden. In het laatste vers van de psalm spreekt hij over de troost die hij van de HEERE zal krijgen. Iemand die troost geeft, kan meevoelen, wat verlichting geeft van de druk en de pijn die iemand kan ervaren.

Tot slot van zijn gebed, dat, zoals we hebben gezien, uit verschillende beden bestaat, vraagt hij aan God aan hem “een teken ten goede” te doen (vers 1717Doe aan mij een teken ten goede;
zodat wie mij haten [het] zien en beschaamd worden,
wanneer Ú, HEERE, mij geholpen en getroost hebt.
)
. Hiermee vraagt David om een zo zichtbaar handelen van God ten gunste van hem, dat men daarin Gods hand moet erkennen. Het betekent een ingrijpen van God waardoor David wordt gered en zijn vijanden worden verslagen.

Het teken is niet een bepaald wonder dat indruk maakt. Het teken is ook niet voor hemzelf bedoeld, maar voor zijn haters. Als zij dat teken zien, zullen zij beschaamd worden, wanneer Hij, de HEERE, hem “geholpen en getroost” heeft. David twijfelt niet aan de hulp en troost van God. De hulp die hij van God zal krijgen, is een troost voor hem na alle ellende en armoede in de dag van zijn benauwdheid.


Lees verder