Psalmen
1-4 Onrechtvaardige rechters 5-7 God oordeelt onrechtvaardige rechters 8 God oordeelt de aarde
Onrechtvaardige rechters

1Een psalm van Asaf.
God staat in de vergadering van God,
Hij oordeelt te midden van de goden:
2Hoelang zult u onrechtvaardig oordelen
en de goddelozen bevoordelen? /Sela/
3Doe recht aan de geringe en de wees,
bewijs de ellendige en de arme gerechtigheid.
4Bevrijd de geringe en de arme,
ontruk [hem] aan de hand van de goddelozen.

Dit is “een psalm van Asaf” (vers 1a1Een psalm van Asaf.
God staat in de vergadering van God,
Hij oordeelt te midden van de goden:
)
. Zie verder bij Psalm 50:1. Asaf stelt God zonder enige introductie direct in Zijn verhevenheid als Rechter voor (vers 1b1Een psalm van Asaf.
God staat in de vergadering van God,
Hij oordeelt te midden van de goden:
)
. Hij “staat in de vergadering van God”. Het is Zíjn vergadering. God zit ook niet als een soort ‘voorzitter’ in een kring waar Hij ‘de eerste onder Zijn gelijken’ is. Nee, Hij “staat” in volle majesteit en “Hij oordeelt te midden van de goden”. Hij is de allerhoogste rechtsinstantie, de enige en absoluut rechtvaardige Rechter van alles en iedereen.

Hij roept de goden, dat zijn de rechters, bij elkaar. De rechters worden hier ‘goden’ genoemd omdat zij namens Godrechtspreken. Daarom moeten zij in hun rechtspraak erkend worden als ‘goden’ (vgl. Ex 7:11Toen zei de HEERE tegen Mozes: Zie, Ik heb u voor de farao [tot] een god gemaakt en uw broer Aäron zal uw profeet zijn.). In de rechter hebben de leden van Gods volk met God te maken. De rechters moeten allemaal aan Hem verantwoording afleggen. Hij is in Zijn rechtspraak onaantastbaar voor alle onrecht van wie dan ook in de wereld en oordeelt zonder aanzien des persoons. Alle rechters en rechtsinstanties zijn aan Hem onderworpen (Js 3:1313De HEERE staat gereed om [Zijn] rechtszaak te voeren,
en Hij staat klaar om over de volken recht te spreken.
; Rm 13:1-2,61Elke ziel zij aan [de] over haar gestelde overheden onderdanig; want er is geen overheid dan door God, en die er zijn, zijn door God ingesteld.2Wie zich dus tegen de overheid verzet, weerstaat de instelling van God; en zij die weerstaan, zullen oordeel voor zichzelf ontvangen.6Want daarom betaalt u ook belasting; immers, zij zijn dienaars van God, juist daarin voortdurend werkzaam.)
.

De rechtspraak in de wereld wordt gekenmerkt door rechters die “onrechtvaardig oordelen” (vers 22Hoelang zult u onrechtvaardig oordelen
en de goddelozen bevoordelen? /Sela/
)
. De rechtvaardige vraagt “hoelang” dit nog zo zal zijn. Hun onrechtvaardig oordelen komt tot uiting in het bevoordelen van de goddelozen en het uitpersen van de armen. De rechters zijn omkoopbaar. Misdadigers kopen met hun door misdaad verkregen geld de rechters om en worden vrijgesproken. De arme onschuldigen worden daarentegen veroordeeld en het weinige dat ze hebben, wordt hun afgepakt.

In de verzen 3-43Doe recht aan de geringe en de wees,
bewijs de ellendige en de arme gerechtigheid.
4Bevrijd de geringe en de arme,
ontruk [hem] aan de hand van de goddelozen.
worden vier woorden in de gebiedende wijs gebruikt om de rechters duidelijk te maken wat God, Die boven hen staat, van hen verwacht: ‘rechtdoen’, ‘gerechtigheid bewijzen’, ‘bevrijden’ en ‘ontrukken’. Dit zijn acties die God Zelf kenmerken. Zo moeten de rechters het doen.

Maar zo handelen ze niet. Wat God hun hier voorhoudt, houdt dan ook een beschuldiging in van wat ze niet doen. Daarom worden ze dwingend opgeroepen hun handelwijze aan te passen aan wat God wil. De manier waarop ze rechtspreken is een ernstig misdrijf. Zij, die God als Rechter vertegenwoordigen, halen door hun handelwijze Gods eer door het slijk.

Het eerste waarop God hen aanspreekt, is dat ze recht moeten doen “aan de geringe en de wees” en dat ze “de ellendige en de arme” gerechtigheid moeten bewijzen (vers 33Doe recht aan de geringe en de wees,
bewijs de ellendige en de arme gerechtigheid.
)
. Het gaat er niet om dat ze de geringe, de wees, de ellendige en de arme de hand boven het hoofd moeten houden omdat ze gering, wees, ellendig en arm zijn. In dat geval zouden ze doen waarvan ze worden beschuldig, namelijk handelen met aanzien des persoons. Het gaat erom dat dit kwetsbare groepen zijn die geen natuurlijke beschermers hebben die het voor hen opnemen, waardoor ze gemakkelijk door machtigen en rijken worden uitgebuit.

Als ze recht doen en gerechtigheid bewijzen, zal het gevolg zijn dat “de geringe en de arme” worden bevrijd uit de macht van hun onderdrukkers (vers 44Bevrijd de geringe en de arme,
ontruk [hem] aan de hand van de goddelozen.
)
. Die macht is groot. Maar door een rechtvaardige rechtspraak zal de rechter de kwetsbare “aan de hand van de goddelozen” ontrukken. Het woord ‘ontrukken’ geeft aan dat er grote kracht nodig is omdat de weerstand tegen het bewijzen van gerechtigheid groot is.


God oordeelt onrechtvaardige rechters

5Zij weten niets en begrijpen niets,
zij wandelen steeds in de duisternis rond;
[daarom] wankelen alle fundamenten van de aarde.
6Ík heb [wel] gezegd: U bent goden,
u bent allen zonen van de Allerhoogste;
7toch zult u sterven als een mens,
zoals iedere andere vorst zult u vallen.

De rechters zijn dwazen die de wil van God niet kennen en niet begrijpen (vers 55Zij weten niets en begrijpen niets,
zij wandelen steeds in de duisternis rond;
[daarom] wankelen alle fundamenten van de aarde.
)
. Dat ligt niet aan God, maar aan hun verwerping van Hem en Zijn rechtvaardige regering. “Zij wandelen steeds in de duisternis” van hun eigen denken “rond”. De duisternis is niet de duisternis van de nacht in tegenstelling met het licht van de dag, maar de duisternis in hen. Het is een duisternis als gevolg van hun onbekendheid met de wet en de feiten van een zaak. Ze hebben geen verstand van en inzicht in wat goed en kwaad in Gods ogen is, maar keren integendeel de zaak om (vgl. Mi 3:22Zij haten het goede
en hebben het kwade lief,
zij stropen hun huid van hen af
en hun vlees van hun beenderen.
)
.

Omdat er vanwege de geestelijke duisternis geen rechtvaardige rechtspraak meer is, “wankelen alle fundamenten van de aarde” (vgl. Ps 11:2-32Want zie, de goddelozen spannen de boog,
zij leggen hun pijlen op de pees
om in het donker te schieten op de oprechten van hart.3Voorzeker, de fundamenten worden omvergehaald!
Wat [kan] de rechtvaardige [dan] doen?
)
. Recht en orde worden ondergraven. Zo heeft God het gezin en het familieleven als belangrijkste fundament voor het leven op aarde gegeven. Maar de geestelijke duisternis gooit dit fundament omver, waardoor alles wankelt en binnenkort zal instorten. Het hele maatschappelijke en sociale leven wordt ontwricht.

God heeft de rechters een hoge positie gegeven. “Ík” heeft nadruk. ‘Ik, niemand minder dan Ik, heb gezegd: “U bent goden”(vers 66Ík heb [wel] gezegd: U bent goden,
u bent allen zonen van de Allerhoogste;
)
. God heeft dat gezegd omdat hun gezag van Hem is afgeleid. Wat hun functie betreft, noemt Hij hen “allen zonen van de Allerhoogste”. Zij vertegenwoordigen Hem in Zijn rechtspraak en gezagspositie op aarde. Dat schept een bijzondere verantwoordelijkheid om naar Zijn voorbeeld van absolute gerechtigheid te handelen.

Omdat de goden, de rechters, geen rekening met God houden, zullen ze “als een mens” sterven (vers 77toch zult u sterven als een mens,
zoals iedere andere vorst zult u vallen.
)
. God ‘onttroont’ hen. Hij zal hen oordelen vanwege het misbruik van hun gezag en hun onrechtvaardige rechtspraak. Ze hebben een positie als vorsten, maar zullen ondanks hun hoge positie als gewone mensen sterven, net zoals dat met iedere andere vorst gebeurt (vgl. Js 14:10,1210Zij zullen allemaal het woord nemen
en zeggen tegen u:
Ook u bent [nu] zo zwak geworden als wij,
u bent aan ons gelijk geworden!
12Hoe bent u uit de hemel gevallen,
morgenster, zoon van de dageraad!
U ligt geveld op de aarde,
overwinnaar over de heidenvolken!
; Ez 31:12-1412Vreemden, de gewelddadigste van de heidenvolken,
hakten hem om en lieten hem liggen.
Zijn takken vielen op de bergen en in alle dalen,
en zijn twijgen werden afgebroken
bij alle [water]stromen van het land.
Alle volken van de aarde trokken weg uit zijn schaduw
en lieten hem liggen.
13Alle vogels in de lucht woonden op zijn gevallen [stam],
alle dieren van het veld zaten op zijn twijgen,
14opdat alle bomen aan het water
zich niet [meer] zouden verheffen vanwege hun stam
of hun kruin tot in de wolken zouden steken;
en [opdat] de waterdrinkers niet zouden blijven staan
[in] eigen kracht vanwege hun hoogte,
want zij zijn allen aan de dood overgegeven,
[en gaan] naar de onderste plaatsen van de aarde,
te midden van de mensenkinderen,
naar hen die in de kuil neerdalen.
; Ps 49:1313Toch blijft de mens, in [al zijn] aanzien, niet bestaan;
hij wordt gelijk aan de dieren, [die] vergaan.
.

De Heer Jezus haalt vers 66Ík heb [wel] gezegd: U bent goden,
u bent allen zonen van de Allerhoogste;
aan in een van Zijn twistgesprekken met de Joden, waarin zij Hem van Godslastering beschuldigen (Jh 10:33-3633De Joden antwoordden Hem: Niet om een goed werk stenigen wij u, maar om lastering en omdat U Die een Mens bent, Uzelf God maakt.34Jezus antwoordde hun: Staat er niet geschreven in uw wet: ‘Ik heb gezegd: U bent goden’?35Als Hij hen goden noemt tot wie het woord van God kwam (en de Schrift kan niet verbroken worden),36zegt u van Hem Die de Vader heeft geheiligd en in de wereld gezonden: U lastert, omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?). Hij maakt duidelijk dat ‘de goden’ mannen met een bepaalde verantwoordelijkheid zijn, maar toch gewone sterfelijke mensen. Het zijn geen Goddelijke personen, maar ze hebben Goddelijke autoriteit ontvangen.

Maar Hij, de Heer Jezus, is geen gewoon sterfelijk mens. Hij kent de Vader en voldoet als Zoon aan de opdracht van de Vader. Hij komt met een Goddelijke bevoegdheid én in een gekende relatie tot Zijn Vader. Hij is als Mens in de wereld gekomen, terwijl Zijn relatie met de Vader als Zoon van de Vader onveranderlijk is. Hoe zou Hij kunnen ophouden de Zoon van de Vader te zijn? Hoe kunnen ze in redelijkheid Hem van lastering beschuldigen als Hij slechts wijst op het feit dat Hij Gods Zoon is?


God oordeelt de aarde

8Sta op, o God, oordeel de aarde,
want Ú bezit alle volken.

De psalm eindigt met een gebed. De rechtvaardige roept bij het zien van zoveel onrecht tot God om op te staan en de aarde te oordelen. Het is de oudtestamentische tegenhanger van de slotwoorden van het Nieuwe Testament: “Amen, kom, Heer Jezus” (Op 22:2020Hij Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig! Amen, kom, Heer Jezus!). Als reden wordt gegeven dat Hij “alle volken” bezit. Hij is de Eigenaar van de aarde en daarom volkomen gerechtigd het onrecht te oordelen. Na het oordeel zal Hij over alles heersen.


Lees verder