Psalmen
Inleiding 1 Heel de aarde juicht voor God 2-4 Heel de aarde buigt voor God 5-7 Kom en zie 8-12 Gelouterd en uitgeleid naar de overvloed 13-15 Gelofte offers 16-20 Kom en luister
Inleiding

Deze psalm gaat over God als de Bevrijder van Zijn volk. Hij heeft alles gedaan, Hij wordt overal in gezien. Het begint met de bevrijding van Zijn volk uit Egypte (verzen 6-76Hij heeft de zee veranderd in het droge;
zij zijn te voet door de rivier gegaan;
daar hebben wij ons in Hem verblijd.
7Hij heerst eeuwig met Zijn macht,
Zijn ogen houden de wacht over de heidenvolken.
Laten de opstandigen zich niet verheffen. /Sela/
)
. Daarin toont Hij Zijn macht. Het is de macht van bevrijding van vijanden, maar ook de macht die leven uit de dood geeft (vers 99Die onze ziel [weer] het leven geeft,
en niet toelaat dat onze voet wankelt.
)
.

Het herstel van Israël, dat wil zeggen dat God hen weer als Zijn volk aanneemt en erkent, is in feite leven uit de dood (Rm 11:15b15Want als hun verwerping [de] verzoening van [de] wereld is, wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit [de] doden?). Dit zien we in de verlossing van het overblijfsel in de eindtijd, die ook helemaal Zijn werk is (verzen 10-1210Want U hebt ons beproefd, o God,
U hebt ons gelouterd, zoals men zilver loutert.
11U had ons in het net gebracht,
U had een knellende band om ons middel gelegd,
12U had de sterveling over ons hoofd doen rijden.
Wij waren in het vuur en in het water gekomen,
maar U hebt ons uitgeleid naar de overvloed.
)
. Het gevolg is de zegen van het volk in het vrederijk die door Hem aan hen wordt gegeven (vers 2020Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewezen,
en Zijn goedertierenheid mij niet heeft onthouden.
)
.


Heel de aarde juicht voor God

1Een lied, een psalm, voor de koorleider.
Juich voor God, heel de aarde!

De naam van de psalmist ontbreekt. Er is wel wat voor te zeggen dat we met een psalm van David te doen hebben. Het ontbreken van de naam maakt de algemene toepasbaarheid groter. Het is “een lied” (vers 1a1Een lied, een psalm, voor de koorleider.
Juich voor God, heel de aarde!
)
. Zie verder bij Psalm 65:1. Het is “een psalm” die “voor de koorleider” is. Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1.

Wat nooit is gebeurd, zal gebeuren als de Heer Jezus regeert: “heel de aarde” juicht voor God (vers 1b1Een lied, een psalm, voor de koorleider.
Juich voor God, heel de aarde!
)
.


Heel de aarde buigt voor God

2Zing psalmen voor Zijn heerlijke Naam,
geef Hem lof [en eer].
3Zeg tegen God: Hoe ontzagwekkend bent U [in] Uw werken!
Om de grootheid van Uw macht veinzen Uw vijanden dat zij zich aan U onderwerpen.
4Laat heel de aarde zich voor U neerbuigen en voor U psalmen zingen,
laat zij [voor] Uw Naam psalmen zingen. /Sela/

Er zullen psalmen worden gezongen “voor Zijn heerlijke Naam” (vers 22Zing psalmen voor Zijn heerlijke Naam,
geef Hem lof [en eer].
)
. Zijn Naam wordt nu nog veracht op aarde. Maar dan is de heerlijkheid van Zijn Naam voor iedereen duidelijk.

Zijn Naam staat voor Zijn Persoon en Zijn eigenschappen. Zijn heerlijke Naam is de som van al Zijn eigenschappen. God is licht en Hij is liefde (1Jh 1:55En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is.; 4:8,168Wie niet liefheeft, heeft God niet gekend, want God is liefde.16En wij hebben onderkend en geloofd de liefde die God ten aanzien van ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem.). Al Zijn eigenschappen vloeien daaruit voort. Alles wat er van Hem zichtbaar wordt, geeft aanleiding “Hem lof [en] eer” te geven. Hem lof en eer geven gebeurt door het bezingen van Zijn eigenschappen.

De dichter geeft aan op welke manier, met welke woorden, God lof en eer kan worden gegeven (vers 33Zeg tegen God: Hoe ontzagwekkend bent U [in] Uw werken!
Om de grootheid van Uw macht veinzen Uw vijanden dat zij zich aan U onderwerpen.
)
. Hij geeft er de woorden voor (vgl. Hs 14:3-43Neem [deze] woorden met u mee,
bekeer u tot de HEERE.
Zeg tegen Hem:
Neem alle ongerechtigheid weg, neem het goede aan.
Dan zullen wij de offers van onze lippen nakomen.4Assyrië zal ons niet verlossen,
op paarden zullen wij niet rijden.
Wij zullen nooit meer zeggen: U bent onze god
tegen het werk van onze handen.
Bij U immers vindt een wees ontferming.
)
. Het moet gaan over het glorierijke en daardoor vrees inboezemende handelen van God. Iedereen wordt opgeroepen tegen God te zeggen: “Hoe ontzagwekkend bent U [in] Uw werken.”

Gods macht wordt in Zijn werken zichtbaar op een manier dat ook Gods vijanden het niet meer wagen Hem te weerstaan. Ze zullen doen alsof ze zich van harte aan de God van Israël onderwerpen (vgl. Ps 18:4444U hebt mij bevrijd van de aanklachten van het volk;
U hebt mij aangesteld tot hoofd van de heidenvolken;
het volk [dat] ik niet kende, heeft mij gediend.
)
. Hun onderwerping is slechts geveinsd. Ze tonen hun vijandschap niet, omdat ze weten dat ze direct geoordeeld zullen worden als ze zich openlijk tegen Hem verzetten (Ps 101:88Elke morgen zal ik
alle goddelozen in het land ombrengen,
door allen die onrecht bedrijven,
uit de stad van de HEERE uit te roeien.
)
. Uiteindelijk zal elke knie zich buigen en belijden “dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader” (Fp 2:1111en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader.).

De psalmdichter weet dat het kwaad niet zal overwinnen. Heel de aarde zal zich voor God neerbuigen wanneer Hij Zich in Zijn macht over het kwaad openbaart door het te oordelen (vers 44Laat heel de aarde zich voor U neerbuigen en voor U psalmen zingen,
laat zij [voor] Uw Naam psalmen zingen. /Sela/
)
. Bij dit neerbuigen moeten ze voor God en Gods Naam psalmen zingen. God maakt Zich in Zijn Naam bekend. De gepaste reactie van de mensen daarop is het zingen van een lied tot Zijn eer waarin Zijn eigenschappen en kenmerken worden geroemd.


Kom en zie

5Kom en zie Gods daden;
ontzagwekkend is [Zijn] doen voor de mensenkinderen.
6Hij heeft de zee veranderd in het droge;
zij zijn te voet door de rivier gegaan;
daar hebben wij ons in Hem verblijd.
7Hij heerst eeuwig met Zijn macht,
Zijn ogen houden de wacht over de heidenvolken.
Laten de opstandigen zich niet verheffen. /Sela/

Als de dag van de Heer is aangebroken, neemt God de regering Zelf in handen. Met de oproep “kom en zie Gods daden” worden de mensen opgeroepen om dichterbij te komen en Zijn regeringsdaden zien (vers 55Kom en zie Gods daden;
ontzagwekkend is [Zijn] doen voor de mensenkinderen.
)
. God heeft de regering over de schepping aan de mens toevertrouwd, maar die heeft hopeloos gefaald. We zien dat bij Adam en bij Nebukadnezar.

Als God openlijk gaat regeren, wat Hij doet door Zijn Zoon, de Messias, verricht Hij daden die ontzagwekkend voor de mensenkinderen zijn. De mensen hebben gemeend dat zij alles op aarde konden bepalen. Zij hebben geleefd en gezag uitgeoefend zonder rekening te houden met God. Dat heeft tot grote onrechtvaardigheid geleid. Als God gaat regeren, zal Hij alle onrecht oordelen.

De psalmist haalt twee voorbeelden van Gods ontzagwekkende daden aan die Hij heeft verricht in de vroege geschiedenis van Zijn volk (vers 66Hij heeft de zee veranderd in het droge;
zij zijn te voet door de rivier gegaan;
daar hebben wij ons in Hem verblijd.
)
. Bij de doortocht door de Rode Zee heeft God “de zee veranderd in het droge” (Ex 14:2121Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee, en de HEERE liet de zee die hele nacht wegvloeien door een krachtige oostenwind. Hij maakte de zee droog, en het water werd doormidden gespleten.). Bij de doortocht door de rivier de Jordaan heeft Hij de Jordaan drooggelegd, waarna het volk “te voet door de rivier gegaan” is (Jz 3:14-1714En het gebeurde, toen het volk uit zijn tenten opbrak om de Jordaan over te steken, dat de priesters de ark van het verbond droegen, voor het volk uit.15En zodra de dragers van de ark tot aan de Jordaan kwamen, en de voeten van de priesters die de ark droegen, in het water gedompeld waren, aan de rand van het water – de Jordaan was helemaal buiten zijn oevers getreden al de dagen van de oogst –16bleef het water dat van bovenaf kwam, staan. Het bleef staan als een dam heel ver weg bij de stad Adam, die naast Sarthan ligt. En [het water] dat naar de zee van de Vlakte, de Zoutzee, stroomde, verdween; het werd afgesneden. Toen stak het volk over, tegenover Jericho.17Maar de priesters die de ark van het verbond van de HEERE droegen, stonden op het droge, in het midden van de Jordaan, onbeweeglijk. En heel Israël stak over op het droge, tot heel het volk het oversteken van de Jordaan voltooid had.).

God heeft Egypte geoordeeld en Zijn volk uit de slavernij bevrijd. Bij de Rode Zee heeft Hij Zijn volk volledig van de macht van de vijand bevrijd, want de Egyptenaren zijn in de Rode Zee omgekomen (Ex 14:28-3128Want toen het water terugvloeide, bedolf het de strijdwagens en de ruiters van het hele leger van de farao, die hen in de zee achternagekomen waren. Niet een van hen bleef er over.29Maar de Israëlieten gingen op het droge, midden door de zee. Het water was voor hen een muur aan hun rechter- en linkerhand.30Zo verloste de HEERE Israël op die dag uit de hand van de Egyptenaren. En Israël zag de Egyptenaren dood aan de oever van de zee [liggen].31Toen zag Israël de machtige hand die de HEERE tegen de Egyptenaren gekeerd had, en het volk vreesde de HEERE en geloofde in de HEERE en in Mozes, Zijn dienaar.). Daar, aan de andere kant van de Rode Zee, hebben ze zich in God verblijd (Ex 15:1-31Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:
            Ik zal zingen voor de HEERE,
                        want Hij is hoogverheven!
            Het paard en zijn ruiter
                        heeft Hij in de zee geworpen.2         De HEERE is mijn kracht en lied,
                        Hij is mij tot heil geweest.
            Dit is mijn God, Hem verheerlijk ik;
                        de God van mijn vader, Hem roem ik.
3         De HEERE is een Strijder,
                        HEERE is Zijn Naam.
)
. Een dergelijke bevrijding gevolgd door een dergelijke blijdschap zal ook het overblijfsel, het Israël van God, in de eindtijd beleven. Daarover gaat het in deze psalm.

Zijn daden in het verleden bieden de onvoorwaardelijke garantie voor de toekomst. God heeft niet slechts in het verleden een keer Zijn macht getoond, maar “Hij heerst eeuwig met Zijn macht” (vers 77Hij heerst eeuwig met Zijn macht,
Zijn ogen houden de wacht over de heidenvolken.
Laten de opstandigen zich niet verheffen. /Sela/
; Ex 15:1818       De HEERE zal regeren
                        voor eeuwig en altijd!
)
. Hij is machtig en blijft dat tot in eeuwigheid. Hij troont in de hoge hemel, vanwaar “Zijn ogen … de wacht over de heidenvolken” houden. Nooit verliest hij iets of iemand uit het oog. “Laten de opstandigen” dit niet vergeten, opdat ze “zich niet verheffen” om tegen Hem op te staan.


Gelouterd en uitgeleid naar de overvloed

8Loof, volken, onze God;
laat het geluid van Zijn roem horen,
9Die onze ziel [weer] het leven geeft,
en niet toelaat dat onze voet wankelt.
10Want U hebt ons beproefd, o God,
U hebt ons gelouterd, zoals men zilver loutert.
11U had ons in het net gebracht,
U had een knellende band om ons middel gelegd,
12U had de sterveling over ons hoofd doen rijden.
Wij waren in het vuur en in het water gekomen,
maar U hebt ons uitgeleid naar de overvloed.

De goedheid van God in de geschiedenis van de verlossing van Zijn volk veroorzaakt een nieuwe oproep om God te loven (vers 88Loof, volken, onze God;
laat het geluid van Zijn roem horen,
)
. Alle volken die met God in verbinding zijn gekomen, waaronder ook de volken van Israël gerekend worden, worden opgeroepen “onze God”, dat is de God van het overblijfsel ofwel de God van Israël, te loven. Het gaat erom dat de roem van God, Zijn grote Naam en faam, luid wordt verkondigd. Zijn roem is wat Hij heeft gedaan in de bevrijding van Zijn volk.

Gods roem is hier direct verbonden aan het weer leven geven aan Zijn volk en hen staande houden op de weg van het geloof (vers 99Die onze ziel [weer] het leven geeft,
en niet toelaat dat onze voet wankelt.
)
. God moet geroemd worden vanwege Zijn unieke eigenschap dat Hij leven geeft. Hij is de Enige Die dat kan, want Hij is de levende God. Hij is ook de Enige Die dit leven tot ontplooiing brengt en leidt en ondersteunt. Hij houdt het ook door de beproeving heen staande op de weg van het geloof, zodat het niet wankelt.

Het overblijfsel is door allerlei beproevingen en verdrukkingen heen gegaan (vers 1010Want U hebt ons beproefd, o God,
U hebt ons gelouterd, zoals men zilver loutert.
)
. Daarin zijn zij, dat wil zeggen hun geloof, “gelouterd, zoals men zilver loutert” (vgl. Ml 3:33Hij zal zitten [als iemand] die zilver smelt en reinigt:
Hij zal de Levieten reinigen en hen zuiveren als goud en zilver.
Dan zullen zij de HEERE een graanoffer brengen in gerechtigheid.
; Zc 13:99Ik zal dat derde [deel] in het vuur brengen
en het louteren, zoals men zilver loutert.
Ik zal het beproeven, zoals men goud beproeft.
Het zal Mijn Naam aanroepen
en Ík zal het verhoren.
Ik zal zeggen: Dit is Mijn volk;
en zij zullen zeggen: De HEERE is mijn God.
; 1Pt 1:77opdat de beproefdheid van uw geloof, veel kostbaarder dan die van goud, dat vergankelijk is en door vuur beproefd wordt, blijkt te zijn tot lof en heerlijkheid en eer bij [de] openbaring van Jezus Christus.)
. De beproeving is zwaar geweest. Maar ze zien het lijden als de weg en de hand van God met hen. Zo zeggen ze het ook in de volgende verzen.

Ze zien dat ze door God “in het net” van gevangenschap zijn gebracht (vers 1111U had ons in het net gebracht,
U had een knellende band om ons middel gelegd,
; vgl. Kl 1:1313Vanuit de hoogte heeft Hij vuur gezonden /mem/
in mijn beenderen, en Hij heerst daarover.
Hij heeft voor mijn voeten een net uitgespreid,
Hij heeft mij naar achteren toe doen omkeren,
Hij heeft mij [tot] verwoesting overgegeven,
de hele dag ziek [gemaakt].
)
. Ze zijn als een vogel die in een net gevangen is. De vogel kan zijn vleugels niet meer uitslaan, is machteloos en overgeleverd aan de wil van de vogelvanger. God heeft ook “een knellende band” om hun middel gelegd, waardoor ze krachteloos zijn en niet meer kunnen lopen.

God is het ook Die “de sterveling”, waarmee de antichrist bedoeld kan zijn, over hun hoofd heeft doen rijden (vers 1212U had de sterveling over ons hoofd doen rijden.
Wij waren in het vuur en in het water gekomen,
maar U hebt ons uitgeleid naar de overvloed.
; vgl. Js 51:2323Maar Ik zal hem geven in de hand van hen die u bedroeven,
die tegen uw ziel zeiden:
Werp je neer, dan lopen wij over [je] heen.
En u legde uw rug neer als [was u] aarde,
als [was u] de straat voor wie daaroverheen gaan.
)
. Het ziet op het overgeven in de hand van de vijand en de diepe vernedering die hij over hen brengt. Ze zijn “in het vuur en in het water gekomen”, waarmee ze de zware verdrukking beschrijven waarin ze terechtgekomen zijn met het gevaar van verbranden en verdrinken, van ondergang en dood (vgl. Js 43:22Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn,
door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.
Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden,
geen vlam zal u aansteken.
)
.

In ons leven kan ook zo zijn, dat mensen ‘over ons heen lopen’. Zij maken ons het leven bijzonder zwaar. Hoe belangrijk is het dan boven deze mensen heen op God te zien, Die dit voor ons bestwil nodig heeft geacht. Alle beproevingen die ons door mensen worden aangedaan, ongeacht of ze gelovig of ongelovig zijn, mogen we aannemen uit de hand van God. Dat geeft rust te midden van de ellende. Dan zien we niet meer de hand van mensen, maar de hand van een liefdevolle Vader.

Als er aan de beproeving een einde komt, is dat ook door God Zelf bewerkt. God beproeft niet boven wat iemand kan verdragen, maar geeft ook de uitkomst op de juiste tijd (1Ko 10:1313U heeft geen verzoeking getroffen dan menselijke; en God is getrouw, Die niet zal toelaten dat u verzocht wordt boven wat u kunt [verdragen]; maar met de verzoeking zal Hij ook de uitkomst geven, zodat u ze kunt verdragen.). Het volk dat ten dode gedoemd leek te zijn, heeft Hij het leven hergeven (vers 9a9Die onze ziel [weer] het leven geeft,
en niet toelaat dat onze voet wankelt.
)
. Het scheen de val nabij, maar Hij heeft het staande gehouden (vers 9b9Die onze ziel [weer] het leven geeft,
en niet toelaat dat onze voet wankelt.
)
. Het was gevangen in een net, maar Hij heeft het de ruimte gegeven (vers 11a11U had ons in het net gebracht,
U had een knellende band om ons middel gelegd,
)
. Het had een knellende band om het middel, maar Hij heeft die verbroken (vers 11b11U had ons in het net gebracht,
U had een knellende band om ons middel gelegd,
)
. Na al Zijn handelingen van bevrijding heeft Hij hen “uitgeleid naar de overvloed” (vgl. Dt 8:77Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land: een land met waterbeken, bronnen en diepe wateren, die ontspringen in het dal en op het gebergte;). Zijn doel met de beproeving is om hen “uiteindelijk wel te doen” (Dt 8:15-1615Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, met gifslangen, schorpioenen en droogte, waar geen water was; Die uit hard gesteente water voor u liet komen,16Die u in de woestijn het manna liet eten, dat uw vaderen niet gekend hadden, opdat Hij u zou verootmoedigen en u op de proef zou stellen, om u uiteindelijk wel te doen;).

Dit zullen wij ook eenmaal zeggen als we bij de Heer zijn en op onze hele levensweg samen met Hem terugkijken. We kunnen het nu ook al zeggen als we na een bepaalde moeilijke periode in ons leven daarop terugkijken. Dan zien we dat Hij steeds bij ons is geweest, hoewel we ons soms alleen hebben gevoeld. Hij heeft ons uit de moeilijkheden geleid en gebracht in het genot van een overvloed aan geestelijke zegen. Op aarde is het Gods bedoeling met de beproevingen dat wij aan Zijn heiligheid deel krijgen (Hb 12:1010Zij tuchtigden [ons] wel voor weinige dagen, naar het hun goed dacht, maar Hij tot ons nut, opdat wij aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen.). Voor de eeuwigheid betekent het dat Hij ons uiteindelijk in de overvloed van het huis van de Vader binnenleidt.


Gelofte offers

13Ik zal met brandoffers Uw huis binnengaan;
ik zal aan U mijn geloften nakomen,
14die mijn lippen hebben geuit
en mijn mond heeft uitgesproken in mijn nood.
15Brandoffers van mestvee zal ik U brengen,
samen met de offergeur van rammen;
ik zal runderen met bokken [als offer] bereiden. /Sela/

Niet alleen de wereld zal God psalmen zingen. De verloste zal Gods huis binnengaan om zijn geloften die hij in zijn nood aan God heeft gedaan, na te komen (vers 1313Ik zal met brandoffers Uw huis binnengaan;
ik zal aan U mijn geloften nakomen,
)
. Deze offerdienst zal in het vrederijk door Gods volk worden gedaan. Het brandoffer is in zijn geheel voor God (Lv 1:9,139Maar zijn ingewanden en zijn poten moet men met water wassen, en de priester moet dat alles op het altaar in rook laten opgaan. Het is een brandoffer, een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE.13Maar de ingewanden en de poten moet men met water wassen, en de priester moet dat alles aanbieden en op het altaar in rook laten opgaan. Het is een brandoffer, een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE.). Brandoffers spreken van het werk van de Heer Jezus dat Hij volledig tot Gods eer heeft volbracht.

Zijn lippen hebben die geloften geuit en zijn mond heeft ze uitgesproken toen hij nood was (vers 1414die mijn lippen hebben geuit
en mijn mond heeft uitgesproken in mijn nood.
; vgl. Ri 11:30-4030En Jefta deed de HEERE een gelofte en zei: Als U de Ammonieten geheel in mijn hand zult geven,31dan zal dat wat naar buiten komt en mij vanuit de deur van mijn huis tegemoetkomt, als ik in vrede terugkeer van de Ammonieten, voor de HEERE zijn, en ik zal het als brandoffer offeren.32Zo trok Jefta op naar de Ammonieten om tegen hen te strijden, en de HEERE gaf hen in zijn hand.33En hij versloeg hen vanaf Aroër tot waar u bij Minnith komt: twintig steden; en tot bij Abel-Keramim, met een zeer grote slag. Zo werden de Ammonieten vernederd van voor [de ogen van] de Israëlieten.34Maar toen Jefta in Mizpa bij zijn huis aankwam, zie, toen kwam zijn dochter naar buiten, hem tegemoet, met tamboerijnen en in reidans. Nu was zij zijn enige [kind]; hij had [verder] geen zoon of dochter.35En het gebeurde, toen hij haar zag, dat hij zijn kleren scheurde, en zei: Ach, mijn dochter! Je laat mij diep neerbukken en je hoort [nu] bij hen die mij in het ongeluk storten. Ik heb namelijk mijn mond naar de HEERE opengedaan en ik kan [er] niet [op] terugkomen.36Maar zij antwoordde hem: Mijn vader, als u uw mond naar de HEERE hebt geopend, doe [dan] met mij overeenkomstig datgene wat u hebt gesproken, aangezien de HEERE u immers volledig gewroken heeft op uw vijanden, de Ammonieten.37Verder zei zij tegen haar vader: Laat de volgende zaak ten aanzien van mij gebeuren: laat mij twee maanden begaan, om af te dalen naar de bergen en te huilen omdat ik maagd zal blijven, ik [samen] met mijn vriendinnen.38En hij zei: Ga [maar]. En hij liet haar voor twee maanden gaan. Toen ging zij met haar vriendinnen [op weg] en zij huilde op de bergen, omdat zij maagd zou blijven.39En het gebeurde na verloop van twee maanden dat zij naar haar vader terugkeerde. En hij voltrok aan haar zijn gelofte, die hij had gedaan. Zij heeft geen gemeenschap gehad met een man. En het werd een gewoonte in Israël40[dat] de dochters van Israël van jaar tot jaar [op weg] gingen om met de dochter van Jefta, de Gileadiet, te praten, vier dagen per jaar.; Jn 2:99Maar ik, met dankzegging zal ik U offers brengen;
wat ik beloofd heb, zal ik nakomen.
Het heil is van de HEERE!
)
. Het betreft niet bedachtzaam uitgesproken woorden, maar woorden als gevolg van de nood. Wat hij heeft gezegd, mag dan vol emotie zijn, ze daarom niet minder gemeend. De psalmist weet nog goed wat hij vanuit zijn diepe nood heeft gezegd, en hij houdt zich daar ook aan als de bevrijding door God een feit is.

Hij zal zijn lof en dank uiten door met “brandoffers van mestvee” Gods huis binnen te gaan (vers 1515Brandoffers van mestvee zal ik U brengen,
samen met de offergeur van rammen;
ik zal runderen met bokken [als offer] bereiden. /Sela/
)
. Hij wil het beste geven als dank voor wat God heeft gedaan. De “offergeur van rammen” omgeeft hem als hij bij God komt. De ram is het speciale dier dat wordt gebruikt bij de inwijding van de priesters (Lv 8:22,2922Vervolgens liet hij de andere ram naderbij komen, de ram van het wijdingsoffer. En Aäron met zijn zonen legden hun handen op de kop van de ram.29Verder nam Mozes het borststuk en bewoog het als beweegoffer voor het aangezicht van de HEERE. Van de ram voor het wijdingsoffer was [dit] voor Mozes bestemd, zoals de HEERE Mozes geboden had.). De ram spreekt van de toewijding van de Heer Jezus aan God tot in de dood. Uit Zijn leven en in het bijzonder uit Zijn sterven is een aangename geur tot God omhooggestegen.

Tot zijn offer behoren ook “runderen met bokken”. Bokken worden vooral gebruikt als zondoffer (Lv 4:2424Dan moet hij zijn hand op de kop van de bok leggen en hem slachten op de plaats waar men het brandoffer slacht voor het aangezicht van de HEERE. Het is een zondoffer.; 9:3,153Daarna moet je tot de Israëlieten spreken: Neem een geitenbok als zondoffer, en een kalf en een lam, elk van een jaar oud en zonder enig gebrek, als brandoffer,15Daarna liet hij de offergave van het volk brengen, en hij nam de bok die als zondoffer voor het volk bestemd was. Hij slachtte hem en bereidde hem als zondoffer, zoals het eerste [zondoffer].; 10:1616Toen zocht Mozes zorgvuldig naar de bok van het zondoffer, maar zie, hij was verbrand. Daarom werd hij erg kwaad op Eleazar en Ithamar, de overgebleven zonen van Aäron, en zei:; 16:1515Daarna moet hij de bok slachten die als zondoffer voor het volk bestemd is, en zijn bloed binnen het voorhangsel brengen. Hij moet met zijn bloed doen zoals hij met het bloed van de jonge stier gedaan heeft, en dat op het verzoendeksel en vóór het verzoendeksel sprenkelen.). De bok als zondoffer stelt de Heer Jezus voor in het werk dat Hij op het kruis heeft gedaan met het oog op het wegdoen van de zonden van hen die in Hem geloven. De gelovige zal nooit vergeten dat Zijn werk noodzakelijk is geweest voor de vergeving van zijn zonden. Het is een aspect van het werk van Christus waaraan hij altijd met grote dankbaarheid zal denken.


Kom en luister

16Kom, luister, allen die God vrezen,
en ik zal vertellen
wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.
17Ik riep tot Hem met mijn mond,
en Hij werd geroemd door mijn tong.
18Had ik in mijn hart onrecht op het oog gehad,
de Heere zou mij niet hebben gehoord.
19Voorwaar, God heeft naar mij geluisterd,
Hij heeft acht geslagen op mijn luide gebed.
20Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewezen,
en Zijn goedertierenheid mij niet heeft onthouden.

De verhoring van zijn gebed, de verlossing door God uit zijn nood, brengt de Godvrezende tot een getuigenis daarvan (vers 1616Kom, luister, allen die God vrezen,
en ik zal vertellen
wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.
)
. Hij roept “allen die God vrezen” op om te komen en te luisteren naar “wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft”. Daarvan wil hij vertellen, daarvan is zijn hart vol.

Na de uitnodiging “kom en zie” (vers 55Kom en zie Gods daden;
ontzagwekkend is [Zijn] doen voor de mensenkinderen.
)
is de uitnodiging nu “kom, luister”. ‘Kom en zie’ gaat over wat voor het oog waarneembaar is: de openbare daden van God die iemand kan zien. ‘Kom, luister’ gaat over het verborgen werk dat God in iemand heeft gedaan. Dit is een werk dat niemand kan zien, maar dat kan worden verteld en door het oor kan worden opgenomen.

De psalmist wil een persoonlijk getuigenis geven over wat God in zijn ziel, dat is zijn hele leven, heeft gedaan. Dat geldt voor alle omstandigheden waarin hij is geweest en waarin God hem heeft bijgestaan. Hij wil aan anderen doorgeven en hen daarmee bemoedigen, Wie God daarin voor Hem is geweest en wat Hij voor hem heeft gedaan, zodat zij ook met hun nood naar Hem toe gaan.

De Godvrezende die hier aan het woord is, heeft met zijn mond tot Hem geroepen (vers 1717Ik riep tot Hem met mijn mond,
en Hij werd geroemd door mijn tong.
)
. Tegelijk heeft hij met zijn tong God geroemd. God roemen wil zeggen Hem eren en prijzen voor Zijn werk. Hij heeft gebeden en tegelijk heeft hij de zekerheid gehad dat God hem verhoort, waarvoor hij Hem, terwijl hij bad, heeft gedankt. Dit is bidden in vertrouwen, een bidden dat God graag hoort en verhoort.

De basis voor dit vertrouwen is dat er in het hart geen verborgen bedoelingen tijdens het bidden zijn (vers 1818Had ik in mijn hart onrecht op het oog gehad,
de Heere zou mij niet hebben gehoord.
)
. God hoort niet naar gebeden die vanuit verkeerde motieven worden gedaan. Als Hij en Zijn belangen niet centraal staan, maar de bidder slechts zichzelf en zijn eigen belangen op het oog heeft, geeft God geen antwoord (Jk 4:33U bidt en ontvangt niet, omdat u verkeerd bidt, om het in uw hartstochten te verkwisten.; Sp 28:99Van hem die zijn oor afkeert van het luisteren naar de wet,
is zelfs zijn gebed een gruwel.
; Js 59:22Maar uw ongerechtigheden maken scheiding
tussen u en uw God,
uw zonden doen [Zijn] aangezicht voor u verborgen zijn,
zodat Hij [u] niet hoort.
; Jh 9:3131Wij weten dat God geen zondaars hoort, maar als iemand Godvrezend is en Zijn wil doet, die hoort Hij.)
.

Het is duidelijk: het volk van God moet eerst het hart reinigen van zonde door belijdenis. Daarna kan de gelovige tot God roepen als hij in nood is. Dat heeft de psalmdichter ervaren. Als hij zegt: “Voorwaar, God heeft naar mij geluisterd, Hij heeft acht geslagen op mijn luide gebed” (vers 1919Voorwaar, God heeft naar mij geluisterd,
Hij heeft acht geslagen op mijn luide gebed.
)
, is dat het bewijs dat zijn hart tijdens zijn gebed vrij van onrecht is geweest.

De Godvrezende is ervan onder de indruk dat God zijn gebed “niet heeft afgewezen” en hem “Zijn goedertierenheid … niet heeft onthouden” (vers 2020Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewezen,
en Zijn goedertierenheid mij niet heeft onthouden.
)
. Hij zegt het in negatieve termen: niet afgewezen, niet onthouden. Dat legt er de nadruk op dat hij geen recht op verhoring laat gelden, maar die ziet als een grote gunst. Dat maakt zijn dankbaarheid des te groten en hij looft God uit het diepst van zijn hart.


Lees verder