Psalmen
1 Opschrift 2-4 Gebed om verlossing 5-8 Hoelang? 9-14 De wijnstok Israël 15-17 Zie om naar deze wijnstok 18-20 De Mensenzoon
Opschrift

1Voor de koorleider, op ‘De lelies’; een getuigenis, een psalm van Asaf.

Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1. Voor “op ‘de Lelies’” zie bij Psalm 45:1 en Psalm 60:1. In Psalm 60:1 staat ‘lelie’ in het enkelvoud. Deze psalm is “een getuigenis” in de zin van een openbaring die iemand doet of wat iemand doorgeeft over wat hij heeft meegemaakt. Het is een ander woord dan het woord ‘getuigenis’ dat in het opschrift van Psalm 60 staat (vgl. Ps 60:11Een gouden kleinood van David, ter onderwijzing, voor de koorleider, op ‘De lelie van de getuigenis’;). Voor “een psalm van Asaf” zie bij Psalm 50:1.


Gebed om verlossing

2Herder van Israël, neem ter ore,
U, Die Jozef als schapen leidt.
U, Die troont tussen de cherubs,
verschijn blinkend!
3Wek Uw macht op voor [de ogen van] Efraïm, Benjamin en Manasse
en kom ons verlossen.
4O God, breng ons terug;
doe Uw aangezicht lichten, dan zullen wij verlost worden.

In Asaf richt het gelovig overblijfsel zich tot de “Herder van Israël” (vers 22Herder van Israël, neem ter ore,
U, Die Jozef als schapen leidt.
U, Die troont tussen de cherubs,
verschijn blinkend!
)
. Deze naam van God komt voor het eerst voor in de zegen van Jakob voor Jozef (Gn 49:2424maar zijn boog bleef gespannen;
zijn armen en handen bleven soepel
door de handen van de Machtige van Jakob,
– vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël –
)
. Ze vragen Hem om hun nood “ter ore” te nemen, want ze hebben de indruk dat God Zijn oor van hen heeft afgewend.

Ze zeggen tegen Hem dat Hij “Jozef als schapen leidt”. Jozef, de vader van Efraïm en Manasse, representeert het hele volk. Het overblijfsel ziet zich als schapen die door Hem worden geleid. Maar ze zijn in nood en missen de bescherming van de Herder. Een beroep doen op God als Herder kan alleen door een schaap van Zijn kudde worden gedaan.

Hij “troont tussen de cherubs”, wat inhoudt dat Hij Koning is. De cherubs zijn de dragers van Gods troon en de uitvoerders van Zijn regering (Gn 3:2424Hij verdreef de mens, en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog, om de weg naar de boom des levens te bewaken.). God regeert in en over het heelal. Het overblijfsel vraagt aan Hem om “blinkend” te verschijnen, dat wil zeggen dat Hij openlijk als Regeerder optreedt in de nu heersende duisternis. Zijn verschijning verdrijft de duisternis.

Hij Die de wereld regeert, woont te midden van Zijn volk tussen de cherubs op de ark (Ex 25:2222Dan zal Ik u daar ontmoeten en van boven het verzoendeksel, van tussen de twee cherubs, die zich op de ark van de getuigenis zullen bevinden, zal Ik met u spreken over alles wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal.; 1Kr 28:1818het [benodigde] gewicht van gezuiverd goud voor het reukofferaltaar en goud voor het ontwerp van de wagen: de cherubs, die [hun vleugels] uitspreidden terwijl zij de ark van het verbond van de HEERE bedekten.; Ez 10:11Daarna zag ik, en zie, boven het gewelf dat boven het hoofd van de cherubs was, was [iets] als een saffiersteen, met het uiterlijk van wat leek op een troon, [en] Hij verscheen boven hen.), die in vers 33Wek Uw macht op voor [de ogen van] Efraïm, Benjamin en Manasse
en kom ons verlossen.
“Uw macht” wordt genoemd. Het overblijfsel roept God op Zijn macht op te wekken (vgl. Nm 10:35-3635En het was bij het opbreken van de ark dat Mozes zei:
Sta op, HEERE,
laat Uw vijanden [overal] verspreid worden
en hen die U haten, van Uw aangezicht vluchten!
36En als hij rustte, zei hij:
Keer terug, HEERE,
[tot] de tienduizenden van de duizenden van Israël!
; Ps 35:2323Ontwaak en word wakker om mij recht [te doen];
mijn God en Heere, om mijn rechtszaak [te voeren].
)
, dat is om op te staan en op te treden tegen de vijanden om hen uit hun greep te verlossen.

Efraïm, Benjamin en Manasse zijn de stammen die tijdens de reis door de woestijn hun kamp opbreken en opslaan direct na het opbreken en opslaan van de ark (Nm 2:17-2417Daarna moet de tent van ontmoeting opbreken, [met] het kamp van de Levieten, in het midden van de [andere] kampen. Zoals zij hun kamp opslaan, zo moeten zij opbreken, ieder op zijn [eigen] plaats, bij hun vaandels.18Het vaandel van het kamp van Efraïm moet, [ingedeeld] naar hun legers, aan de westkant [het kamp opslaan]. De leider nu van de nakomelingen van Efraïm was Elisama, de zoon van Ammihud.19En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit veertigduizend vijfhonderd [man].20En de stam Manasse moet naast hem [zijn kamp opslaan]. De leider nu van de nakomelingen van Manasse was Gamaliël, de zoon van Pedazur.21En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit tweeëndertigduizend tweehonderd [man].22Dan de stam Benjamin. De leider nu van de nakomelingen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.23En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit vijfendertigduizend vierhonderd [man].24Allen die geteld waren van het kamp van Efraïm waren honderdachtduizend en honderd [man, ingedeeld] naar hun legers. Zij moeten als derde opbreken.; 10:21-2421En de Kahathieten, de dragers van [voorwerpen] van het heiligdom, braken op. Men bouwde de tabernakel op, voordat [de Kahathieten] aankwamen.22Daarna brak het vaandel van het leger van de nakomelingen van Efraïm op, [ingedeeld] naar hun legers; en Elisama, de zoon van Ammihud, [had de leiding] over zijn leger.23Gamaliël nu, de zoon van Pedazur, [had de leiding] over het leger van de stam van de nakomelingen van Manasse.24Abidan nu, de zoon van Gideoni, [had de leiding] over het leger van de stam van de nakomelingen van Benjamin.). Zij leven met de ark, ofwel Gods macht, direct voor hun ogen. In hen zien we ook het hele volk vertegenwoordigd: Efraïm vertegenwoordigt het noordelijke rijk, Benjamin het zuidelijke rijk. Een deel van Manasse woont in het Overjordaanse. Hij vertegenwoordigt de tweeënhalve stam.

Hun vraag aan God is om hen terug te brengen naar hun land (vers 44O God, breng ons terug;
doe Uw aangezicht lichten, dan zullen wij verlost worden.
)
. Ze zijn nu buiten het land als gevolg van hun ontrouw. Met hun vraag erkennen ze dat er in hen geen recht en geen kracht is om terug te keren naar het land met zijn zegeningen. Tegelijk ligt in hun vraag opgesloten dat God het in Zijn genade kan doen en er ook de kracht voor heeft. Er spreekt vertrouwen uit in de genade en de kracht van God.

Met de vraag “doe Uw aangezicht lichten” vragen ze of God weer in hun midden aanwezig wil zijn. Als Hij bij hen is, “dan zullen wij verlost worden”. Ze verbinden in geloof Zijn tegenwoordigheid in hun midden met de verlossing van hun vijanden. Als Hij aanwezig is, zullen de vijanden vluchten of verslagen worden.


Hoelang?

5HEERE, God van de legermachten, hoelang zal Uw [toorn] branden
tegen het gebed van Uw volk?
6U geeft hun tranenbrood te eten
en laat hun tranen drinken uit een maatbeker.
7U hebt ons voor onze buren tot een [bron van] ruzie gemaakt,
onze vijanden spotten onder elkaar.
8O God van de legermachten, breng ons terug;
doe Uw aangezicht lichten, dan zullen wij verlost worden.

Het overblijfsel richt zich tot de “HEERE, God van de legermachten” (vers 55HEERE, God van de legermachten, hoelang zal Uw [toorn] branden
tegen het gebed van Uw volk?
)
. Hij is de HEERE, dat is de God van het verbond. Dat is hun relatie met Hem, hoewel ze die relatie nu niet ervaren. Hij is ook de “God van de legermachten”, de God Die boven alle hemelse en aardse machten, goede en slechte, staat. Ze stellen Hem de vraag die hen kwelt: “Hoelang zal Uw [toorn] brandentegen het gebed van Uw volk?” Ze bidden onophoudelijk tot Hem, maar Zijn toorn blijft maar branden.

Hij is toch de Herder van Zijn volk? Dan mogen ze van Hem voedsel en verkwikkend water verwachten (Ps 23:1-21Een psalm van David.
De HEERE is mijn Herder,
mij ontbreekt niets.
2Hij doet mij neerliggen in grazige weiden,
Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren.
)
. Hij geeft hun echter “tranenbrood te eten en laat hun tranen drinken uit een maatbeker” (vers 66U geeft hun tranenbrood te eten
en laat hun tranen drinken uit een maatbeker.
).
Dit is ‘een maaltijd’ die hun bijzonder zwaar op de maag ligt. Het drinken van de eigen tranen is een bittere zaak. Het is het gevolg van het gaan van eigen wegen. Maar het is ook heilzaam, want het komt voort uit berouw over hun zonden. Dat ze uit “een maatbeker” moeten drinken, wil zeggen dat God de maat ervan bepaalt. Hij stelt een grens aan hun verdriet (vgl. 1Ko 10:1313U heeft geen verzoeking getroffen dan menselijke; en God is getrouw, Die niet zal toelaten dat u verzocht wordt boven wat u kunt [verdragen]; maar met de verzoeking zal Hij ook de uitkomst geven, zodat u ze kunt verdragen.).

Daar komt nog bij wat hun buren, dat zijn de buurvolken, over hen zeggen (vers 77U hebt ons voor onze buren tot een [bron van] ruzie gemaakt,
onze vijanden spotten onder elkaar.
)
. Zij maken er ruzie over wie van hen het meeste voordeel uit hun ellende kan halen. Tegelijk maken ze met elkaar het grootste plezier over de ellende die over hen is gekomen. Ze spotten er onder elkaar over.

Maar God is toch de “God van de legermachten” (vers 88O God van de legermachten, breng ons terug;
doe Uw aangezicht lichten, dan zullen wij verlost worden.
)
, de God die boven alle aardse en hemelse legermachten staat, ongeacht of het goede of slechte legermachten zijn? Laat Hij hen dan terugbrengen in hun land en de zegen. Als Hij Zijn aangezicht laat lichten, dat wil zeggen als Hij hen aanneemt en bij hen komt, zullen ze verlost worden. Daar zijn ze zeker van.


De wijnstok Israël

9U hebt een wijnstok uit Egypte uitgegraven,
de heidenvolken verdreven en hém geplant.
10U hebt [een plaats] voor hem bereid
en hem wortel doen schieten,
zodat hij [heel] het land vulde.
11De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest,
zijn takken waren [als] machtige ceders.
12Hij breidde zijn ranken uit tot aan de zee,
zijn jonge loten tot aan de rivier.
13Waarom hebt U een bres geslagen in zijn muren,
zodat alle voorbijgangers op de weg hem leegplukken?
14Het zwijn uit het woud heeft hem losgewroet,
het wild van het veld heeft hem afgegraasd.

Asaf herinnert God aan Zijn genadige handelen door Zijn volk uit Egypte te bevrijden. God heeft Israël als “een wijnstok uit Egypte uitgegraven” (vers 99U hebt een wijnstok uit Egypte uitgegraven,
de heidenvolken verdreven en hém geplant.
)
. Een wijnstok stelt vreugde voor. In Egypte kon het volk geen vreugde voor Hem zijn. Dat kon alleen in het land dat Hij als Zijn eigen land heeft uitgekozen. Daaruit heeft Hij “de heidenvolken verdreven en hém geplant” (vgl. Dt 7:11Wanneer de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, en Hij vele volken van voor uw [ogen] verdreven heeft, de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zeven volken, die groter en machtiger zijn dan u,; Ex 23:2828Ik zal ook horzels vóór u uit zenden; die zullen de Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten vóór u uit verdrijven.). Jesaja, die een lied over Gods volk als een wijngaard zingt, zegt het zo: Hij “zuiverde hem van stenen” (Js 5:1-21Ik wil graag voor mijn Beminde zingen,
een lied van mijn Geliefde over Zijn wijngaard.
Mijn Beminde had een wijngaard
op een vruchtbare heuvel.
2Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen,
Hij beplantte hem met edele wijnstokken.
In het midden ervan bouwde Hij een toren,
en hakte ook een perskuip daarin uit.
Hij verwachtte dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
maar hij bracht stinkende druiven voort.
)
.

God heeft de wijnstok, Zijn volk, niet zomaar ergens geplant, maar op “[een plaats] voor hem bereid” (vers 1010U hebt [een plaats] voor hem bereid
en hem wortel doen schieten,
zodat hij [heel] het land vulde.
; Jr 2:2121Ík had u evenwel geplant, een edele wijnstok,
een volkomen betrouwbare stek.
Hoe bent u tegenover Mij dan veranderd [in] wilde [ranken]
van een uitheemse wijnstok?
)
. Hij heeft de plaats ervoor klaargemaakt, er alles aan gedaan om de wijnstok te kunnen planten zodat hij rijke vrucht zou dragen (vgl. Js 5:2a2Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen,
Hij beplantte hem met edele wijnstokken.
In het midden ervan bouwde Hij een toren,
en hakte ook een perskuip daarin uit.
Hij verwachtte dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
maar hij bracht stinkende druiven voort.
; 57:1414Men zal zeggen:
Verhoog [de weg], verhoog [de weg], bereid de weg,
neem [elk] struikelblok voor Mijn volk van de weg!
)
. Hij heeft hem vervolgens “wortel doen schieten”. Het resultaat is dat “hij [heel] het land vulde”. Alles spreekt van Zijn zorg voor Zijn wijnstok, zodat Hij er het volle genot van zou kunnen hebben.

De groei van de wijnstok is Zijn werk geweest. Die groei, dat is de groei van de bevolking, is overvloedig geweest. “De bergen” in het zuiden “zijn met zijn schaduw bedekt geweest” (vers 1111De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest,
zijn takken waren [als] machtige ceders.
)
. Dat wijst op een talrijke bevolking. Het is ook een machtig volk geworden, “zijn takken waren [als] machtige ceders” van de Libanon in het noorden (vgl. Nm 24:66Als beekdalen strekken ze zich uit,
als tuinen aan een rivier;
de HEERE plantte [ze] als aloë's,
als ceders aan het water.
; Ps 104:1616De bomen van de HEERE worden verzadigd,
de ceders van de Libanon, die Hij geplant heeft.
)
.

De groei is ook van west naar oost zichtbaar. “Hij breidde zijn ranken uit tot aan de zee” (vers 1212Hij breidde zijn ranken uit tot aan de zee,
zijn jonge loten tot aan de rivier.
)
, dat is de Middellandse Zee in het westen. Hetzelfde geldt voor “zijn jonge loten tot aan de rivier”, waarmee de Eufraat wordt bedoeld. Het zijn de grenzen van het gebied dat Israël in het vrederijk zal bezitten, overeenkomstig de belofte die God aan de vaderen heeft gedaan (Gn 15:1818Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:; Dt 1:7-87Keer om, breek op en ga naar het bergland van de Amorieten en naar al hun buren, in de Vlakte, het Bergland en het Laagland, in het Zuiderland en aan de zeekust, het land van de Kanaänieten, en de Libanon, tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat.8Zie, Ik heb het land aan u gegeven; ga het binnen en neem het land in bezit waarvan de HEERE uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft dat Hij het hun en hun nageslacht na hen geven zou.; 11:2424Elke plaats die uw voetzool betreedt, zal van u zijn; vanaf de woestijn en de Libanon, vanaf de rivier, de rivier de Eufraat, tot aan de zee in het westen zal uw gebied zich uitstrekken.). Deze bevolkingsgroei en gebiedsuitbreiding zijn in de dagen van Salomo voor korte tijd aanwezig geweest (1Kn 4:20,2420Juda en Israël waren [met] velen, zo talrijk als de zand[korrels] die aan de zee zijn. Zij aten en dronken en waren blij.24Want hij heerste over al [het land] aan deze zijde van de rivier, vanaf Tifsah tot aan Gaza, over alle koningen aan deze zijde van de rivier, en hij had vrede aan al zijn zijden, van rondom.).

Nadat God dit allemaal voor Zijn volk heeft gedaan, rijst de vraag bij het overblijfsel waarom Hij een bres heeft geslagen in de muur die Hij om Zijn wijngaard heeft gebouwd ((vers 1313Waarom hebt U een bres geslagen in zijn muren,
zodat alle voorbijgangers op de weg hem leegplukken?
; vgl. Js 5:55Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken
wat Ik met Mijn wijngaard ga doen:
Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden;
Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden.
)
. Een muur dient tot bescherming. God breekt die bescherming af. Dat doet Hij door middel van de Babyloniërs die Jeruzalem verwoesten. De stad ligt er opengebroken bij. “Alle voorbijgangers op de weg” kunnen er naar hartenlust plunderen.

“Het zwijn” is een onrein dier (Lv 11:3-4,73Whatever divides a hoof, thus making split hoofs, [and] chews the cud, among the animals, that you may eat.4Nevertheless, you are not to eat of these, among those which chew the cud, or among those which divide the hoof: the camel, for though it chews cud, it does not divide the hoof, it is unclean to you.7and the pig, for though it divides the hoof, thus making a split hoof, it does not chew cud, it is unclean to you.) en stelt de heidenvolken voor (vers 1414Het zwijn uit het woud heeft hem losgewroet,
het wild van het veld heeft hem afgegraasd.
)
. De heidenvolken zijn uit “het woud”, dat is hun eigen woongebied, gekomen om Jeruzalem van haar fundament los te wroeten. De wilde volken zijn gekomen om alles wat ze maar enigszins waardevol achten in bezit te nemen. Zo is Jeruzalem “afgegraasd” en is er niets eetbaars, niets van waarde meer over.


Zie om naar deze wijnstok

15O God van de legermachten, keer toch terug;
kijk [neer] uit de hemel en zie.
Zie om naar deze wijnstok,
16de stam die Uw rechterhand geplant heeft,
en dat om de Zoon, Die U voor Uzelf sterk gemaakt hebt.
17[De wijnstok] is met vuur verbrand, is afgekapt;
[Uw volk] komt om door de bestraffing van Uw aangezicht.

Het overblijfsel smeekt nu tot God als de “God van de legermachten” om naar Zijn land terug te keren (vers 1515O God van de legermachten, keer toch terug;
kijk [neer] uit de hemel en zie.
Zie om naar deze wijnstok,
)
. Ze roepen tot God als de ‘God van de legermachten’ omdat heidense legermachten Jeruzalem hebben verwoest. God staat boven alle legermachten, niet alleen die van Israël, maar ook die van de heidenvolken, evenals alle goede en slechte hemelse legermachten.

Het overblijfsel vraagt God om neer te kijken “uit de hemel”, waar Hij woont, en te zien wat er op aarde gebeurt. Laat Hij toch omzien “naar deze wijnstok”, dat is met medelijden naar Zijn volk omzien. Het is immers “de stam die Uw rechterhand geplant heeft” (vers 1616de stam die Uw rechterhand geplant heeft,
en dat om de Zoon, Die U voor Uzelf sterk gemaakt hebt.
; Ex 15:1717       U zult hen brengen en hen planten
                        op de berg [die] Uw eigendom is,
            Uw vaste woonplaats,
                        die U gemaakt hebt, HEERE,
            het heiligdom, Heere,
                        dat Uw handen gesticht hebben.
)
. Het is een herinnering aan Zijn oorspronkelijke handelen met Zijn volk. Hij heeft bij het planten ervan Zijn rechterhand, de hand van kracht, gebruikt. Die hand is toch nog net zo sterk?

“De zoon, die U voor Uzelf sterk gemaakt hebt” is niet de Heer Jezus, maar Israël. Israël wordt enkele keren ‘zoon’ genoemd (Ex 4:2222Dan moet u tegen de farao zeggen: Zo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.; Hs 11:11Toen Israël een kind was, had Ik hem lief,
en uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.
)
. Dit geeft de diepere betrekking van God met Zijn volk weer. Israël als wijnstok is bedoeld om een vreugde voor God te zijn. Die vreugde wenst Hij te vinden in het volk als Zijn zoon. Hij wil dat het volk voor Hem een ‘zoon van Zijn welbehagen’ is.

God heeft Israël sterk gemaakt, niet door het volk los van Hem kracht te geven, maar door het aan Zichzelf, de sterke God, te verbinden. Hij is hun kracht. Het is ermee als met een dun boompje dat aan een sterke paal wordt gebonden om te kunnen groeien. Zonder de paal knakt het boompje bij een klein beetje wind al om.

Deze zoon verschaft God echter geen vreugde. Daarom is de wijnstok behalve verbrand en ook nog eens afgekapt (vers 1717[De wijnstok] is met vuur verbrand, is afgekapt;
[Uw volk] komt om door de bestraffing van Uw aangezicht.
)
. Het overblijfsel realiseert zich dat deze situatie komt “door de bestraffing van Uw aangezicht”. God heeft hen moeten bestraffen vanwege hun afkerigheid en opstandigheid. Zijn tegenwoordigheid onder hen vereist dit optreden, want Hij kan niet samengaan met hun zonden.


De Mensenzoon

18Laat Uw hand rusten op de Man van Uw rechterhand,
op de Mensenzoon, [Die] U voor Uzelf sterk gemaakt hebt.
19Dan zullen wij ons niet van U afkeren;
behoud ons in het leven, dan zullen wij Uw Naam aanroepen.
20HEERE, God van de legermachten, breng ons terug;
doe Uw aangezicht lichten, dan zullen wij verlost worden.

Het overblijfsel vraagt aan God om Zijn hand te laten rusten op “de Man van Uw rechterhand”, dat is de Heer Jezus (vers 1818Laat Uw hand rusten op de Man van Uw rechterhand,
op de Mensenzoon, [Die] U voor Uzelf sterk gemaakt hebt.
)
. De rechterhand symboliseert zowel kracht als eer. De Heer Jezus is de kracht van God en heeft nu de plaats van eer in de hemel aan de rechterhand van God (Ps 110:11Een psalm van David.
De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken:
Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben
[tot] een voetbank voor Uw voeten.
)
. De rechterhand van God rust op Hem. Hij is de Messias. In Hem gaat God Zijn werk van verlossing doen.

De Heer Jezus wordt ook “de Mensenzoon”, ofwel ‘de Zoon des mensen’ genoemd. Zo noemt de Heer Zich vaak in de evangeliën. Het is de naam van Zijn vernedering, maar ook van Zijn verhoging (Mt 26:6464Jezus zei tot hem: U hebt het gezegd. Ik zeg u evenwel: van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan [de] rechterhand van de kracht en zien komen op de wolken van de hemel.). Hij ontleent die Naam aan deze psalm en aan Daniël 7, waar hij ook een keer voorkomt (Dn 7:1313[Verder] zag ik in de nachtvisioenen,
en zie, er kwam met de wolken van de hemel Iemand
als een Mensenzoon.
Hij kwam tot de Oude van dagen
en men deed Hem voor Zijn aangezicht naderbijkomen.
)
.

Wat het overblijfsel in vers 1818Laat Uw hand rusten op de Man van Uw rechterhand,
op de Mensenzoon, [Die] U voor Uzelf sterk gemaakt hebt.
vraagt, zal in de toekomst gebeuren. Dan zal Gods hand openlijk rusten op ‘de Man van Zijn rechterhand’, Christus. Als Christus als Zoon des mensen zal komen en gaat regeren, zullen zij die Zijn schapen zijn, zich niet meer van Hem afkeren, want ze zijn vast aan Hem verbonden (vers 1919Dan zullen wij ons niet van U afkeren;
behoud ons in het leven, dan zullen wij Uw Naam aanroepen.
; Jr 32:4040Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, dat Ik Mij van achter hen niet zal afwenden, opdat Ik hun goeddoe. En Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, zodat zij niet van Mij afwijken.)
. Ze zullen in het leven worden behouden en Zijn Naam aanroepen, dat wil zeggen Hem aanbidden.

In het laatste vers richten ze zich tot de “HEERE”, de naam van God in Zijn relatie met Zijn volk (vers 2020HEERE, God van de legermachten, breng ons terug;
doe Uw aangezicht lichten, dan zullen wij verlost worden.
)
. In het geloof noemt het overblijfsel Hem zo. De relatie tussen God en Zijn volk is nog niet hersteld. Maar ze zien op Hem Die Zich met hen heeft verbonden. Hij moet hen terugbrengen in die relatie. Dat zal gebeuren als Hij weer bij hen aanwezig is, als Zijn aangezicht over hen licht. Dan zullen ze verlost worden en de beloofde zegeningen ontvangen.


Lees verder