Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-9 Gebed vanwege de vijand 10-17 Gebed om straf voor de vijand 18-19 Eindresultaat
Inleiding

Deze psalm is de twaalfde en laatste psalm die op naam van Asaf staat (Psalmen 50; 73-83). Het gaat daarin om de vijanden van God. Het zijn buurvolken van Israël die het land willen aanvallen om het van de aardbodem weg te vagen en er zelf te gaan wonen. God noemt hen “Mijn slechte buren die aan [Mijn] eigendom komen, dat Ik Mijn volk Israël in erfelijk bezit gegeven heb” (Jr 12:1414Zo zegt de HEERE: Wat betreft al Mijn slechte buren die aan [Mijn] eigendom komen, dat Ik Mijn volk Israël in erfelijk bezit gegeven heb, zie, Ik ga hen uit hun land wegrukken, en het huis van Juda ruk Ik uit hun midden weg.).

God verklaart Zich een met Zijn volk en zal ten gunste van hen ingrijpen (Op 19:11-2111En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.12En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.13En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.16En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.17En ik zag één engel staan in de zon, en hij riep met luider stem en zei tegen alle vogels die in [het] midden van de hemel vlogen: Komt, verzamelt u tot de grote maaltijd van God;18opdat u vlees eet van koningen, vlees van oversten over duizend, vlees van sterken, vlees van paarden, en van hen die daarop zitten en vlees van allen, zowel van vrijen als van slaven, van kleinen als van groten.19En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers verzameld om oorlog te voeren tegen Hem Die op het paard zat en tegen Zijn leger.20En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.21En de overigen werden gedood met het zwaard dat kwam uit de mond van Hem Die op het paard zat, en alle vogels werden verzadigd van hun vlees.). Asaf vraagt om dit ingrijpen, die weer de stem van het gelovig overblijfsel in de grote verdrukking vertolkt.


Opschrift

1Een lied, een psalm van Asaf.

Voor “een lied, een psalm” zie bij Psalm 48:1. Voor “van Asaf” zie bij Psalm 50:1.


Gebed vanwege de vijand

2O God, zwijg niet, houd U niet doof,
wees niet stil, o God!
3Want zie, Uw vijanden tieren,
wie U haten, steken [hun] hoofd omhoog.
4Zij beramen listig een heimelijke aanslag tegen Uw volk
en beraadslagen tegen Uw beschermelingen.
5Kom, zeiden zij, laten wij hen uitroeien, zodat zij geen volk meer zijn
en aan de naam van Israël niet meer gedacht wordt.
6Want samen hebben zij [in hun] hart beraadslaagd;
[dezen] hebben een verbond tegen U gesloten:
7de tenten van Edom en de Ismaëlieten,
Moab en de Hagrieten,
8Gebal, Ammon en Amalek,
Filistea met de bewoners van Tyrus.
9Ook Assyrië heeft zich bij hen aangesloten,
zij zijn voor de zonen van Lot een [sterke] arm geweest. /Sela/

Het overblijfsel is in grote benauwdheid vanwege een vijandig bondgenootschap dat Israël wil verdelgen. In hun nood roepen zij tot God (vers 22O God, zwijg niet, houd U niet doof,
wees niet stil, o God!
)
. Met een hartstochtelijk “o God” smeken ze Hem om niet te zwijgen, om geen zwijgende Toeschouwer te blijven, maar Zich te laten horen. Nu lijkt het erop dat Hij hen niet hoort, want Hij houdt Zich doof. Laat Hij Zijn stilzijn verbreken en bevel geven tot verdelging van de vijanden.

De vijandige verzamelde volken zijn weliswaar op hun vernietiging uit, het zijn hun vijanden, maar het overblijfsel spreekt tot God over “Uw vijanden” (vers 33Want zie, Uw vijanden tieren,
wie U haten, steken [hun] hoofd omhoog.
)
. Het zijn in wezen Gods vijanden. Zij “tieren”, ze gaan tekeer tegen Gods volk, terwijl ze zich klaarmaken voor een aanval erop (vgl. Js 17:1212Wee, het rumoer van vele volken,
ze razen als het razen van de zee;
en [wee], het gedruis van natiën,
zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.
; Jr 6:2323Boog en werpspies grijpen zij vast,
meedogenloos is het, zij zullen geen medelijden hebben.
Hun geluid bruist als de zee,
en zij rijden op paarden,
als mannen opgesteld voor de strijd
tegen u, dochter van Sion.
)
.

Het zijn mensen die niet in de eerste plaats hen haten, maar “U”, God. Hun vijanden zijn Gods vijanden. Zo maakt Gods volk steeds hun zaak tot Gods zaak. Dat de vijanden God haten, is wel te zien aan het omhoogsteken van hun hoofd. Het is het gebaar van het trotseren van God met de aanmatiging dat hun plannen zullen slagen en dat God daar niets tegen kan doen.

Het overblijfsel zegt tegen God dat de “heimelijke aanslag” die de vijanden listig beramen, is gericht “tegen Uw volk” (vers 44Zij beramen listig een heimelijke aanslag tegen Uw volk
en beraadslagen tegen Uw beschermelingen.
)
. De beraadslagingen die ze houden, zijn gericht tegen “Uw beschermelingen”. Het overblijfsel doet hier een beroep op hun verbinding met God. Zij zijn Gods volk. Dat betekent ook dat zij Zijn beschermelingen zijn. Ze rekenen op Zijn bescherming tegen dit vijandelijke bondgenootschap.

Dan zeggen ze tegen God wat het bondgenootschap van plan is: ze zijn uit op een nieuwe shoah, een totale vernietiging van Gods volk, “zodat zij geen volk meer zijn” (vers 55Kom, zeiden zij, laten wij hen uitroeien, zodat zij geen volk meer zijn
en aan de naam van Israël niet meer gedacht wordt.
)
. De woorden waarmee ze hun plan inleiden, “kom … laten wij”, bewijzen de geest van opstand tegen God. Het zijn de woorden waarmee de mensheid in haar hoogmoed de torenbouw van Babel in gang heeft gezet om voor zichzelf een naam te maken op aarde (Gn 11:3-43En zij zeiden allen tegen elkaar: Kom, laten wij kleiblokken maken en die goed bakken! En de kleiblokken dienden hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem.4En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!). Deze hoogmoed komt in onze dagen verhevigd tot uiting. De mens matigt soevereiniteit en vrijheid aan alsof hij God is. God en Zijn volk zijn voor hem onuitstaanbaar.

De samenzweerders zijn er niet mee tevreden dat Israël wordt uitgeroeid. Zelfs “aan de naam van Israël” mag “niet meer gedacht worden” (vgl. Jr 11:1919Ik was als een argeloos lam [dat] ter slachting wordt geleid, want ik wist niet dat zij tegen mij plannen bedachten, [door te zeggen]: Laten wij de boom met zijn vrucht te gronde richten, laten wij hem uit het land der levenden afhakken, zodat er aan zijn naam niet meer gedacht wordt.
)
. Het land moet niet alleen van de landkaart, maar ook uit de geschiedenisboeken verdwijnen, alsof het er nooit is geweest. De taal die de vijanden uiten, horen we vandaag regelmatig in het nieuws uit de grote mond van islamitische leiders.

Deze opperste dwaasheid staat haaks op Gods plan met Zijn volk en zal daarom volledig falen (vgl. Sp 21:3030Er is geen wijsheid, er is geen inzicht,
en er is geen raad tegen de HEERE.
)
. Het onzinnige plan zal niet alleen falen, maar zij zullen zelf door de Messias van de aardbodem worden weggevaagd en er zal tot in eeuwigheid niet meer aan hun naam worden gedacht.

Wat het vijandige bondgenootschap in hun hart heeft beraadslaagd (vers 66Want samen hebben zij [in hun] hart beraadslaagd;
[dezen] hebben een verbond tegen U gesloten:
)
, is in de vorige verzen duidelijk naar voren gekomen. En weer zegt het overblijfsel tegen God dat de vijanden niet zozeer tegen hen een verbond hebben gesloten, maar dat zij “een verbond tegen U hebben gesloten” (vgl. verzen 3-43Want zie, Uw vijanden tieren,
wie U haten, steken [hun] hoofd omhoog.
4Zij beramen listig een heimelijke aanslag tegen Uw volk
en beraadslagen tegen Uw beschermelingen.
)
. Ze menen dat ze door hun gezamenlijke overleg en hun onderlinge solidariteit sterk staan. Alles in hen allen is gericht tegen God en Zijn Gezalfde, dat is de Messias (Ps 2:22De koningen van de aarde stellen zich op
en de vorsten spannen samen
tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde:
)
.

Tien volken hebben zich in een bondgenootschap tegen Israël verenigd (verzen 7-97de tenten van Edom en de Ismaëlieten,
Moab en de Hagrieten,
8Gebal, Ammon en Amalek,
Filistea met de bewoners van Tyrus.
9Ook Assyrië heeft zich bij hen aangesloten,
zij zijn voor de zonen van Lot een [sterke] arm geweest. /Sela/
)
. Het is de tegenhanger van het tienstatenbondgenootschap van de Europese Unie ofwel het herstelde West-Romeinse rijk (Op 17:1212En de tien horens die u hebt gezien, zijn tien koningen, die nog geen koninkrijk ontvangen hebben, maar één uur gezag als koningen ontvangen met het beest.; Dn 7:2424En de tien horens [duiden aan dat]
uit dat koninkrijk tien koningen zullen opstaan,
en na hen zal een ander opstaan.
Die zal verschillen van die er eerder geweest waren.
Drie koningen zal hij vernederen.
)
, dat met Israël een verbond aangaat (Dn 9:27a27Hij zal voor velen het verbond versterken,
één week [lang].
Halverwege de week
zal hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.
Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.
)
. Het tienstatenbondgenootschap dat Israël wil uitroeien, bestaat hoofdzakelijk uit buurvolken die ook nog eens voor een deel aan Israël verwant zijn. Het is een islamitisch bondgenootschap.

1. “Edom” is Ezau (vers 77de tenten van Edom en de Ismaëlieten,
Moab en de Hagrieten,
; Gn 36:1,81Dit zijn de afstammelingen van Ezau, dat is Edom.8Daarom ging Ezau in het Seïrgebergte wonen. Ezau, dat is Edom.)
, de tweelingbroer van Jakob (Gn 26:24-2624De HEERE verscheen hem in die nacht en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader. Wees niet bevreesd, want Ik ben met u; Ik zal u zegenen en uw nageslacht talrijk maken omwille van Abraham, Mijn dienaar.25Toen bouwde hij daar een altaar en riep de Naam van de HEERE aan. Hij zette daar zijn tent op en de dienaren van Izak groeven daar een put.26Toen kwam Abimelech vanuit Gerar naar hem toe, [samen] met zijn vriend Ahuzzath en zijn legerbevelhebber Pichol.). Het is dus een broedervolk van Israël. Edom is de aartsvijand van Israël (Nm 20:14-2114En Mozes stuurde uit Kades boden naar de koning van Edom, [met de boodschap]: Dit zegt uw broeder Israël: U weet zelf van al de moeite die ons getroffen heeft,15dat onze vaderen naar Egypte vertrokken zijn, en dat wij vele dagen in Egypte gewoond hebben, en dat de Egyptenaren ons en onze vaderen kwaad gedaan hebben.16Toen riepen wij tot de HEERE. Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte. En zie, wij zijn in Kades, een stad aan het uiterste van uw grens.17Laat ons toch door uw land trekken. Wij zullen niet door akkers of wijngaarden trekken, en wij zullen geen water uit een put drinken. Wij zullen de koninklijke weg nemen, wij zullen niet naar rechts of naar links afwijken, totdat wij door uw gebied getrokken zijn.18Maar Edom zei tegen hem: U mag niet door mijn [land] trekken, anders ga ik u met het zwaard tegemoet!19Toen zeiden de Israëlieten tegen hem: Wij zullen langs de hoofdweg trekken, en als wij van uw water drinken, ik en mijn vee, dan zal ik daarvoor de prijs betalen. Ik wil alleen maar te voet doortrekken, meer niet.20Maar hij zei: U mag er niet doortrekken! En Edom trok eropuit, hem tegemoet, met een zwaar [bewapend] volk, en met sterke hand.21Zo weigerde Edom [toestemming] aan Israël om door zijn gebied te trekken [en] daarom week Israël van hem af.; Ps 137:77HEERE, denk aan de Edomieten,
aan de dag dat Jeruzalem [viel],
toen zij zeiden: Haal neer, haal neer [die stad],
tot op haar fundament!
; Ob 1:12-1412U had niet mogen toekijken op de dag van uw broeder,
op de dag dat hij een vreemde [voor u] was.
U had niet blij mogen zijn vanwege de Judeeërs
op de dag van hun ondergang.
U had geen grote mond mogen opzetten [tegen hen]
op de dag van [hun] benauwdheid.13U had de poort van Mijn volk niet binnen mogen trekken
op de dag van hun ondergang.
U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof
op de dag van zijn ondergang.
U had [uw handen] niet mogen uitstrekken naar zijn leger
op de dag van zijn ondergang.14U had niet op het kruispunt mogen staan
om degenen van hen die ontkomen waren, uit te roeien.
U had degenen van hen die ontvlucht waren niet mogen overleveren
op de dag van [hun] benauwdheid.
)
. “De tenten van Edom” verwijst naar hun woonplaatsen. De haat tegen Gods volk heeft bij hen een thuis, ze herbergen de haat.

2. “De Ismaëlieten” zijn de nakomelingen van Ismaël, die door Abraham bij Hagar, de slavin van Sara, is verwekt (Gn 16:15-1615Hagar baarde een zoon bij Abram, en Abram gaf zijn zoon, die Hagar gebaard had, de naam Ismaël.16Abram was zesentachtig jaar oud, toen Hagar Ismaël bij Abram baarde.; 25:12-1812Dit zijn de afstammelingen van Ismaël, de zoon van Abraham, die Hagar, de Egyptische, de slavin van Sara, Abraham gebaard heeft.13Dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen [ingedeeld] naar hun afstamming. De eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, en [vervolgens] Kedar, Adbeël en Mibsam;14Misma, Duma, en Massa;15Hadar, Tema, Jetur, Nafis en Kedma.16Dit zijn de zonen van Ismaël en dit zijn hun namen, in hun dorpen en tentenkampen: twaalf vorsten, ingedeeld naar hun stammen.17Dit zijn de levensjaren van Ismaël: honderdzevenendertig jaar. Toen gaf hij de geest en stierf, en hij werd met zijn voorgeslacht verenigd.18[Zijn nakomelingen] woonden vanaf Havila tot Sur, dat ten oosten van Egypte ligt, in de richting van Assur. Zij vestigden zich tegenover al hun verwanten.). Zij hebben dezelfde vader als Izak en zijn daardoor ook nauw verwant aan Israël.

3. “Moab” is een nakomeling van Lot (Gn 19:36-3736Zo werden de twee dochters van Lot zwanger van hun vader.37De eerstgeborene baarde een zoon en gaf hem de naam Moab. Hij is de vader van de Moabieten, tot op deze dag.). Lot is de zoon van Haran, de broer van Abraham (Gn 11:2424Nahor had negenentwintig jaar geleefd, toen hij Terah verwekte.) en dus een neef van Abraham. Hier ligt de familieband met Israël iets verder weg dan bij Edom en Ismaël, maar is nog wel duidelijk aanwezig. Zij hebben zich ook steeds vijandig tegenover Gods volk gedragen (Nm 22:4-74Toen zei Moab tegen de oudsten van Midian: Nu zal deze menigte alles wat rondom ons is, afgrazen, zoals een rund het groen van het veld afgraast. Balak, de zoon van Zippor, was in die tijd koning van Moab.5Hij stuurde boden naar Bileam, de zoon van Beor, in Pethor, aan de rivier [de Eufraat], in het land van zijn volksgenoten, om hem bij zich te laten roepen: Zie, er is een volk uit Egypte getrokken; zie, het heeft het oppervlak van het land bedekt, en het blijft recht tegenover mij liggen.6Nu dan, kom toch, vervloek dit volk voor mij, want het is machtiger dan ik. Misschien kan ik het verslaan en kan ik het uit het land verdrijven, want ik weet: wie u zegent, is gezegend, en wie u vervloekt, is vervloekt.7Toen gingen de oudsten van Moab en de oudsten van Midian op weg, en zij hadden het waarzeggers[loon] in hun hand. En zij kwamen bij Bileam en spraken tot hem de woorden van Balak.; Ri 3:12-1412Maar de Israëlieten deden opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE. Toen maakte de HEERE Eglon, de koning van Moab, sterk tegen Israël, omdat zij deden wat slecht was in de ogen van de HEERE.13En hij verzamelde de Ammonieten en de Amalekieten bij zich en ging [op weg]. Hij versloeg Israël en zij namen de Palmstad in bezit.14En de Israëlieten dienden Eglon, de koning van Moab, achttien jaar.).

4. “De Hagrieten” zijn een nomadenstam, die aan de oostzijde van de Jordaan wonen (1Kr 5:1010In de dagen van Saul voerden zij oorlog tegen de Hagrieten, en dezen vielen door hun hand. Zij woonden in hun tenten aan de hele oostzijde van Gilead.).

5. De herkomst van “Gebal” (vers 88Gebal, Ammon en Amalek,
Filistea met de bewoners van Tyrus.
)
is onzeker. Uit de enige twee Schriftplaatsen waar ze nog worden genoemd, kunnen we opmaken dat ze nauw aan Tyrus verbonden zijn (1Kn 5:1818De bouwers van Salomo, de bouwers van Hirom, en de [vaklieden] uit Gebal bewerkten [ze]. Verder maakten zij het hout en de stenen gereed om het huis te bouwen.; Ez 27:99De oudsten van Gebal en zijn wijzen waren bij u.
Zij dichtten de lekken in uw [schepen].
Alle zeeschepen en hun zeelieden kwamen bij u
om handel met u te drijven.
)
. We kunnen voorzichtig concluderen dat Gebal een stad of een stam is die, net als Tyrus, uit is op welvaart.

6. “Ammon” is, net als Moab, een nakomeling van Lot (Gn 19:36,3836Zo werden de twee dochters van Lot zwanger van hun vader.38De jongste, ook zij, baarde een zoon en gaf hem de naam Ben-Ammi. Hij is de vader van de Ammonieten, tot op deze dag.). Ook zij hebben zich steeds vijandig tegenover Gods volk gedragen (Ri 10:99Bovendien staken de Ammonieten de Jordaan over om ook tegen Juda te strijden en tegen Benjamin en het huis van Efraïm, zodat Israël zeer in het nauw zat.; 1Sm 11:1-21Toen trok Nahas, de Ammoniet, [ten strijde] en belegerde Jabes in Gilead. En al de mannen van Jabes zeiden tegen Nahas: Sluit een verbond met ons, dan zullen wij u dienen.2Maar Nahas, de Ammoniet, zei tegen hen: Op deze [voorwaarde] zal ik [een verbond] met u sluiten, dat ik bij u allen het rechteroog uitsteek. Zo zal ik schande over heel Israël brengen.; 2Sm 10:6,86Toen de Ammonieten zagen dat zij bij David in een kwade reuk gekomen waren, stuurden de Ammonieten [boden] en huurden van de Syriërs van Beth-Rechob en van de Syriërs van Zoba twintigduizend [man] voetvolk, en van de koning van Maächa duizend man en van de mannen van Tob twaalfduizend man.8De Ammonieten trokken uit en stelden zich op voor de strijd bij de ingang van de poort, maar de Syriërs van Zoba en Rechob en de mannen van Tob en Maächa bevonden zich afzonderlijk in het veld.; Zf 2:8-108Ik heb de smadelijke [woorden] van Moab gehoord
en de beschimping door de Ammonieten,
waarmee zij Mijn volk gesmaad hebben,
zich verheven hebben tegen hun gebied.
9Daarom, [zo waar] Ik leef, spreekt de HEERE van de legermachten,
de God van Israël:
Voorzeker, Moab zal als Sodom worden
en de Ammonieten als Gomorra:
een distelveld, een zoutgroeve
en een woestenij tot in eeuwigheid!
De rest van Mijn volk zal hen plunderen,
het overblijfsel van Mijn volk zal hen in erfelijk bezit nemen.
10Dit overkomt hun vanwege hun trots, omdat zij zich al honend verheven hebben tegen het volk van de HEERE van de legermachten.
)
.

7. “Amalek” is een nakomeling van Ezau (Gn 36:12,1612Timna was een bijvrouw van Elifaz, de zoon van Ezau, en zij baarde Amalek aan Elifaz. Dit waren de zonen van Ada, de vrouw van Ezau.16het stamhoofd Korach, het stamhoofd Gaëtam, het stamhoofd Amalek. Dit waren de stamhoofden van Elifaz in het land Edom; dit waren de zonen van Ada.). Zij zijn Israël als eerste vijand tegemoet gegaan nadat Israël door God uit de slavernij in Egypte is bevrijd en op weg is gegaan naar het beloofde land (Ex 17:8-138Toen kwam Amalek en bond de strijd aan met Israël in Rafidim.9Mozes zei tegen Jozua: Kies mannen voor ons uit en trek op, bind de strijd aan met Amalek. Morgen zal ik op de top van de heuvel staan met de staf van God in mijn hand.10Jozua deed zoals Mozes tegen hem gezegd had door de strijd aan te binden met Amalek. Mozes, Aäron en Hur klommen echter op de top van de heuvel.11En het gebeurde, als Mozes zijn hand ophief, dat Israël de overhand had, maar als hij zijn hand neerliet, dat Amalek de overhand had.12De handen van Mozes werden echter zwaar; daarom namen zij een steen en legden die onder hem, zodat hij erop kon gaan zitten. Aäron en Hur ondersteunden zijn handen, de een aan de ene en de ander aan de andere [kant]. Zo bleven zijn handen onbeweeglijk, totdat de zon onderging.13Zo overwon Jozua Amalek en zijn volk met de scherpte van het zwaard.). Zij zijn een gemene vijand die het weerloze volk van achteren heeft aangevallen, waar alle zwakken zijn (Dt 25:17-1817Denk aan wat Amalek u onderweg aangedaan heeft, toen u uit Egypte wegtrok:18hij ontmoette u onderweg en overviel bij u in de achterhoede alle zwakken achter u, terwijl u moe en uitgeput was; en hij vreesde God niet.).

8. “Filistea” zijn de Filistijnen ofwel de Palestijnen. Deze vijanden wonen in het land Israël en zijn een voortdurende plaag voor Gods volk geweest. David heeft hen definitief verslagen en hen onderworpen (2Sm 8:11Daarna gebeurde het dat David de Filistijnen versloeg en hen onderwierp; David nam Meteg-Amma uit de macht van de Filistijnen.; vgl. 1Kn 4:2121Salomo heerste over alle koninkrijken van de rivier [de Eufraat tot] het land van de Filistijnen en tot aan de grens van Egypte. Zij brachten geschenken en dienden Salomo al de dagen van zijn leven.). Maar hier zien we dat ze zich in de toekomst weer laten gelden.

9. “De bewoners van Tyrus” worden gekenmerkt door hun zucht naar welvaart. Als Jeruzalem door Nebukadnezar is verwoest, verheugen zij zich daarover. Er is een concurrent verdwenen, waardoor zij meer handel kunnen drijven en de winstmarge kunnen vergroten (Ez 26:22Mensenkind, omdat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Haha! Ze is verbroken, de poort van de volken! Haar [macht] is op mij overgegaan. Ik zal vol worden, [de stad] is verwoest,). Dit motief drijft hen om deel uit te maken van de aanstaande coalitie.

10. “Assyrië” sluit als tiende bondgenoot de rij (vers 99Ook Assyrië heeft zich bij hen aangesloten,
zij zijn voor de zonen van Lot een [sterke] arm geweest. /Sela/
)
. “Assyrië heeft zich bij hen aangesloten” vanwege een eigen agenda. Ze hebben “de zonen van Lot”, dat zijn Moab en Ammon, hun “[sterke] arm”, dat is hun steun, toegezegd. Dat maakt het aannemelijk dat Assyrië is gevraagd om van de coalitie deel uit te maken. De vroegere wereldmacht is een geweldige aanwinst voor de coalitie. Zij zullen ook het beleid bepalen.

Zo is er een coalitie ontstaan van volken die Israël van alle kanten insluiten en van alle kanten kunnen aanvallen. Dit geeft de vijanden een goed gevoel van hun strategie. Wat Israël betreft, is er voor hen geen andere optie dan tot God te roepen. Ze zien geen uitweg, maar zijn niet zonder uitweg (2Ko 4:8b8in alles verdrukt, maar niet benauwd; geen uitweg ziende, maar niet geheel zonder uitweg;).


Gebed om straf voor de vijand

10Doe met hen als met Midian, als met Sisera,
als met Jabin aan de beek Kison:
11zij zijn weggevaagd te Endor,
zij zijn geworden tot mest op de aardbodem.
12Maak hen [en] hun edelen als Oreb en als Zeëb,
al hun vorsten als Zebah en als Zalmuna,
13die zeiden: Laten wij [deze] woningen van God
voor onszelf in bezit nemen.
14Mijn God, maak hen als een werveldistel,
als stoppels voor de wind.
15Zoals vuur een woud verbrandt,
zoals de vlam de bergen verzengt,
16achtervolg hen zó met Uw storm,
jaag hun schrik aan met Uw wervelwind.
17Bedek hun gezicht met schande,
dan zullen zij, HEERE, Uw Naam zoeken.

Het overblijfsel vraagt aan God om met de verenigde vijanden te doen zoals Hij vroeger met volken heeft gedaan die Zijn volk in slavernij hebben gehouden (vers 1010Doe met hen als met Midian, als met Sisera,
als met Jabin aan de beek Kison:
)
. Ze wijzen Hem daarbij op Zijn handelen met Midian, met Sisera en met Jabin. De gebeurtenissen worden verhaald in het boek Richteren. Waar ze niet naar verwijzen, is naar het feit dat de volken gezag over Gods volk hebben gekregen vanwege hun ontrouw aan God.

Ook de richters door wie God heeft gehandeld, worden niet genoemd. Het gaat om wat God heeft gedaan. Hij heeft in de richters gehandeld. Ze verhalen eerst wat God met Sisera, de generaal van Jabin, de koning van Kanaän, heeft gedaan. Sisera heeft zijn roemloze einde gevonden aan de beek Kison (Ri 4:2,7,21-222Daarom leverde de HEERE hen over in de hand van Jabin, koning van Kanaän, die te Hazor regeerde. En zijn legerbevelhebber was Sisera. Deze nu woonde in Haroseth-Haggojim.7Dan zal Ik bij de beek Kison Sisera, de legerbevelhebber van Jabin, naar u toe trekken met zijn strijdwagens en zijn troepenmacht, en Ik zal hem in uw hand geven.21Vervolgens nam Jaël, de vrouw van Heber, een tentpin, nam een hamer in haar hand, ging stilletjes naar hem toe en dreef de pin in zijn slaap, zodat hij aan de grond vastzat. Hij was namelijk in een diepe slaap gevallen, en uitgeput. En hij stierf.22En zie, Barak achtervolgde Sisera. Jaël kwam naar buiten, hem tegemoet, en zei tegen hem: Kom, en ik zal u de man laten zien die u zoekt. Zo ging hij bij haar naar binnen, en zie, [daar] lag Sisera dood, met de pin in zijn slaap.), met als gevolg dat ook de macht van Jabin is verbroken (Ri 4:23-2423Zo vernederde God op die dag Jabin, de koning van Kanaän, vóór de Israëlieten.24De hand van de Israëlieten drukte gaandeweg harder op Jabin, de koning van Kanaän, totdat zij Jabin, de koning van Kanaän, hadden uitgeroeid.).

Sisera en Jabin “zijn weggevaagd bij Endor” (vers 1111zij zijn weggevaagd te Endor,
zij zijn geworden tot mest op de aardbodem.
)
. Endor ligt bij Taänach en Megiddo, dat wil zeggen in het gebied van de strijd (Jz 17:1111Want Manasse bezat in Issaschar en in Aser: Beth-Sean en de bijbehorende [plaatsen], Jibleam en de bijbehorende [plaatsen], de inwoners van Dor en de bijbehorende [plaatsen], de inwoners van En-Dor en de bijbehorende [plaatsen], de inwoners van Taänach en de bijbehorende [plaatsen], en de inwoners van Megiddo en de bijbehorende [plaatsen]: drie landstreken.; Ri 5:19-2119De koningen kwamen, zij streden.
Toen streden de koningen van Kanaän
bij Taänach, aan het water van Megiddo,
[maar] buit aan zilver namen zij niet mee.
20Vanuit de hemel streden zij,
vanuit hun banen streden de sterren
tegen Sisera.
21De beek Kison sleurde hen mee,
de aloude beek, de beek Kison!
Vertrap, mijn ziel, de sterken!
)
. Door de verpletterende nederlaag die God deze vijanden heeft toegebracht, zijn zij “geworden tot mest op de aardbodem”. Na hun roemloze einde volgt nog het verachtelijk maken van hun dode lichamen: ze worden “tot mest op de aardbodem” (vgl. Jr 8:22en ze uitspreiden voor de zon, voor de maan en voor heel het leger aan de hemel, die zij hebben liefgehad, die zij hebben gediend, die zij achterna zijn gegaan, die zij hebben geraadpleegd en waarvoor zij zich hebben neergebogen. Die zullen niet verzameld en niet begraven worden: als mest op de aardbodem zullen zij zijn.; 9:2222Spreek: Zo spreekt de HEERE:
De dode lichamen van de mensen liggen
als mest op het open veld,
als een graanschoof achter de maaier,
die niemand verzamelt.
; 16:44Zij zullen sterven aan dodelijke ziekten, er zal over hen geen rouw bedreven worden en zij zullen niet begraven worden, [maar] tot mest op de aardbodem zijn. Zij zullen door het zwaard en door de honger omkomen, en hun dode lichamen zullen tot voedsel zijn voor de vogels in de lucht en voor de dieren op de aarde.; 25:3333De door de HEERE dodelijk gewonden zullen op die dag van het [ene] einde der aarde tot aan het [andere] einde der aarde liggen. Er zal over hen geen rouw bedreven worden, zij zullen niet verzameld en niet begraven worden: tot mest op de aardbodem zullen zij zijn.
)
. Dit blijft over van hen die zich aan Gods volk vergrijpen.

Het overblijfsel vraagt aan God om een speciale behandeling van de leiders van de vijandelijke coalitie (vers 1212Maak hen [en] hun edelen als Oreb en als Zeëb,
al hun vorsten als Zebah en als Zalmuna,
)
. Ze vragen of Hij “hun edelen” en “hun vorsten” wil behandelen zoals Hij met de leiders van Midian heeft gedaan. “Oreb en … Zeëb” zijn twee vorsten van Midian die door het leger van Gideon zijn gevangen, gedood en onthoofd (Ri 7:2525Vervolgens namen zij twee vorsten van Midian gevangen: Oreb en Zeëb. Zij doodden Oreb op de rots Oreb, en Zeëb doodden zij in de Perskuip van Zeëb. En zij achtervolgden Midian en brachten de hoofden van Oreb en Zeëb over de Jordaan bij Gideon.; vgl. Js 10:26a26Dan zal de HEERE van de legermachten over hem de gesel zwaaien, zoals [eens] Midian is geslagen bij de rots Oreb. Zijn staf zal over de zee zijn en Hij zal hem opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed.). “Zebah en … Zalmuna” zijn de koningen van Midian (Ri 8:55En hij zei tegen de mensen van Sukkoth: Geef toch [enkele] ronde broden aan het volk dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moe, en ik achtervolg Zebah en Zalmuna, de koningen van Midian.). Gideon heeft hen gevangengenomen en gedood (Ri 8:12,2112En Zebah en Zalmuna vluchtten. Hij achtervolgde hen echter, nam de beide koningen van Midian, Zebah en Zalmuna, gevangen en joeg heel het leger schrik aan.21Toen zeiden Zebah en Zalmuna: Staat u [zelf] op en steek ons dood, want zoals de man is, zo is zijn kracht. Daarom stond Gideon op, doodde Zebah en Zalmuna, en nam de maantjes die om de halzen van hun kamelen hingen.).

Deze edelen en vorsten hebben in hun vermetelheid gezegd: “Laten wij [deze] woningen van God voor onszelf in bezit nemen” (vers 1313die zeiden: Laten wij [deze] woningen van God
voor onszelf in bezit nemen.
)
. Dit is ook wat de coalitie van vijandige volken wil. Het laat zien dat zij Israël haten omdat God bij hen woont. Ze willen Israël uitroeien omdat ze de gedachtenis aan God willen uitroeien. Dat willen ze doen door het land zelf in bezit te nemen, zodat ze daar hun afgoden kunnen laten wonen, aan wie ze de eer van hun overwinning zullen toeschrijven.

Wat het overblijfsel vraagt, zal in de eindtijd gebeuren. Er is een duidelijke overeenkomst tussen de gebeurtenissen uit Richteren 4 en wat beschreven wordt in het boek Openbaring. Bij Megiddo worden de vijandelijke legers verslagen en wordt het volk van de HEERE bevrijd.

Bij Harmagedon – dat betekent ‘gebergte van Megiddo – zal iets dergelijks plaatsvinden (Op 19:11-2111En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.12En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.13En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.16En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.17En ik zag één engel staan in de zon, en hij riep met luider stem en zei tegen alle vogels die in [het] midden van de hemel vlogen: Komt, verzamelt u tot de grote maaltijd van God;18opdat u vlees eet van koningen, vlees van oversten over duizend, vlees van sterken, vlees van paarden, en van hen die daarop zitten en vlees van allen, zowel van vrijen als van slaven, van kleinen als van groten.19En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers verzameld om oorlog te voeren tegen Hem Die op het paard zat en tegen Zijn leger.20En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.21En de overigen werden gedood met het zwaard dat kwam uit de mond van Hem Die op het paard zat, en alle vogels werden verzadigd van hun vlees.). De legers van het dan herstelde Romeinse rijk, dat is het verenigde West-Europa dat in de toekomst het afvallige Israël te hulp zal komen in zijn strijd tegen de koning van het noorden, zullen door de komst van Christus worden verdelgd. Het Godvrezende deel van Israël is dan behouden en wordt “heel Israël” genoemd (Rm 11:2626en zó zal heel Israël behouden worden, zoals geschreven staat: ‘Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal [de] goddeloosheden van Jakob afwenden.).

Het streven van de coalitie om Israël uit te roeien brengt de Godvrezende Jood tot een gebed waarin Hij om Gods oordeel over hen vraagt (verzen 14-1814Mijn God, maak hen als een werveldistel,
als stoppels voor de wind.
15Zoals vuur een woud verbrandt,
zoals de vlam de bergen verzengt,
16achtervolg hen zó met Uw storm,
jaag hun schrik aan met Uw wervelwind.
17Bedek hun gezicht met schande,
dan zullen zij, HEERE, Uw Naam zoeken.18Laten zij beschaamd en door schrik overmand zijn tot in eeuwigheid,
laten zij rood van schaamte worden en omkomen.
)
. Hij spreekt tot God als “mijn God”. Wat de vijand wil, is gericht tegen zijn God. Daarom vraagt Hij aan God om “hen als een werveldistel, als stoppels voor de wind” te maken (vers 1414Mijn God, maak hen als een werveldistel,
als stoppels voor de wind.
)
. Een werveldistel en stoppels hebben geen enkele kracht in zichzelf en worden willoos door de wind in alle richtingen geblazen (vgl. Js 17:1313Al maken de natiën een gedruis als het bruisen van machtige wateren,
Hij bestraft het,
en ze vluchten, ver weg;
het wordt opgejaagd vóór de wind uit als kaf op de bergen,
vóór de wervelwind uit als werveldistels.
; Dt 28:77De HEERE zal geven dat uw vijanden die u aanvallen, door u verslagen worden; over één weg zullen zij tegen u uittrekken, maar over zeven wegen zullen zij voor u wegvluchten.)
.

Ze moeten niet alleen een prooi voor de wind zijn, maar ook voor het verterende vuur (vers 1515Zoals vuur een woud verbrandt,
zoals de vlam de bergen verzengt,
)
. Van een woud dat door het vuur wordt verbrand, blijft niets anders over dan verkoolde bomen, waarin nooit meer leven komt. Bergen die door de vlam zijn verzengd, zijn zwartgeblakerd. Er groeit niets meer op die bergen wat tot voedsel kan dienen.

Zoals vuur en vlam hun verterend werk doen, zo moet God met Zijn storm hen achtervolgen (vers 1616achtervolg hen zó met Uw storm,
jaag hun schrik aan met Uw wervelwind.
)
. Daardoor zullen ze van alle kracht beroofd worden om nog iets tegen God of Zijn volk te kunnen uitrichten. Hij moet hen met Zijn wervelwind schrik aanjagen, zodat ze voor altijd de moed kwijt zijn om nog iets tegen Hem en Zijn volk te ondernemen.

Het optreden van God zal het “gezicht” van de vijanden “met schande” bedekken (vers 1717Bedek hun gezicht met schande,
dan zullen zij, HEERE, Uw Naam zoeken.
)
. De volken hebben snoevend gezegd dat aan de naam van Israël niet meer gedacht zal worden als zij hun plannen hebben uitgevoerd (vers 55Kom, zeiden zij, laten wij hen uitroeien, zodat zij geen volk meer zijn
en aan de naam van Israël niet meer gedacht wordt.
)
. Nu zegt het overblijfsel dat, als gevolg van de schande die het deel van de volken zal zijn, er zullen zijn die de Naam van de HEERE zullen zoeken. Er is bij de bidder het besef dat God een genadig God is, Die ook voor personen uit de volken de deur van de behoudenis openhoudt.


Eindresultaat

18Laten zij beschaamd en door schrik overmand zijn tot in eeuwigheid,
laten zij rood van schaamte worden en omkomen.
19Dan zullen zij weten, dat U – Uw Naam is HEERE! – U alleen
de Allerhoogste bent over de hele aarde.

God steekt in de oordelen Zijn hand voor de laatste keer in genade naar de enkeling uit. Als hij die niet aanneemt, maar doorgaat in zijn vijandschap, is er geen redding meer mogelijk. Het overblijfsel vraagt aan God voor de vijandige volken dat ze “beschaamd en door schrik overmand zijn tot in eeuwigheid” (vers 1818Laten zij beschaamd en door schrik overmand zijn tot in eeuwigheid,
laten zij rood van schaamte worden en omkomen.
)
. Er blijft niet anders over dan dat Hij ze “rood van schaamte” laat worden en dat ze “omkomen”.

Allen die hardnekkig weigeren zich voor Gods oordelen te buigen, zullen weten “dat U, –Uw Naam is HEERE! de Allerhoogste bent over de hele aarde” (vers 1919Dan zullen zij weten, dat U – Uw Naam is HEERE! – U alleen
de Allerhoogste bent over de hele aarde.
)
. Hij, Die in een bijzondere betrekking tot Zijn volk Israël staat, wat Zijn Naam “HEERE” aangeeft, staat als “de Allerhoogste … over de hele aarde” en niet alleen over Israël. Alles is van Hem en Hij heerst over alles. De naam ‘Allerhoogste’ is de naam van God die speciaal in verbinding met het vrederijk staat.

Het ogenblik komt dat iedereen Hem zo zal erkennen. Dan wordt vervuld wat geschreven staat, dat “in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader” (Fp 2:10-1110opdat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,11en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader.).


Lees verder