Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-3 Gebed om Gods ingrijpen 4-6 Betuiging van onschuld 7-10 Vraag om gerechtigheid 11-14 Gods is een rechtvaardige Rechter 15-17 De antichrist 18 Loflied op Gods gerechtigheid
Inleiding

In Psalm 7 ziet David, en met hem de Godvrezende Jood in de eindtijd, als alles gitzwart is vanwege de heerschappij van de antichrist, uit naar Gods oordeel over de goddelozen. Hij deelt in Gods gevoelens over het kwaad en verwacht dat dit oordeel zal komen. Wij, christenen, verwachten dit oordeel ook. We weten dat het rechtvaardig is en dat het komt.

Er is echter een verschil. De Godvrezende Jood kijkt uit naar het oordeel over de goddelozen omdat dit oordeel hem van zijn vijanden bevrijdt die hem onderdrukken. De christen of nieuwtestamentische gelovige lijdt ook door de goddeloosheid, maar verdraagt het lijden. Hij lijdt voor en met Christus om daarna samen met Hem verheerlijkt worden. Hij kijkt niet uit naar Christus’ komst ten oordeel, maar naar Christus’ komst om hem op te nemen tot Zichzelf.


Opschrift

1Sjiggajon van David, dat hij voor de HEERE gezongen heeft, vanwege de woorden van Cusj, de Benjaminiet.

Psalm 7 is “van David”. De psalm wordt een “sjiggajon” genoemd. Het woord komt nog één keer voor, in Habakuk, maar dan in het meervoud, “sjigjonot” (Hk 3:11Een gebed van Habakuk, de profeet. Op Sjigjonot.). Habakuk spreekt over “op sjigjonot”, waaruit we kunnen opmaken dat het om een muziekterm gaat. De term lijkt te wijzen op een lied dat gezongen wordt in grote opwinding, met snel wisselende emoties. Dat zien we in deze psalm.

Evenals in het opschrift van Psalm 3 vinden we in het opschrift van deze psalm de aanleiding ervan (Ps 3:11Een psalm van David, toen hij vluchtte voor zijn zoon Absalom.). David heeft dit lied “voor de HEERE gezongen …, vanwege de woorden van Cusj, de Benjaminiet”. Wie Cusj – betekent ‘zwart’ – is geweest, weten we niet. Omdat hij een Benjaminiet is, ligt het voor de hand hem met Saul te verbinden, die ook uit de stam van Benjamin is, misschien een familielid, maar in elk geval een geestverwant.

De woorden van Cusj, zo blijkt uit het lied, bevatten grove beschuldigingen die David diep hebben geraakt. Mogelijk heeft Cusj David bij Saul belasterd (1Sm 24:1010En David zei tegen Saul: Waarom luistert u naar de woorden van de mensen die zeggen: Zie, David wil u kwaad doen?). David zoekt in zijn nood zijn toevlucht bij de HEERE en brengt de last van zijn hart in een lied bij Hem. Hij spreekt zijn vertrouwen in het rechtvaardig handelen van God uit (vgl. 1Pt 2:2323Die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar [Zich] overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt;), waardoor hij de psalm kan afsluiten met het een loflied op Gods gerechtigheid (vers 1818Ik zal de HEERE loven om Zijn gerechtigheid,
en voor de Naam van de HEERE, de Allerhoogste, psalmen zingen.
)
.


Gebed om Gods ingrijpen

2HEERE, mijn God, tot U neem ik de toevlucht,
verlos mij van al mijn vervolgers en red mij.
3Anders verscheuren zij mijn ziel als een leeuw,
slepen zij mij weg, terwijl er niemand is die redt

De reactie van David op de lastertaal van Cusj is de enig juiste: hij neemt de toevlucht tot Hem Die hij “HEERE, mijn God” noemt (vers 22HEERE, mijn God, tot U neem ik de toevlucht,
verlos mij van al mijn vervolgers en red mij.
)
. Die God is zijn schuilplaats en bescherming. Bij Hem voelt hij zich geborgen. Dit doet hij telkens weer. Nooit klopt hij, als hij in nood is, tevergeefs aan bij God, Die trouw is.

Dit mogen wij ook doen. God brengt ons in situaties die ons ertoe brengen onze toevlucht bij Hem te zoeken. Wat is het een grote weldaad dat we tot God de toevlucht kunnen nemen en dat we Hem alles mogen vertellen wat ons bezighoudt.

David vraagt of God hem van al zijn vervolgers wil verlossen en hem wil redden (vers 33Anders verscheuren zij mijn ziel als een leeuw,
slepen zij mij weg, terwijl er niemand is die redt
)
. Zijn vervolgers willen hem grijpen en ombrengen. Daarom vraagt hij om verlossing van hen. Redding houdt in dat hij uit de beklemming is weggerukt en in veiligheid is gebracht. Verlossing ziet meer op de omstandigheden die hem benauwen en waarvan hij bevrijd wordt door het oordeel over de vervolgers. Redding ziet meer op wat er met hem gebeurt als de verlossing komt: hij wordt uit de nood gered.

De nood is groot. David vergelijkt zijn vervolgers met een leeuw. De leeuw is een beeld van de satan, die erop uit is om de gelovigen te verslinden (1Pt 5:88Weest nuchter, waakt; uw tegenpartij, [de] duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek wie hij zou kunnen verslinden.). David erkent zijn onmacht tegenover deze machtige vijand die zijn ziel, zijn leven, wil verscheuren. Hij ziet het voor zich dat hij door hen genadeloos wordt weggesleept en dat er niemand is die het voor hem opneemt. Daarmee verklaart hij waarom hij zijn toevlucht tot zijn God neemt.


Betuiging van onschuld

4HEERE, mijn God, als ik dát gedaan heb,
als er onrecht aan mijn handen kleeft,
5als ik iemand kwaad vergolden heb die vrede met mij had
– wie mij zonder reden benauwde, heb ik juist gered! –
6dan mag de vijand mij vervolgen, achterhalen,
mijn leven op de grond vertrappen
en mijn eer in het stof doen wonen! /Sela/

In vers 22HEERE, mijn God, tot U neem ik de toevlucht,
verlos mij van al mijn vervolgers en red mij.
heeft hij God als “HEERE, mijn God” aangesproken en dat doet hij in vers 44HEERE, mijn God, als ik dát gedaan heb,
als er onrecht aan mijn handen kleeft,
nog een keer. Nu wil hij Gods aandacht op zijn onschuld richten. Er wordt veel lasterpraat over hem rondgestrooid. Nabal heeft hem ooit een ‘losgebroken slaaf’ genoemd (1Sm 25:1010antwoordde Nabal de dienaren van David: Wie is David, en wie is de zoon van Isaï? Er zijn [vandaag] de dag zoveel slaven die losbreken, ieder bij zijn heer vandaan.). Zulke totaal ongerechtvaardigde beschuldigingen zijn er meer geweest. Zo heeft Absalom gesuggereerd dat je niet bij David moet zijn om je recht te halen (2Sm 15:33zei Absalom tegen hem: Zie, uw zaken zijn goed en rechtmatig, maar bij de koning vindt u niemand die u gehoor geeft.). Dat heeft ook zijn verderfelijke werk in het denken van mensen gedaan.

Maar van alle aantijgingen is niets waar. David bepleit op indringende en overtuigende wijze dat hij onschuldig is. Hij noemt enkele dingen waaruit blijkt waarvan hij wordt beschuldigd (vers 55als ik iemand kwaad vergolden heb die vrede met mij had
– wie mij zonder reden benauwde, heb ik juist gered! –
)
. Het eerste is dat er onrecht aan zijn handen zou kleven. Nu heeft hij inderdaad gezondigd. Hij heeft overspel gepleegd met Bathseba en hij heeft Uria laten vermoorden. Dat heeft hij beleden en hij ondergaat de straf die God eraan heeft verbonden. Daarom is er geen enkele grond voor een aanklacht, niet door kwaadsprekers en ook niet door het eigen geweten.

Een andere beschuldiging is dat hij aan iemand die in vrede met hem heeft geleefd, kwaad vergolden heeft (vgl. Ps 41:1010Zelfs de man met wie ik [in] vrede [leefde],
op wie ik vertrouwde, die mijn brood at,
heeft zich tegen mij gekeerd.
; Jr 38:2222Zie, al de vrouwen die in het huis van de koning van Juda zijn overgebleven, zullen naar de vorsten van de koning van Babel weggevoerd worden, terwijl zij zeggen:
Misleid hebben zij u en u overwonnen,
de mannen met wie u [in] vrede [leefde];
uw voeten zonken weg in de modder,
zij weken terug.
)
. Maar het is juist andersom. Iemand die hem zonder reden het leven moeilijk heeft gemaakt, heeft hij uit de benauwdheid gered. Als er ook maar iets van de beschuldiging waar zou zijn, ja, laat God de vijand dan maar de vrije hand geven.

David zegt dat de vijand, ingeval hij schuldig zou zijn, met hem mag doen wat hij van plan is (vers 66dan mag de vijand mij vervolgen, achterhalen,
mijn leven op de grond vertrappen
en mijn eer in het stof doen wonen! /Sela/
)
. Laat hij hem maar met succes “vervolgen” en hem “achterhalen” en grijpen. Zijn leven mag hij “op de grond vertrappen”, dat wil zeggen dat hij hem op verachtelijke wijze mag doden (vgl. 2Kn 7:1717De koning nu had de officier op wiens hand hij leunde, over de poort aangesteld, maar het volk vertrapte hem in de poort, zodat hij stierf, zoals de man Gods gesproken had, die dit sprak toen de koning bij hem gekomen was.). Hij mag ook zijn eer, dat is alles wat zijn leven waarde en betekenis heeft gegeven, in het stof doen wonen, dat wil zeggen dat hij hem ook na zijn dood met schande mag overladen.

David is hier ook een schaduwbeeld van het gelovig overblijfsel dat hun aandeel van de zonde van het volk Israël – de verwerping van Christus en het aannemen van de antichrist (Jh 5:4343Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen.) – heeft beleden. Dat brengt het overblijfsel tot zelfonderzoek en de vraag aan God: “Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart” (Ps 139:2323Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten.
)
.


Vraag om gerechtigheid

7Sta op, HEERE, in Uw toorn,
verhef U tegen de verbolgenheid van wie mij benauwen,
ontwaak ter wille van mij;
U hebt het recht ingesteld.
8De gemeenschap van volken zal U omringen,
neem dan weer plaats hoog boven hen.
9De HEERE zal over de volken rechtspreken.
Doe mij recht, HEERE, want ik ben rechtvaardig
en oprechtheid is bij mij.
10Laat er toch een einde komen aan de slechtheid van de goddelozen,
maar doe de rechtvaardige standhouden,
o rechtvaardige God, Die harten en nieren beproeft.

Omdat alle beschuldigingen vals zijn, vraagt David aan de HEERE om nú op te staan en voor hem op te komen (vers 77Sta op, HEERE, in Uw toorn,
verhef U tegen de verbolgenheid van wie mij benauwen,
ontwaak ter wille van mij;
U hebt het recht ingesteld.
)
. Het is het beeld van een rechtszitting. De HEERE moet nu als de Opperrechter gaan staan. Laat Hij dat doen in Zijn toorn. David weet dat de HEERE toornig is over valse beschuldigingen. Laat Hij dat dan tonen door Zich in Zijn volle gestalte te verheffen tegen de verbolgenheid van wie hem benauwen.

Hij, David, is toch Zijn uitverkoren koning? Laat de HEERE Zich dan niet slapende houden, maar ter wille van hem ontwaken. Hij kan toch niet straffeloos op dit onrecht toezien? Hij heeft immers zelf “het recht ingesteld”! Dan moet Hij ten gunste van hem rechtspreken en doen. Vandaar zijn vraag aan de HEERE die hij in allerlei toonaarden herhaalt, om ‘op te staan’, Zich te ‘verheffen’ en te ‘ontwaken’.

David houdt God voor dat “de gemeenschap van volken” Hem zal “omringen” (vers 88De gemeenschap van volken zal U omringen,
neem dan weer plaats hoog boven hen.
)
. Daarmee zegt hij dat de volken bij zijn rechtszaak aanwezig zijn en dan zien hoe God rechtspreekt en doet. Ze zullen zien dat de hoogste Rechter de aanklagers in het ongelijk stelt en David tevergeefs hebben aangeklaagd. Dan neemt Hij plaats “hoog boven hen” en zal de aanklagers schuldig verklaren. Zo zal de HEERE “over de volken rechtspreken” (vers 99De HEERE zal over de volken rechtspreken.
Doe mij recht, HEERE, want ik ben rechtvaardig
en oprechtheid is bij mij.
)
. Het recht dat Hij heeft ingesteld, geldt immers ook voor de volken.

Nu gaat het erom dat God David recht doet. David vraagt daar vrijmoedig om omdat hij weet dat hij “rechtvaardig” is. Hij heeft niets gedaan tegen God en ook niet tegen mensen wat zijn vervolgers het recht geeft om zo op hem te jagen. Ook in zijn motieven is niets verkeerds aanwezig. Hij heeft zichzelf onderzocht, met als resultaat dat hij zonder enige aanmatiging kan zeggen dat “oprechtheid” bij hem is.

Op grond daarvan roept hij God op een einde te maken “aan de slechtheid van de goddelozen” (vers 1010Laat er toch een einde komen aan de slechtheid van de goddelozen,
maar doe de rechtvaardige standhouden,
o rechtvaardige God, Die harten en nieren beproeft.
)
. Wat hemzelf, “de rechtvaardige”, betreft, doet hij een beroep op God om hem te laten standhouden. In zijn uitroep “o rechtvaardige God” klinkt iets van wanhoop door, maar tegelijk spreekt er volle overtuiging uit. God ís “de rechtvaardige Rechter” (2Tm 4:88Overigens is voor mij de kroon van de gerechtigheid weggelegd, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal geven; en niet alleen mij, maar ook <allen> die Zijn verschijning hebben lief gekregen.), de rechtvaardige God, Die het verschil weet te maken tussen de goddelozen en de rechtvaardige.

Hij beproeft immers “harten en nieren”. Hart en nieren verwijzen naar het meest innerlijke van de mens (Jr 11:2020Maar, HEERE van de legermachten, rechtvaardige Rechter,
U Die de nieren en het hart beproeft,
laat mij Uw wraak aan hen zien,
want aan U heb ik mijn rechtszaak bekendgemaakt.
; 17:1010Ik, de HEERE, doorgrond het hart,
beproef de nieren,
en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen,
overeenkomstig de vrucht van zijn daden.
; 20:1212HEERE van de legermachten, Die de rechtvaardige beproeft,
Die de nieren en het hart ziet,
laat mij Uw wraak op hen zien,
want ik heb mijn rechtszaak aan U bekendgemaakt.
)
. In geestelijke zin gaat het om de verborgen overleggingen van het hart en het geweten. God kent, zo zegt David, de diepste beweegredenen van zowel de goddelozen als de rechtvaardige.


Gods is een rechtvaardige Rechter

11Mijn schild is bij God,
Die de oprechten van hart verlost.
12God is een rechtvaardige Rechter,
een God Die iedere dag toornt.
13Als men zich niet bekeert,
dan zal Hij Zijn zwaard scherpen,
Zijn boog spannen, en aanleggen.
14Hij heeft dodelijke wapens voor Zich gereedgemaakt,
Hij richt Zijn pijlen op de felle achtervolgers.

In deze verzen is David tot rust gekomen. Hij is in zijn geloof gegroeid en kan nu zonder een zweem van twijfel zeggen dat God het voor hem opneemt. Zijn “schild”, dat wil zeggen zijn bescherming, “is bij God” (vers 1111Mijn schild is bij God,
Die de oprechten van hart verlost.
).
Daar is hij zeker van. God is de God “Die de oprechten van hart verlost”. En hij, David, is zo’n oprechte van hart. Daarom rekent hij erop dat God hem zal verlossen.

”God is een rechtvaardige Rechter” (vers 1212God is een rechtvaardige Rechter,
een God Die iedere dag toornt.
)
, wat Hij elke dag laat zien en horen in de prediking van het evangelie. Zijn toorn ligt op ieder mens die de Zoon ongehoorzaam is (Jh 3:3636Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal [het] leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.). De toorn van God is openbaar voor ieder die het wil zien. Wie zijn ogen ervoor gesloten houdt, wie “zich niet bekeert” (vers 1313Als men zich niet bekeert,
dan zal Hij Zijn zwaard scherpen,
Zijn boog spannen, en aanleggen.
)
, heeft het aan zichzelf te wijten als God Zijn toorn ook daadwerkelijk over hem uitstort.

God laat niet met Zich spotten. Hij scherpt Zijn zwaard om te oordelen. Ook spant Hij Zijn boog, legt aan en richt die op wie Zijn oordeel verdient. Daarbij is een vergissing uitgesloten, Hij treft alleen de goddelozen. Geen rechtvaardige wordt erdoor getroffen. Hij heeft Zijn zwaard en Zijn pijlen, Zijn “dodelijke wapens voor Zich gereedgemaakt” (vers 1414Hij heeft dodelijke wapens voor Zich gereedgemaakt,
Hij richt Zijn pijlen op de felle achtervolgers.
; vgl. Js 13:55Zij komen eraan, uit een ver land,
van het einde van de hemel:
de HEERE en de instrumenten van Zijn gramschap,
om heel het land te gronde te richten.
)
. Zijn pijlen richt Hij “op de felle achtervolgers” van de rechtvaardige.


De antichrist

15Zie, hij heeft weeën van onrecht
en is zwanger van kwaad,
hij zal leugen baren.
16Hij heeft een kuil gedolven en die uitgegraven,
maar hij is gevallen in het graf [dat] hij [zelf] gemaakt heeft.
17Zijn moeite zal op zijn [eigen] hoofd terugkeren,
zijn geweld op zijn [eigen] schedel neerdalen.

In deze verzen wordt over de goddeloze in het enkelvoud gesproken. Hier gaat het over de verpersoonlijking van het kwaad, over de mens van de zonde, de mens in wie de zonde in zijn volheid gestalte krijgt. Deze persoon herkennen we in de antichrist. Hij is vervuld van kwaad, er is geen spoortje goedheid in hem aanwezig. Het kwaad dat door hem wordt gedaan, komt in hem tot uiting zoals een vrouw die zwanger is, weeën krijgt en een kind baart (vers 1515Zie, hij heeft weeën van onrecht
en is zwanger van kwaad,
hij zal leugen baren.
; vgl. Jb 15:3535Zij zijn zwanger van moeite en baren onheil,
en hun buik brengt bedrog voort.
; Jk 1:14-1514Maar ieder wordt verzocht als hij door zijn eigen begeerte meegesleept en verlokt wordt.15Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volwassen geworden is, brengt zij [de] dood voort.)
.

De antichrist is erop uit anderen in de strik van zijn leugen te vangen. Het wordt vergeleken met het delven van een kuil voor iemand om hem daarin te vangen (vers 1616Hij heeft een kuil gedolven en die uitgegraven,
maar hij is gevallen in het graf [dat] hij [zelf] gemaakt heeft.
)
. Maar de kuil die hij heeft gegraven, wordt zijn eigen graf. Hij zal erin vallen en omkomen. Zo ontvangt hij vergelding voor het kwaad dat hij anderen heeft aangedaan. Voorbeelden hiervan zijn Saul en Haman. Saul wil David door de Filistijnen laten ombrengen en is zelf door hen omgekomen. Haman is opgehangen aan de galg die hij voor Mordechai heeft laten oprichten. Ze zijn allebeide een beeld van de antichrist.

In vers 1717Zijn moeite zal op zijn [eigen] hoofd terugkeren,
zijn geweld op zijn [eigen] schedel neerdalen.
geeft David met andere woorden dezelfde gedachte weer (vgl. Sp 26:2727Wie een kuil graaft, zal erin vallen,
verrolt hij een steen, op hem zal hij terugvallen.
)
. De moeite die de antichrist anderen aandoet, “zal op zijn [eigen] hoofd terugkeren” (vgl. Ri 9:56-5756Zo liet God het kwaad van Abimelech, dat hij zijn vader aangedaan had door zijn zeventig broers te doden, [op zijn hoofd] terugkeren.57Evenzo liet God al het kwaad van de mensen van Sichem op hun hoofd terugkeren. En de vloek van Jotham, de zoon van Jerubbaäl, kwam over hen.). Het werkt als boemerang. Dit geldt ook voor het geweld dat hij heeft gepleegd, want “zijn geweld”, zal “op zijn [eigen] schedel neerdalen”. Hoe dat zal gebeuren, laat hij aan God over (1Sm 26:1010Verder zei David: [Zo waar] de HEERE leeft, voorzeker, de HEERE zal hem treffen: óf zijn dag komt, dat hij sterft, óf hij wordt weggevaagd als hij ten strijde trekt.). We zien hier het beginsel van de regering van God: “Wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten” (Gl 6:7b7Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten.).


Loflied op Gods gerechtigheid

18Ik zal de HEERE loven om Zijn gerechtigheid,
en voor de Naam van de HEERE, de Allerhoogste, psalmen zingen.

David is nu zover gegroeid in zijn vertrouwen op de HEERE, dat hij Hem “om Zijn gerechtigheid” looft. Zo begint het overblijfsel met lofzangen, voordat de vijand daadwerkelijk verdelgd is (vgl. 2Kr 20:21-2421Hij pleegde overleg met het volk en stelde voor de HEERE zangers aan en [mensen] die de heilige Majesteit prijzen zouden, terwijl zij voor de gewapende [mannen] uit trokken en zeiden:
Loof de HEERE,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig!
22Juist op de tijd dat zij met gejuich en lofzang begonnen, legde de HEERE hinderlagen tegen de Ammonieten, Moab en [de bewoners] van het Seïrgebergte die op Juda waren afgekomen, en zij werden verslagen.23De Ammonieten en Moab vielen namelijk de bewoners van het Seïrgebergte aan door [hen] met de ban te slaan en [hen] weg te vagen. Zodra zij de bewoners van Seïr hadden vernietigd, hielpen zij elkaar in het verderf.24Toen Juda bij het uitkijkpunt in de woestijn gekomen was, keerden zij zich naar de troepenmacht. En zie, het waren dode lichamen, ter aarde neergevallen, en niemand was ontkomen.
; Hd 16:25-2625Omstreeks middernacht echter baden Paulus en Silas en zongen Gods lof; en de gevangenen luisterden naar hen.26En plotseling ontstond er een grote aardbeving, zodat de fundamenten van de kerker schudden; en onmiddellijk gingen alle deuren open en van allen gingen de boeien los.)
. Tijdens zijn gebed is hij steeds meer gegroeid in het besef dat God een rechtvaardige Rechter is. In Zijn gerechtigheid straft Hij de goddelozen en verlost en beschermt Hij de rechtvaardige. Zijn wanhoop is veranderd in vast vertrouwen, wat hem tot een loflied op Gods gerechtigheid brengt.

De hoop van de rechtvaardige is dat God uiteindelijk al het kwaad uit de schepping zal verwijderen. Dat zal Hij doen door Zijn Christus. Johannes getuigt daarvan als hij van de Heer Jezus zegt: “Zie, het Lam van God Dat de zonde van de wereld wegneemt” (Jh 1:2929De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen en zei: Zie, het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt.). In het vrederijk zal daar een begin mee worden gemaakt. Het volle resultaat zal worden gezien en genoten als er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde is en de eeuwigheid is begonnen.

David zingt “voor de Naam van de HEERE, de Allerhoogste, psalmen”. Hier komt voor de eerste keer de naam “Allerhoogste” in Psalmen voor. Deze naam van God staat in het bijzonder in verband met het vrederijk. Dat kunnen we opmaken uit de eerste keer deze naam in de Bijbel voorkomt. Dat gebeurt in een geschiedenis die een beeld is van het vrederijk.

Het gaat om de ontmoeting die Abraham met Melchizedek heeft nadat hij Lot heeft bevrijd en voordat hij de koning van Sodom ontmoet (Gn 14:17-2217Toen trok de koning van Sodom hem tegemoet, nadat hij teruggekeerd was van het verslaan van Kedor-Laomer en de koningen die bij hem waren, naar het dal Sjave, dat is het [tegenwoordige] Koningsdal.18En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.
19En hij zegende hem en zei:
Gezegend zij Abram
door God, de Allerhoogste,
Die hemel en aarde bezit!
20En geloofd zij God, de Allerhoogste,
Die overgeleverd heeft
uw tegenstanders in uw hand!
En [Abram] gaf hem van alles een tiende deel.
21De koning van Sodom zei tegen Abram: Geef mij de mensen, maar houd de bezittingen voor uzelf.22Maar Abram zei tegen de koning van Sodom: Ik zweer bij de HEERE, God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit,
)
. Melchizedek wordt “een priester van God, de Allerhoogste” genoemd. Hij zegent Abraham vanwege “God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit” en looft “God de Allerhoogste”. Direct daarop, als Abraham de koning van Sodom ontmoet, die met hem wil onderhandelen, zweert Abraham “bij de HEERE, God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit”.

De naam “Allerhoogste” zegt dat God verheven is boven alle mensen en de hele schepping. Dat zal openlijk gezien worden in het vrederijk, wanneer Hij alles zal leggen onder de voeten van de Zoon des mensen. De Heer Jezus zal dan als de ware Melchizedek zegen over de aarde brengen. In de volgende psalm bezingt David die situatie.


Lees verder