Psalmen
Inleiding 1-8 Het verwoeste heiligdom 9-11 Het zwijgen van God 12-17 God heerst 18-23 O God, voer Uw rechtszaak!
Inleiding

In Psalm 73 heeft Asaf vertwijfelde vragen gesteld aan God over de voorspoed van de goddelozen. In Psalm 74 stelt hij vertwijfelde vragen aan God over de verwerping door Hem van Zijn volk.

Deze psalm is een aangrijpend gebed tot God om in te grijpen na een grote nationale ramp. Die ramp betreft de verwoesting van Gods heiligdom, de tempel, Zijn woonplaats in Jeruzalem. De ramp die Asaf beschrijft, ligt in de toekomst, want in de tijd van Asaf is de tempel er nog niet. Asaf wordt door de Heer Jezus een “profeet” genoemd, als Hij een woord van hem aanhaalt uit Psalm 78 (Mt 13:3535opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet, die zei: ‘Ik zal mijn mond opendoen in gelijkenissen; ik zal dingen uitspreken die van [de] grondlegging <van [de] wereld> af verborgen zijn geweest’.; Ps 78:22Ik wil mijn mond met spreuken opendoen
en van aloude verborgenheden doen overvloeien,
)
. Het is een profetische psalm, waarin gevoelens tot uitdrukking worden gebracht die bij latere gebeurtenissen bij het gelovig overblijfsel aanwezig zijn. Zo heeft de Geest van God Elia een brief laten schrijven aan koning Joram, een koning die later heeft geleefd dan hij (2Kr 21:1212Toen kwam er een schrijven bij hem van de profeet Elia [met de boodschap]: Zo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Omdat u niet in de wegen van uw vader Josafat en in de wegen van Asa, de koning van Juda, gegaan bent,).

De Heilige Geest heeft in Asaf gevoelens bewerkt die de gelovige heeft die de daadwerkelijke verwoesting van de tempel meemaakt. We kunnen denken aan de verwoesting door Nebukadnezar in 587 v.Chr. We kunnen ook denken aan de verwoesting door de Romeinen in het jaar 70. Het is ook mogelijk te denken aan de verwoesting in de eindtijd door de Assyriërs (Dn 9:2727Hij zal voor velen het verbond versterken,
één week [lang].
Halverwege de week
zal hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.
Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.
)
. Al deze verwoestingen gaan de Godvrezende Jood door merg en been. Ze vragen zich af hoe God het kan toelaten dat Zijn heiligdom zo ontheiligd en verwoest wordt.

De discipelen van de Heer Jezus – zij zijn een beeld van het overblijfsel – zijn ook onder de indruk van tempel. Het komt niet in hun gedachten op dat die schitterende tempel weer kan worden verwoest. In Zijn reactie op hun bewondering voor het gebouw voorzegt de Heer de verwoesting ervan (Mt 24:1-21En Jezus ging naar buiten en vertrok van de tempel; en Zijn discipelen kwamen naar Hem toe om Hem op de gebouwen van de tempel te wijzen.2Hij nu antwoordde en zei tot hen: Ziet u dit alles niet? Voorwaar, Ik zeg u: er zal hier geen enkele steen op [de andere] steen gelaten worden die niet zal worden afgebroken.).


Het verwoeste heiligdom

1Een onderwijzing van Asaf.
O God, waarom hebt U [ons] voor altijd verstoten?
[Waarom] ontbrandt Uw toorn tegen de schapen van Uw weide?
2Denk aan Uw gemeente, die U vanouds verworven hebt,
de stam [die] Uw eigendom is, [die] U verlost hebt,
de berg Sion, waarop U gewoond hebt.
3Richt Uw voeten naar wat voor altijd verwoest is,
[want] de vijand heeft alles in het heiligdom vernield.
4Uw tegenstanders tierden midden in Uw ontmoetingsplaatsen;
[daar] stelden zij hun [zege]tekens als [ere]tekens op.
5Zij raakten bekend als [lieden]
die [hun] bijlen opheffen in dicht geboomte.
6Zo sloegen zij al de graveringen ervan
met houwelen en mokers in stukken.
7Zij staken Uw heiligdom in brand;
tot de grond toe ontheiligden zij de woning van Uw Naam.
8Zij zeiden in hun hart: Laten wij die gezamenlijk plunderen!
Zij verbrandden al Gods ontmoetingsplaatsen in het land.

Dit is de negende van de in totaal dertien psalmen die “een onderwijzing” zijn (vers 1a1Een onderwijzing van Asaf.
O God, waarom hebt U [ons] voor altijd verstoten?
[Waarom] ontbrandt Uw toorn tegen de schapen van Uw weide?
; Psalmen 32; 42; 44; 45; 52; 53; 54; 55; 74; 78; 88; 89; 142)
. Zie verder bij Psalm 32:1. Het is een onderwijzing “van Asaf”. Zie verder bij Psalm 50:1.

De Godvrezende gelovige roept tot God “waarom” Hij hen “voor altijd verstoten” heeft (vers 1b1Een onderwijzing van Asaf.
O God, waarom hebt U [ons] voor altijd verstoten?
[Waarom] ontbrandt Uw toorn tegen de schapen van Uw weide?
)
. Wij stellen de vraag naar het “waarom” van rampen die ons treffen als wij Gods wegen en werken niet begrijpen. Die vraag kan voortkomen uit een gekweld, nederig gemoed, maar ook uit een opstandig gemoed. Asaf stelt die vraag vanuit een nederig gemoed.

De aanleiding tot zijn vraag is, zoals de psalm verder duidelijk maakt, de verwoesting van de tempel. Voor het besef van de Godvrezende is de aanwezigheid van de tempel in het midden van het volk hetzelfde als Gods aanwezigheid in hun midden. Deze gedachte is terecht als het volk Hem dient, maar onterecht als het volk Hem verlaat.

Omdat het volk Hem heeft verlaten, heeft Hij hen moeten verlaten. De profeet Ezechiël beschrijft de etappen van het vertrek van God uit de tempel (Ez 8:3-43Hij strekte [iets] uit [met] de vorm van een hand en pakte mij bij mijn hoofdhaar. Toen hief de Geest mij op tussen de aarde en de hemel en in visioenen van God bracht Hij mij naar Jeruzalem, naar de ingang van de poort van de binnenste [voorhof] die naar het noorden gekeerd is, waar zich de zetel van het afgodsbeeld van de na-ijver bevond, dat na-ijver oproept.4En zie, daar was de heerlijkheid van de God van Israël, overeenkomstig de verschijning die ik in de vallei gezien had.; 9:33De heerlijkheid van de God van Israël verhief zich van boven de cherub waarop Hij rustte, naar de drempel van het huis, en Hij riep naar de Man Die in linnen gekleed was, Die de schrijverskoker aan Zijn middel had.; 10:3-4,18-193De cherubs stonden rechts van het huis toen de Man binnenkwam, en de wolk vervulde de binnenste voorhof.4Toen verhief de heerlijkheid van de HEERE zich van boven de cherub naar de drempel van het huis. Daarop werd het huis vervuld met de wolk en de voorhof was vol van de lichtglans van de heerlijkheid van de HEERE.18Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg, van boven de drempel van het huis, en bleef boven de cherubs staan.19En de cherubs hieven hun vleugels op, en verhieven zich voor mijn ogen bij hun vertrek van de aarde, en de wielen tegelijk met hen. [Ieder] stond stil [bij] de ingang van de Oostpoort van het huis van de HEERE, met de heerlijkheid van de God van Israël van bovenaf boven hen.; 11:22-2322Daarna hieven de cherubs hun vleugels op, en de wielen [verhieven zich] tegelijk met hen. En de heerlijkheid van de God van Israël was vanboven over hen.23Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.). Het volk ervaart terecht dat het is verstoten door God nu Hij de tempel heeft verlaten en heeft prijsgegeven aan de heidenen om die te verwoesten. Daarbij menen ze onterecht dat God hen voor altijd heeft verstoten.

Ze zien in de verwoesting van de tempel dat Gods toorn tegen hen, “de schapen van Uw weide” (vgl. Ps 79:1313Dan zullen wíj, Uw volk en de schapen van Uw weide,
U voor eeuwig loven;
van generatie op generatie
zullen wij van Uw roem vertellen.
; 95:77Want Hij is onze God
en wij zijn het volk van Zijn weide
en de schapen van Zijn hand.
Heden, indien u Zijn stem hoort,
)
, is ontbrand. Dat is ook zo, maar ze begrijpen niet hoe dat kan. Dat ze zich zo aan God voorstellen, vergroot de tederheid van hun beroep op Hem. Hoe kan de Herder van Israël in toorn ontbranden tegen Zijn eigen schapen die Hij van weide, dat wil zeggen van voedsel voorziet? Maar hun onbegrip vloeit voort uit een verkeerde uitleg van Gods toorn. Gods toorn is over Zijn volk als geheel gekomen en daar horen zij ook bij. Zij maken deel uit van een goddeloos volk.

Tegelijk richten ze zich, in tegenstelling tot het goddeloze volk, de afvallige massa, met hun nood tot God. Ze vragen aan Hem aan hen te denken omdat zij Zijn gemeente zijn (vers 22Denk aan Uw gemeente, die U vanouds verworven hebt,
de stam [die] Uw eigendom is, [die] U verlost hebt,
de berg Sion, waarop U gewoond hebt.
)
. Het gaat hier niet over de nieuwtestamentische gemeente, maar over de gemeente van Israël. Hij heeft Zich dat volk “vanouds verworven” (Dt 32:66Doet u dit de HEERE aan,
dwaas en onwijs volk?
Is Hij niet uw Vader, Die u verworven heeft,
Die u gemaakt heeft en u stand heeft doen houden?
; vgl. Hd 20:2828Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].)
. Asaf wijst God erop dat Hij Zijn volk vele eeuwen geleden heeft verworven om Zijn eigendomsvolk te zijn (Dt 32:99Want het deel van de HEERE is Zijn volk,
Jakob is het gebied dat Zijn eigendom is.
)
.

Hij heeft Zijn volk verlost uit de slavernij waaronder zij gebukt zijn gegaan. Die verlossing is gebeurd met een doel: God heeft een volk willen hebben om in het midden daarvan te wonen. Hij heeft Zijn volk daarom in het land gebracht en de berg Sion als woonplaats uitgekozen. Daar heeft Hij gewoond.

En ziet God niet wat er met Zijn woonplaats is gebeurd? Laat God Zijn voeten richten om er te gaan kijken (vers 33Richt Uw voeten naar wat voor altijd verwoest is,
[want] de vijand heeft alles in het heiligdom vernield.
)
. Door dit zo voor te stellen geeft Asaf aan dat God Zijn heiligdom heeft verlaten. Hij moet ernaar terugkomen. Dan kan Hij constateren dat Zijn woonplaats “voor altijd verwoest is”.

Dat is, zo zegt Asaf, gebeurd door “de vijand”. Hij “heeft alles in het heiligdom vernield”. Dit is voor Asaf als zanger in de tempel niet te verteren. Hij is daardoor diep getroffen in zijn innerlijk. Zijn hart is helemaal gehecht aan die plaats. Het kan toch niet zo zijn dat God dit niet heeft opgemerkt? En waarom heeft Hij niet ingegrepen? En waarom doet Hij nog steeds niets?

De tegenstanders zijn niet de tegenstanders van Asaf, maar “Uw tegenstanders”, dat wil zeggen die van God (vers 44Uw tegenstanders tierden midden in Uw ontmoetingsplaatsen;
[daar] stelden zij hun [zege]tekens als [ere]tekens op.
)
. Hoe hebben zij getierd als dronkenlappen en zijn zij tekeergegaan in “Uw ontmoetingsplaatsen”. De tempel heeft enkele plaatsen van ontmoeting tussen God en Zijn volk. In de voorhof ontmoet Hij Zijn volk en in het heiligdom de priesters. Het zijn heilige plaatsen waar de eisen van heiligheid gelden die passen bij Hem Die de Heilige is.

Maar God woont daar niet meer. Op de plaats waar Hij heeft gewoond, hebben de heidenen er hun afgodische eretekens opgesteld. Dit is weerzinwekkend voor het gemoed van de Godvrezende Jood (vgl. Mt 24:1515Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan in [de] heilige plaats, – laat hij die het leest, erop letten! –). Het is alsof de afgoden van de heidenen de overwinning hebben behaald op de levende God. Dit kan God toch niet ongestraft laten voortbestaan?

Asaf houdt God voor – alsof hij God wil overtuigen van de nietsontziende werkwijze van de heidenen – hoe ze te werk zijn gegaan en dat ze niets, maar dan ook helemaal niets heilig hebben geacht. Zoals houthakkers hun “bijlen opheffen in dicht geboomte”, zo hebben zij huisgehouden in de tempel (vers 55Zij raakten bekend als [lieden]
die [hun] bijlen opheffen in dicht geboomte.
)
. Ze hebben er woest op ingeslagen. De sierlijk aangebrachte graveringen zijn door brute handkracht “met houwelen en mokers in stukken” geslagen (vers 66Zo sloegen zij al de graveringen ervan
met houwelen en mokers in stukken.
)
.

Na de vernielingen hebben ze “Uw heiligdom in brand” gestoken (vers 77Zij staken Uw heiligdom in brand;
tot de grond toe ontheiligden zij de woning van Uw Naam.
)
. De woning van Gods Naam hebben ze “tot de grond toe” ontheiligd. Er is Gods woning geen enkele ontheiligende handeling bespaard gebleven. Wat de heidenen ook maar hebben kunnen bedenken om de woning van Gods Naam met smaad te overdekken, hebben ze gedaan.

Asaf kent door de voorlichting van de Geest zelfs de overleggingen van het hart van Gods vijanden (vers 88Zij zeiden in hun hart: Laten wij die gezamenlijk plunderen!
Zij verbrandden al Gods ontmoetingsplaatsen in het land.
)
. Ze gaan volgens een van tevoren gemaakt plan te werk. Wat ze niet hardop zeggen, voeren ze in boosaardigheid uit. Eerst plunderen ze Gods woonplaats, dat is de tempel, en de ontmoetingsplaatsen in het land, dat zijn de synagogen. Dat God dit toelaat, is omdat Hij alle orthodoxe, levenloze vormendienst wil uitroeien. Voor Hem heeft het orthodoxe Jodendom geen waarde.


Het zwijgen van God

9Onze tekenen zien wij niet, er is geen profeet meer;
er is niemand onder ons die weet hoelang [nog].
10Hoelang, o God, zal de tegenstander [U] smaden?
Zal de vijand Uw Naam voor altijd lasteren?
11Waarom trekt U Uw hand terug, Uw [sterke] rechterhand?
[Trek haar] uit het midden van Uw boezem. Maak er een eind aan!

Het Godvrezende overblijfsel, waarvan Asaf de gevoelens vertolkt, ziet hun tekenen niet meer (vers 99Onze tekenen zien wij niet, er is geen profeet meer;
er is niemand onder ons die weet hoelang [nog].
)
. Daarmee bedoelen ze dat de tempel is verdwenen met het altaar en de priesterdienst. Er is ook “geen profeet meer”, iemand die hen namens God kan vertroosten en bemoedigen in hun omstandigheden of hun Gods wil bekend kan maken over de weg die zij moeten gaan.

Op de kwellende vraag “hoelang” deze situatie nog moet duren, kan niemand antwoord geven, want niemand weet het. De Heer Jezus spreekt over een teken dat de vraag naar ‘hoelang’ beantwoordt: En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen in [de] hemel; en dan zullen alle stammen van het land weeklagen en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid. En Hij zal Zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenverzamelen uit de vier windstreken, van [de] uitersten van [de] hemelen tot <de> [andere] uitersten daarvan” (Mt 24:30-3130En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen in [de] hemel; en dan zullen alle stammen van het land weeklagen en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid.31En Hij zal Zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenverzamelen uit de vier windstreken, van [de] uitersten van [de] hemelen tot <de> [andere] uitersten daarvan.).

Het overblijfsel stelt de vraag naar “hoelang” ook in verbinding met de smaad die de tegenstander God aandoet (vers 1010Hoelang, o God, zal de tegenstander [U] smaden?
Zal de vijand Uw Naam voor altijd lasteren?
)
. De vraag houdt, behalve een vraag naar een tijdsduur, ook geloof in. Er is geloof dat er een keer een einde zal komen aan de smaad die God wordt aangedaan. Het kan toch niet zo zijn, dat de vijand “voor altijd” Gods Naam zal lasteren? Wij weten dat God die tijd heeft begrensd is tot drieënhalf jaar (Op 13:55En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden.).

De grote vraag die het overblijfsel blijft bezighouden, is “waarom” God Zijn hand, Zijn rechterhand, heeft teruggetrokken (vers 1111Waarom trekt U Uw hand terug, Uw [sterke] rechterhand?
[Trek haar] uit het midden van Uw boezem. Maak er een eind aan!
)
. Gods hand staat voor Gods handelen. Gods rechterhand staat voor Zijn handelen in kracht. Waarom treedt Hij niet krachtig handelend op? Hij is toch alwetend en almachtig? Omdat Hij Zijn sterke rechterhand van Zijn volk heeft teruggetrokken, heeft Hij de vijand de vrije hand gegeven. Dit begrijpen ze niet.

Maar ze hebben de diepe overtuiging dat God machtig is en de controle over alles behoudt. Daarom roepen ze Hem op om Zijn hand uit Zijn boezem te halen, waar Hij Zijn hand verborgen heeft (vgl. Ex 4:66De HEERE zei verder tegen hem: Steek toch uw hand in uw boezem. En hij stak zijn hand in zijn boezem en haalde hem [weer] tevoorschijn, en zie, zijn hand was melaats, [wit] als sneeuw.). Hij moet Zijn hand tevoorschijn brengen en een eind maken aan alle smaad en lastering.


God heerst

12Toch is God mijn Koning van oudsher,
Die heil brengt hier op aarde.
13Ú hebt door Uw macht de zee gespleten,
U hebt de koppen van de zeemonsters in de wateren vermorzeld.
14Ú hebt de koppen van de Leviathan verbrijzeld,
U hebt hem tot voedsel gegeven aan het volk in de woestijn.
15Ú hebt een bron en een beek doormidden gespleten,
Ú hebt altijd stromende rivieren laten uitdrogen.
16De dag is van U, ook de nacht behoort U toe,
Ú hebt het licht en de zon hun plaats gegeven.
17Ú hebt alle grenzen van de aarde vastgesteld;
zomer en winter, Ú hebt ze geformeerd.

Na de klacht en de vragen breekt ineens de zekerheid van de overwinning door. Die zekerheid wordt onderbouwd met wat God in het verleden heeft gedaan. Het is nu geen gemeenschappelijke, maar een persoonlijke herinnering. De gelovige die met Gods volk lijdt, vindt in zijn persoonlijke relatie met God een zekerheid die door de rampzalige toestand van Gods volk niet tenietgedaan kan worden.

Hij belijdt vanuit het diepst van zijn hart: “Toch is God mijn Koning van oudsher” (vers 1212Toch is God mijn Koning van oudsher,
Die heil brengt hier op aarde.
)
. Het is de zekerheid dat God op de troon zit en alles bestuurt en over alles heerst. Er loopt Hem niets uit de hand. Dat geldt voor Zijn volk en voor de afzonderlijke leden ervan. Dit laatste aspect staat hier op de voorgrond. Het is niet een algemene belijdenis dat God koning is, maar Hij is “mijn Koning”.

Dat Hij mijn Koning “van oudsher” is, wijst op het eeuwige koningschap van God. Het is het besef dat God altijd de opperheerschappij heeft gehad, maar dat nu door de gelovige ook wordt betrokken op zijn eigen leven. Daarom is het geen algemene geloofsbelijdenis, maar een uiting van persoonlijk geloof als de gelovige van God zegt dat Hij “heil brengt hier op aarde”. Het is de overtuiging dat niet het kwaad het laatste woord heeft, maar God. Hij zal Zijn volk als geheel en de individuele gelovige de volle zegen van de behoudenis in het vrederijk geven.

Het geloof van de Godvrezende ziet de overtuigende bewijzen van de macht van God in de geschiedenis van Gods volk. Vele malen heeft God Zijn macht laten zien in de bevrijding van Zijn volk. Dit verlossende, bevrijdende handelen van God in het verleden garandeert dat Hij in staat is dit opnieuw, in hun situatie, te doen. Hij houdt God als het ware enkele van die bewijzen voor. Daarbij legt hij er telkens de nadruk op dat Híj, “Ú”, het heeft gedaan.

Het eerste bewijs dat Hij God voorhoudt, is de openbaring van Zijn macht bij het splijten van de Rode Zee (vers 1313Ú hebt door Uw macht de zee gespleten,
U hebt de koppen van de zeemonsters in de wateren vermorzeld.
)
. Hij zegt tegen God: ‘Dat hebt Ú gedaan.’ Het splijten van de zee, waarbij het water als een muur wordt, kan alleen God doen (Ex 14:21-2221Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee, en de HEERE liet de zee die hele nacht wegvloeien door een krachtige oostenwind. Hij maakte de zee droog, en het water werd doormidden gespleten.22Zo gingen de Israëlieten midden in de zee op het droge. Het water was voor hen aan hun rechter- en linkerhand een muur.; 15:88         Door de adem van Uw neus
                        is het water opgehoopt,
            de stromen stonden als een dam,
                        de watervloeden zijn gestold in het hart van de zee.
)
. Dit is een ongeëvenaard wonder van God en bewijst Zijn heerschappij over de natuur. Wat voor Israël de weg van bevrijding is, is voor “de koppen van de zeemonsters” – dit is een beeld van de Egyptenaren (Ez 32:22Mensenkind, hef een klaaglied aan over de farao, de koning van Egypte, en zeg tegen hem:
U leek onder de heidenvolken op een jonge leeuw;
en u was als een zeemonster in de zeeën,
u barstte los in uw rivieren,
bracht het water met uw voeten in beroering
en maakte hun rivieren troebel.
)
– vermorzeling. De Egyptenaren zijn allemaal in de Rode Zee omgekomen (Ex 14:26-2826Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit over de zee, zodat het water terugkeert over de Egyptenaren, over hun strijdwagens en over hun ruiters.27Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en tegen het aanbreken van de morgen vloeide de zee terug naar zijn oorspronkelijke plaats, terwijl de Egyptenaren het water tegemoetvluchtten. Zo stortte de HEERE de Egyptenaren midden in de zee.28Want toen het water terugvloeide, bedolf het de strijdwagens en de ruiters van het hele leger van de farao, die hen in de zee achternagekomen waren. Niet een van hen bleef er over.).

Gód heeft “de koppen van de Leviathan verbrijzeld” (vers 1414Ú hebt de koppen van de Leviathan verbrijzeld,
U hebt hem tot voedsel gegeven aan het volk in de woestijn.
)
. Dit is opnieuw een verwijzing naar Egypte, maar dan meer nadrukkelijk naar de macht erachter, dat is de duivel (vgl. Jb 40:20,2520Kunt u de Leviathan met een vishaak trekken,
of zijn tong met een touw neerdrukken?
25Kunnen de handelaars hem verkopen?
Kunnen zij hem verdelen onder de kooplieden?
; Ps 104:2626Daar varen de schepen,
[daar gaat] de Leviathan, die U gevormd hebt
om [hem] erin te [laten] spelen.
; Js 27:11Op die dag zal de HEERE vergelding doen
met Zijn hard, groot en sterk zwaard
aan de Leviathan, de snelle slang,
ja, de Leviathan, de kronkelende slang;
Hij zal het monster dat in de zee is, doden.
; 51:99Ontwaak, ontwaak, bekleed u met kracht,
arm van de HEERE!
Ontwaak als in de dagen van weleer,
[als bij] de generaties van [vroeger] eeuwen!
Bent u het niet die Rahab hebt neergehouwen,
het zeemonster doorboord?
)
. De complete vernedering van deze vijand brengt Asaf tot uitdrukking door te zeggen dat God “hem tot voedsel gegeven” heeft “aan het volk in de woestijn”. Ze worden niet begraven, maar worden aan de woestijnbewoners, de wilde dieren, tot voedsel gegeven.

Na het voorbeeld van het verdelgen van de vijand volgt het voorbeeld van Gods zorg voor Zijn volk na hun bevrijding (vers 1515Ú hebt een bron en een beek doormidden gespleten,
Ú hebt altijd stromende rivieren laten uitdrogen.
)
. Ook daaruit blijkt Zijn almacht. Wie kan een miljoenenvolk in de woestijn van water voorzien? Niemand, behalve God. Wie kan dit volk uit de woestijn in het beloofde land brengen, dwars door een altijd stromende rivier, de Jordaan? Niemand, behalve God. God toont Zijn macht ten gunste van Zijn volk in Zijn gezag over de schepping. Hij geeft water tot verkwikking en droogt wateren op die een belemmering voor de voortgang van Zijn volk naar de beloofde zegen lijken te zijn (vgl. Zc 10:1111Hij zal door de zee van benauwdheid gaan,
en Hij zal de golven van de zee slaan,
alle diepten van de Nijl zullen opdrogen.
Dan zal de trots van Assyrië neergehaald worden,
en de scepter van Egypte zal weggaan.
)
.

God heeft gezag over de schepping omdat Hij de Schepper en tevens de Onderhouder ervan is (Hb 1:2-32Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.3Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,). Asaf – en in hem de Godvrezende in de eindtijd, en ook wij, die ook in een eindtijd leven – belijdt met heel zijn hart dat “de dag” en “ook de nacht” Gods eigendom zijn (vers 1616De dag is van U, ook de nacht behoort U toe,
Ú hebt het licht en de zon hun plaats gegeven.
)
. ‘De dag’ ziet op voorspoed en ‘de nacht’ op tegenspoed. Beide zijn in Gods hand. In het vrederijk is er geen nacht meer (Op 21:2525En haar poorten zullen overdag geenszins gesloten worden, want geen nacht zal daar zijn.), want het licht van de maan zal zijn als het licht van de zon (Js 30:2626Dan zal het licht van de volle maan zijn als het licht van de gloeiende zon,
en het licht van de zon zal zevenmaal [sterker] zijn, net als het licht van zeven dagen,
op de dag dat de HEERE de breuk van Zijn volk zal verbinden
en de wond die het is toegebracht, zal genezen.
)
.

Heidenen kunnen Gods volk verdrukken en verjagen en Gods heiligdom verwoesten. Dit verandert echter niets aan Gods bestuur over de schepping, aan Zijn oordeel over Zijn vijanden en aan Zijn verlossing van Zijn volk. Hij bepaalt de dag en Hij bepaalt de nacht voor Zijn volk en voor de heidenen (vgl. Js 45:77Ik formeer het licht en schep de duisternis,
Ik maak de vrede en schep het onheil;
Ik, de HEERE, doe al deze dingen.
; 60:1-21Sta op, word verlicht, want uw licht komt
en de heerlijkheid van de HEERE gaat over u op.
2Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken
en donkere [wolken] de volken,
maar over u zal de HEERE opgaan
en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.
; Mt 4:1616het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien, en voor hen die zaten in [het] land en [de] schaduw van [de] dood, hun is een licht opgegaan’.)
. Zolang God dag en nacht in stand houdt, zal Hij het verbond met Zijn volk niet verbreken (Jr 33:21-2221dan zal ook Mijn verbond met Mijn dienaar David verbroken kunnen worden, zodat hij geen zoon zal hebben die koning is op zijn troon, en [ook het verbond] met de Levieten, de priesters, Mijn dienaren.22Zoals het leger aan de hemel niet geteld en het zand van de zee niet gemeten kan worden, zo talrijk zal Ik het nageslacht van Mijn dienaar David maken, en de Levieten, die Mij dienen.).

Gód heeft “het licht en de zon hun plaats gegeven”. Het licht schijnt in de duisternis. De Heer Jezus is het licht van de wereld (Jh 8:1212Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.). Hij is ook de Zon der gerechtigheid (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
. Het vrederijk is een rijk van licht omdat de Heer Jezus er als de Zon der gerechtigheid zal schijnen. Zoals de zon heerschappij heeft over de dag, heeft Hij de heerschappij in het vrederijk.

In Zijn almacht en wijs beleid heeft Gód “alle grenzen van de aarde vastgesteld” (vers 1717Ú hebt alle grenzen van de aarde vastgesteld;
zomer en winter, Ú hebt ze geformeerd.
; vgl. Hd 17:2626En Hij heeft uit één <bloed> [het] hele mensengeslacht gemaakt om op [het] hele aardoppervlak te wonen, terwijl Hij de bepaalde tijden en de grenzen van hun woonplaats heeft vastgesteld,)
. God heeft dat gedaan met Israël als uitgangspunt en middelpunt (Dt 32:88Toen de Allerhoogste aan de volken het erfelijk bezit uitdeelde,
toen Hij Adams kinderen van elkaar scheidde,
heeft Hij het grondgebied van de volken vastgesteld
overeenkomstig het aantal Israëlieten.
)
. Daarbij verwijst de Godvrezende ook naar Gods verbond met Noach. Dit verbond is gebaseerd op het brandoffer dat Noach op een door de zondvloed gereinigde aarde heeft gebracht (Gn 8:20-2220En Noach bouwde een altaar voor de HEERE; en hij nam van al het reine vee en van alle reine vogels, en bracht brandoffers op dat altaar.21En de HEERE rook die aangename geur, en de HEERE zei in Zijn hart: Ik zal de aardbodem voortaan niet meer vervloeken vanwege de mens; de gedachtespinsels van het hart van de mens zijn immers slecht, van zijn jeugd af; en Ik zal voortaan niet al het levende meer doden, zoals Ik gedaan heb.
22Voortaan, al de dagen van de aarde,
zullen zaaitijd en oogsttijd, koude en hitte,
zomer en winter, dag en nacht niet ophouden.
)
. Het vrederijk is een door oordeel gereinigd rijk. Alle zegen die God in het vrederijk geeft, is gegrond op het offer van Christus voor God.


O God, voer Uw rechtszaak!

18Denk hieraan, de vijand heeft de HEERE gesmaad,
een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.
19Geef aan de [wilde] dieren de ziel van Uw tortelduif niet over,
vergeet niet voor altijd het volk van Uw ellendigen.
20Aanschouw het verbond, want de duistere oorden van het land
zijn vol woningen van geweld.
21Laat de verdrukte niet beschaamd terugkeren,
laat de ellendige en arme Uw Naam loven.
22Sta op, o God, voer Uw rechtszaak,
denk aan de smaad [die] dwazen U de hele dag [aandoen].
23Vergeet het geroep van Uw tegenstanders niet;
het gejoel van wie tegen U opstaan, stijgt voortdurend op.

Na de belijdenis van de zekerheid dat God regeert in de vorige verzen gaat het overblijfsel weer verder met bidden tot God (vers 1818Denk hieraan, de vijand heeft de HEERE gesmaad,
een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.
)
. Ze roepen God op eraan te denken dat de vijand “de HEERE gesmaad” heeft. God zal dit niet ongestraft laten. Zijn Naam is door “een dwaas volk”, dat zijn de heidenen (Dt 32:2121Zíj hebben Mij tot na-ijver gebracht met wat geen God is;
zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun nietige [afgoden].
Ík zal hen daarom jaloers maken door wat geen volk is,
door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.
)
, gelasterd. Dit getuigt van hun besef dat het uiteindelijk niet om hen, maar om de HEERE gaat. HEERE is Zijn verbondsnaam. De oproep tot God om daaraan te denken getuigt van omgang met Hem. God wil dat de Zijnen een beroep op Hem doen met verwijzing naar Wie Hij is en wat Hij heeft beloofd (vgl. Js 62:6-76Op uw muren, Jeruzalem, heb Ik wachters aangesteld.
Nooit zullen zij zwijgen, heel de dag en heel de nacht niet.
U die [het volk] aan de HEERE doet denken,
gun u geen rust.
7Ja, geef Hem geen rust,
totdat Hij Jeruzalem gegrondvest heeft
en gesteld heeft
tot een lof op aarde.
; Ez 36:3737Zo zegt de Heere HEERE: Opnieuw zal Ik hierom door het huis van Israël gevraagd worden om dit voor hen te doen. Ik zal hen [even] talrijk aan mensen maken als aan schapen.)
.

Het overblijfsel ziet de heidenen als wilde dieren (vers 1919Geef aan de [wilde] dieren de ziel van Uw tortelduif niet over,
vergeet niet voor altijd het volk van Uw ellendigen.
)
. Tegenover deze verscheurende dieren spreken ze tot Hem over zichzelf als “Uw tortelduif”. De tortelduif is een kwetsbare en trouwe vogel. Het overblijfsel is zich van zijn kwetsbaarheid en tevens ook van zijn trouw aan God bewust en weet dat Hij hen zo ziet (Hl 2:1414Mijn duif in de kloven van de rots,
in de schuilplaats van de bergwand,
laat Mij uw gedaante zien,
laat Mij uw stem horen.
Want uw stem is zoet
en uw gedaante is bekoorlijk.
)
. Daarom vragen ze aan God hen toch niet “voor altijd” te vergeten. Ze zijn immers “Uw ellendigen”. Ze zijn in ellendige omstandigheden omdat ze Zijn eigendom zijn. Ze voelen zich door Hem vergeten (Js 42:1414Ik heb van oude tijden af gezwegen,
Ik heb Mij stilgehouden, Mij bedwongen.
Als een barende [vrouw] zal Ik het uitschreeuwen.
Ik zal verwoesten, ja, Ik zal tegelijk verslinden.
)
.

Vervolgens herinneren ze God aan “het verbond” (vers 2020Aanschouw het verbond, want de duistere oorden van het land
zijn vol woningen van geweld.
)
. Laat Hij dat toch aanschouwen en ernaar handelen. Als Hij Zijn verbond aanschouwt en dan kijkt naar “de duistere oorden van het land”, dan moet Hij toch zien hoezeer dit in contrast is met het licht van Zijn verbond. “Hij weet wat in het duister is, want het licht woont bij Hem” (Dn 2:22b22Hij openbaart diepe en verborgen dingen,
Hij weet wat in het duister is,
want het licht woont bij Hem.
)
. In dat alles ontdekkende licht ziet Hij toch wel dat die duistere oorden “vol woningen van geweld” tegen Hem en de Zijnen zijn.

De Godvrezenden vragen verder aan God dat Hij “de verdrukte” niet beschaamd laat terugkeren (vers 2121Laat de verdrukte niet beschaamd terugkeren,
laat de ellendige en arme Uw Naam loven.
)
. Dat gebeurt als God de bidder onverrichter zake naar huis terugstuurt. Laat God integendeel “de ellendige en arme” verhoren en verlossen van de vijanden. Het resultaat daarvan zal zijn dat ze Zijn Naam loven.

Het overblijfsel roept tot God om op te staan en – niet hun rechtszaak, maar – Zijn rechtszaak te voeren (vers 2222Sta op, o God, voer Uw rechtszaak,
denk aan de smaad [die] dwazen U de hele dag [aandoen].
)
. Als God opstaat, moeten de vijanden vluchten. Dat maakt de weg vrij voor Gods volk om de zegen te beërven. De rechtszaak betreft de smaad die dwazen God “de hele dag”, dat is de hele periode van de grote verdrukking, aandoen.

De psalm eindigt niet met een lofprijzing, want de verdrukking is nog niet voorbij (vers 2323Vergeet het geroep van Uw tegenstanders niet;
het gejoel van wie tegen U opstaan, stijgt voortdurend op.
)
. God heeft Zijn doel met Zijn volk nog niet bereikt. De Godvrezende roept God nog een keer op “het geroep van Uw tegenstanders” niet te vergeten (vgl. vers 1919Geef aan de [wilde] dieren de ziel van Uw tortelduif niet over,
vergeet niet voor altijd het volk van Uw ellendigen.
)
. Hij is het gejoel van wie tegen Hem opstaan, toch niet vergeten? Het stijgt immers “voortdurend op”.


Lees verder