Psalmen
Inleiding 1-4 Doorgeven wat God heeft gedaan 5-8 Doorgeven wat God heeft gezegd 9-11 Ongehoorzaam en vergeetachtig 12-16 God verlost en zorgt 17-22 Het volk stelt God op de proef 23-31 Brood, vlees en gulzigheid 32-39 Oordeel, barmhartigheid en verzoening 40-51 Gods macht in de verlossing 52-55 Door de woestijn geleid en in het land gebracht 56-58 De afkerigheid van het volk 59-64 Prijsgegeven aan het oordeel 65-72 God verkiest Juda, Sion en David
Inleiding

Deze psalm geeft een overzicht van de geschiedenis van Israël. Asaf geeft daarin onderwijs over wat God gedaan heeft voor Zijn volk en hoe het volk daarop heeft gereageerd. Dit laatste heeft weer een antwoord van God tot gevolg. Uit de geschiedenis van Gods volk blijkt hun voortdurende ontrouw. Uit Gods antwoord blijkt Zijn genadige verkiezing, waardoor Hij toch Zijn plannen van zegen voor hen uitvoert. God heeft het volk lief en beschermt het, wat ook inhoudt dat Hij het straft en tuchtigt als het van Hem afwijkt.

Het doel van de psalm is om ons lessen te leren uit het verleden. Ons wordt in de geschiedenis van Gods aardse volk een spiegel voorgehouden om ons te laten zien waartoe wij in staat zijn. Dat is om ons te waarschuwen niet in dezelfde fouten te vallen (1Ko 10:6,116En deze dingen gebeurden tot voorbeelden voor ons, opdat wij geen begeerte in [het] kwade zouden hebben, zoals zij er begeerte in hadden.11<Al> deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, op wie de einden van de eeuwen zijn gekomen.). Ook geldt voor ons dat we in deze geschiedenis zien waartoe God ondanks ons falen in staat is.


Doorgeven wat God heeft gedaan

1Een onderwijzing van Asaf.
Mijn volk, neem mijn onderricht ter ore,
neig uw oor tot de woorden van mijn mond.
2Ik wil mijn mond met spreuken opendoen
en van aloude verborgenheden doen overvloeien,
3die wij gehoord hebben en weten
en onze vaders ons verteld hebben.
4Wij zullen ze niet verbergen voor hun kinderen,
[maar] aan de volgende generatie
de loffelijke daden van de HEERE vertellen,
Zijn kracht en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.

Dit is de tiende van de in totaal dertien psalmen die “een onderwijzing” (vers 1a1Een onderwijzing van Asaf.
Mijn volk, neem mijn onderricht ter ore,
neig uw oor tot de woorden van mijn mond.
)
zijn, de zogenoemde ‘maskilpsalmen’ (Psalmen 32; 42, 44; 45; 52; 53; 54; 55; 74; 78; 88; 89; 142). Maskilpsalmen houden onderwijs in voor het gelovig overblijfsel van Israël in de eindtijd. Zie verder bij Psalm 32:1. Het is een onderwijzing “van Asaf”. Zie verder bij Psalm 50:1.

Asaf richt zich tot Gods volk als “mijn volk” (vers 1b1Een onderwijzing van Asaf.
Mijn volk, neem mijn onderricht ter ore,
neig uw oor tot de woorden van mijn mond.
)
. Hiermee geeft hij aan dat hij er niet buiten staat, maar er deel van uitmaakt. Hij vraagt hun om “mijn onderricht ter ore” te nemen, want hij heeft hun belangrijke dingen te zeggen (vgl. Dt 4:11Nu dan, Israël, luister naar de verordeningen en de bepalingen die ik u leer te doen; opdat u leeft en u het land dat de HEERE, de God van uw vaderen, u geeft, binnengaat en in bezit neemt.; 32:11Hoor [mij] aan, hemel, dan zal ik spreken!
Laat de aarde de woorden van mijn mond horen.
; Js 1:22Luister, hemel,
neem ter ore, aarde!
Want de HEERE spreekt:
Ik heb kinderen grootgebracht en doen opgroeien,
maar zíj zijn tegen Mij in opstand gekomen.
)
. Ze moeten ook niet alleen luisteren, maar hun “oor tot de woorden van mijn mond” neigen. Dat ziet op een gezindheid om aandachtig te luisteren met de bereidwilligheid om te doen wat er wordt gezegd.

Er is een verlangen in Asaf om zijn volk te dienen “met spreuken” (vers 22Ik wil mijn mond met spreuken opendoen
en van aloude verborgenheden doen overvloeien,
; vgl. Sp 1:66om een spreuk en een spreekwoord te begrijpen,
woorden van wijzen en hun raadsels.
)
. Het woord voor ‘spreuken’ is mashal, wat betekent onderwijs door vergelijking. Het zijn “aloude verborgenheden” die door hem in het licht worden gesteld om een nieuwe generatie te onderwijzen. Die verborgenheden zijn een rijke schat, want hij zal zijn mond “doen overvloeien”.

Het gebruik van gelijkenissen door de Heer Jezus is de vervulling van dit woord van Asaf (Mt 13:34-3534Al deze dingen sprak Jezus in gelijkenissen tot de menigten, en zonder gelijkenis sprak Hij niet tot hen,35opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet, die zei: ‘Ik zal mijn mond opendoen in gelijkenissen; ik zal dingen uitspreken die van [de] grondlegging <van [de] wereld> af verborgen zijn geweest’.). De Heer plaatst in Mattheüs 13 ‘aloude verborgenheden’ op een nieuwe wijze in het licht en wel door gebruik te maken van gelijkenissen of vergelijkingen.

Het doel van de wijsheidsleraar is de geschiedenis van Israël door te geven vanuit Gods perspectief. Daarvoor put hij uit wat hij heeft gehoord van “onze vaders” (vers 33die wij gehoord hebben en weten
en onze vaders ons verteld hebben.
)
. Opnieuw benadrukt hij zijn verbondenheid met zijn volk, nu door over hun gemeenschappelijke vaders, “onze vaders”, te spreken. Hij en zij hebben het gehoord en weten het. Ze zijn ervan op de hoogte. Hun vaders hebben het hem en zijn tijdgenoten, “ons” verteld.

Het is voor ouders van nu een belangrijke aanwijzing om aan hun kinderen en kleinkinderen door te geven wat ze in de omgang met God uit het Woord van God hebben geleerd (vgl. Ex 12:26-2726En het zal gebeuren, als uw kinderen tegen u zullen zeggen: Wat betekent deze dienst voor u?27dat u moet zeggen: Dit is een Pascha-offer voor de HEERE, Die in Egypte de huizen van de Israëlieten voorbijging, toen Hij de Egyptenaren trof en onze huizen bevrijdde. Toen knielde het volk en boog zich neer.; 13:14-1614Het zal gebeuren, als uw zoon u morgen vraagt: Wat is dit? dat u tegen hem zult zeggen: De HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte, uit het slavenhuis, geleid.15Want toen de farao zich verhardde [en weigerde] ons te laten gaan, gebeurde het dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte doodde, van de eerstgeborene van de mens tot de eerstgeborene van het vee toe. Daarom offer ik aan de HEERE de mannetjes van alles wat de baarmoeder opent, maar alle eerstgeborenen van mijn zonen koop ik vrij.16Dit zal tot een teken zijn op uw hand en tot een band tussen uw ogen, want de HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid.). Het doorvertellen ervan maakt het voor de ouders opnieuw groot. Ze zullen er God voortdurend voor prijzen en groot maken.

Het legt op allen die het hebben gehoord de verantwoordelijkheid het gehoorde niet te verbergen “voor hun kinderen”, dat zijn allen die tot Gods volk behoren (vers 44Wij zullen ze niet verbergen voor hun kinderen,
[maar] aan de volgende generatie
de loffelijke daden van de HEERE vertellen,
Zijn kracht en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.
)
. De opdracht is Gods daden “aan de volgende generatie” te “vertellen”. Deze daden noemt hij “de loffelijke daden van de HEERE … Zijn kracht en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft”.

Het is een vreugde om al de verschillende handelingen van God door te geven aan hen die na ons komen. God is het waard om vanwege al Zijn daden geloofd en geprezen te worden. Het zijn met recht ‘loffelijke daden’ ofwel ‘te loven daden’. God openbaart in die daden Zijn kracht. Ook de wonderen die Hij heeft gedaan, brengen Zijn volk tot lof aan Hem. Alles waarin God Zich openbaart, heeft die uitwerking op hen die er oog voor hebben.


Doorgeven wat God heeft gezegd

5Want Hij heeft een getuigenis ingesteld in Jakob,
een wet vastgesteld in Israël;
die heeft Hij onze vaderen geboden
om ze hun kinderen bekend te maken,
6opdat de volgende generatie [ze] zal kennen,
de kinderen die geboren zullen worden,
[en] zij opstaan en [ze weer] aan hun kinderen vertellen;
7zodat zij hun hoop op God stellen
en Gods daden niet vergeten,
maar Zijn geboden in acht nemen,
8en niet worden als hun vaderen:
een opstandige en ongehoorzame generatie,
een generatie [die] zijn hart niet richtte [op God]
en van wie de geest niet trouw was aan God.

God heeft Zich geopenbaard in Zijn kracht en Zijn wonderen. Hij heeft Zich ook geopenbaard in het “getuigenis” ofwel de “wet” die Hij Zijn volk heeft gegeven (vers 55Want Hij heeft een getuigenis ingesteld in Jakob,
een wet vastgesteld in Israël;
die heeft Hij onze vaderen geboden
om ze hun kinderen bekend te maken,
)
. ‘Getuigenis’ is meer gericht op het volk, tot wie Gods wet komt, voor wie Gods wet is bedoeld. Bij ‘wet’ gaat het meer om God, Die de wet heeft gegeven, het gezag van de wet als van Hem afkomstig.

Alles wat Gods volk doet, vindt zijn oorsprong in Gods Woord. Niet ervaring bepaalt ons leven, maar wat God heeft “ingesteld” en “vastgesteld”. Het getuigenis is “ingesteld in Jakob”. Dat ziet op de praktijk van het volk, hoe het volk een getuigenis van God kan zijn ten opzichte van de volken om hen heen. De wet is “vastgesteld in Israël”. Dat ziet op de positie van het volk, wat het volk voor God betekent, wat Hij van hen heeft gemaakt. Daaruit volgt dat het in overeenstemming daarmee moet leven om voor Hem tot een vreugde te zijn.

Deze twee aspecten heeft God “de vaderen geboden om ze hun kinderen bekend te maken” (vgl. Dt 6:77U moet ze uw kinderen inprenten en erover spreken, als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat.). De kinderen moeten leren hoe ze van God kunnen getuigen en tot Gods eer kunnen leven om dat vervolgens weer door te geven aan hun kinderen (vers 66opdat de volgende generatie [ze] zal kennen,
de kinderen die geboren zullen worden,
[en] zij opstaan en [ze weer] aan hun kinderen vertellen;
)
. Dat kan alleen door hun Gods Woord te onderwijzen.

Het doorgeven van Gods Woord aan de volgende generatie is ook voor ons een belangrijke opdracht. Timotheüs krijgt niet alleen de bevestiging dat wat hij van Paulus heeft gehoord de waarheid is, maar hij moet die waarheid ook zelf weer onveranderd doorgeven (2Tm 2:22en wat je van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan trouwe mensen, die bekwaam zullen zijn ook anderen te leren.). Dit is de gewone manier om de waarheid te laten voortgaan.

Paulus geeft Timotheüs niet een bepaald gezag. Hij wijdt hem ook niet op een speciale manier. De Bijbel kent niet zoiets als een ambtelijk recht om te prediken, iets wat alleen door mensen met een theologische opleiding zou mogen gebeuren. Het doorgeven van de waarheid van Gods Woord is de verantwoordelijkheid van iedere gelovige. Dit geldt in bijzondere mate voor ouders ten opzichte van hun kinderen en voor grootouders ten opzichte van hun kleinkinderen.

Ouders moeten door hun voorbeeld en hun onderwijs hun kinderen leren om “hun hoop op God” te stellen (vers 77zodat zij hun hoop op God stellen
en Gods daden niet vergeten,
maar Zijn geboden in acht nemen,
; vgl. Sp 22:1919Opdat uw vertrouwen op de HEERE zal zijn,
maak ik [het] heden aan u bekend, ja, aan u!
)
. Wie zijn hoop op iets of iemand anders dan op God stelt, vraagt om ellende. Daarbij hoort dat “Gods daden niet vergeten” worden. Gods daden getuigen ervan dat hoop op Hem nooit teleurstelt. Direct daaraan verbonden is “Zijn geboden in acht nemen”. Hoop of vertrouwen op God is alleen gerechtvaardigd voor wie naar Hem luistert met het verlangen te doen wat Hij zegt.

Door God en Zijn daden en Zijn geboden voor ogen te houden zullen de kinderen ervoor bewaard blijven te worden als hun vaderen (vers 88en niet worden als hun vaderen:
een opstandige en ongehoorzame generatie,
een generatie [die] zijn hart niet richtte [op God]
en van wie de geest niet trouw was aan God.
)
. Asaf houdt de kinderen voor hoe God hun vaderen beoordeelt. Het is “een opstandige en ongehoorzame generatie”. De oorzaak daarvan is dat deze generatie “zijn hart niet richtte [op God]” en dat “de geest niet trouw was aan God”.

Als er in hart en geest geen vertrouwen is op God, is opstand en ongehoorzaamheid het gevolg. Het ‘hart’ is het bestuursorgaan van het hele leven (Sp 4:2323Bescherm je hart boven alles wat te behoeden is,
want daaruit zijn de uitingen van het leven.
)
. De ‘geest’ is bedoeld om gemeenschap met God te hebben. De geest kan zich echter bezighouden met tal van andere zaken dan God, ontrouw worden en verontreinigd worden (2Ko 7:11Daar wij dan deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bevlekking van [het] vlees en van [de] geest, en [de] heiligheid volbrengen in [de] vrees van God.). Daarom moet Gods volk op hun hoede zijn met hun geest, wat de profeet Maleachi twee keer en daardoor met nadruk zegt (Ml 2:15-1615Heeft Hij [er] niet maar één gemaakt,
hoewel Hij [nog] geest overhad?
En waarom die ene?
Hij zocht een goddelijk nageslacht.
Daarom, wees op uw hoede met uw geest,
en handel niet trouweloos tegen de vrouw van uw jeugd.16Want de HEERE, de God van Israël, zegt
dat Hij het wegsturen [van de eigen] vrouw haat,
hoewel men het geweld bedekt met zijn gewaad,
zegt de HEERE van de legermachten.
Wees dus op uw hoede met uw geest
en handel niet trouweloos.
)
.


Ongehoorzaam en vergeetachtig

9De zonen van Efraïm, gewapende boogschutters,
keerden om op de dag van de strijd.
10Zij namen Gods verbond niet in acht
en weigerden te wandelen in Zijn wet.
11Zij vergaten Zijn daden
en Zijn wonderen, die Hij hun had laten zien.

Ondanks Gods daden en Gods wet zijn “de zonen van Efraïm”, dat is Israël, van God afgeweken (vers 99De zonen van Efraïm, gewapende boogschutters,
keerden om op de dag van de strijd.
)
. Zij zijn “gewapende boogschutters”. Maar op het moment dat ze hun wapens en bekwaamheid hebben moeten gebruiken, dat is “op de dag van de strijd”, zijn ze omgekeerd en gevlucht. Het is niet bekend om welke gebeurtenis het hier gaat. Dat is ook niet belangrijk. Waar het om gaat, is dat de belangen van God hun niet aan het hart zijn gegaan. Ze hebben meer waarde gehecht aan hun eigen leven dan zich in te zetten voor God en Zijn volk.

Hun laffe houding op de dag van de strijd is het gevolg van een verkeerde gesteldheid van het hart. Dat blijkt uit de beschuldiging die tegen hen wordt ingebracht, dat ze “Gods verbond niet in acht” hebben genomen (vers 1010Zij namen Gods verbond niet in acht
en weigerden te wandelen in Zijn wet.
)
. Als we iets niet in acht nemen, wil dat zeggen dat we kwetsbaar worden voor foute keuzes of ons openstellen voor onheil. Behalve de schuldige nalatigheid Gods verbond niet in acht te nemen is er de bewuste weigering om “te wandelen in Zijn wet”.

Zo hebben ze God de rug toegekeerd, ze zijn Hem uit oog en hart verloren. God is niet hun hoop (vers 77zodat zij hun hoop op God stellen
en Gods daden niet vergeten,
maar Zijn geboden in acht nemen,
)
, waardoor ze “Zijn daden en Zijn wonderen, die Hij hun had laten zien”, zijn vergeten (vers 1111Zij vergaten Zijn daden
en Zijn wonderen, die Hij hun had laten zien.
)
. In het boek Deuteronomium houdt Mozes het volk regelmatig voor wat ze met hun eigen ogen van Gods daden hebben gezien en nog zullen zien (Dt 4:3,9,343Uw ogen hebben gezien wat de HEERE gedaan heeft vanwege Baäl-Peor: dat de HEERE, uw God, iedereen die achter Baäl-Peor aan ging, uit uw midden weggevaagd heeft.9Alleen, wees op uw hoede en neem uzelf zeer in acht! Anders vergeet u de dingen die uw ogen gezien hebben, en anders wijken ze uit uw hart alle dagen van uw leven. U moet ze uw kinderen en uw kleinkinderen bekendmaken:34Of heeft God [ooit] getracht om voor Zich een volk uit het midden van een [ander] volk weg te halen, met beproevingen, met tekenen, met wonderen en met strijd, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met grote ontzagwekkende daden, zoals de HEERE, uw God, dat alles met u in Egypte voor uw ogen gedaan heeft?; 7:19,2219de grote beproevingen die uw ogen gezien hebben, de tekenen, de wonderen, de sterke hand en de uitgestrekte arm waarmee de HEERE, uw God, u uitgeleid heeft. Zo zal de HEERE, uw God, doen met al de volken voor wie u bevreesd bent.22De HEERE, uw God, zal deze volken van voor uw [ogen] verdrijven, [maar] geleidelijk: u zult hen niet onmiddellijk kunnen vernietigen, anders zouden de dieren van het veld talrijker worden dan u.; 9:44Wanneer de HEERE, uw God, hen van voor uw [ogen] verjaagd heeft, zeg [dan] niet in uw hart: Vanwege míjn gerechtigheid heeft de HEERE mij in dit land gebracht om het in bezit te nemen. Want [het is] vanwege de goddeloosheid van deze volken [dat] de HEERE hen van voor uw [ogen] uit hun bezit verdrijft.; 10:2121Hij is uw lof en Hij is uw God, Die bij u deze grote en ontzagwekkende dingen gedaan heeft, die uw ogen gezien hebben.; 11:7,237Want uw ogen hebben al deze grote daden van de HEERE, die Hij verricht heeft, gezien.23dan zal de HEERE al deze volken van voor uw [ogen] uit hun bezit verdrijven, en zult u [het land van] volken die groter en machtiger zijn dan u, in bezit nemen.).

God laat ons Zijn daden en Zijn wonderen zien om ons geloof te versterken. Maar als er geen persoonlijke omgang met Hem is, hebben Zijn vroegere daden geen effect meer op ons omdat het geloof ontbreekt. Wie het wonder van de reiniging van zijn vroegere zonden vergeet, wordt blind en kortzichtig (2Pt 1:99Want hij bij wie deze dingen niet zijn, is blind, kortzichtig, en is de reiniging van zijn vroegere zonden vergeten.).


God verlost en zorgt

12Voor [de ogen] van hun vaderen had Hij wonderen gedaan
in het land Egypte, [in] het gebied van Zoan.
13Hij spleet de zee doormidden en deed hen erdoor gaan,
de wateren deed Hij rechtop staan als een dam.
14Hij leidde hen overdag met een wolk,
de hele nacht met een lichtend vuur.
15Hij spleet de rotsen doormidden in de woestijn
en liet hen overvloedig drinken als [uit] diepe wateren.
16Want Hij bracht stromen voort uit de rots
en deed water neerstorten als rivieren.

Asaf gaat voorbeelden noemen van wat God “voor [de ogen] van hun vaderen” aan “wonderen gedaan” heeft. Hij begint met de wonderen “in het land Egypte, [in] het gebied van Zoan” (vers 1212Voor [de ogen] van hun vaderen had Hij wonderen gedaan
in het land Egypte, [in] het gebied van Zoan.
)
. Hij herinnert hiermee aan het wonder van de bevrijding uit de slavernij van Egypte. Dit is het grote beginwonder, waaruit alle volgende wonderen zijn voortgekomen.

Hoe duidelijk heeft God toen ingegrepen door alle plagen die Hij over Egypte heeft gebracht. Wat plagen zijn voor Egypte, zijn voor Gods volk wonderen van God (Ex 3:2020Daarom zal Ik Mijn hand uitstrekken en Egypte treffen met al Mijn wonderen die Ik te midden daarvan doen zal. Daarna zal hij u laten gaan.; 4:2121De HEERE zei tegen Mozes: Nu u naar Egypte gaat terugkeren, zie [erop] toe dat u al de wonderen, waartoe Ik u in staat gesteld heb, vóór de farao doet. Ikzelf echter zal zijn hart verharden, zodat hij het volk niet zal laten wegtrekken.; 7:33Maar Ík zal het hart van de farao verharden en Mijn tekenen en Mijn wonderen in het land Egypte talrijk maken.; 11:9-109De HEERE nu had tegen Mozes gezegd: De farao zal naar u niet luisteren, zodat Mijn wonderen in het land Egypte [nog] talrijker worden.10Mozes en Aäron hebben al deze wonderen gedaan voor de farao, maar de HEERE verhardde het hart van de farao, zodat hij de Israëlieten niet uit zijn land liet gaan.). Zoan is de naam van de oude hoofdstad van Egypte, de zetel van de wijsheid (Js 19:1111De vorsten van Zoan zijn enkel dwazen;
de wijzen, de raadgevers van de farao – [hun] raad is dom.
Hoe kunt u [dan] tegen de farao zeggen:
Ik ben een zoon van wijzen, een zoon van de koningen vanouds?
)
. Maar die wijsheid heeft geen enkele van de plagen van God over Egypte kunnen tegenhouden.

En wat heeft Hij Zich ook daarna voor hen ingezet. Als ze voor de Rode Zee staan en geen kant op kunnen, splijt Hij “de zee doormidden en deed hen erdoor gaan” (vers 1313Hij spleet de zee doormidden en deed hen erdoor gaan,
de wateren deed Hij rechtop staan als een dam.
;)
. God splijt de wateren. Het woord ‘splijten’ geeft aan dat God een krachtige daad doet.

Water bezit niet de eigenschap om rechtop te staan. Maar God laat de wateren rechtop staan als een dam. Daardoor is er links en rechts van het volk een muur van water (Ex 14:21-2221Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee, en de HEERE liet de zee die hele nacht wegvloeien door een krachtige oostenwind. Hij maakte de zee droog, en het water werd doormidden gespleten.22Zo gingen de Israëlieten midden in de zee op het droge. Het water was voor hen aan hun rechter- en linkerhand een muur.). Hier kan de mens met het grootste intellect geen verklaring voor verzinnen. God kan dat doen en heeft het gedaan. Hij heerst over alle natuurelementen, want Hij heeft ze gemaakt.

Eenmaal in de woestijn leidt Hij Zijn volk (vers 1414Hij leidde hen overdag met een wolk,
de hele nacht met een lichtend vuur.
)
. Dat doet Hij “overdag met een wolk” en “de hele nacht met een lichtend vuur”. De leiding door de woestijn op deze manier is een groot wonder. De wolk overdag is behalve leiding ook een soort paraplu die tegen de hitte van de zon beschermt. Het lichtende vuur ontbreekt geen moment in de nacht. Het is geen gewoon licht, maar vuur dat licht verspreidt. Dit wijst erop dat de God Die Zijn volk door de nacht leidt dat doet als een God Die ook in de duisternis de zonde ziet en oordeelt (Hb 12:2929Immers, onze God is een verterend vuur.).

Net zo gemakkelijk als God de zee doormidden splijt (vers 1313Hij spleet de zee doormidden en deed hen erdoor gaan,
de wateren deed Hij rechtop staan als een dam.
)
, splijt Hij “de rotsen doormidden” (vers 1515Hij spleet de rotsen doormidden in de woestijn
en liet hen overvloedig drinken als [uit] diepe wateren.
)
. Dat is opnieuw een wonder. De plaats van handeling is “de woestijn”. Een woestijn is een dorre plaats waar de dood heerst en waar gebrek aan water is. Maar God geeft Zijn volk water uit de gespleten rots en laat hen daarvan “overvloedig drinken als [uit] diepe wateren”.

Uit de rots brengt Hij “stromen” voort en doet Hij “water neerstorten als rivieren” (vers 1616Want Hij bracht stromen voort uit de rots
en deed water neerstorten als rivieren.
)
. Alles spreekt van een enorme, onophoudelijke stroom van water. Die stroom volgt het volk gedurende hun hele reis door de woestijn (1Ko 10:44en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.)). Het gaat bij de Israëlieten om een letterlijke rots. Dat ze telkens water hebben om te drinken, hebben ze te danken aan Gods zorg voor hen. God kan die zorg aan hen besteden omdat Hij vooruitziet naar de komst van Zijn Zoon, Jezus Christus.

Daarom wordt in 1 Korinthiërs 10 van deze rots waaruit stromen water komen, gezegd: “De steenrots nu was Christus” (1Ko 10:44en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.)). Christus is de bron en het fundament van zegen. Elke zegen die God Zijn volk ooit heeft geschonken en ooit zal schenken, schenkt Hij alleen omdat Christus de Verlosser van het volk is. Dat is Hij geworden omdat Hij, net als de rots, geslagen is. Hij is door God geslagen voor de zonden van Zijn volk (Js 53:1010Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft [Hem] ziek gemaakt.
Als Zijn ziel Zich [tot] een schuldoffer gesteld zal hebben,
zal Hij nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen;
het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn.
)
.

Voor ons, die leven in de tijd na de komst van Christus, is dat niet anders. Ook wij hebben elke zegen te danken aan Christus en het werk dat Hij heeft volbracht. Het water in overvloed spreekt van Zijn Geest Die Hij zonder maat geeft aan wie gelooft (Jh 7:38-3938Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.39Dit nu zei Hij van de Geest, Die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want [de] Geest was [er] nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.; 3:3434Want Hij Die God heeft gezonden, spreekt de woorden van God; want Hij geeft de Geest niet met mate.). Het water spreekt ook van Zijn Woord, waarin alle zegeningen voor ons uitgestald worden (Ef 5:2626opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,).


Het volk stelt God op de proef

17Toch gingen zij door met tegen Hem te zondigen:
zij tergden de Allerhoogste in de dorre wildernis.
18Zij stelden God in hun hart op de proef:
zij vroegen om voedsel, overeenkomstig hun verlangen.
19Zij spraken tegen God en zeiden:
Zou God een tafel gereed kunnen maken in de woestijn?
20Zie, Hij heeft de rots geslagen,
zodat er water uitvloeide
en er beken overvloedig uitstroomden.
Zou Hij ook brood kunnen geven?
Zou Hij Zijn volk van vlees kunnen voorzien?
21Daarom hoorde de HEERE [het] en werd verbolgen;
een vuur ontstak tegen Jakob,
ja, toorn laaide op tegen Israël.
22Want zij geloofden niet in God
en vertrouwden niet op Zijn heil.

Het woord “toch” (vers 1717Toch gingen zij door met tegen Hem te zondigen:
zij tergden de Allerhoogste in de dorre wildernis.
)
geeft de tegenstelling met het voorgaande aan. God heeft op overvloedige wijze Zijn macht en Zijn verzorging bewezen. Toch heeft het geen enkel gunstig effect op de ontrouw van Gods volk. Het is een dramatische constatering: zij zijn doorgegaan “met tegen Hem te zondigen” en dat terwijl God zoveel goeds voor hen heeft gedaan. Dit is grote ondankbaarheid.

Ze tergen “de Allerhoogste in de dorre wildernis”. Het is niet alleen ondankbaarheid maar grote onbeschaamdheid en vermetelheid. Ze zijn in de dorre wildernis, en helemaal afhankelijk van Hem. In plaats van Zich voor Hem te verootmoedigen stellen ze zich aanmatigend op tegenover “de Allerhoogste”. Door God zo te noemen laat Asaf wel het enorme contrast zien tussen de mens en God.

Die Allerhoogste God stellen ze in hun hart op de proef (vers 1818Zij stelden God in hun hart op de proef:
zij vroegen om voedsel, overeenkomstig hun verlangen.
)
. Ze willen dat Hij bewijst dat Hij werkelijk voor hen zorgt. Dan zullen ze in Hem geloven en Hem gehoorzaam zijn. Laat Hij hen maar eens voorzien van “voedsel, overeenkomstig hun verlangen”. Na al de bewijzen die God van Zijn trouwe zorg heeft gegeven, is dit geen zwakheid, maar opstand.

Ze hebben een hekel gekregen aan het manna en willen voedsel naar hun eigen smaak (Nm 11:55Wij denken terug aan de vis die wij in Egypte voor niets aten, aan de komkommers, de watermeloenen, de prei, de uien en de knoflook.). In beeld betekent het dat ze genoeg hebben van Christus en dat ze verlangen naar het voedsel van de wereld. Het manna is een beeld van Christus (Jh 6:30-3330Zij zeiden dan tot Hem: Welk teken doet U dan, opdat wij zien en U geloven? Welk werk doet U?31Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, zoals geschreven staat: ‘Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten’.32Jezus dan zei tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel.33Want het brood van God is Hij Die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld leven geeft.). Als Hij het hart niet meer vult, is dat het begin van de neergang in het geestelijk leven.

Het volk begint “tegen God” te spreken (vers 1919Zij spraken tegen God en zeiden:
Zou God een tafel gereed kunnen maken in de woestijn?
)
. Ze spreken vanuit een opstandig, ongelovig hart. God heeft de hele woestijnreis lang voor hen “een tafel … in de woestijn” gereedgemaakt. En dan vragen ze brutaalweg of God “een tafel gereed” kan “maken in de woestijn”! Dit is geen twijfelen aan God, maar een verloochenen van God. Hieruit blijkt de hardheid en afvalligheid van hun hart.

Met betrekking tot het wonder van de overvloed van water die Hij uit de rots aan hen heeft gegeven, zien we hetzelfde. Ze weten wel dat Hij “de rots heeft” geslagen, “zodat er water uitvloeide en er beken overvloedig uitstroomden” (vers 2020Zie, Hij heeft de rots geslagen,
zodat er water uitvloeide
en er beken overvloedig uitstroomden.
Zou Hij ook brood kunnen geven?
Zou Hij Zijn volk van vlees kunnen voorzien?
)
. Maar hebben dat wonder en die rijkelijke voorziening enig effect op hun vertrouwen op God? Helemaal niet. Integendeel, ze vragen zich af of Hij ook brood zou kunnen geven en Zijn volk van vlees zou kunnen voorzien.

De reactie van het volk op vroegere wonderen toont aan dat die wonderen geen garantie zijn voor vertrouwen op God als er nieuwe moeilijkheden opduiken. Het is goed dat we ons wonderen herinneren. Maar die herinnering heeft alleen een gunstig effect op ons geloof als we Hem vandaag in de nieuwe moeilijkheden geloven en vertrouwen.

Teren op ervaringen in het verleden werkt averechts als het ons in de huidige moeilijkheden aan geloof ontbreekt. Ervaring kan het geloof versterken, maar er moet geloof aanwezig zijn om die ervaring te gebruiken. Als we in moeilijkheden zijn en er is geloof, dan vertrouwt dat geloof op God Die Zijn eigen Zoon niet heeft gespaard. Dat geloof uit zich in de zekerheid dat God ons met Zijn Zoon ook alle dingen zal schenken (Rm 8:31-3231Wat zullen wij dan hierop zeggen? Als God voor ons is, wie zou tegen ons zijn?32Hoe zal Hij Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?).

De HEERE heeft al die hoogmoedige uitdagingen aan Zijn adres gehoord (vers 2121Daarom hoorde de HEERE [het] en werd verbolgen;
een vuur ontstak tegen Jakob,
ja, toorn laaide op tegen Israël.
)
. Deze bewuste ontkenning van Zijn optreden in goedheid in het verleden heeft Zijn verbolgenheid opgewekt. Het is niet mogelijk om daar onverschillig aan voorbij te gaan. Het lichtende vuur waarmee Hij Zijn volk ’s nachts door de woestijn heeft geleid, “ontstak tegen Jakob”. Jakob is weer de naam van Gods volk gezien in hun praktijk (vers 55Want Hij heeft een getuigenis ingesteld in Jakob,
een wet vastgesteld in Israël;
die heeft Hij onze vaderen geboden
om ze hun kinderen bekend te maken,
)
.

“Ja”, Zijn “toorn laaide op” – wat aan vuur doet denken – “tegen Israël”. Israël is weer de naam voor Gods volk in wat zij door Hem gemaakt zijn (vers 55Want Hij heeft een getuigenis ingesteld in Jakob,
een wet vastgesteld in Israël;
die heeft Hij onze vaderen geboden
om ze hun kinderen bekend te maken,
)
. Maar omdat zij zich hun positie zo onwaardig gedragen, laait Gods toorn over hen op (Nm 11:1-31En het gebeurde, toen het volk zich beklaagde, [dat] het kwaad was in de oren van de HEERE, want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn ontbrandde. En het vuur van de HEERE brandde onder hen en verteerde, aan de rand van het kamp.2Toen riep het volk tot Mozes, en Mozes bad tot de HEERE, en het vuur doofde.3Daarom gaf hij die plaats de naam Tabera, omdat [daar] het vuur van de HEERE tegen hen gebrand had.). God is langzaam tot toorn. Maar Zijn toorn laait op als er in de zonde wordt volhard. Hij laat niet met Zich spotten (Gl 6:7a7Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten.).

De reden voor het oplaaien van Gods toorn is dat zij “niet in God” geloven en “niet op Zijn heil” vertrouwen (vers 2222Want zij geloofden niet in God
en vertrouwden niet op Zijn heil.
)
. Ongeloof is een ernstige zonde. Daaruit komen alle andere zonden voort. Niet in God geloven wil zeggen Hem afschrijven als waard om in te geloven. Het hangt direct samen met Hem vertrouwen. Zij vertrouwen niet op Zijn toezeggingen om hun Zijn heil te geven, dat wil zeggen hun met Zijn vrede te zegenen. En dat terwijl Hij hun in de redding uit de slavernij al Zijn heil heeft gegeven.


Brood, vlees en gulzigheid

23Hij gebood de wolken daarboven
en opende de deuren van de hemel:
24Hij liet manna op hen regenen om te eten
en gaf hun hemels koren.
25Eenieder at het brood van de machtigen;
Hij zond hun proviand tot verzadiging toe.
26Hij deed de oostenwind opsteken langs de hemel
en voerde door Zijn macht de zuidenwind aan.
27Hij liet vlees op hen regenen als stof
en gevleugelde vogels als zand van de zee.
28Hij deed het vallen midden in Zijn kamp,
rondom Zijn woningen.
29Toen aten zij en werden volop verzadigd,
omdat Hij hun bracht wat zij begeerden.
30Zij waren van hun begeerte [nog] niet bekomen,
hun voedsel was nog in hun mond,
31of Gods toorn laaide tegen hen op:
Hij doodde de welgedane [mensen] onder hen
en velde de besten van Israël neer.

Nog een keer wijst Asaf erop, en nu gedetailleerder en indrukwekkender, hoe God Zijn volk in de woestijn heeft voorzien van alles wat ze nodig hadden. In prachtige dichterlijke taal spreekt hij erover dat God “de wolken daarboven” heeft geboden en “de deuren van de hemel” heeft geopend (vers 2323Hij gebood de wolken daarboven
en opende de deuren van de hemel:
)
. Alle elementen van de natuur staan onder Zijn bevel. Hij heeft de hele schepping door het uitspreken van bevelen tot stand gebracht (Ps 33:9). Als het nodig is, grijpt Hij in het natuurlijke verloop van de schepping in en gebiedt de afzonderlijke elementen om te doen wat Hij wil (Jz 10:12-1312Toen sprak Jozua tot de HEERE op de dag dat de HEERE de Amorieten aan de Israëlieten overgaf, en hij zei voor [de ogen van] Israël: Zon, sta stil in Gibeon, en maan, in het dal van Ajalon!13En de zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich aan zijn vijanden had gewroken. Is dit niet geschreven in het Boek van de Oprechte? De zon stond stil in het midden van de hemel en haastte zich niet om onder te gaan, ongeveer een volle dag.).

De hemel is de voorraadschuur van voedsel voor Zijn volk. Hij opent die en laat “manna op hen regenen om te eten” (vers 2424Hij liet manna op hen regenen om te eten
en gaf hun hemels koren.
)
. Dat God het manna laat regenen, geeft weer aan dat Hij Zijn volk leven geeft en zegent en dat in rijke mate doet. Dit manna is ook geen gewoon brood. Asaf noemt het “hemels koren”. Het manna is van hemelse herkomst. Hierdoor kunnen de Israëlieten weten dat de hemel, dat God Zelf, voor hen zorgt. God wil laten weten dat zij van Hem afhankelijk zijn.

Van dit hemelse voedsel eet “eenieder”, dat wil zeggen het hele volk (vers 2525Eenieder at het brood van de machtigen;
Hij zond hun proviand tot verzadiging toe.
)
. Er is geen gebrek, want God geeft “tot verzadiging toe”. Het wordt “het brood van de machtigen” en “proviand” genoemd. ‘De machtigen’ zijn engelen. ‘Brood van machtigen’ wil zeggen dat dit voedsel niet alleen door Gods volk, maar ook door de niet gevallen engelen wordt gegeten.

Engelen zijn “sterke helden, die Zijn woord uitvoeren, gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt” (Ps 103:2020Loof de HEERE, [u,] Zijn engelen,
sterke helden, die Zijn woord uitvoeren,
gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt.
)
. Zij eten niet het letterlijke manna, maar zij voeden zich met Christus, van Wie het manna een beeld is. Ook engelen kunnen alleen hun dienst doen door de kracht die zij van Christus krijgen. ‘Proviand’ legt er de nadruk op dat het voedsel is dat tijdens een reis wordt gegeten.

De wind staat ook onder Zijn bevel (vers 2626Hij deed de oostenwind opsteken langs de hemel
en voerde door Zijn macht de zuidenwind aan.
)
. Hij maakt er gebruik van wanneer Hij wil en bepaalt van welke kant de wind moet komen. Om Zijn volk vlees te geven doet Hij niet, zoals bij het manna, de deuren van de hemel open. Hij gebruikt de wind. Hier doet Hij “de oostenwind opsteken langs de hemel” en voert Hij “door Zijn macht de zuidenwind aan”.

Evenals het manna laat Hij “vlees op hen regenen” (vers 2727Hij liet vlees op hen regenen als stof
en gevleugelde vogels als zand van de zee.
)
. Hij laat vlees op hen regenen “als stof”. In het woord ‘stof’ dat Asaf gebruikt, ligt de gedachte opgesloten dat dit vlees de dood in zich bergt. Stof spreekt van de dood (Gn 3:1919In het zweet van uw gezicht zult u brood eten,
totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent;
want stof bent u
en u zult tot stof terugkeren.
; Ps 22:1616Mijn kracht is verdroogd als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte;
U legt mij in het stof van de dood.
)
. Het volk wil vlees omdat ze van het manna walgen. Dit betekent een begeerte naar de dood. God vervult die begeerte door hun dit vlees te geven. Hij stuurt “gevleugelde vogels als zand van de zee”, dat wil zeggen in zo’n enorme hoeveelheid, dat ze zich daar zat aan kunnen eten.

Hij bepaalt ook waar het vlees in het kamp, dat Asaf “Zijn kamp” noemt, terechtkomt (vers 2828Hij deed het vallen midden in Zijn kamp,
rondom Zijn woningen.
)
. Het valt “midden in Zijn kamp” en “rondom Zijn woningen”. God woont bij Zijn volk. De gedachte aan Zijn aanwezigheid onder hen zou hen moeten afschrikken om hun begeerten te volgen. Maar daar is geen sprake van. Het valt ook “rondom Zijn woningen”, dat is de tabernakel met de verschillende ruimten. Als Hij het daar laat vallen, zal het volk dan tot bezinning komen?

Maar er is geen gedachte aan God. Als ze hebben gekregen wat ze hebben begeerd, vallen ze op het eten aan en worden “volop verzadigd” (vers 2929Toen aten zij en werden volop verzadigd,
omdat Hij hun bracht wat zij begeerden.
)
. Van enige dank aan God is geen sprake. Met een volle buik kijken ze met begerige ogen naar de voorraad vlees die er nog ligt. De buik kan vol zijn, maar ze zijn “van hun begeerte [nog] niet bekomen”, dat wil zeggen dat hun begeerte nog niet is gestild (vers 3030Zij waren van hun begeerte [nog] niet bekomen,
hun voedsel was nog in hun mond,
)
. Ze blijven onverzadigbaar zwelgen en kauwen op het laatste stukje vlees dat ze in hun mond hebben kunnen proppen en nog niet hebben doorgeslikt.

Terwijl “hun voedsel … nog in hun mond” is, laait “Gods toorn … tegen hen op” (vers 3131of Gods toorn laaide tegen hen op:
Hij doodde de welgedane [mensen] onder hen
en velde de besten van Israël neer.
; Nm 11:3333Het vlees zat nog tussen hun tanden, voordat het gekauwd was, of de toorn van de HEERE ontbrandde tegen het volk, en de HEERE bracht het volk een zeer grote slag toe.)
. Soms wacht God lang met de uiting van Zijn toorn. Als Hij ons vermaant om “traag tot toorn” te zijn (Jk 1:1919Weet dit, mijn geliefde broeders; laat ieder mens echter snel zijn om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn.), vermaant Hij ons een eigenschap van Hem te laten zien. Maar hier is God snel met Zijn toorn, omdat het een zonde van afvalligheid is die een langdurige afkerigheid van Zijn volk openbaart.

God oordeelt Zelf. Zijn doodsoordeel treft “de welgedane [mensen] onder hen”. De ‘welgedanen’ zijn de mensen die zich het meest te goed hebben gedaan, de grootste vraatzuchtigen. Een andere categorie die door Zijn oordeel wordt getroffen, omvat “de besten van Israël”, de vooraanstaanden, de invloedrijksten, de krachtigsten en meest verantwoordelijken.


Oordeel, barmhartigheid en verzoening

32Ondanks dit alles zondigden zij nog
en geloofden zij niet door middel van Zijn wonderen.
33Daarom deed Hij hun dagen vergaan in vergankelijkheid,
en hun jaren in verschrikking.
34Wanneer Hij hen doodde, vroegen zij naar Hem
en keerden terug en zochten God ernstig.
35Dan dachten zij eraan dat God hun rots was
en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.
36Maar zij vleiden Hem met hun mond
en logen tegen Hem met hun tong.
37Want hun hart was niet standvastig bij Hem,
en zij waren niet trouw aan Zijn verbond.
38Maar Hij was barmhartig en verzoende de ongerechtigheid,
Hij richtte [hen] niet te gronde,
maar wendde dikwijls Zijn toorn af,
en wekte Zijn volle grimmigheid niet op.
39Hij dacht eraan dat zij broze schepselen waren,
een wind[vlaag], die gaat en niet terugkeert.

“Ondanks dit alles”, dat wil zeggen ondanks Zijn gunstbewijzen en ondanks zijn straffen en ondanks Zijn wonderen, “zondigden zij nog” (vers 3232Ondanks dit alles zondigden zij nog
en geloofden zij niet door middel van Zijn wonderen.
; vgl. Op 16:8-118En de vierde goot zijn schaal uit op de zon, en haar werd gegeven de mensen met vuur te verbranden;9en de mensen werden verbrand door grote hitte en lasterden de Naam van God, Die de macht over deze plagen had, en zij bekeerden zich niet om Hem heerlijkheid te geven.10En de vijfde goot zijn schaal uit op de troon van het beest, en zijn koninkrijk werd verduisterd; en zij kauwden hun tongen van pijn11en lasterden de God van de hemel vanwege hun pijnen en vanwege hun zweren, en zij bekeerden zich niet van hun werken.)
. God heeft geen middel onbeproefd gelaten om Zijn volk in trouw aan Hem te bewaren of hen weer tot trouw aan Hem te bewegen. Er is bij hen een verstokt hart dat niet wil geloven “door middel van Zijn wonderen” (vgl. Jh 12:3737Maar hoewel Hij zoveel tekenen in hun bijzijn had gedaan, geloofden zij niet in Hem;). De grootste wonderen baten niet als de wil ontbreekt om te geloven.

Als gevolg van hun ongeloof, “daarom”, om die reden, “deed Hij hun dagen vergaan in vergankelijkheid, en hun jaren in verschrikking” (vers 3333Daarom deed Hij hun dagen vergaan in vergankelijkheid,
en hun jaren in verschrikking.
)
. Een leven zonder God erbij te betrekken is ‘vergankelijk’, leeg en zinloos. Er is niets van blijvende waarde. Zo is het leven voor het grootste deel van Gods volk in de woestijn geweest. Als God uit het leven is verdreven, is het leeg. Die leegte wordt gevuld met verschrikking, met angst. Dit is een oordeel van God.

Deze ernstige handelwijze met hen, waarbij Hij hen zelfs “doodde”, heeft tot gevolg dat zij terugkeren en God ernstig zoeken (vers 3434Wanneer Hij hen doodde, vroegen zij naar Hem
en keerden terug en zochten God ernstig.
)
. Dat is altijd het doel van elke tuchtiging die God over Zijn volk brengt. Tucht is een uiting van Zijn liefde en belangstelling voor hen. Hij wil hen zegenen, wat alleen kan als zij in gehoorzaamheid aan Hem leven. Als ze afwijken, tuchtigt Hij hen, opdat ze terugkeren naar Hem en Hem zoeken.

Door de tuchtiging “dachten ze eraan dat God hun rots was” (vers 3535Dan dachten zij eraan dat God hun rots was
en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.
; vgl. Dt 32:4,15,314Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is,
want al Zijn wegen zijn [een en al] recht.
God is waarheid en geen onrecht;
rechtvaardig en waarachtig is Hij.15Maar toen Jesjurun vet werd, trapte hij achteruit
– u bent vet, u bent dik, u bent vetgemest –
toen verliet hij God, Die hem gemaakt heeft,
hij versmaadde de Rots van zijn heil.
31Want hun rots is niet zoals onze Rots,
zelfs onze vijanden kunnen [hierover] oordelen.
)
. Ze herinneren zich dat God hun enige veiligheid en bescherming is. Ze zijn dat vergeten in het volgen van hun eigen begeerten. Door Gods tuchtiging worden ze daar weer aan herinnerd. Het is geen vage herinnering aan God, maar Hij staat weer groot voor hun aandacht. Hij is de almachtige “God”. Hij is “de Allerhoogste”, de God Die boven alle dingen staat en alles overziet. Hij is “hun Verlosser”, Die hen uit Egypte heeft bevrijd.

Het is echter niet meer dan een lippenbelijdenis (vers 3636Maar zij vleiden Hem met hun mond
en logen tegen Hem met hun tong.
)
. Hun terugkeer naar God is huichelarij. Asaf is er duidelijk over: ze vleien God en liegen tegen Hem. Met hun mond en hun tong zeggen ze allerlei dingen die ze niet menen. Ze beloven van alles wat ze niet waarmaken. Ze gebruiken vleitaal en leugentaal om God te manipuleren. Alsof ze God kunnen bedriegen. Het enige waarom het hun gaat, is van Zijn tucht bevrijd te worden.

Hun lippenbelijdenis komt voort uit een hart dat “niet standvastig bij Hem” is (vers 3737Want hun hart was niet standvastig bij Hem,
en zij waren niet trouw aan Zijn verbond.
)
. Ze zeggen met hun mond iets heel anders dan wat er in hun hart leeft. Er is bij hen geen verlangen om bij Hem te zijn en Zijn wil te doen. Ook zijn zij “niet trouw aan Zijn verbond”. Hij is met hen een verbondsrelatie aangegaan. Daarin gaat het om trouw. Hij is trouw, maar zij zijn ontrouw en zijn in hun hart andere goden achternagegaan.

Op al die afkerigheid en ontrouw van Gods volk volgt er totaal onverwachts een Goddelijk “maar” (vers 3838Maar Hij was barmhartig en verzoende de ongerechtigheid,
Hij richtte [hen] niet te gronde,
maar wendde dikwijls Zijn toorn af,
en wekte Zijn volle grimmigheid niet op.
)
. In plaats van Zijn afkerige volk te oordelen is Hij “barmhartig en verzoende de ongerechtigheid”. Zijn barmhartigheid bestaat uit de verzoening van hun ongerechtigheid. God is barmhartig, maar ook heilig. Daarom moet Hij een rechtvaardige grondslag hebben om Zijn volk te sparen. Die heeft Hij gevonden in het werk van Zijn Zoon op het kruis van Golgotha. Daar heeft Hij de ongerechtigheid verzoend.

Op grond van barmhartigheid en verzoening heeft God Zijn volk niet te gronde gericht, “maar wendde” Hij “dikwijls Zijn toorn af”. God heeft niet slechts één keer Zijn toorn afgewend en hen gespaard, maar Hij heeft dat herhaaldelijk gedaan. Het volk heeft Hem in de woestijn herhaaldelijk tot toorn verwekt en even herhaaldelijk heeft God niet Zijn volle toorn over hen uitgegoten, maar is Hij barmhartig geweest. Zo gaat Hij ook nog steeds met ons om.

God heeft zo kunnen handelen omdat Hij het werk van Zijn Zoon vooruitgezien heeft. Hij heeft Zijn toorn niet van Zijn Zoon afgewend, maar die over Hem gebracht. Tegen Zijn volk heeft Hij “Zijn volle grimmigheid niet” opgewekt. Zijn volle grimmigheid heeft Hij wel opgewekt tegen Zijn Zoon in de uren dat Deze door Hem tot zonde is gemaakt.

Een uitvloeisel van Zijn barhartigheid is dat Hij eraan heeft gedacht “dat zij broze schepselen waren” (vers 3939Hij dacht eraan dat zij broze schepselen waren,
een wind[vlaag], die gaat en niet terugkeert.
; vgl. Ps 103:1414Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
[en] blijft bedenken dat wij stof zijn.
; Mt 26:4141Waakt en bidt, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.)
. Dit medelijden verzacht de schuld van Zijn volk niet, maar toont een God Die Zijn volk door en door kent. Zijn volk denkt dat zij sterk zijn en God niet nodig hebben. Deze hoge dunk van zichzelf bewijst hoe broos zij zijn. Zij zijn er in hun hoogmoed blind voor dat ze niet meer zijn dan “een wind[vlaag], die gaat en niet terugkeert” (vgl. Js 2:2222Zie voor uzelf [dan] af van de mens
– in zijn neus heeft hij [slechts] adem –
want als wat is hij [eigenlijk] te beschouwen?
)
.


Gods macht in de verlossing

40Hoe vaak tergden zij Hem in de woestijn,
bedroefden zij Hem in de wildernis!
41Want telkens weer stelden zij God op de proef
en beperkten de Heilige van Israël.
42Zij dachten niet [meer] aan Zijn [machtige] hand,
aan de dag dat Hij hen van de tegenstander verloste,
43toen Hij Zijn tekenen verrichtte in Egypte
en Zijn wonderen in het gebied van Zoan.
44Hun rivieren veranderde Hij in bloed,
en [ook] hun stromen, zodat zij niet konden drinken.
45Hij zond steekvliegen onder hen, die hen verteerden,
en kikkers, die hen te gronde richtten.
46Hij gaf hun gewas aan de zwermsprinkhaan,
aan de veldsprinkhaan hun opbrengst.
47Hij doodde hun wijnstok door de hagel,
hun wilde vijgenbomen door grote hagelstenen.
48Ook leverde Hij hun dieren aan de hagel over,
hun vee aan de vurige bliksemflitsen.
49Hij zond Zijn brandende toorn op hen af,
verbolgenheid, gramschap, benauwdheid,
[Hij zond] een menigte boden van rampen.
50Hij baande een pad voor Zijn toorn,
Hij ontrukte hun ziel niet aan de dood,
hun dieren leverde Hij over aan de pest.
51Hij trof al het eerstgeborene in Egypte,
de eerste [vruchten] van de mannelijke kracht in de tenten van Cham.

Asaf keert terug naar het gedrag van het volk in de woestijn (vers 4040Hoe vaak tergden zij Hem in de woestijn,
bedroefden zij Hem in de wildernis!
)
. Wat hebben ze God daar vaak getergd! Ze hebben Hem getergd door telkens weer Zijn liefde en trouw te bekritiseren en te betwijfelen. Door hun ongehoorzaamheid en opstandigheid hebben ze Hem bedroefd. Alle zonden van mensen, en vooral van Zijn volk, doen God verdriet. Zijn toorn rust erop en Hij zal Zijn toorn ook de vrije loop laten als een mens in zijn zonden volhardt. Maar dat betekent niet dat God ongevoelig is voor de zonde. De zonde treft Hem diep in Zijn hart en veroorzaakt daar pijn en verdriet.

Het woord “want” (vers 4141Want telkens weer stelden zij God op de proef
en beperkten de Heilige van Israël.
)
geeft aan dat nu de reden volgt van het tergen en bedroeven van God in vers 4040Hoe vaak tergden zij Hem in de woestijn,
bedroefden zij Hem in de wildernis!
. Zij hebben God “telkens weer … op de proef” gesteld. Ze leerden het nooit. Steeds weer bleven ze God uitdagen om te laten zien of Hij in staat was om aan hun begeerten te voldoen. Het is als het vragen aan de zon om te schijnen, terwijl je door het zonlicht wordt verblind.

Met al hun vragen – die allemaal voorkwamen uit een ongelovig en opstandig hart – “beperkten” zij “de Heilige van Israël”. De beperking ligt in het feit dat zij Hem er niet toe in staat achtten. Indien ze Hem er wel toe in staat zouden achten, dan zouden ze Hem vertrouwen. Hij heeft bewezen dat Hij te vertrouwen is en tot alles in staat is. Om Hem dan te dwingen Zich te bewijzen toont aan dat zij God een bekrompen, beperkte God vinden, Die hun niet kan geven wat zij willen.

Het is een uiterst vermetele opstelling, want ze hebben te doen met niemand minder dan “de Heilige van Israël”. Dat ze daar geen oog voor hebben, verandert niets aan de ernst van hun opstand. Ze staan op tegen Hem Die “de Heilige” is. Hij is volkomen afgezonderd van het kwaad. In Zijn heiligheid heeft Hij Zich aan “Israël” verbonden. Dit houdt in dat zij zich ook heilig moeten gedragen om de zegen van Zijn aanwezigheid onder hen te kunnen ontvangen. Hij zegt tegen Zijn volk: “Wees heilig, want Ik ben heilig” (Lv 20:77Heilig uzelf en wees heilig, want Ik ben de HEERE, uw God.; 1Pt 1:1616want er staat geschreven: ‘Weest heilig, want Ik ben heilig’.).

De mensen hebben de Heer Jezus ook beperkt in Zijn macht als Hij aan het kruis hangt. In hun vermetelheid en ongeloof zeggen ze tegen Hem: ‘Als U Gods Zoon bent, kom dan van het kruis af; dan zullen wij geloven’ (Mt 27:39-4439De voorbijgangers nu lasterden Hem, terwijl zij hun hoofden schudden40en zeiden: U Die het tempelhuis afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelf, als U Gods Zoon bent, <en> kom van het kruis af!41Evenzo zeiden ook de overpriesters met de schriftgeleerden en oudsten spottend:42Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen. Hij is Koning van Israël – laat Hij nu van het kruis afkomen en wij zullen in Hem geloven.43Hij vertrouwt op God – laat Hij <Hem> nu redden als Hij behagen in Hem heeft! Want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.44Hetzelfde nu verweten Hem ook de rovers die met Hem waren gekruisigd.). Dezelfde uitdagende taal wordt nog steeds gebruikt. ‘Als God liefde is, laat Hij dan wat aan de ellende in de wereld doen.’

Alle verkeerde gedachten over God komen voort uit het niet meer denken “aan Zijn [machtige] hand” (vers 4242Zij dachten niet [meer] aan Zijn [machtige] hand,
aan de dag dat Hij hen van de tegenstander verloste,
)
. God heeft zo vaak Zijn macht ten gunste van hen bewezen. Asaf neemt het volk mee terug naar “de dag dat Hij hen van de tegenstander verloste” (vgl. Ex 13:33Daarna zei Mozes tegen het volk: Gedenk deze dag, waarop u uit Egypte, uit het slavenhuis, vertrokken bent, want de HEERE heeft u met sterke hand vanhier uitgeleid. Daarom mag wat gezuurd is, niet gegeten worden.). Wat vergeten ook wij vaak de grote genade en kracht van God waardoor wij uit de macht van de zonde zijn verlost. Deze vergeetachtigheid leidt ertoe dat wij God ontrouw worden als wij in moeilijkheden raken. Dan beginnen we aan Zijn macht te twijfelen. Als we niet snel tot inkeer komen, worden we opstandig en beschuldigen Hem van onmacht om ons te helpen.

Asaf beschrijft vervolgens uitvoerig de macht die God heeft getoond op de dag van hun verlossing. Hij wijst op Gods tekenen die Hij “verrichtte in Egypte en Zijn wonderen in het gebied van Zoan” (vers 4343toen Hij Zijn tekenen verrichtte in Egypte
en Zijn wonderen in het gebied van Zoan.
)
. God heeft Zijn tekenen verricht om Zijn volk te wijzen op het doel van de verlossing. Dat doel is dat Hij bij hen wilde wonen. God heeft Zijn wonderen verricht om Zijn volk te bemoedigen om zich aan Hem toe te vertrouwen. Zijn wonderen tonen Zijn macht die Hij ten gunste van hen tegen hun onderdrukkers heeft gebruikt. Die macht loochenen en trotseren ze door hun opstandige, ongelovige opstelling tegen Hem.

Als eerste van Gods tekenen en wonderen herinnert Asaf eraan dat God “hun rivieren veranderde … in bloed, en [ook] hun stromen, zodat zij niet konden drinken (vers 4444Hun rivieren veranderde Hij in bloed,
en [ook] hun stromen, zodat zij niet konden drinken.
; Ex 7:19-2119Toen zei de HEERE tegen Mozes: Zeg tegen Aäron: Neem je staf en strek je hand uit over de wateren van Egypte. [Strek hem uit] over hun stromen, over hun rivieren, over hun [water]poelen en over hun hele watervoorraad, zodat zij bloed worden. Er zal bloed zijn in heel het land Egypte, zelfs in de houten en stenen [vaten].20Mozes en Aäron deden precies zoals de HEERE geboden had. Hij hief de staf op en sloeg voor de ogen van de farao en zijn dienaren het water dat in de Nijl was. En al het water dat in de Nijl was, werd in bloed veranderd.21De vissen die in de Nijl waren, stierven en de Nijl stonk, zodat de Egyptenaren het water uit de Nijl niet konden drinken. Er was bloed in heel het land Egypte.)
. Dit is de eerste plaag die God over Egypte heeft gebracht. Water spreekt van wat verkwikt en leven geeft. Bloed dat vergoten is, spreekt van de dood. Het leven in de wereld van zonde geeft geen leven, maar de dood. Dat is waar Gods volk naar terugkeert door zich van God af te wenden.

Het tweede teken en wonder dat Asaf noemt, zijn “de steekvliegen …die hen verteerden” (vers 4545Hij zond steekvliegen onder hen, die hen verteerden,
en kikkers, die hen te gronde richtten.
; Ex 8:2424En zo deed de HEERE: er kwam een zwerm steekvliegen in het huis van de farao, in de huizen van zijn dienaren en in heel het land Egypte. Het land werd door de steekvliegen te gronde gericht.)
. Dit is de vierde plaag die God over Egypte heeft gebracht. De steekvliegen, mogelijk een mengsel van allerlei ongedierte, dragen allerlei ziekten over. Hierdoor wordt het leven van de mensen te gronde gericht.

Als toepassing voor onze tijd kunnen we denken aan allerlei irritaties, jaloezie, pesterijen, elkaar op alle mogelijke manieren dwarszitten. Dit soort dingen verderft de sfeer tussen mensen en maakt dat het leven er ondraaglijk door kan worden. Harde muziek bij de buren, wangedrag in het verkeer, uitdagend gedrag in de winkel en zoveel andere dingen die je het bloed onder de nagels vandaan kunnen halen. We worden er door Asaf aan herinnerd dat de steekvliegen ook bij ons hun werk zullen doen als wij God de rug toekeren,

Het derde teken en wonder zijn de “kikkers, die hen te gronde richtten” (Ex 8:5-65Verder zei de HEERE tegen Mozes: Zeg tegen Aäron: Strek je hand met je staf uit over de stromen, over de rivieren en over de [water]poelen, en laat [er] kikkers [uit] omhoog klimmen over het land Egypte.6Toen strekte Aäron zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er klommen kikkers uit en zij bedekten het land Egypte.). Dit is de tweede plaag die God over Egypte heeft gebracht. De kikkers zijn een beeld van onreine geesten, vooral van de seksuele onreinheid (Op 16:13-1513En ik zag uit de mond van de draak en uit de mond van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten [komen] als kikkers;14want het zijn geesten van demonen die tekenen doen [en] die uitgaan naar de koningen van het hele aardrijk, om hen te verzamelen tot de oorlog van de grote dag van God de Almachtige.15Zie, Ik kom als een dief. Gelukkig hij die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandelt en men zijn schaamte niet ziet.). Deze plaag overwoekert de wereld en dringt ook de huizen van de christenen binnen. Soms ongevraagd via reclamefolders door de brievenbus, maar helaas ook wel omdat men de huizen via internet daarvoor openstelt. De onreinheid komt in de slaapkamers, in de bedden. De waarschuwing in Hebreeën 13 is in dit verband belangrijk en veelzeggend (Hb 13:44Laat het huwelijk bij allen in ere zijn en het huwelijksleven onbezoedeld, want hoereerders en overspelers zal God oordelen.).

De kikkers komen in de baktroggen, wat erop duidt dat het met het voedsel wordt vermengd. De uitwerking van het tot zich nemen (‘eten’) via de massamedia van de onreinheid kan niet uitblijven. Homohuwelijken en de inzegening ervan in de kerk zijn praktijk geworden. Wie zelf niet praktiserend is, praat het goed. Liefde is toch van God?

Deze onreinheid is het gevolg van het niet erkennen van God. Daarom geeft Hij een plaag als deze. De toepassing voor onze dagen is duidelijk (Rm 1:24-2824Daarom heeft God hen in de begeerten van hun harten overgegeven aan onreinheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren;25zij die de waarheid van God vervangen hebben door de leugen en het schepsel geëerd en gediend hebben boven de Schepper, Die gezegend is tot in eeuwigheid. Amen.26Daarom heeft God hen overgegeven aan onterende hartstochten; want ook hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke;27en evenzo hebben ook de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven en zijn in hun lust tegen elkaar ontbrand, zodat mannen met mannen schandelijkheid bedrijven en het verdiende loon voor hun afdwaling in zichzelf ontvangen.28En daar het hun niet goeddacht God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verkeerd denken, om dingen te doen die niet betamen;). De mens die God buitenspel zet, roept deze plaag over zichzelf af. De mens die God niet erkent, onteert zichzelf. De lusten die hij zoekt te bevredigen, ontspruiten aan zijn verlaten van God. Terugkeer naar Hem is het enige middel dat helpt de plaag te verdrijven.

Het vierde teken en wonder zijn “de zwermsprinkhaan” waaraan God “hun gewas” geeft, en “de veldsprinkhaan” waaraan God “hun opbrengst” geeft (vers 4646Hij gaf hun gewas aan de zwermsprinkhaan,
aan de veldsprinkhaan hun opbrengst.
; Ex 10:12-1512Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit over het land Egypte omwille van de sprinkhanen, zodat zij over het land Egypte opkomen en al het gewas van het land opvreten, al wat de hagel heeft overgelaten.13Toen strekte Mozes zijn staf uit over het land Egypte, en de HEERE bracht die hele dag en die hele nacht een oostenwind in het land. [En] het gebeurde, toen het morgen geworden was, dat de oostenwind de sprinkhanen meevoerde.14De sprinkhanen kwamen op over heel het land Egypte en streken neer op heel het gebied van de Egyptenaren, een zeer grote [zwerm]. Nooit eerder is er zo'n [zwerm] sprinkhanen geweest, en hierna zal er nooit [weer] zo een zijn,15want zij bedekten de oppervlakte van heel het land, zodat het land [erdoor] verduisterd werd. Zij vraten al het gewas van het land op en al de vruchten van de bomen die de hagel had overgelaten. Er bleef niets groens aan de bomen en aan het gewas van het veld in heel het land Egypte.)
. Dit is de achtste plaag die God over Egypte heeft gebracht. Door een oostenwind wordt een niet geëvenaarde hoeveelheid sprinkhanen over Egypte gebracht. Het is het leger van de HEERE (Jl 2:11,2511En de HEERE laat Zijn stem klinken
voor Zijn leger uit,
want Zijn leger is zeer groot,
ja, machtig is Hij, Die Zijn woord ten uitvoer brengt.
Groot is immers de dag van de HEERE
en zeer ontzagwekkend. Wie zal hem kunnen verdragen?25Ik zal u de jaren vergoeden
die de veldsprinkhaan, de jonge sprinkhaan, de zwermsprinkhaan en de treksprinkhaan hebben opgegeten,
Mijn grote leger,
dat Ik op u had afgestuurd.
)
. Alles wat nog niet door eerdere oordelen is vernietigd, wordt nu afgevreten. In heel Egypte blijft geen groen meer over. Het verlaten van God maakt een einde aan alle voorspoed.

Het vijfde teken en wonder is “de hagel” (vers 4747Hij doodde hun wijnstok door de hagel,
hun wilde vijgenbomen door grote hagelstenen.
; Ex 9:22-2522Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel en er zal in heel het land Egypte hagel vallen: op de mensen en de dieren en op al het veldgewas in het land Egypte.23Toen strekte Mozes zijn staf naar de hemel, en de HEERE gaf donder en hagel. Vuur schoot naar de aarde, en de HEERE liet hagel neerkomen op het land Egypte.24Er viel hagel en er flitste vuur te midden van de hagel, een zeer zware [bui]. Iets dergelijks was er in heel het land Egypte nooit gebeurd, sinds het een volk was geworden.25De hagel sloeg in heel het land Egypte alles neer wat op het veld was, van mens tot dier. De hagel sloeg al het veldgewas neer en versplinterde alle bomen van het veld.)
. Dit is de zevende plaag die God over Egypte heeft gebracht. God laat uit “de schatkamer van de hagel” de hagel neerkomen die Hij daarin heeft bewaard “voor een dag van strijd en oorlog” (Jb 38:22-2322Bent u gekomen bij de schatkamers van de sneeuw?
Hebt u de schatkamers van de hagel gezien,
23die Ik achterhoud voor een tijd van benauwdheid,
voor een dag van strijd en oorlog?
)
. Die dag is voor Egypte aangebroken.

Door de hagel “doodde” Hij “hun wijnstok”. De wijn is een beeld van de vreugde. God maakt een einde aan alle aardse vreugde voor hen die vreugde zoeken zonder Hem. Door grote hagelstenen “doodde” Hij “hun wilde vijgenbomen”. Vijgenbomen stellen gerechtigheid voor. De gerechtigheid van de wereld houdt geen stand, maar gaat aan Gods oordelen ten onder.

De hagel treft niet alleen de vrucht van het land, maar ook de dieren (vers 4848Ook leverde Hij hun dieren aan de hagel over,
hun vee aan de vurige bliksemflitsen.
)
. Hun vee wordt overgeleverd “aan vurige bliksemflitsen” die met de hagel gepaard gaan (Ex 9:2424Er viel hagel en er flitste vuur te midden van de hagel, een zeer zware [bui]. Iets dergelijks was er in heel het land Egypte nooit gebeurd, sinds het een volk was geworden.). De wereld zal geteisterd worden door vele oordelen, waaronder die van een grote hagel (Op 16:2121En een grote hagel, [elke steen] ongeveer een talent zwaar, viel uit de hemel op de mensen, en de mensen lasterden God vanwege de plaag van de hagel, want de plaag daarvan is zeer groot.). Daaraan zullen de leden van Gods volk alleen ontkomen als ze bij God schuilen (vgl. Js 32:22[Die] Man zal zijn als een beschutting tegen de wind,
een schuilplaats tegen de vloed,
als waterbeken in een dorre streek,
als de schaduw van een zware rots in een dorstig land.
)
.

In al deze plagen “zond” God “Zijn brandende toorn op hen af, verbolgenheid, gramschap, benauwdheid” (vers 4949Hij zond Zijn brandende toorn op hen af,
verbolgenheid, gramschap, benauwdheid,
[Hij zond] een menigte boden van rampen.
)
. De combinatie van deze woorden laat zien hoezeer God met toorn vervuld is geraakt door de opstandigheid en weerspannigheid van de mens. Hij heeft voor de uitvoering van Zijn brandende toorn gebruikgemaakt van “een menigte boden van rampen”. Dit zijn de engelen – het woord voor ‘boden’ kan ook met ‘engelen’ worden vertaald – die op Zijn bevel de rampen over Egypte hebben gebracht (vgl. Ex 12:2323Want de HEERE zal [het land] doortrekken om Egypte te treffen, maar als Hij het bloed zal zien op de bovendorpel en op de beide deurposten, dan zal de HEERE de deur voorbijgaan en de verderver niet toestaan om uw huizen binnen te komen om [u] te treffen.; Hb 11:2828Door [het] geloof heeft hij het Pascha gevierd en het sprenkelen van het bloed, opdat de verderver van de eerstgeborenen hen niet aanraakte.; Op 9:13-1613En de zesde engel bazuinde, en uit de <vier> horens van het gouden altaar dat vóór God is, hoorde ik één stem14die zei tegen de zesde engel die de bazuin had: Maak de vier engelen los die gebonden zijn bij de grote rivier, de Eufraat.15En de vier engelen die gereed waren tegen het uur en de dag en de maand en het jaar om het derde deel van de mensen te doden, werden losgemaakt.16En het getal van de legers van de ruiterij was twintigduizend tienduizendtallen; ik hoorde hun getal.).

Asaf noemt een zesde teken en wonder: de veepest (vers 5050Hij baande een pad voor Zijn toorn,
Hij ontrukte hun ziel niet aan de dood,
hun dieren leverde Hij over aan de pest.
; Ex 9:5-65De HEERE bepaalde een vastgestelde tijd en zei: Morgen zal de HEERE deze zaak in het land doen.6En de HEERE deed deze zaak de volgende dag. Al het vee van de Egyptenaren stierf, maar van het vee van de Israëlieten stierf niet één [beest].)
. Hij zegt hiervan dat God daarmee “een pad voor Zijn toorn” heeft gebaand. Hij houdt Zijn toorn niet meer in, maar geeft daaraan de vrije loop. Een plotselinge uitbraak van veepest is het bewijs dat God aan het werk is. Daarmee trof hij de Egyptenaren in de middelen van hun bestaan. Hij spaarde hen niet, “Hij ontrukte hun ziel niet aan de dood”.

Het laatste teken en wonder dat Asaf noemt, is de dood van “al het eerstgeborene in Egypte, de eerste [vruchten] van de mannelijke kracht in de tenten van Cham” (vers 5151Hij trof al het eerstgeborene in Egypte,
de eerste [vruchten] van de mannelijke kracht in de tenten van Cham.
; Ps 136:1010Die de Egyptenaren trof in hun eerstgeborenen,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
; Ex 4:22-2322Dan moet u tegen de farao zeggen: Zo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.23Daarom zeg Ik tegen u: Laat Mijn zoon gaan, zodat hij Mij kan dienen. Maar u hebt geweigerd hem te laten gaan, zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene, doden.; 11:4-54En Mozes zei: Zo zegt de HEERE: Omstreeks middernacht zal Ik uittrekken door het midden van Egypte5en alle eerstgeborenen in het land Egypte zullen sterven, van de eerstgeborene van de farao af, die op zijn troon zitten zou, tot de eerstgeborene van de slavin die achter de handmolen zit, en alle eerstgeborenen van het vee.; 12:29-3029En het gebeurde te middernacht dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte trof, vanaf de eerstgeborene van de farao, die op zijn troon zou zitten, tot aan de eerstgeborene van de gevangene, die zich in de gevangenis bevond, en alle eerstgeborenen van het vee.30Toen stond de farao 's nachts op, hij en al zijn dienaren en alle Egyptenaren. En er was een luid geschreeuw in Egypte, want er was geen huis waarin geen dode was.)
. Dit is de tiende en laatste plaag in Egypte. Egypte stamt van Cham af (Gn 10:66De zonen van Cham zijn: Cusj, Mitsraïm, Put en Kanaän.; Ps 105:2323Daarna kwam Israël in Egypte,
Jakob verbleef als vreemdeling in het land van Cham.
)
. De eerstgeborene staat symbool voor kracht (Gn 49:33Ruben, jij bent mijn eerstgeborene,
mijn kracht en de eerste [vrucht] van mijn mannelijkheid,
de voortreffelijkste in hoogheid
en de voortreffelijkste in sterkte.
)
. De oudste zoon is de diepste trots van de oosterling. Naar de oosterse gewoonte hangt het voortbestaan van de naam, van de familie, van de oudste zoon af. Hij vertegenwoordigt de kracht van het hele geslacht. De eerstgeboren zoon is voor hem kostbaarder dan zijn bezit en zijn gezondheid.

Alle hoop van de natuurlijke mens richt zich op de eerstgeborene. Daarom slaat God alle hoop de bodem in door hun eerstgeborenen te slaan. Er is in heel Egypte geen huis waarin geen dode te betreuren is. Het is de definitieve slag. Gods oordeel is zonder aanzien des persoons. Het treft iedereen van de hoogste tot de laagste in de maatschappij (Jb 34:19-2019Hij trekt geen partij voor de vorsten,
en trekt de rijke niet voor boven de arme,
want zij zijn allemaal het werk van Zijn handen.
20In een ogenblik sterven zij, zelfs midden in de nacht;
een volk wordt heen en weer geschud en komt om;
de machtige wordt weggenomen, [maar] niet door een [mensen]hand.
)
.


Door de woestijn geleid en in het land gebracht

52Hij liet Zijn volk als schapen wegtrekken
en leidde hen als een kudde door de woestijn.
53Ja, Hij leidde hen veilig, zodat zij niet angstig waren,
 want de zee had hun vijanden bedolven.
54Hij bracht hen naar Zijn heilig grondgebied,
naar deze berg, [die] Zijn rechterhand verworven had.
55Hij verdreef de heidenvolken voor hun [ogen],
verdeelde [hun] erfelijk bezit door een meetsnoer
en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen.

Na dit definitieve oordeel laat de farao Gods volk gaan. Maar Asaf zegt hier dat God Zijn volk als schapen laat wegtrekken (vers 5252Hij liet Zijn volk als schapen wegtrekken
en leidde hen als een kudde door de woestijn.
)
. De farao wordt door God gedwongen het volk vrij te laten. God heeft Zich voortdurend voor Zijn volk ingezet. Dat Hij hen “als schapen” laat wegtrekken, geeft hun kwetsbaarheid, hun weerloosheid aan en dat ze volledig afhankelijk zijn van Gods bescherming en verzorging. Ze hebben hun bevrijding niet aan hun eigen kracht te danken. God is de goede Herder Die Zijn schapen uitleidt in de vrijheid (vgl. Jh 10:33Hem doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn eigen schapen bij name en leidt ze naar buiten.).

Nadat ze zijn weggetrokken, ”leidde” Hij “hen als een kudde door de woestijn”. Hij zorgt ervoor dat ze bij elkaar blijven en niet verstrooid worden. De woestijn is een gebied waar een mens niet doorheen komt zonder de weg te kennen of zonder een goede gids. Voor het volk is het een volkomen onbekende weg. Daarom zijn ze helemaal afhankelijk van de leiding van God.

Met een hartgrondig “ja” getuigt Asaf ervan dat God “hen veilig” leidde, “zodat zij niet angstig waren” (vers 5353Ja, Hij leidde hen veilig, zodat zij niet angstig waren,
 want de zee had hun vijanden bedolven.
)
. God zorgt voor veiligheid te midden van al de gevaren van “die grote en vreselijke woestijn” (Dt 8:1515Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, met gifslangen, schorpioenen en droogte, waar geen water was; Die uit hard gesteente water voor u liet komen,; vgl. Jr 2:66dat zij niet zeiden: Waar is de HEERE,
Die ons uit het land Egypte geleid heeft,
Die ons in de woestijn deed gaan,
in een land van wildernis en kuilen,
in een land van dorheid en schaduw van de dood,
in een land waar niemand doorheen trok
en waar geen mens woonde?
)
. De vijand kan hen niet meer bang maken, “want de zee had hun vijanden bedolven” (Ex 14:27-3027Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en tegen het aanbreken van de morgen vloeide de zee terug naar zijn oorspronkelijke plaats, terwijl de Egyptenaren het water tegemoetvluchtten. Zo stortte de HEERE de Egyptenaren midden in de zee.28Want toen het water terugvloeide, bedolf het de strijdwagens en de ruiters van het hele leger van de farao, die hen in de zee achternagekomen waren. Niet een van hen bleef er over.29Maar de Israëlieten gingen op het droge, midden door de zee. Het water was voor hen een muur aan hun rechter- en linkerhand.30Zo verloste de HEERE Israël op die dag uit de hand van de Egyptenaren. En Israël zag de Egyptenaren dood aan de oever van de zee [liggen].). De slavernij ligt achter hen, evenals de dode lichamen van de slavendrijvers. Tijdens de woestijnreis zorgt God, zolang de reis duurt.

Zo “bracht” Hij “hen naar Zijn heilig grondgebied, naar deze berg, [die] Zijn rechterhand verworven had” (vers 5454Hij bracht hen naar Zijn heilig grondgebied,
naar deze berg, [die] Zijn rechterhand verworven had.
).
Mozes en de Israëlieten noemen dit al in het lied dat zij direct na de verlossing zingen (Ex 15:1717       U zult hen brengen en hen planten
                        op de berg [die] Uw eigendom is,
            Uw vaste woonplaats,
                        die U gemaakt hebt, HEERE,
            het heiligdom, Heere,
                        dat Uw handen gesticht hebben.
)
. God brengt Zijn volk “naar Zijn heilig grondgebied”. Het land dat Hij voor hen heeft uitgezocht (Ez 20:66Op die dag heb Ik Mijn hand voor hen opgeheven om hen uit het land Egypte te leiden naar een land dat Ik voor hen uitgezocht had, [een land] dat overvloeit van melk en honing. Het is een sieraad onder al de landen.), is van Hem. Het is heilig omdat Hij heilig is. Wat van Hem is, moet beantwoorden aan Wie en wat Hij is.

“Deze berg” is de berg Moria, waar Abraham zijn zoon heeft geofferd en waar Salomo de tempel heeft gebouwd. Het fundament van Gods woonplaats is de dood van de Zijn Zoon. “Zijn rechterhand” heeft die berg verworven. De rechterhand staat voor kracht en eer. Hij heeft beslag op die berg gelegd om die tot een plaats van samenkomst met Zijn volk te maken.

Vervolgens heeft Hij “de heidenvolken van voor hun [ogen]” verdreven (vers 5555Hij verdreef de heidenvolken voor hun [ogen],
verdeelde [hun] erfelijk bezit door een meetsnoer
en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen.
)
. Daarna heeft Hij “[hun] erfelijk bezit door een meetsnoer” verdeeld. Alle stammen krijgen een deel toegewezen (Jz 13:77Nu dan, verdeel dit land als erfelijk bezit onder de negen stammen en de halve stam Manasse,; 14:1-51Dit is wat de Israëlieten als erfbezit hebben ontvangen in het land Kanaän, wat de priester Eleazar en Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen van de Israëlieten, hun als erfbezit toegewezen hebben.2Door het lot [werd] hun het erfelijk bezit [toegewezen], zoals de HEERE door de dienst van Mozes geboden had met betrekking tot de negenenhalve stam.3Want aan de twee stammen en de halve stam had Mozes een erfelijk bezit gegeven aan de overzijde van de Jordaan, maar aan de Levieten had hij geen erfelijk bezit in hun midden gegeven.4Immers, de nakomelingen van Jozef bestonden uit twee stammen, Manasse en Efraïm, maar aan de Levieten gaven zij geen deel van het land, maar steden om te bewonen, met hun weidegronden, voor hun vee en hun bezittingen.5Zoals de HEERE Mozes geboden had, zo hebben de Israëlieten [dat] gedaan toen ze het land verdeelden.; vgl. Ps 16:66De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke [plaatsen] gevallen,
ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen.
)
. Ten slotte “deed” Hij “de stammen van Israël in hun tenten wonen”. Na de slavernij in Egypte en de omzwervingen in de woestijn heeft het volk de rust bereikt. Nu kunnen ze genieten van alle zegeningen die God in dit land voor hen klaar heeft liggen.


De afkerigheid van het volk

56Maar zij stelden God, de Allerhoogste, op de proef en tergden [Hem],
en namen Zijn getuigenissen niet in acht.
57Zij werden afkerig en handelden trouweloos, zoals hun vaders,
zij keerden zich om als een bedrieglijke boog.
58Zij verwekten Hem tot toorn door hun [offer]hoogten,
verwekten Hem tot na-ijver door hun [afgods]beelden.

Na de overvloed aan bewijzen van de trouw en zorg van God voor Zijn volk volgt er een menselijk “maar” (vers 5656Maar zij stelden God, de Allerhoogste, op de proef en tergden [Hem],
en namen Zijn getuigenissen niet in acht.
)
. In plaats van dankbaar te zijn “stelden” zij “God, de Allerhoogste, op de proef en tergden[Hem]” (vgl. vers 4141Want telkens weer stelden zij God op de proef
en beperkten de Heilige van Israël.
)
. Dit is een grotere zonde dan in de woestijn. In de woestijn is alles dor en doods. In het land echter zijn ze omgeven door de zegeningen. Hier zien we dat zowel moeilijkheden als zegeningen de mens ontrouw maken aan God als hij niet ziet dat God er voor hem is zowel in de moeilijkheden als in de zegeningen.

De zegeningen maken hen niet dankbaar, maar ondankbaar. Ze zijn niet tevreden met wat God hun heeft gegeven. Steeds weer wijken ze van Hem af, zoals we zien in het boek Richteren. Ze tergen Hem met hun zondige handelwijze, want ze “namen Zijn getuigenissen niet in acht”. Wat God heeft gezegd, interesseert hen niet.

De volgende stap van Hem af is dat ze “afkerig” worden en “trouweloos” handelen, “zoals hun vaders” (vers 5757Zij werden afkerig en handelden trouweloos, zoals hun vaders,
zij keerden zich om als een bedrieglijke boog.
)
. “Zij keerden zich om als een bedrieglijke boog”, dat wil zeggen dat zij niet beantwoorden aan de verwachting. God wilde dat zij tot een getuigenis voor Hem zouden zijn tegenover de volken om hen heen, maar daarvan maken zij niets waar. Zij verloochenen hun roeping.

In plaats van God te eren zijn ze de afgoden gaan vereren (vers 5858Zij verwekten Hem tot toorn door hun [offer]hoogten,
verwekten Hem tot na-ijver door hun [afgods]beelden.
)
. “Zij verwekten Hem tot toorn door hun [offer]hoogten”, wil zeggen dat ze altaren hebben gemaakt om daarop offers te brengen aan de afgoden (Ri 2:11-1311Toen deden de Israëlieten wat slecht was in de ogen van de HEERE en zij dienden de Baäls.12Zij verlieten de HEERE, de God van hun vaderen, Die hen uit het land Egypte had geleid, en gingen achter andere goden aan, goden van de volken die rondom hen woonden. Zij bogen zich voor hen neer en verwekten de HEERE tot toorn.13Want zij verlieten de HEERE en dienden de Baäl en de Astartes.). Dit is wel een heel grove belediging voor God, Die hen zo heeft geleid, verzorgd en gezegend. Dat God hiermee tot toorn wordt verwekt, moet ieder weldenkend mens begrijpen. Welk mens zou zo’n grote ondankbaarheid voor bewezen diensten normaal vinden en accepteren?

Zij “verwekten Hem tot na-ijver door hun [afgods]beelden”. Dit is een volkomen gerechtvaardigde na-ijver of jaloersheid. Welke gezond denkende man wordt niet tot na-ijver verwekt als hij merkt dat zijn vrouw verliefd wordt op een andere man en hem ontrouw wordt (Sp 6:32-3432Wie met een vrouw overspel pleegt, is zonder verstand.
Wie dat doet, richt zijn ziel te gronde.
33Plaag en schande zal hij vinden
en zijn smaad zal niet uitgewist worden,
34want jaloersheid is [de] woede van een man
en hij zal geen medelijden hebben op de dag van de wraak.
)
? God is een na-ijverig God (Ex 20:55U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde [geslacht] van hen die Mij haten,; 34:1414– want u mag zich niet neerbuigen voor een andere god: de Naam van de HEERE is immers de Na-ijverige. Een na-ijverig God is Hij –). Hij kan het niet over Zijn kant laten gaan als Zijn volk Hem ontrouw wordt en achter andere goden aangaat en die aanhangt (Dt 32:16,2116Zij hebben Hem tot na-ijver gebracht met vreemde [goden],
met gruwelijke daden hebben zij Hem tot toorn verwekt.
21Zíj hebben Mij tot na-ijver gebracht met wat geen God is;
zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun nietige [afgoden].
Ík zal hen daarom jaloers maken door wat geen volk is,
door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.
; vgl. 2Ko 11:2-32Want ik ben na-ijverig over u met een na-ijver van God; want ik heb u aan één man verloofd om u als een reine maagd voor Christus te stellen.3Maar ik vrees dat wellicht, zoals de slang Eva verleidde door haar sluwheid, uw gedachten bedorven [en afgeweken] zijn van de eenvoudigheid <en de reinheid> jegens Christus.)
.


Prijsgegeven aan het oordeel

59God hoorde [het] en werd verbolgen,
Hij verachtte Israël zeer.
60Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo,
de tent [waarin] Hij woonde onder de mensen.
61Hij gaf Zijn macht over in gevangenschap,
Zijn luister in de hand van de tegenstander.
62Hij leverde Zijn volk over aan het zwaard
en werd verbolgen op Zijn eigendom.
63Het vuur verteerde hun jongemannen,
hun jonge vrouwen werden niet geprezen.
64Hun priesters vielen door het zwaard,
hun weduwen weenden niet.

God heeft alle afkerigheid en trouweloosheid van Zijn volk gehoord (vers 5959God hoorde [het] en werd verbolgen,
Hij verachtte Israël zeer.
)
. Het gaat niet alleen om hun daden, maar ook om de woorden die zij daarbij eerst hebben gesproken. Ze zijn maar niet halsoverkop afkerig en ontrouw geworden, maar hebben eerst overlegd wat ze zouden doen. Het zijn bewuste, weloverwogen en doordachte acties van afkerigheid en trouweloosheid. God is daarover dan ook terecht “verbolgen” geworden.

Zijn gezindheid tegenover hen verandert daardoor radicaal. Er komt verachting voor hen bij Hem op. Verachting is een emotie die wordt opgeroepen door een handelwijze die walging veroorzaakt. Maar dat niet alleen. Het voert tot een handeling die aan die verachting uiting geeft, en dat is verwerping. Wat wordt veracht, wordt verworpen. Het gaat niet om een keer een zondige daad begaan, maar om een leven in liederlijkheid. Dit is bij Zijn volk de situatie geworden.

We zien dat in de dagen dat de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, priesters van de HEERE bij de tabernakel in Silo zijn (1Sm 1:33Deze man ging van jaar tot jaar zijn stad uit om zich in Silo voor de HEERE van de legermachten neer te buigen en offers te brengen. Daar waren de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, priesters van de HEERE.). Hofni en Pinehas vertrappen Gods rechten op de grofste wijze, waardoor het volk het offer van de HEERE verwerpt (1Sm 2:12-17,2212De zonen van Eli echter waren verdorven mannen; zij kenden de HEERE niet.13Want de handelwijze van deze priesters met het volk was [aldus: wanneer] iemand een offer bracht, kwam de knecht van de priester, terwijl het vlees kookte, met een drietandige vork in zijn hand,14stak die in de kookpot, in de ketel, in de pan of in de pot, [en] alles wat de vork [dan] optrok, nam de priester voor zichzelf. Zo deden zij met al de Israëlieten die daar in Silo kwamen.15Ook vóór zij het vet in rook lieten opgaan, kwam de knecht van de priester en zei tegen de man die het offer bracht: Geef dat vlees om te braden aan de priester, want hij wil geen gekookt vlees van u aannemen, maar rauw.16En wanneer die man tegen hem zei: Zij moeten dat vet beslist eerst in rook laten opgaan; neem daarna [maar] voor uzelf zoals uw ziel verlangt, [dan] zei hij tegen hem: Nee, u moet het nú geven, en zo niet, dan neem ik het met geweld.17Zo was de zonde van deze jongemannen voor het aangezicht van de HEERE erg groot, want de mensen verwierpen [hierdoor] het offer van de HEERE.22Eli nu was heel oud en hoorde alles wat zijn zonen heel Israël aandeden, en [ook] dat zij sliepen met de vrouwen die bij de ingang van de tent van ontmoeting dienst deden.). Omdat priesters en volk God verachten, veracht God het volk (1Sm 2:3030Daarom spreekt de HEERE, de God van Israël: Ik had duidelijk gezegd: Uw huis en uw familie zullen voor eeuwig voor Mijn aangezicht wandelen. Maar nu spreekt de HEERE: Er is bij Mij geen sprake van, want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij verachten, zullen [zelf] veracht worden.). Bij dat volk kan God niet blijven wonen.

De tabernakel staat in die tijd sinds de dagen van Jozua in Silo (Jz 18:1,311Vervolgens verzamelde zich heel de gemeenschap van de Israëlieten in Silo, en zij zetten daar de tent van ontmoeting op, nadat het land aan hen onderworpen was.; Ri 18:3131Zo richtten zij het gesneden beeld voor zich op dat Micha gemaakt had, al de dagen dat het huis van God in Silo was.; 21:12,1912En onder de inwoners van Jabes in Gilead troffen zij vierhonderd meisjes aan die maagd waren, die geen gemeenschap met een man hadden gehad. Zij brachten hen naar het kamp in Silo, dat in het land Kanaän ligt.19Toen zeiden zij: Zie, er is in Silo een feest voor de HEERE, dat van jaar tot jaar [gehouden wordt] ten noorden van het huis van God, aan [de zijde] waar de zon opgaat van de hoofdweg, die omhoog voert van het huis van God naar Sichem, en ten zuiden van Lebona.; 1Sm 1:3,243Deze man ging van jaar tot jaar zijn stad uit om zich in Silo voor de HEERE van de legermachten neer te buigen en offers te brengen. Daar waren de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, priesters van de HEERE.24Daarna, toen hij van de borst af was, nam zij hem met zich mee, met een driejarige jonge stier, een efa meel en een kruik wijn. Zij bracht hem in het huis van de HEERE in Silo, toen de jongen nog [heel] jong was.; 2:1414stak die in de kookpot, in de ketel, in de pan of in de pot, [en] alles wat de vork [dan] optrok, nam de priester voor zichzelf. Zo deden zij met al de Israëlieten die daar in Silo kwamen.; 4:3-43Toen het volk in het kamp [terug]gekomen was, zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft de HEERE ons vandaag vóór de Filistijnen verslagen? Laten wij vanuit Silo de ark van het verbond van de HEERE bij ons nemen, en laat die in ons midden komen, opdat die ons zal verlossen uit de hand van onze vijanden.4Toen zond het volk [boden] naar Silo, en men bracht vandaar de verbondsark van de HEERE van de legermachten, Die tussen de cherubs troont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God.). Silo ligt in het gebied van de stam Efraïm. Vanwege het schandelijke gedrag van de twee zonen van Eli, “daarom”, verlaat God “de tabernakel te Silo” (vers 6060Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo,
de tent [waarin] Hij woonde onder de mensen.
)
. De tabernakel is “de tent [waarin] Hij woonde onder de mensen”. Hiermee lijkt een einde te zijn gekomen aan Gods voornemen dat Hij met de verlossing heeft gehad. Dit voornemen was om bij Zijn volk te wonen.

Hij heeft dat tot dit moment ook gedaan. Door de aanhoudende afkerigheid van het volk kan Hij dat echter niet langer. Wonen betekent rust hebben. ‘Silo’ betekent ‘rust’. Die rust is door het voortdurend zondigen van het volk verdwenen. God is als het ware uit Zijn woonplaats verdreven. Dit is een smartelijk moment voor God, en ook voor het volk, hoewel het volk de draagwijdte ervan niet zal hebben gezien.

De ark is het zichtbare getuigenis van de tegenwoordigheid en de macht van God. De ark wordt ook “de ark van Uw macht” genoemd (Ps 132:88Sta op, HEERE, [ga] naar Uw rustplaats,
U en de ark van Uw macht.
)
. Als de zonen van Eli de ark als een mascotte in de strijd tegen de Filistijnen willen gebruiken, geeft God “Zijn macht over in gevangenschap”, dat is Hij geeft de ark in de hand van de Filistijnen (vers 6161Hij gaf Zijn macht over in gevangenschap,
Zijn luister in de hand van de tegenstander.
; 1Sm 4:1717Toen antwoordde de boodschapper en zei: Israël is voor de Filistijnen uit gevlucht, en ook is er een grote slachting onder het volk geweest. Bovendien zijn uw twee zonen, Hofni en Pinehas, gestorven en is de ark van God [als buit] meegenomen.)
.

Hij geeft “Zijn luister in de hand van de tegenstander”, wat wil zeggen dat de luister of de eer vertrekt uit Israël en in het land van de Filistijnen terechtkomt (1Sm 4:21-2221En zij noemde het jongetje Ikabod, en zei: De eer is weggevoerd uit Israël. [Dit zei ze], omdat de ark van God [als buit] meegenomen was, en vanwege haar schoonvader en haar man.22En zij zei: De eer is weggevoerd uit Israël, want de ark van God is [als buit] meegenomen.). Dat God ook daar Zijn eer handhaaft, is hier niet aan de orde. Het gaat om de lessen die het volk uit de geschiedenis van hun trouweloosheid moet leren.

God levert ook “Zijn volk over aan het zwaard” van de Filistijnen (vers 6262Hij leverde Zijn volk over aan het zwaard
en werd verbolgen op Zijn eigendom.
; 1Sm 4:1010Toen streden de Filistijnen, en Israël werd verslagen, en zij vluchtten, ieder naar zijn tent. De nederlaag was zeer groot, er viel van Israël dertigduizend [man] voetvolk.)
. “Zijn eigendom”, dat is Zijn land en Zijn volk, worden het voorwerp van Zijn verbolgenheid. Er is niets aantrekkelijks meer voor Hem in aanwezig. Zozeer hebben zij met hun daden Hem getergd en oneer aangedaan. Op het land waarop eerst Zijn oog met welgevallen heeft neergekeken, rustte nu Zijn toorn. We zien dat God alles doet. Hij verlaat Zijn tabernakel, Hij geeft Zijn macht en Zijn luister over, Hij levert Zijn volk over.

De “jongemannen” worden door het vuur van het oordeel gedood (vers 6363Het vuur verteerde hun jongemannen,
hun jonge vrouwen werden niet geprezen.
)
. Dit gebeurt in de strijd tegen de Filistijnen. Het gevolg is dat “hun jonge vrouwen … niet geprezen” worden. De betekenis is dat de jongeman geen lied voor zijn jonge bruid op hun bruiloft kan zingen. Door de dood van de jongemannen zijn er geen bruiloften meer mogelijk. Dit betekent het einde van de natie.

De priesters Hofni en Pinehas zijn door het zwaard van de Filistijnen gevallen (vers 6464Hun priesters vielen door het zwaard,
hun weduwen weenden niet.
; 1Sm 4:1111En de ark van God werd meegenomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven.)
. Zij, die de verbinding tussen het volk en God vormen, zijn ook gedood. Hun weduwen hebben niet om hen geweend (vgl. Jb 27:1515Wie van hem overgebleven zijn, zullen door de dood begraven worden,
en zijn weduwen zullen niet wenen.
)
, zo groot is de schok van de rampen die over het volk zijn gekomen. Mogelijk hebben ze om de buitgemaakte ark geweend (1Sm 4:2121En zij noemde het jongetje Ikabod, en zei: De eer is weggevoerd uit Israël. [Dit zei ze], omdat de ark van God [als buit] meegenomen was, en vanwege haar schoonvader en haar man.). In elk geval betekent de dood van de priesters en de verdwijning van de ark het einde van de dienst aan God.


God verkiest Juda, Sion en David

65Toen ontwaakte de Heere als iemand die slaapt,
als een held die juicht van de wijn.
66Hij sloeg Zijn tegenstanders vanachter,
Hij deed hun voor eeuwig smaad aan.
67Hij verwierp de tent van Jozef,
de stam Efraïm verkoos Hij niet.
68Maar Hij verkoos de stam Juda,
de berg Sion, die Hij liefhad.
69Hij bouwde Zijn heiligdom, als hoogten,
[en vast] als de aarde, die Hij voor eeuwig grondvestte.
70Hij verkoos Zijn dienaar David
en haalde hem bij de schaapskooien vandaan.
71Van achter de zogende [schapen] deed Hij hem komen
om te weiden Jakob, Zijn volk,
en Israël, Zijn eigendom.
72Hij heeft hen geweid met een oprecht hart
en hen geleid met zeer bekwame hand.

Na alles wat God met het volk heeft moeten doen en de weg die Hij Zelf is gegaan, lijkt Hij de grote Verliezer. Dan komt het grote “toen” (vers 6565Toen ontwaakte de Heere als iemand die slaapt,
als een held die juicht van de wijn.
)
. Wanneer het volk alle rechten heeft verspeeld en er geen enkel aanknopingspunt voor herstel is, ontwaakt “de Heere als iemand die slaapt”. De Heere, Adonai, gaat handelen ten gunste van Zijn volk. Daartoe is Hij als de soevereine Heerser over alles, Adonai, als Enige in staat. We zien in de volgende verzen wat “Hij” allemaal doet. Hij is “als een held die juicht van de wijn”. Dat wijst erop dat met Hij vreugde voor Zijn volk aan het werk gaat.

Het eerste werk is het oordelen van Zijn tegenstanders (vers 6666Hij sloeg Zijn tegenstanders vanachter,
Hij deed hun voor eeuwig smaad aan.
)
. Hij heeft Zijn luister in de hand van de tegenstander gegeven. Nu slaat Hij deze tegenstander en andere tegenstanders “vanachter”. Dit is geen aanval in de rug, maar het verslaan van de tegenstanders terwijl ze op de vlucht slaan. Zij hebben niet verwacht dat Hij ooit nog een keer voor Zijn volk zou opkomen. Dat is een van de schromelijke vergissingen van het ongeloof. Hij doet Zijn tegenstanders “voor eeuwig smaad aan”. Zij hebben gedacht eeuwige eer te oogsten door Gods volk aan te vallen, maar de Heere verandert dat in een smaad die eeuwig is.

Dat Hij “de tent van Jozef” verwerpt, wil zeggen dat Hij die als vestigingsplaats voor Zijn heiligdom terzijde schuift (vers 6767Hij verwierp de tent van Jozef,
de stam Efraïm verkoos Hij niet.
)
. Jozef is wel “de gewijde onder zijn broers” (Gn 49:2626De zegeningen van je vader
gaan de zegeningen van mijn vaderen te boven,
tot aan de begerenswaardigheid van de eeuwige heuvels.
Zij zullen zijn op het hoofd van Jozef,
ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers.
)
, maar God heeft voor Zijn heiligdom een andere stam gekozen. Hetzelfde geldt voor Efraïm, de voornaamste stam van het tienstammenrijk. Ook “de stam Efraïm verkoos Hij niet”, hoewel daar de tabernakel in Silo eerst heeft gestaan.

De stam van Gods keus voor de bouw van Zijn heiligdom is “de stam Juda” (vers 6868Maar Hij verkoos de stam Juda,
de berg Sion, die Hij liefhad.
)
. Hier wordt de profetie van Jakob vervuld (Gn 49:8-108Juda, jij bent het,
jou zullen je broers loven!
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden;
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
9Juda is een leeuwenwelp;
van [je] prooi ben je opgestaan, mijn zoon.
Hij heeft zich gekromd, zich als een leeuw neergelegd,
als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?
10De scepter zal van Juda niet wijken
en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten,
totdat Silo komt,
en Hem zullen de volken gehoorzamen.
)
. De keus van God is altijd gebaseerd op Zijn wil en niet op iets in de mens. In de stam Juda verkiest Hij “de berg Sion, die Hij liefhad”. Zijn verkiezing van Sion is verbonden met Zijn liefde. Als Hij naar Zijn liefde handelt, handelt Hij naar Zijn natuur, want “God is liefde” (1Jh 4:8,168Wie niet liefheeft, heeft God niet gekend, want God is liefde.16En wij hebben onderkend en geloofd de liefde die God ten aanzien van ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem.), los van iets aantrekkelijks in het voorwerp van Zijn liefde. Hij heeft lief omdat Hij liefde is.

Op de berg Sion, die Hij liefhad, “bouwde” Hij “Zijn heiligdom, als hoogten” (vers 6969Hij bouwde Zijn heiligdom, als hoogten,
[en vast] als de aarde, die Hij voor eeuwig grondvestte.
)
. Salomo heeft daadwerkelijk Zijn heiligdom gebouwd, maar God heeft hem daarvoor van wijsheid, aanwijzingen, materialen en mensen voorzien. Gods heiligdom is “als hoogten” gebouwd, dat wil zeggen het is een verheven plaats (vgl. Js 2:22Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
)
.

Behalve een verheven plaats is het ook een onwankelbare plaats, “als de aarde, die Hij voor eeuwig grondvestte”. De aarde is vaak het symbool van stabiliteit. Daarbij heeft God Zijn heiligdom, net als de aarde, met een doel gegrondvest. Hij wil daar met Zijn volk samenkomen. Het volk mag daar komen met hun offers en Hij zegent hen daar.

Na het verkiezen van de stam Juda en de berg Sion volgt ten slotte de verkiezing van “Zijn dienaar David” om koning over Zijn volk te zijn (vers 7070Hij verkoos Zijn dienaar David
en haalde hem bij de schaapskooien vandaan.
)
. David wordt verkozen, terwijl hij geen natuurlijke aanspraken heeft om koning te zijn. Hij telt ook niet mee in zijn familie, hij wordt door hen vergeten (1Sm 16:1111Toen zei Samuel tegen Isaï: Zijn dit al de jongens? En hij zei: De jongste is nog achtergebleven; zie, hij weidt de schapen. Samuel zei tegen Isaï: Stuur [een bode] en [laat] hem halen, want wij zullen niet rond [de tafel] gaan [zitten], totdat hij hier gekomen is.). Maar God “haalde hem bij de schaapskooien vandaan” (vgl. 2Sm 7:88Nu dan, dit moet u tegen Mijn dienaar zeggen, tegen David: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb u van de schaapskooi vandaan gehaald, van achter het kleinvee, om een leider over Mijn volk te zijn, over Israël.). Gods koning is van oorsprong een herder. Het koningschap kan naar de gedachten van God alleen goed worden uitgeoefend door een herder. Dat zien we volmaakt bij de Heer Jezus.

God laat David “van achter de zogende [schapen] … komen” (vers 7171Van achter de zogende [schapen] deed Hij hem komen
om te weiden Jakob, Zijn volk,
en Israël, Zijn eigendom.
)
. Die plaats, achter de zogende schapen, laat zien dat David voor deze schapen heeft gezorgd, schapen die hun lammeren te drinken geven. Dit is de eigenschap die iemand nodig heeft om Gods volk te weiden. David blijft dezelfde in zijn zorgzaamheid. De enige verandering is dat de schapen nu mensen zijn, wat tegelijk inhoudt dat mensen schapen zijn die zorg nodig hebben (vgl. Mt 9:3636Toen Hij nu de menigten zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, want zij lagen afgemat terneer als schapen die geen herder hebben.).

God vertrouwt David de zorg toe “om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn eigendom”. David zal zich altijd goed bewust moeten zijn van het feit dat het volk dat hij weidt en waarover hij regeert, niet zijn volk is, maar het volk van God. Dat volk wordt “Jakob” genoemd. Dat herinnert aan de zwakheid van het volk. God heeft van dat volk “Israël” gemaakt, dat is het volk zoals God het ziet naar Zijn raadsbesluit voor dat volk. Dat volk is niet het eigendom van David, maar Gods eigendom.

Het doet denken aan de opdracht die de Heer Jezus aan Petrus geeft: “Hoed Mijn schapen … Weid Mijn lammeren … Weid Mijn schapen” (Jh 21:15-1715Toen zij dan hadden ontbeten, zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, [zoon] van Johannes, heb je Mij meer lief dan dezen? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Weid Mijn lammeren.16Hij zei opnieuw tot hem, voor [de] tweede keer: Simon, [zoon] van Johannes, heb je Mij lief? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Hoed Mijn schapen.17Hij zei tot hem voor de derde keer: Simon, [zoon] van Johannes, houd je van Mij? Petrus werd bedroefd omdat Hij voor de derde keer tot hem zei: Houd je van Mij? En hij zei tot Hem: Heer, U weet alles, U weet dat ik van U houd. Jezus zei tot hem: Weid Mijn schapen.). De Heer gebruikt elke keer het woord “Mijn”. Elke herder in de gemeente van God moet zich er voortdurend van bewust zijn dat de schapen niet zijn schapen zijn, maar de schapen van de Heer Jezus. Herders hoeden niet hun eigen kudde, maar “de kudde van God” (1Pt 5:1-31[De] oudsten onder u vermaan ik dus, de medeoudste en getuige van het lijden van Christus en ook de deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden;2hoedt de kudde van God die bij u is <en houdt toezicht>, niet gedwongen maar vrijwillig, in overeenstemming met God, ook niet om schandelijke winst, maar bereidwillig;3ook niet als heersers over de erfgoederen, maar als zij die voorbeelden voor de kudde worden.).

De psalm eindigt met het getuigenis van David dat hij Gods volk en eigendom heeft “geweid met een oprecht harten hen geleid met zeer bekwame hand” (vers 7272Hij heeft hen geweid met een oprecht hart
en hen geleid met zeer bekwame hand.
)
. Het komt bij het weiden van de schapen aan op “een oprecht hart”. Een oprecht hart is gericht op God en vervolgens op het welzijn van de schapen. Bij het leiden van de schapen komt het aan op een “zeer bekwame hand”. Er is grote kundigheid nodig om op de juiste wijze de kudde te leiden. David heeft in zijn zorg voor de schapen van zijn vader bewezen dat hij zowel een oprecht hart als een zeer bekwame hand heeft.

David is hier duidelijk een beeld van de Heer Jezus, de ware Herder-Koning. Hij is “de goede Herder” Die Zijn leven heeft gegeven voor Zijn schapen (Jh 10:1111Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen;). Hij is ook de “overste Herder” Die het voorbeeld voor alle herders in de gemeente is (1Pt 5:44En wanneer de overste Herder is verschenen, zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid ontvangen.). In Zijn zorg voor ons als Zijn schapen weidt Hij ons met het beste voedsel en leidt Hij ons in het spoor van de gerechtigheid omwille van Zijn Naam (Ps 23:2-32Hij doet mij neerliggen in grazige weiden,
Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren.
3Hij verkwikt mijn ziel,
Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid,
omwille van Zijn Naam.
)
.

We kunnen zeggen dat de psalm eindigt met de rust van het vrederijk, waar Gods aardse volk alle beloofde zegeningen zal ontvangen en genieten. Dat is niet op grond van enige verdienste van hen, maar op grond van Gods voornemen dat Hij in genade vervult. In het vrederijk regeert de ware David als Koning en de ene Herder Die Zijn volk weidt en leidt (Ez 37:24a24En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden.).


Lees verder