Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-6 Een feestlied 7-8 Gods zorg in het verleden 9-13 Luisteren of niet luisteren 14-17 Gods verlangen om te zegenen
Inleiding

De psalm is een uitnodiging aan het volk tot een vernieuwing van het verbond met God tijdens het Feest van het bazuingeschal. Op dat feest denkt het volk na over alle handelingen van God ten gunste van hen in het verleden. Harten die naar een nieuwe bevrijding verlangen, horen opnieuw Gods belofte van bevrijding en de noodzakelijke voorwaarden daartoe.


Opschrift

1Voor de koorleider, op ‘De Gittith’, [een psalm] van Asaf.

Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1. Voor “op ‘De Gittith’” zie bij Psalm 8:1. Voor “[een psalm] van Asaf” zie bij Psalm 50:1.


Een feestlied

2Zing vrolijk voor God, onze kracht;
juich voor de God van Jakob.
3Hef psalmgezang aan en laat de tamboerijn horen,
de lieflijke harp met de luit.
4Blaas [op] de bazuin bij nieuwemaan,
bij vollemaan, op onze feestdag.
5Want dit is een verordening in Israël,
een bepaling van de God van Jakob.
6Hij heeft deze ingesteld tot een getuigenis in Jozef,
nadat Hij opgetrokken was tegen het land Egypte.
[Daar, zei Israël,] heb ik een taal gehoord
die ik niet verstond.

Asaf roept op om “vrolijk voor God” te zingen (vers 22Zing vrolijk voor God, onze kracht;
juich voor de God van Jakob.
)
. Hij noemt God “onze kracht”. God is de kracht van Zijn volk. Het lied bezingt de kracht van God die Hij in de verlossing van Zijn volk heeft getoond. Er moet worden gejuicht “voor de God van Jakob”. Juichen is luid vreugdebetoon, in tegenstelling tot luid geklaag.

De naam ‘Jakob’ herinnert aan de zwakheid ofwel het onvermogen van Gods volk om zich uit de slavernij te bevrijden en de zegen van God te ontvangen. Maar door de kracht van God is het volk bevrijd en heeft het de zegen ontvangen. Jakob zelf noemt God “de Machtige van Jakob” (Gn 49:2424maar zijn boog bleef gespannen;
zijn armen en handen bleven soepel
door de handen van de Machtige van Jakob,
– vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël –
)
. De God van Jakob herinnert ook aan Gods verkiezing van Jakob boven Ezau (Rm 9:10-1210En niet alleen [zij], maar ook Rebekka die zwanger was van één: onze vader Izaäk;11zelfs toen [de kinderen] nog niet geboren waren en niets goeds of kwaads bedreven hadden, (opdat het voornemen van God naar verkiezing zou blijven, niet op grond van werken, maar uit Hem die roept,)12werd tegen haar gezegd: ‘De oudste zal de jongste dienen’;). Een en ander maakt duidelijk dat er geen enkele roem voor de mens is. Alleen God is alle lofprijzing waard.

Het is aanleiding tot een uitbundig feest. Het psalmgezang moet worden aangeheven (vers 33Hef psalmgezang aan en laat de tamboerijn horen,
de lieflijke harp met de luit.
)
. De vreugde moet worden begeleid met muziekinstrumenten. Muziek ondersteunt het gezang en zorgt voor harmonie in het gezang. Het volk moet “de tamboerijn” laten horen. Dit veronderstelt dat het volk al dansend zingt. Het bespelen van de tamboerijn gebeurt vaak door vrouwen (Ex 15:20-2120Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron, nam een tamboerijn in haar hand, en al de vrouwen gingen achter haar aan, met tamboerijnen en in reidans.21Toen [zong] Mirjam hun ten antwoord:
            Zing voor de HEERE,
                        want Hij is hoogverheven!
            Het paard en zijn ruiter
                        heeft Hij in de zee geworpen.
; Ri 11:3434Maar toen Jefta in Mizpa bij zijn huis aankwam, zie, toen kwam zijn dochter naar buiten, hem tegemoet, met tamboerijnen en in reidans. Nu was zij zijn enige [kind]; hij had [verder] geen zoon of dochter.; 1Sm 18:66Toen David en zijn mannen terugkwamen na het verslaan van de Filistijnen, gebeurde het dat de vrouwen uit al de steden van Israël met gezang en reidans koning Saul tegemoet trokken; met tamboerijnen, met blijdschap en met muziekinstrumenten.)
. Ook “de lieflijke harp met de luit” begeleiden de vreugde-uitingen. De harp wordt ‘lieflijk’ genoemd vanwege het aangename geluid ervan.

Daarbovenuit klinkt “de bazuin”, de sjofar (vers 44Blaas [op] de bazuin bij nieuwemaan,
bij vollemaan, op onze feestdag.
; vgl. Jz 6:55En het zal gebeuren, als men de langgerekte [toon] op de ramshoorn blaast, als u het bazuingeschal hoort, dat heel het volk een luid gejuich zal aanheffen. Dan zal de stadsmuur instorten en het volk moet [eroverheen] klimmen, ieder recht voor zich uit.)
. Deze kondigt aan dat het donkerste van de nacht is bereikt. Het is “nieuwemaan”. De aankondiging houdt ook in dat het volk vanaf nu het licht van de “vollemaan” tegemoet gaat. De nieuwemaan is het symbool van het openbare herstel van Israël in het licht van de zon. Het wordt door Israël gevierd als het opnieuw door God als Zijn volk is aangenomen. Dit zal gebeuren nadat de gemeente is opgenomen.

Op de eerste dag van de zevende maand heeft God aan de “nieuwemaan” een feest verbonden, het Feest van het bazuingeschal (Lv 23:23-2423Again the LORD spoke to Moses, saying,24“Speak to the sons of Israel, saying, ‘In the seventh month on the first of the month you shall have a rest, a reminder by blowing [of trumpets], a holy convocation.; Nm 29:11In de zevende maand nu, op de eerste [dag] van de maand, moet u een heilige samenkomst houden; geen enkel dienstwerk mag u [dan] doen. Het is voor u een dag [aangekondigd] door [bazuin]geschal.). Ook “bij vollemaan” in de zevende maand is er door God een feest ingesteld. Vollemaan is op de vijftiende dag. Op die dag begint het Loofhuttenfeest (Lv 23:33-3433Again the LORD spoke to Moses, saying,34“Speak to the sons of Israel, saying, ‘On the fifteenth of this seventh month is the Feast of Booths for seven days to the LORD.). Het Loofhuttenfeest herinnert aan de reis door de woestijn, terwijl ze in het land wonen en God danken voor alle zegeningen van het land (Lv 23:42-4342You shall live in booths for seven days; all the native-born in Israel shall live in booths,43so that your generations may know that I had the sons of Israel live in booths when I brought them out from the land of Egypt. I am the LORD your God.’”). Het wordt hier “onze feestdag” genoemd, hoewel het een van de feestdagen van de HEERE is (Lv 23:1-21The LORD spoke again to Moses, saying,2“Speak to the sons of Israel and say to them, ‘The LORD’s appointed times which you shall proclaim as holy convocations—My appointed times are these:).

Deze feesten zijn geen verzinsel van de Israëlieten zelf, maar zijn “een verordening in Israël, een bepaling van de God van Jakob” (vers 55Want dit is een verordening in Israël,
een bepaling van de God van Jakob.
)
. Het is niet zo, dat het volk het feest wel een keer kan vieren als het daar een keer zin in heeft. Het is “een verordening”, waaraan ze gehoorzaam moeten zijn. Het is een verordening “in Israël”, dat wil zeggen in het land dat wordt bewoond door een volk dat ‘Israël’ heet, dat betekent ‘vorst van God’.

Het is “een bepaling” van God. God heeft bepaald dat dit moet gebeuren. Hij is God en zij zijn Zijn volk. Ze moeten naar Hem luisteren. Hij is “de God van Jakob”. De naam Jakob herinnert aan praktijk en falen. De naam Israël herinnert aan positie en voorrechten. Beide aspecten hebben een plaats in de lofprijzing van God.

God heeft deze feesten “ingesteld tot een getuigenis in Jozef” (vers 66Hij heeft deze ingesteld tot een getuigenis in Jozef,
nadat Hij opgetrokken was tegen het land Egypte.
[Daar, zei Israël,] heb ik een taal gehoord
die ik niet verstond.
)
. Hier is een derde naam voor het volk. Met Jozef wordt ook het hele volk bedoeld (vgl. Ps 80:22Herder van Israël, neem ter ore,
U, Die Jozef als schapen leidt.
U, Die troont tussen de cherubs,
verschijn blinkend!
)
. Hier is de overgang naar de verbinding tussen Gods volk en Egypte. Door Jozef is het volk in Egypte terechtgekomen. Daar is hij Gods middel tot hun zegen en leven geweest. Nadat Jozef is gestorven, is het volk tot slaven gemaakt. Daaruit is het door God bevrijd.

De bevrijding begon met het optrekken van God “tegen het land Egypte”. Dit ziet op de oordelen die God over het land Egypte heeft gebracht. Het ziet speciaal op Zijn uittrekken door het midden van Egypte om alle eerstgeborenen in het land te doden (Ex 11:4-54En Mozes zei: Zo zegt de HEERE: Omstreeks middernacht zal Ik uittrekken door het midden van Egypte5en alle eerstgeborenen in het land Egypte zullen sterven, van de eerstgeborene van de farao af, die op zijn troon zitten zou, tot de eerstgeborene van de slavin die achter de handmolen zit, en alle eerstgeborenen van het vee.). Dit handelen van God is “een taal” die Israël niet heeft verstaan. Ze hebben niet begrepen wat God met hun bevrijding heeft bedoeld. Het bewijs daarvan is hun ongehoorzaamheid.


Gods zorg in het verleden

7Ik heb de last van zijn schouder weggenomen,
zijn handen hebben de manden losgelaten.
8In de benauwdheid riep u en Ik redde u,
Ik antwoordde u uit de schuilplaats van de donder;
Ik beproefde u bij het water van Meriba. /Sela/

“De last” van de slavernij in Egypte, waar het volk stenen heeft moeten sjouwen, is door God “van zijn schouder weggenomen” (vers 77Ik heb de last van zijn schouder weggenomen,
zijn handen hebben de manden losgelaten.
; Ex 1:1-141Dit nu zijn de namen van de zonen van Israël, die met Jakob naar Egypte waren gekomen. Ieder kwam er met zijn gezin:2Ruben, Simeon, Levi en Juda;3Issaschar, Zebulon en Benjamin;4Dan, Naftali, Gad en Aser.5Alle zielen die van Jakob afstamden, waren zeventig zielen; Jozef was echter [al] in Egypte.6Toen Jozef gestorven was, en [ook] al zijn broers, en heel die generatie,7werden de Israëlieten vruchtbaar en breidden zij zich overvloedig uit. Ze werden talrijk en uitermate machtig, zodat het land vol van hen werd.8Toen trad er in Egypte een nieuwe koning aan, die Jozef niet gekend had.9Hij zei tegen zijn volk: Zie, het volk van de Israëlieten is talrijker en machtiger dan wij.10Kom, laten wij er verstandig tegen optreden, anders zal het talrijk worden en, mocht het zijn dat er een oorlog uitbreekt, dan zal het zich ook bij onze vijanden aansluiten, tegen ons strijden en uit het land wegtrekken.11En zij stelden daarom opzichters van herendiensten over [het volk] aan om het door zijn dwangarbeid te onderdrukken. Het bouwde voor de farao voorraadsteden: Pitom en Raämses.12Hoe meer zij het echter onderdrukten, hoe talrijker het werd en hoe meer het zich uitbreidde, zodat zij in angst verkeerden vanwege de Israëlieten.13De Egyptenaren lieten de Israëlieten met harde [hand voor zich] werken.14Zij maakten het leven bitter voor hen door [hen] zwaar werk [te laten verrichten] met leem en bakstenen, en door allerlei werk op het veld: al hun werk, waarmee zij hen moesten dienen, met harde [hand].; 5:6-186Daarom gaf de farao op diezelfde dag het bevel aan de slavendrijvers onder het volk en de voormannen ervan:7U mag voortaan geen stro meer aan het volk verstrekken om de bakstenen te maken, zoals voorheen. Laten zij zelf [maar] stro gaan verzamelen.8En het aantal bakstenen dat zij voorheen maakten, moet u hun [nu ook weer] opleggen. U mag daarvan niets afdoen, want zij zijn lui. Daarom roepen zij: Laat ons gaan! Laat ons offers brengen aan onze God!9Het werk moet [zo] zwaar op die mannen drukken dat zij dat blijven doen en geen aandacht schenken aan leugenachtige woorden.10Toen vertrokken de slavendrijvers van het volk en de voormannen ervan en zeiden tegen het volk: Dit zegt de farao: Ik geef u geen stro [meer].11Ga zelf [en] haal voor uzelf stro, waar u het [ook maar] kunt vinden. Van uw werk gaat echter niets af.12Toen verspreidde het volk zich over heel het land Egypte om stoppels te verzamelen in plaats van stro.13En de slavendrijvers bleven aandringen: Lever het volle werk, de per dag opgelegde [hoeveelheid], evenals toen er stro was.14De voormannen van de Israëlieten, die de opzichters van de farao over hen aangesteld hadden, werden geslagen. Men zei: Waarom hebt u niet, zoals voorheen, met het maken van bakstenen het u voorgeschreven aantal klaargekregen, zowel gisteren als vandaag?15Toen kwamen de voormannen van de Israëlieten en riepen tegen de farao: Waarom behandelt u uw dienaren zo?16Stro wordt uw dienaren niet gegeven, en [toch] zeggen zij tegen ons: Maak bakstenen! En zie, uw dienaren worden geslagen, maar uw volk staat schuldig.17Maar hij zei: Lui bent u, lui! Daarom zegt u: Laat ons gaan! Laat ons offers brengen aan de HEERE!18Nu dan, ga aan het werk! Stro wordt u niet gegeven, toch moet u [hetzelfde] aantal bakstenen leveren.; vgl. Dt 26:77Toen riepen wij tot de HEERE, de God van onze vaderen; en de HEERE verhoorde onze stem en Hij zag onze ellende, onze moeite en onze onderdrukking.)
. “Zijn handen hebben de manden losgelaten”, wil zeggen dat God hen heeft bevrijd van de manden waarin ze de grondstoffen voor de bouw moesten doen. Ze hoefden die niet meer te gebruiken. God had hen verlost uit hun dwangarbeid.

Ze hadden het vanwege hun dwangarbeid benauwd en in de benauwdheid riepen ze tot God en God redde hen en leidde hen uit Egypte (vers 88In de benauwdheid riep u en Ik redde u,
Ik antwoordde u uit de schuilplaats van de donder;
Ik beproefde u bij het water van Meriba. /Sela/
; Ex 2:23-2423Het gebeurde vele dagen daarna, toen de koning van Egypte gestorven was, dat de Israëlieten zuchtten en het uitschreeuwden vanwege de slavenarbeid. En hun hulpgeroep vanwege de slavenarbeid steeg omhoog tot God.24Toen hoorde God hun gekerm, en God dacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak en met Jakob.; 6:4-54Bovendien heb Ik Zelf het gekerm gehoord van de Israëlieten, die de Egyptenaren [voor zich] laten werken, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht.5Zeg daarom tegen de Israëlieten: Ik ben de HEERE. Ik zal u uitleiden van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren. Ik zal u redden uit hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm en door zware strafgerichten.)
. Hij heeft hen bij de Sinaï “uit de schuilplaats van de donder” geantwoord (Ex 19:18-1918De berg Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de HEERE er in vuur neerdaalde. De rook ervan steeg omhoog als de rook van een oven, en heel de berg beefde hevig.19Het bazuingeschal werd gaandeweg zeer sterk. Mozes sprak en God antwoordde hem met een stem.; 20:1818En heel het volk was getuige van de donderslagen, de bliksems, het bazuingeschal en de rokende berg. Toen het volk [dit] zag, sidderden zij en bleven op een afstand staan.). Zij hebben daar gezegd dat zij alles zouden doen wat de HEERE zou gebieden. Toen kwam Zijn antwoord en Hij trad in een verbond met hen. Dit verbond heeft Hij vastgelegd in de wet, die Hij aan Mozes gaf, die de wet meenam van de berg naar het volk.

Hij heeft hen “bij het water van Meriba” beproefd (Ex 17:1-71Daarna brak heel de gemeenschap van de Israëlieten uit de woestijn Sin op [en trok] van rustplaats tot rustplaats, op bevel van de HEERE, en zij sloegen hun kamp op in Rafidim. Daar was echter geen water voor het volk om te drinken.2En het volk kreeg onenigheid met Mozes en zei: Geeft u ons water, zodat wij kunnen drinken! Mozes zei tegen hen: Waarom hebt u onenigheid met mij? Waarom stelt u de HEERE op de proef?3Het volk smachtte daar naar water en het volk morde tegen Mozes en het zei: Waarom hebt u ons toch uit Egypte laten vertrekken? Om mij, mijn kinderen en mijn vee van dorst te laten omkomen?4Toen riep Mozes tot de HEERE: Wat moet ik met dit volk doen? Het scheelt niet veel of zij zullen mij stenigen.5De HEERE zei tegen Mozes: Trek vóór het volk uit, en neem [enkelen] van de oudsten van Israël met u mee. Neem uw staf, waarmee u de Nijl sloeg, in uw hand en ga op weg.6Zie, Ik zal daar vóór u op de rots bij de Horeb staan. Dan moet u op de rots slaan, en er zal water uitkomen, zodat het volk kan drinken. En Mozes deed dit voor de ogen van de oudsten van Israël.7Hij gaf die plaats de naam Massa en Meriba, vanwege de onenigheid van de Israëlieten en omdat zij de HEERE op de proef gesteld hadden door te zeggen: Is de HEERE [nu] in ons midden of niet?; Nm 20:1-131De Israëlieten kwamen in de woestijn Zin, heel de gemeenschap, in de eerste maand, en het volk bleef in Kades. Daar stierf Mirjam, en zij werd er begraven.2Maar er was voor de gemeenschap geen water. Toen kwamen zij bijeen vanwege Mozes en vanwege Aäron.3En het volk kreeg onenigheid met Mozes. Zij zeiden: Hadden wij maar de geest gegeven, toen onze broeders voor het aangezicht van de HEERE de geest gaven!4En waarom hebt u de gemeente van de HEERE in deze woestijn gebracht? Om hier te sterven, wij en ons vee?5En waarom hebt u ons uit Egypte laten vertrekken? Om ons op deze ellendige plaats te brengen? Het is geen plaats voor zaaigoed, evenmin voor vijgenbomen, wijnstokken en granaatappels. Ook is er geen water om te drinken.6Toen gingen Mozes en Aäron van de gemeente weg naar de ingang van de tent van ontmoeting, en zij wierpen zich met hun gezicht [ter aarde]. En de heerlijkheid van de HEERE verscheen hun.7De HEERE sprak tot Mozes:8Neem de staf en roep de gemeenschap bijeen, u en Aäron, uw broer, en spreek voor hun ogen tot de rots, en die zal zijn water geven. Zo zult u water voor hen voortbrengen uit de rots, en u zult de gemeenschap en hun vee laten drinken.9Toen nam Mozes de staf van voor het aangezicht van de HEERE, zoals Hij hem geboden had.10En Mozes en Aäron riepen de gemeente voor de rots bijeen, en hij zei tegen hen: Luister toch, ongehoorzamen, zullen wij voor u uit deze rots water voortbrengen?11Toen hief Mozes zijn hand op en hij sloeg de rots twee keer met zijn staf, en er kwam veel water uit, zodat de gemeenschap en hun vee konden drinken.12Maar de HEERE zei tegen Mozes en tegen Aäron: Omdat u niet in Mij geloofd hebt, en Mij voor de ogen van de Israëlieten [niet] geheiligd hebt, zult u deze gemeente niet in het land brengen dat Ik hun gegeven heb.13Dit is het water van Meriba, waar de Israëlieten de HEERE ter verantwoording riepen, en waar Hij onder hen geheiligd werd.; vgl. Dt 33:88Over Levi zei hij:
            Uw Tummim en Uw Urim zijn bij deze man, Uw gunsteling;
                        U stelde hem op de proef in Massa,
                                    U riep hem ter verantwoording bij de wateren van Meriba.
)
. Het is een herinnering aan hun ongehoorzaamheid zonder die uitdrukkelijk te noemen, wat op andere plaatsen wel gebeurt (Ps 95:88verhard uw hart niet, zoals te Meriba,
zoals in de dagen van Massa in de woestijn:
; 106:3232Zij maakten [Hem] zeer toornig bij het water van Meriba,
het verging Mozes slecht omwille van hen.
)
. De herinnering moet hen beschaamd maken en ook gewillig om God nu wel te vertrouwen.


Luisteren of niet luisteren

9Mijn volk, [zei Ik,] luister, en Ik zal onder u getuigen;
Israël, als u naar Mij luisterde!
10Er mag onder u geen andere god zijn,
u mag zich voor geen vreemde god neerbuigen.
11Ik ben de HEERE, uw God,
Die u uit het land Egypte leidde.
Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen.
12Maar Mijn volk heeft naar Mijn stem niet geluisterd,
Israël is tegenover Mij onwillig geweest.
13Daarom gaf Ik hen over aan hun verharde hart,
zodat zij in hun [eigen] opvattingen voortgingen.

Nadat God Zijn volk heeft verlost, heeft Hij hun Zijn doel met hun verlossing duidelijk gemaakt. Hij spreekt hen aan als “Mijn volk” (vers 99Mijn volk, [zei Ik,] luister, en Ik zal onder u getuigen;
Israël, als u naar Mij luisterde!
)
. Hij zegt tegen hen dat ze naar Hem moeten luisteren. Het is een beroep op het hart, of het gewillig is om te luisteren. Je kunt wel iets met je oren horen, maar het gaat erom of er in het hart de bereid is om te doen wat het oor heeft gehoord.

Gods volk moet luisteren, want God “zal onder u getuigen” (vgl. Ps 50:77Luister, Mijn volk, en Ik zal spreken,
Israël, Ik zal onder u getuigen:
Ik, God, ben uw God.
)
. Dat wil zeggen dat God hun Zijn wil voorhoudt. Hij wil dat ze Hem erkennen, Hem gehoorzamen en Hem dienen. Als ze Zijn getuigenis onder hen aannemen, zullen ze kunnen ontvangen wat Hij voor hen in Zijn hart heeft.

Als eerste wil God dat het volk, dat Hij “Mijn volk” noemt, zal gehoorzamen aan het gebod dat er onder hen “geen andere god” zal zijn (vers 1010Er mag onder u geen andere god zijn,
u mag zich voor geen vreemde god neerbuigen.
).
Dit is de herinnering aan het eerste gebod van de wet (Ex 20:3-43U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.4U zult voor uzelf geen beeld maken, [geen] enkele afbeelding [van] wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is.). Het volk dat God “Mijn volk” noemt, “mag zich voor geen vreemde god neerbuigen” (Ex 20:55U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde [geslacht] van hen die Mij haten,). Dit gebod hebben ze al gebroken nog voordat Mozes met de twee tafelen van de wet naar beneden is gekomen (Ex 32:2-82En Aäron zei tegen hen: Ruk de gouden ringen die uw vrouwen, uw zonen en uw dochters in hun oren hebben, af, en breng ze bij mij.3Toen rukte heel het volk de gouden ringen die ze in hun oren hadden, af en zij brachten ze bij Aäron.4Hij nam ze van hen aan, hij bewerkte ze met een graveerstift en maakte er een gegoten kalf van. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit het land Egypte geleid hebben.5Toen Aäron [dat] zag, bouwde hij er een altaar voor, en Aäron kondigde aan: Morgen is er een feest voor de HEERE!6Zij stonden de volgende dag vroeg op, brachten brandoffers en brachten [ook] dankoffers. Het volk ging daarna zitten om te eten en te drinken; vervolgens stonden zij op om uitbundig feest te vieren.7Toen sprak de HEERE tot Mozes: Ga, daal af, want uw volk, dat u uit het land Egypte hebt geleid, heeft verderfelijk gehandeld.8Zij zijn [al] snel afgeweken van de weg die Ik hun geboden had: zij hebben voor zichzelf een gegoten kalf gemaakt, zij buigen zich ervoor neer, offeren eraan en zeggen: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit het land Egypte geleid hebben.).

Hij alleen is “de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte leidde” (vers 1111Ik ben de HEERE, uw God,
Die u uit het land Egypte leidde.
Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen.
)
. Hij heeft hen bevrijd om Zijn volk te zijn. Dit is de herinnering aan de inleiding op de tien geboden (Ex 20:22Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft.). De grondslag voor Zijn recht op hun onverdeelde toewijding is hun bevrijding door Hem uit de slavernij van Egypte. Dit is al een geweldig voorrecht.

Maar het gaat nog veel verder. God zegt tegen Zijn volk: “Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen.” Dit is een geweldige uitnodiging. Het volk mag de mond wijd opendoen, zoals jonge vogeltjes dat doen om het eten van moeder te ontvangen. God kan in al hun behoeften voorzien als zij hun mond opendoen naar Hem. Het betekent dat ze alles van Hem verwachten. Die houding waardeert en beloont Hij.

Hij is de almachtige God, Die zegt dat Hij zal geven wat zij vragen. Wat Hij geeft, kunnen andere goden niet geven. Het gaat in de eerste plaats om hun behoeften om op aarde te leven. Maar Hij wil hun veel meer geven. Hij wil vanuit de volheid van Zijn hart, al Zijn schattengeven die Hij voor hen heeft klaarliggen. Wat hier geldt voor de Israëliet, geldt voor elk lid van Gods volk in alle tijden. Wat vragen wij aan Hem?

Helaas, hoe vaak zijn ook wij zoals Israël. God moet zeggen: “Maar Mijn volk heeft naar Mijn stem niet geluisterd” (vers 1212Maar Mijn volk heeft naar Mijn stem niet geluisterd,
Israël is tegenover Mij onwillig geweest.
)
. Nog een keer noemt God het volk “Mijn volk” (vgl. vers 99Mijn volk, [zei Ik,] luister, en Ik zal onder u getuigen;
Israël, als u naar Mij luisterde!
)
. Hij heeft het door de verlossing tot Zijn eigendomsvolk gemaakt. Uit dankbaarheid voor hun verlossing in het verleden en Zijn beloften voor de toekomst, zou het volk trouw moeten zijn aan Hem. Maar het volk heeft volhard in zijn opstandigheid tegen Hem. Zijn volk heeft de onbeperkte uitnodiging van God niet in hun hart opgenomen. God moet zeggen: “Israël is tegenover Mij onwillig geweest.”

Omdat hun hart niet op Hem en Zijn uitnodiging gericht was, maar onwilligheid heeft getoond, “daarom” heeft God hen “aan hun verharde hart” overgegeven (vers 1313Daarom gaf Ik hen over aan hun verharde hart,
zodat zij in hun [eigen] opvattingen voortgingen.
)
. Zij hebben ervoor gekozen om niet op Gods uitnodiging in te gaan, maar vast te houden aan hun opvattingen. Ze willen hun eigen weg naar succes en geluk gaan. Daarom zorgt God ervoor dat ze in hun eigen weg voortgaan, zodat ze de bittere vruchten daarvan zullen proeven (vgl. Hd 14:1616Hij heeft in de voorbije geslachten alle volken op hun eigen wegen laten gaan,; Rm 1:2424Daarom heeft God hen in de begeerten van hun harten overgegeven aan onreinheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren;).


Gods verlangen om te zegenen

14Och, had Mijn volk naar Mij geluisterd,
was Israël in Mijn wegen gegaan!
15In korte [tijd] zou Ik hun vijanden onderworpen hebben
en Mijn hand gekeerd hebben tegen hun tegenstanders.
16Wie de HEERE haten, zouden zich geveinsd aan Hem onderworpen hebben;
maar hún tijd zou voor eeuwig geweest zijn:
17Hij zou van de beste tarwe te eten gegeven hebben,
ja, Ik zou u verzadigd hebben met honing uit de rots.

God slaakt als het ware een verzuchting, weergegeven in “och”, dat Zijn volk toch naar Hem zou luisteren en dat Israël in Zijn wegen zou gaan (vers 1414Och, had Mijn volk naar Mij geluisterd,
was Israël in Mijn wegen gegaan!
; vgl. Lk 19:4242en zei: Och, mocht op deze <uw> dag ook u erkennen wat tot <uw> vrede [dient]. Nu is het echter verborgen voor uw ogen.; Dt 5:2929Och, hadden zij maar zo'n hart, om Mij te vrezen en Mijn geboden alle dagen in acht te nemen, opdat het hun en hun kinderen voor eeuwig goed zou gaan!; 32:29-3029       Waren zij maar wijs, dan zouden zij dit opmerken.
                        Zij zouden op hun einde letten.
30       Hoe zou één [man] er duizend kunnen achtervolgen,
                        en twee [mannen] er tienduizend laten vluchten,
            tenzij hun Rots hen verkocht
                        en de HEERE hen uitleverde?
; Js 48:1818Och, had u maar acht geslagen op Mijn geboden!
Dan zou uw vrede geweest zijn als een rivier
en uw gerechtigheid als de golven van de zee.
)
. Ze hebben dat niet gedaan, waardoor ze alle hierna genoemde zegeningen hebben verspeeld. Tussen de regels door beluisteren we echter een uitnodiging om alsnog naar Hem te luisteren om dan alsnog de verspeelde zegeningen te ontvangen. God verwerpt Zijn volk niet voorgoed.

Hun vijanden hebben nu de overhand. Maar als ze naar Hem luisteren, zal Hij direct voor hen tussenbeide komen en hun vijanden onderwerpen (vers 1515In korte [tijd] zou Ik hun vijanden onderworpen hebben
en Mijn hand gekeerd hebben tegen hun tegenstanders.
)
. Hiermee opent God de mogelijkheid tot een nieuwe bevrijding, gelijk aan de bevrijding uit Egypte. Ze hoeven maar tot Hem te roepen in hun nood, zich tot Hem te bekeren en in geloof naar Zijn wil te gaan leven, en Hij zal Zijn hand keren tegen hun tegenstanders. Nu is dat niet zo. Nu is Zijn hand tegen hen gekeerd en heeft Hij hen in de hand van hun vijanden moeten overgeven.

De situatie zal dan geheel omgekeerd worden. Hun vijanden, zij die “de HEERE haten”, zullen “zich geveinsd aan Hem” onderwerpen (vers 1616Wie de HEERE haten, zouden zich geveinsd aan Hem onderworpen hebben;
maar hún tijd zou voor eeuwig geweest zijn:
)
. Daartegenover zal “hún tijd voor eeuwig” zijn. Zij worden dan niet verdelgd, maar zullen eeuwig Gods zegen in het vrederijk genieten. Dat zou al zo zijn geweest als zij hadden geluisterd. Het zal zo zijn als zij zullen luisteren met hun hart.

De zegen bestaat uit “de beste tarwe” en “honing uit de rots” (vers 1717Hij zou van de beste tarwe te eten gegeven hebben,
ja, Ik zou u verzadigd hebben met honing uit de rots.
)
. Van deze zegeningen zouden ze te eten hebben gekregen en ermee verzadigd zijn geworden als zij Gods inzettingen ter harte zouden hebben genomen. Dat God hun deze zegeningen voorhoudt, doet Hij om hen er alsnog toe te bewegen aan Hem gehoorzaam te worden. Gehoorzaamheid aan Hem leidt tot leven en zegen in overvloed (Js 48:17-1917Zo zegt de HEERE, uw Verlosser,
de Heilige van Israël:
Ik ben de HEERE, uw God,
Die u leert wat nuttig is,
Die u leidt op de weg [die] u gaan moet.
18Och, had u maar acht geslagen op Mijn geboden!
Dan zou uw vrede geweest zijn als een rivier
en uw gerechtigheid als de golven van de zee.
19Dan zou uw nageslacht geweest zijn als het zand
en uw nakomelingen als de korrels ervan.
Hun naam zou niet worden uitgeroeid of verdelgd
van voor Mijn aangezicht.
)
.

In geestelijk opzicht spreekt ‘de beste tarwe’ van Christus. Hij is de tarwekorrel Die in de aarde is gevallen en is gestorven en veel vrucht heeft voortgebracht (Jh 12:2424Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen; maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht.). De vrucht die tevoorschijn is gekomen, zijn de gelovigen. Als vrucht van Hem dragen zij dezelfde kenmerken als Hij. Zij bezitten Hem als het eeuwige leven, want Hij is het eeuwige leven (1Jh 5:2020En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons [het] verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en [het] eeuwige leven.).

Het water dat uit de rots is gekomen, wordt hier honing genoemd. De rots is een beeld van Christus (1Ko 10:44en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.)). Het water is een beeld van het Woord van God en de Geest van God (Ef 5:2626opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,; Jh 7:37-3937En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus [daar] en riep aldus: Als iemand dorst heeft, laat hij bij Mij komen en drinken!38Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.39Dit nu zei Hij van de Geest, Die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want [de] Geest was [er] nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.). De honing wordt ook genoemd in verbinding met het Woord van God (Ps 19:1111Zij zijn begerenswaardiger dan goud,
ja, dan veel zuiver goud;
en zoeter dan honing
en honingzeem uit de raat.
)
. Honing is zoet. Het stelt de zoetheid van de onderlinge betrekkingen voor die er onder de gelovigen is.

Doordat iedere gelovige aan Christus is verbonden, is er onder de gelovigen ook een nauwe onderlinge gemeenschap. Deze verbondenheid zal volmaakt in de hemel worden genoten. Maar ze wordt nu al op aarde genoten als gelovigen zich met Gods Woord voeden en Zich laten leiden door Gods Geest.


Lees verder