Psalmen
Inleiding 1-4 Door de heidenvolken vertrapt 5-8 Hoelang nog? 9-12 Roep om redding en vergelding 13 Belofte om God te loven
Inleiding

Deze psalm gaat over de inval van de heidenvolken in Israël die Jeruzalem en de tempel verwoesten. De nadruk ligt hier niet zozeer op het oordeel over Gods volk vanwege hun zonden, maar op het middel dat God gebruikt. Zie verder de Inleiding op Psalm 74, een psalm die ook over de verwoesting van de tempel gaat.


Door de heidenvolken vertrapt

1Een psalm van Asaf.
O God, heidenvolken zijn in Uw eigendom gekomen,
zij hebben Uw heilige tempel verontreinigd,
zij hebben Jeruzalem tot een puinhoop gemaakt.
2Zij hebben de dode lichamen van Uw dienaren
aan de vogels in de lucht tot voedsel gegeven,
het vlees van Uw gunstelingen
aan de [wilde] dieren van het land.
3Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten
en er was niemand die hen begroef.
4Wij zijn voor onze buren tot smaad geworden,
tot spot en schimp voor wie ons omringen.

Dit is “een psalm van Asaf” (vers 1a1Een psalm van Asaf.
O God, heidenvolken zijn in Uw eigendom gekomen,
zij hebben Uw heilige tempel verontreinigd,
zij hebben Jeruzalem tot een puinhoop gemaakt.
)
. Zie bij Psalm 50:1. De Godvrezende, ofwel het gelovig overblijfsel in de eindtijd, klaagt erover tegen God dat “heidenvolken” in Zijn eigendom gekomen zijn (vers 1b1Een psalm van Asaf.
O God, heidenvolken zijn in Uw eigendom gekomen,
zij hebben Uw heilige tempel verontreinigd,
zij hebben Jeruzalem tot een puinhoop gemaakt.
)
. Die heidenvolken trekken zich niets aan van Gods eigendomsrecht op Zijn land. Ze zijn het brutaalweg het land binnengevallen. Daarna zijn zij doorgestoten naar Gods “heilige tempel” en hebben die “verontreinigd” door er als heidenen binnen te gaan en verwoestingen aan te richten. Ten slotte hebben zij Gods stad “Jeruzalem tot een puinhoop gemaakt” (vgl. 2Kr 36:17-1817Toen deed Hij de koning van de Chaldeeën tegen hen optrekken, die hun jongemannen in het huis van hun heiligdom met het zwaard doodde. Hij spaarde de jongemannen, de meisjes, de ouderen en de stokouden niet. [God] gaf hen allen in zijn hand.18Alle voorwerpen van het huis van God, de grote en de kleine, de schatten van het huis van de HEERE en de schatten van de koning en zijn vorsten: dat alles bracht hij naar Babel.).

Wij kunnen ons er nauwelijks een voorstelling van maken wat dit allemaal voor de Godvrezende Jood moet hebben betekend. Jeruzalem is de stad die God uitgekozen heeft om daar Zijn Naam te laten wonen. In die stad heeft Hij Zijn woning waarin Hij te midden van Zijn volk woont en hen ontvangt. Daar heeft Hij Zijn troon, vanwaar Hij over Zijn volk tot hun zegen regeert. Dit is allemaal verdwenen. Het lijkt alsof God de nederlaag heeft geleden en Zijn volk gedoemd is uit te sterven.

Zij die in Jeruzalem God hebben gediend, zijn genadeloos gedood (vers 22Zij hebben de dode lichamen van Uw dienaren
aan de vogels in de lucht tot voedsel gegeven,
het vlees van Uw gunstelingen
aan de [wilde] dieren van het land.
)
. “De dode lichamen van Uw dienaren” zijn door de vijanden niet begraven, maar “aan de vogels in de lucht tot voedsel gegeven” (vgl. Jr 34:2020Ja, Ik zal hen geven in de hand van hun vijanden en in de hand van hen die hen naar het leven staan. Hun dode lichamen zullen de vogels in de lucht en de dieren op de aarde tot voedsel zijn.). De smaad van de nederlaag wordt zeer vergroot doordat de lichamen niet worden begraven. De indringers hebben “het vlees van Uw gunstelingen aan de [wilde] dieren van het land” gegeven.

Het overblijfsel spreekt over zichzelf als ‘Uw dienaren’ en ‘Uw gunstelingen’. Ze willen God als het ware eraan te herinneren wie zij voor Hem zijn. Ze hebben Hem toch gediend en ze staan toch in Zijn gunst, Hij heeft hen toch lief? Hoe kan Hij dan, ogenschijnlijk, werkeloos blijven toezien hoe zij worden afgeslacht en als voedsel aan de vogels en de wilde dieren worden gegeven?

De heidenvolken hebben hun bloed “rondom Jeruzalem als water vergoten” (vers 33Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten
en er was niemand die hen begroef.
; vgl. Op 14:17-2017En een andere engel kwam uit de tempel die in de hemel is, en ook hij had een scherpe sikkel.18En een andere engel, die macht had over het vuur, <kwam> uit het altaar; en hij riep met luider stem tegen hem die de scherpe sikkel had en zei: Zend uw scherpe sikkel en oogst de trossen van de wijnstok van de aarde, want zijn druiven zijn rijp.19En de engel sloeg zijn sikkel op de aarde en oogstte van de wijnstok van de aarde en wierp het in de grote wijnpersbak van de grimmigheid van God.20En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden en er kwam bloed uit de wijnpersbak tot aan de tomen van de paarden, zestienhonderd stadiën ver.)
. De slachting is groot, maar er is “niemand die hen begroef”. De vijanden laten niet toe dat de lichamen van hen die zijn omgekomen, worden begraven (vgl. Op 11:7-97En wanneer zij hun getuigenis voleindigd zullen hebben, zal het beest dat uit de afgrond opstijgt, oorlog met hen voeren en hen overwinnen en hen doden.8En hun lijk [zal liggen] op de straat van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, waar ook hun Heer gekruisigd is.9En [zij] uit de volken en geslachten en talen en naties zien hun lijk drie en een halve dag, en zij laten niet toe dat hun lijken in een graf gelegd worden.). Ze zien hun slachtoffers als minderwaardige wezens die geen begrafenis waard zijn.

Bij alle smaad komt ook nog de smaad van de buurvolken (vers 44Wij zijn voor onze buren tot smaad geworden,
tot spot en schimp voor wie ons omringen.
)
. Zij hebben met leedvermaak de verwoesting van Jeruzalem en de slachtpartij onder de bevolking gadegeslagen. We kunnen hierbij denken aan de Moabieten, Ammonieten, Filistijnen en Edomieten. Door alles wat Gods volk is overkomen, zijn ze “tot spot en schimp voor wie ons omringen”. Die spot en schimp worden door het gelovig overblijfsel diep gevoeld. Dit is ook wat de Heer Jezus in overvloed heeft ervaren, niet alleen van de heidenvolken, maar ook van de ongelovige massa van Gods volk.


Hoelang nog?

5Hoelang [nog], HEERE? Zult U voor altijd toornig zijn?
Hoelang zal Uw na-ijver branden als vuur?
6Stort Uw grimmigheid uit over de heidenvolken,
die U niet kennen;
over de koninkrijken
die Uw Naam niet aanroepen.
7Want men heeft Jakob verslonden,
zij hebben zijn [lieflijke] woning verwoest.
8Denk niet aan onze vroegere misdaden,
haast U, laat Uw barmhartigheid ons te hulp komen,
want wij zijn volledig uitgeteerd.

De uitroep “hoelang [nog], HEERE? is een uitroep van geloof die in wanhoop wordt gedaan (vers 55Hoelang [nog], HEERE? Zult U voor altijd toornig zijn?
Hoelang zal Uw na-ijver branden als vuur?
)
. Het is niet de taal van ongeduld, maar van angst. Het is geen klacht, maar verbazing. Ze vragen aan God: “Zult U voor altijd toornig zijn?” De vraag naar “hoelang” is een uiting van het geloof dat er een einde komt aan de toorn van God. Wat de vijanden hebben gedaan, zien zij terecht als een uiting van Gods toorn over hun zonden. Daarom vragen ze niet ‘waarom’. Ze weten dat ze Zijn “na-ijver” hebben opgewekt door hun afgoderij, die ontrouw is tegenover Hem. Zijn na-ijver brandt als vuur. Maar hoelang zal dat nog duren?

De Godvrezenden vragen dan aan God om Zijn grimmigheid uit te storten “over de heidenvolken die U niet kennen” (vgl. 2Th 1:88als Hij wraak brengt over hen die God niet kennen en over hen die het evangelie van onze Heer Jezus niet gehoorzamen.) en “over de koninkrijken die Uw Naam niet aanroepen” (vers 66Stort Uw grimmigheid uit over de heidenvolken,
die U niet kennen;
over de koninkrijken
die Uw Naam niet aanroepen.
; vgl. Jr 10:2525Stort Uw grimmigheid uit over de heidenvolken
die U niet kennen,
over de geslachten
die Uw Naam niet aanroepen.
Zij hebben immers Jakob verslonden, ja, hem verslonden, aan hem een einde gemaakt,
en zijn woonplaats verwoest.
)
. De heidenvolken roepen niet tot God, maar tot hun eigengemaakte afgoden. De vraag aan God om Zijn grimmigheid uit te storten is geen uiting van wraakzucht, maar de vraag om het uitoefenen van gerechtigheid. De rechtvaardige doet het niet zelf, maar laat het aan God over (vgl. 2Tm 4:1414Alexander de kopersmid heeft mij veel kwaad berokkend; de Heer zal hem vergelden naar zijn werken.).

Er moet gerechtigheid geschieden, want de volken gaan aan God voorbij en handelen naar eigen goeddunken. Dat God hen gebruikt als tuchtroede voor Zijn volk, betekent niet dat Hij hun gedrag goedkeurt. God kan het zondige handelen van de mens voor het vervullen van Zijn plannen gebruiken.

Zij verdienen Gods oordeel, “want” zij hebben “Jakob verslonden” en de “[lieflijke] woning” van God in hun midden verwoest (vers 77Want men heeft Jakob verslonden,
zij hebben zijn [lieflijke] woning verwoest.
)
. Jakob is de naam voor het volk als voorwerp van Gods tucht. In dat volk is ook de “[lieflijke] woning” van Jakob. Het eigendomsland van God heeft Hij Jakob gegeven om daarin te wonen. In de woningen van Jakob woont Hij bij hen (vgl. Nm 24:55Hoe goed zijn uw tenten, Jakob!
uw woningen, Israël!
; Ps 83:1313die zeiden: Laten wij [deze] woningen van God
voor onszelf in bezit nemen.
)
.

De Godvrezende erkent dat de verwoesting van stad en tempel het gevolg zijn van de zonden van het volk (vers 88Denk niet aan onze vroegere misdaden,
haast U, laat Uw barmhartigheid ons te hulp komen,
want wij zijn volledig uitgeteerd.
)
. Ze vragen aan God om “niet aan onze vroegere misdaden” te denken. Die misdaden zijn er, dat beseffen ze. Hun vraag aan God daar niet aan te denken betekent een nederig verzoek om vergeving, waardoor God deze misdaden uit Zijn geheugen verwijdert.

Nu doen ze een beroep op God om Zich te haasten en hen met Zijn barhartigheid te hulp te komen. Dit beroep doen ze omdat ze “volledig uitgeteerd” zijn. Er is in hen geen kracht overgebleven. Ze zijn uitgeput. Hun beroep op Gods barmhartigheid is het enige gepaste beroep dat ze kunnen doen. Iemand heeft barmhartigheid nodig als hij zich in ellendige omstandigheden bevindt. Dat is met hen het geval.


Roep om redding en vergelding

9Help ons, o God van ons heil,
omwille van de eer van Uw Naam;
red ons en doe verzoening over onze zonden,
omwille van Uw Naam.
10Waarom zouden de heidenvolken zeggen:
Waar is hun God?
Laat de wraak voor het vergoten bloed van Uw dienaren
bekend worden voor onze ogen onder de heidenvolken.
11Laat het gekerm van de gevangenen voor Uw aangezicht komen,
laat wie ten dode zijn opgeschreven, overeenkomstig de grootheid van Uw arm het leven behouden.
12Vergeld onze buren zevenvoudig de smaad in hun boezem
die zij U, Heere, aangedaan hebben.

Hun gebed om hulp richten ze tot de “God van ons heil” (vers 99Help ons, o God van ons heil,
omwille van de eer van Uw Naam;
red ons en doe verzoening over onze zonden,
omwille van Uw Naam.
)
. Ze zien in God hun Heiland, hun Redder en Behouder. Als grond voor hun hulpvraag voeren ze – niet dat zij Zijn volk zijn, maar – “de eer van Uw Naam” aan. Ze denken in de eerste plaats aan Gods eer. God is oneer aangedaan. De eer van Zijn Naam is verbonden aan Zijn belofte dat Hij trouw is aan Zijn verbond met hen en aan de beloften die Hij heeft gedaan, ook al is de mens ontrouw.

Zij hebben het recht op Zijn beloften verspeeld door niet trouw te zijn aan Zijn verbond. Dat beseffen ze. Ze hebben het verbond door hun zonden overtreden en verbroken. Daarom hebben ze redding door vergeving van hun zonden nodig. De enige mogelijkheid daartoe is dat Hij “verzoening over onze zonden” doet. Verzoening over de zonden betekent bedekking van de zonden door het bloed van het Lam. Als grond voor deze vraag voeren ze– niet hun nood, maar – “Uw Naam” aan (vgl. Nm 14:13-1913Maar Mozes zei tegen de HEERE: Dan zullen de Egyptenaren het horen; immers, U hebt door Uw kracht dit volk uit hun midden geleid.14Zij zullen [het] zeggen tegen de inwoners van dit land, [die] gehoord hebben dat U, HEERE, in het midden van dit volk bent, dat U oog in oog gezien wordt, HEERE, en dat Uw wolk boven hen staat, en dat U overdag in een wolkkolom voor hen uit gaat en 's nachts in een vuurkolom.15Zou U dit volk als één man doden, dan zullen de volken die bij geruchte van U gehoord hebben, zeggen:16Omdat de HEERE dit volk niet in het land kon brengen dat Hij hun gezworen had, daarom heeft Hij hen in de woestijn afgeslacht.17Nu dan, laat toch de kracht van de Heere groot worden, zoals U gesproken hebt:18De HEERE is geduldig en rijk aan goedertierenheid, Hij vergeeft de ongerechtigheid en de overtreding, Hij houdt [de schuldige] zeker niet voor onschuldig en vergeldt de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, tot in het derde en het vierde [geslacht].19Vergeef toch de ongerechtigheid van dit volk, overeenkomstig de grootheid van Uw goedertierenheid, en zoals U dit volk vergeven hebt, vanaf Egypte tot hier toe.).

Nu hun vraag met betrekking tot hun zonden is geregeld, keert het overblijfsel in hun gebed terug naar de heidenvolken (vers 1010Waarom zouden de heidenvolken zeggen:
Waar is hun God?
Laat de wraak voor het vergoten bloed van Uw dienaren
bekend worden voor onze ogen onder de heidenvolken.
)
. De heidenvolken blijven maar zeggen: “Waar is hun God?” (vgl. Jl 2:1717Laten de priesters, de dienaren van de HEERE, wenen
tussen de voorhal en het altaar,
en laten zij zeggen:
Ontzie Uw volk, HEERE,
geef Uw erfelijk bezit niet over aan smaad,
zodat de heidenvolken over hen zouden heersen.
Waarom zouden ze onder de volken zeggen:
Waar is hun God?
)
. De rechtvaardigen vragen aan God om die vraag eens en voor altijd te beantwoorden door Zich in wraak aan die volken te openbaren.

God moet in de uitoefening van “wraak voor het vergoten bloed van Uw dienaren bekend worden” (vgl. Lk 11:5151van [het] bloed van Abel af tot [het] bloed van Zacharia, die omkwam tussen het altaar en het huis; ja, zeg Ik u, het zal worden geëist van dit geslacht.; Op 17:66En ik zag de vrouw dronken van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus. En toen ik haar zag, verwonderde ik mij met grote verwondering.; 18:2424En in haar werd gevonden [het] bloed van profeten en heiligen en van allen die op de aarde geslacht zijn.). Dat moet “voor onze ogen onder de heidenvolken” gebeuren. Als ze Gods wraak zien, zullen ze weten dat Hij vóór hen is en niet tegen hen. Al de spottende beweringen van de vijanden zullen daardoor worden gelogenstraft.

Hun vraag om wraak komt niet voort uit haat of bitterheid. Ze vragen erom omdat ze in nood zijn en naar bevrijding uit hun nood verlangen. Die bevrijding ligt in het oordeel over de vijanden, die dit oordeel verdienen omdat ze zich aan Gods dienaren hebben vergrepen.

God moet “het gekerm van de gevangenen” voor Zijn aangezicht laten komen (vers 1111Laat het gekerm van de gevangenen voor Uw aangezicht komen,
laat wie ten dode zijn opgeschreven, overeenkomstig de grootheid van Uw arm het leven behouden.
; vgl. Ex 2:2424Toen hoorde God hun gekerm, en God dacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak en met Jakob.; 6:4-54Bovendien heb Ik Zelf het gekerm gehoord van de Israëlieten, die de Egyptenaren [voor zich] laten werken, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht.5Zeg daarom tegen de Israëlieten: Ik ben de HEERE. Ik zal u uitleiden van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren. Ik zal u redden uit hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm en door zware strafgerichten.; Zc 14:22Dan zal Ik alle heidenvolken verzamelen voor de strijd tegen Jeruzalem. De stad zal ingenomen worden, de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen verkracht worden. De helft van de stad zal in ballingschap wegtrekken, maar het overige van het volk zal niet uitgeroeid worden uit de stad.)
. De Godvrezenden vragen aan God om Zich het lijden van hen die als gevangenen zijn weggevoerd persoonlijk aan te trekken. Deze gevangenen zijn “ten dode … opgeschreven”. Als God “overeenkomstig de grootheid van Uw arm” tussenbeide komt, zullen zij “het leven behouden”. Mozes gebruikt de uitdrukking “de grootheid van Uw arm” ook (Ex 15:1616       Op hen viel
                        verschrikking en angst.
            Door de grootheid van Uw arm
                        verstomden zij als een steen,
            terwijl Uw volk, HEERE, erdoorheen trok,
                        terwijl dit volk, dat U verworven hebt, erdoorheen trok.
)
. Gods arm staat voor Zijn kracht. Die kracht wordt ten volle zichtbaar in de Heer Jezus (Js 53:11Wie heeft onze prediking geloofd,
en aan wie is de arm van de HEERE geopenbaard?
; 1Ko 1:2424maar voor de geroepenen zelf, zowel Joden als Grieken, Christus, [de] kracht van God en [de] wijsheid van God;)
.

Het gebed om vergelding is om wat de buurvolken de “Heere” hebben aangedaan (vers 1212Vergeld onze buren zevenvoudig de smaad in hun boezem
die zij U, Heere, aangedaan hebben.
)
. Zij spotten met God omdat Hij niet in staat zou zijn om Zijn eigendom te beschermen. Hij heeft Zijn eigen stad en heiligdom niet kunnen redden van de verwoesting. Hij heeft het immers niet verhinderd of bestraft?

God kan die smaad wegnemen door de vijanden “zevenvoudig”, ofwel volledig – zeven is het getal van volmaaktheid –, “in hun boezem” het door hen bedreven kwaad tegen Hem te vergelden. Wat iemand in zijn boezem heeft, ziet niemand. Het is een plek waar je dingen verbergt. Het ziet op het innerlijk van de mens, waar mensen hun overtredingen kunnen verbergen (vgl. Jb 31:3333Als ik, zoals Adam, [ooit] mijn overtredingen bedekt heb,
door mijn ongerechtigheid in mijn binnenste te verbergen,
)
. Maar God kent het innerlijk van ieder mens door en door. Hij is daarom in staat ook het innerlijke kwaad in het innerlijk te vergelden.


Belofte om God te loven

13Dan zullen wíj, Uw volk en de schapen van Uw weide,
U voor eeuwig loven;
van generatie op generatie
zullen wij van Uw roem vertellen.

Het gelovig overblijfsel doet God een belofte. Ze doen dat als “Uw volk en de schapen van Uw weide”. God is Koning van Zijn volk en Herder van de schapen die in Zijn land weiden. Hij doet Zich op dit moment nog niet zo kennen, maar dat zal gebeuren (Ez 37:22,2422Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.24En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden.). Zo zien ze zichzelf, al zijn ze nu met geweld uit hun land weggevoerd. Ze zijn nu ‘Lo-Ammi’, dat is ‘niet Gods volk’ (Hs 1:99En Hij zei:
Geef hem de naam Lo-Ammi,
want u bent niet Mijn volk
en Ík zal er voor u niet zijn.
)
en bevinden zich buiten Gods ‘weide’.

Als God wraak neemt en vergelding over de vijanden brengt, zullen zij Hem “voor eeuwig loven”. Ze leggen er de nadruk op dat zij, “wíj”, dat zullen doen. Ook zullen ze “van generatie op generatie … Uw roem vertellen”. De roem van God Die Hij als Krijgsman heeft, willen ze doorgeven. Dit gebeurt door al Gods daden vast te leggen in de Schrift. Generatie op generatie krijgt zo de roem van God te horen.


Lees verder