Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-5 Loflied op Gods goedheid 6-9 Gods ontzagwekkende daden 10-14 Overvloed van zegen
Inleiding

Profetisch gezien spreekt de psalm over de [de] tijden van [de] herstelling van alle dingen, waarvan God heeft gesproken door [de] mond van Zijn heilige profeten van oudsher” (Hd 3:2121Die [de] hemel moet opnemen tot op [de] tijden van [de] herstelling van alle dingen, waarvan God heeft gesproken door [de] mond van Zijn heilige profeten van oudsher.).


Opschrift

1Een psalm van David, een lied, voor de koorleider.

Het is “een psalm van David”. Deze psalm wordt “een lied” genoemd. Het is de eerste psalm in een rij van vier psalmen die zo wordt genoemd (Ps 65:11Een psalm van David, een lied, voor de koorleider.; 66:11Een lied, een psalm, voor de koorleider.
Juich voor God, heel de aarde!
; 67:11Een psalm, een lied, voor de koorleider, bij snarenspel.; 68:11Een psalm, een lied van David, voor de koorleider.)
. Er zijn meer psalmen die ‘een lied’ genoemd (Ps 75:11Voor de koorleider, [op] ‘Richt niet te gronde’; een psalm van Asaf, een lied.; 83:11Een lied, een psalm van Asaf.; 87:11Een psalm, een lied van de zonen van Korach.
Zijn fundament rust op de heilige bergen.
; 88:11Een lied, een psalm van de zonen van Korach, voor de koorleider, op Machalath Leannoth; een onderwijzing van Heman, de Ezrahiet.; 92:11Een psalm, een lied, op de sabbatdag.; 108:11Een lied, een psalm van David.)
. Een lied is evenals een psalm een uiting van dankbaarheid voor ervaren goedheid. We kunnen het een loflied noemen. Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1.


Loflied op Gods goedheid

2De lofzang is [in] stilte tot U, o God, in Sion;
aan U zal de gelofte nagekomen worden.
3U hoort het gebed;
tot U zal alle vlees komen.
4Ongerechtigheden hadden de overhand over mij,
[maar] onze overtredingen, [die] verzoent Ú.
5Welzalig is hij [die] U verkiest en doet naderen,
[die] mag wonen [in] Uw voorhoven;
wij worden verzadigd met het goede van Uw huis,
[met] het heilige van Uw paleis.

De psalm begint met een “lofzang” (vers 22De lofzang is [in] stilte tot U, o God, in Sion;
aan U zal de gelofte nagekomen worden.
)
. Het is echter een lofzang “[in] stilte”. De oorzaak daarvan is, dat het onrecht nog op aarde heerst en het overblijfsel zelf nog niet de vergeving van de door hen begane ongerechtigheden kent. Maar het is wel een lofzang “tot U, o God, in Sion”.

Het geloof richt zich tot God, Die in Sion woont. Het overblijfsel zucht nog wel onder de vervolging door de antichrist, maar ziet uit naar de tijd dat ze de gelofte die ze hebben gedaan, zullen kunnen inlossen. Hun gelofte is dat ze God zullen prijzen als Hij hen van hun verdrukking bevrijdt. Ze vertrouwen erop dat Hij zal opstaan en hun verdrukkers zal oordelen.

Bij hen is de diepe overtuiging aanwezig dat God het gebed hoort dat ze hebben gebeden (vers 33U hoort het gebed;
tot U zal alle vlees komen.
)
. Hij is ‘de Hoorder van het gebed’. Hoe vaak hebben wij het zelf al beleefd dat God het gebed heeft verhoord. Het overblijfsel weet dat Hij hen zal verlossen. Dan zullen niet alleen zij tot Hem gaan, maar “zal alle vlees”, dat zijn alle mensen (Js 40:55De heerlijkheid van de HEERE zal geopenbaard worden,
en alle vlees tezamen zal [het] zien,
want de mond van de HEERE heeft gesproken.
; Jl 2:2828Daarna zal het geschieden
dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees:
uw zonen en uw dochters zullen profeteren,
uw ouderen zullen dromen dromen,
uw jongemannen zullen visioenen zien.
; vgl. Op 15:44Wie toch zou <U> niet vrezen, Heer, en Uw Naam niet verheerlijken? Want U alleen bent heilig, want alle naties zullen komen en zich voor U neerbuigen, omdat Uw gerechtigheden openbaar zijn geworden.)
, tot Hem gaan. Dit zal in het vrederijk gebeuren (Js 2:2-32Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
3Vele volken zullen gaan en zeggen:
Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan,
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
)
.

Voordat het zover kan zijn, moet er eerst iets anders gebeuren. Het overblijfsel moet eerst verlost worden van de last van hun ongerechtigheden die op hen drukt (vers 44Ongerechtigheden hadden de overhand over mij,
[maar] onze overtredingen, [die] verzoent Ú.
)
. De Godvrezende erkent dat die ongerechtigheden de overhand over hem hebben gehad. We horen hier ook de Heer Jezus spreken als Hij op het kruis als het plaatsvervangend Offer de zonden draagt voor ieder die in Hem gelooft. Op grond daarvan kan de zondaar zijn zonden belijden en verzoening ontvangen.

De Godvrezende spreekt in het enkelvoud: “over mij”. Er is geen sprake van dat hij zich verschuilt achter een algemene belijdenis, zoals we die wel eens horen, ‘alle mensen zijn nu eenmaal zondaars’. Bij een oprechte belijdenis spreekt iemand alleen over zichzelf: ‘Ik heb gezondigd.’ Dan ziet iemand alleen zijn eigen zonden. Hij ziet zichzelf in het licht van God.

Als hij echter over de verzoening ervan spreekt, spreekt hij in het meervoud, “onze overtredingen”. Hij weet zich verbonden met allen die aan de verzoening deelhebben. Dat is hier het gelovig overblijfsel. Ook weet hij dat de verzoening niet het gevolg is van zijn gebed, of de door hem gebrachte offers, maar dat de verzoening het werk is van God alleen. “U” heeft dan ook de nadruk.

De verzoening is het deel van ieder die God “verkiest”. Het aanbod van de verzoening wordt aan iedereen gedaan (2Ko 5:2020Wij zijn dan gezanten voor Christus, terwijl God als [het ware] door ons maant. Wij bidden voor Christus: Laat u met God verzoenen.). Tegelijk is het zo, dat ieder die er deel aan krijgt daartoe door God is verkozen. Dit gaat ons beperkte denken te boven, maar het is de waarheid van Gods Woord. Dit wordt alleen begrepen door hen die verzoend zijn. Pas als iemand de verzoening heeft aanvaard, ziet hij dat hij daartoe is uitverkoren.

Wie verzoend is, is dat omdat hij daartoe door God verkozen is (vgl. Jh 15:1616U hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld dat u zou heengaan en vrucht dragen en dat uw vrucht zou blijven, opdat alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, Hij u dat geeft.). Hij zal zich daar dus niet op kunnen beroemen. Wat hij wel zal doen, is erkennen dat hij “welzalig” is (vers 55Welzalig is hij [die] U verkiest en doet naderen,
[die] mag wonen [in] Uw voorhoven;
wij worden verzadigd met het goede van Uw huis,
[met] het heilige van Uw paleis.
)
. Wie deelheeft aan Gods verzoening en verkiezing, kan zijn geluk niet op. Het kan niet anders of hij prijst en looft God voor Zijn grote genade die Hij aan hem heeft bewezen. Er was alleen recht op de hel. Nu is hij met God verzoend op grond van Zijn verkiezing. Alles is genade.

Het is een enorme zegen om bevrijd te zijn van de last en de straf van de zonden en verzoend te zijn met God. Maar daar blijft het niet bij. Er zijn aan de verzoening en de verkiezing zijn nog veel meer zegeningen verbonden. Als God geeft, geeft Hij naar de rijkdom van Zijn genade. Wie door God verkozen is, “doet” Hij tot Zich “naderen”. Zo iemand mag bij Hem komen, in Zijn tegenwoordigheid.

Dit naderen tot God is ook niet beperkt tot het brengen van af en toe een bezoek aan Hem. Wie door God verkozen is en wie Hij doet naderen, “[die] mag wonen [in] Uw voorhoven”. Hij mag in Gods tegenwoordigheid verblijven om Hem dag en nacht te loven en te prijzen voor Zijn grote genade. Dit is het voorrecht van allen die de God van Sion als hun God kennen.

Allen die in deze bevoorrechte positie zijn, “worden verzadigd met het goede van Uw huis”. In Gods huis liggen de zegeningen hoog opgestapeld. Wie daar woont, mag er tot verzadiging toe van eten. Dit betreft een genieten van alle zegen in gemeenschap met God. God Zelf is “het heilige van Uw paleis”. Daar troont Hij en openbaart Hij Zijn gerechtigheid. Alles in Zijn paleis is heilig, het is er voor Hem en spreekt van Hem. Daar mag de Godvrezende zich mee voeden. Dat doet hij door via de zegen te zien op de Gever ervan. Dan ziet hij Wie God is in Zijn liefde en Zijn heiligheid. Dit is het ware voedsel van de gelovige.

Israël ontvangt al deze zegeningen op aarde en tijdelijk, terwijl voor de gemeente deze zegeningen hemels en eeuwig zijn. Israël ontvangt de volheid ervan in het vrederijk, terwijl wij de volheid ervan nu al bezitten. Wij naderen niet in een aardse tempel, maar wij vormen nu en tot in eeuwigheid het huis van God, dat is gemeente van de levende God (1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.). Wij hebben nu en tot in eeuwigheid de toegang tot de Vader en zijn huisgenoten van God (Ef 2:18-2218Want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader.19Dus bent u geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar u bent medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God,20opgebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Jezus Christus Zelf hoeksteen is,21in Wie [het] hele gebouw, goed samengevoegd, opgroeit tot een heilige tempel in [de] Heer;22in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.).

Israël mag wonen in de voorhoven van een aardse tempel. Wij zullen eeuwig in het Vaderhuis zijn (Jh 14:1-31Laat uw hart niet ontroerd worden. U gelooft in God, gelooft ook in Mij.2In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; als het niet zo was, zou Ik het u hebben gezegd, <want> Ik ga heen om u plaats te bereiden.3En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben.). Daar hebben we tot in eeuwigheid gemeenschap met de Vader en de Zoon en met elkaar door het eeuwige leven, wat wij ook nu al beleven (1Jh 1:3-43wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat ook u met ons gemeenschap hebt. En onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.4En deze dingen schrijven wij <u>, opdat onze blijdschap volkomen is.). Wij zijn nu en tot in eeuwigheid kinderen van God op grond van persoonlijke uitverkiezing door God tot het zoonschap voor Zichzelf (Ef 1:3-73Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,4zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,5terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,6tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,7in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade,).


Gods ontzagwekkende daden

6[Met] ontzagwekkende daden antwoordt U ons in gerechtigheid,
o God van ons heil,
o vertrouwen van alle einden der aarde
en van de verre zeeën,
7Die de bergen vast doet staan door Zijn kracht,
Die omgord is met macht;
8Die het bruisen van de zeeën stilt,
het bruisen van hun golven
en het rumoer van de volken.
9[Daarom] vrezen de bewoners van de einden [der aarde] voor Uw tekenen;
waar de morgen gloort en de avond [daalt], doet U juichen.

In het paleis van God ziet het door God verkozen volk dat God hen “in gerechtigheid” antwoordt (vers 66[Met] ontzagwekkende daden antwoordt U ons in gerechtigheid,
o God van ons heil,
o vertrouwen van alle einden der aarde
en van de verre zeeën,
)
. Zijn gerechtigheid is altijd de maatstaf van Zijn handelen. Op grond van Zijn gerechtigheid brengt hij Israël de lang verwachte bevrijding en oordeelt Hij de vijanden van Zijn volk. Door Zijn ontzagwekkende daden die Hij ten gunste van Zijn volk in gerechtigheid heeft verricht, erkennen zij in Hem “de God van ons heil”. Hun heil, hun behoudenis, die in het vrederijk de volle vervulling vindt, is alleen aan Hem te danken.

Zijn ontzagwekkende daden in gerechtigheid laten niet alleen zien dat Hij voor Zijn volk zorgt, maar hebben ook een zegenrijk effect op alle volken “aan alle einden der aarde en van de verre zeeën”. Deze volken hebben steeds vertrouwd op hun afgoden. Door Gods ontzagwekkende daden in gerechtigheid zullen ze het vertrouwen in hun afgoden opzeggen en zal Hij hun vertrouwen worden.

Door de kracht die Hem eigen is, doet Hij de bergen vaststaan (vers 77Die de bergen vast doet staan door Zijn kracht,
Die omgord is met macht;
)
. Ze bewegen als Hij ze aanraakt en Hij doet ze vaststaan (Ps 104:8,328De bergen rezen op, de dalen daalden neer
op de plaats die U ervoor bestemd had.
32Aanschouwt Hij de aarde, dan beeft hij,
raakt Hij de bergen aan, dan roken zij.
)
. Dit geldt ook voor aardse grootmachten, die wel als een berg worden voorgesteld (Jr 51:2525Zie, Ik zál u, berg die te gronde richt, spreekt de HEERE,
[u,] die heel de aarde te gronde richt!
Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken,
Ik zal u van de rotsen afrollen
en Ik zal u maken tot een berg die in brand staat.
)
. Hij is omgord met macht, wat wil zeggen dat Hij alvermogend is, onbeperkt in het gebruik van Zijn kracht. Er is niemand die Zich tegen Hem kan verzetten of Hem dwingt om Zijn plan te wijzigen. Alles ligt vast in Hem.

Dat Hij alvermogend is, zien we als Hij “het bruisen van de zeeën stilt” evenals “het bruisen van hun golven” (vers 88Die het bruisen van de zeeën stilt,
het bruisen van hun golven
en het rumoer van de volken.
)
. Dit zien we de Heer Jezus doen (Mk 4:37-4137En er ontstond een hevige stormwind en de golven sloegen in het schip, zodat het schip al vol liep.38En Hij lag in het achterschip op het kussen te slapen; en zij wekten Hem en zeiden tot Hem: Meester, bekommert U Zich er niet om dat wij vergaan?39En wakker geworden bestrafte Hij de wind en zei tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en er ontstond een grote stilte.40En Hij zei tot hen: Waarom bent u <zo> angstig? Hebt u nog geen geloof?41En zij vreesden met grote vrees en zeiden tot elkaar: Wie is toch Deze, dat zelfs de wind en de zee Hem gehoorzamen?), wat bewijst dat Hij deze alvermogende God is. Wat voor de bruisende zeeën en golven geldt, geldt ook voor “het rumoer van de volken” (vgl. Js 17:12-1312Wee, het rumoer van vele volken,
ze razen als het razen van de zee;
en [wee], het gedruis van natiën,
zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.
13Al maken de natiën een gedruis als het bruisen van machtige wateren,
Hij bestraft het,
en ze vluchten, ver weg;
het wordt opgejaagd vóór de wind uit als kaf op de bergen,
vóór de wervelwind uit als werveldistels.
; Lk 21:2525En er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren, en op de aarde benauwdheid onder [de] volken, in radeloosheid door [het] bruisen van zee en watergolven,)
. Alle rumoerige volken staan onder zijn gezag. Hij heeft ze volkomen in de hand. Ze kunnen niets anders doen dan wat Hij toestaat en wat past in Zijn plan met de wereld. Het geeft ons rust als we daaraan denken, terwijl we zien wat er in de wereld gebeurt.

Als Hij ingrijpt in het wereldgebeuren door het rumoer van de volken te stillen, bewerkt dat vrees bij “de bewoners van de einden [der aarde]” (vers 99[Daarom] vrezen de bewoners van de einden [der aarde] voor Uw tekenen;
waar de morgen gloort en de avond [daalt], doet U juichen.
)
. Zijn optreden tegen de vijanden van Zijn volk zijn tekenen voor de wereldbewoners. Ze komen er niet door tot bekering, maar moeten Zijn ingrijpen erkennen. Allen die waar de morgen gloort en de avond [daalt]”, dat is van oost tot west, met Hem in verbinding staan, doet Hij juichen.


Overvloed van zegen

10U zag om naar het land en gaf het overvloed,
U maakt het zeer rijk;
de beek van God is vol water;
U geeft hun koren; ja, zó geeft U het:
11U doordrenkt zijn omgeploegde aarde,
U doet [water in] zijn voren dalen,
U doorweekt het met regendruppels,
U zegent zijn gewas.
12U kroont het jaar van Uw goedheid,
Uw voetstappen druipen van overvloed,
13zij bedruipen de weiden van de woestijn.
De heuvels omgorden zich met vreugde.
14De velden zijn bekleed met kudden,
de dalen zijn bedekt met koren;
zij juichen, ook zingen zij.

Deze verzen beschrijven het zegenrijke gevolg van Gods ontzagwekkende daden in gerechtigheid (vers 66[Met] ontzagwekkende daden antwoordt U ons in gerechtigheid,
o God van ons heil,
o vertrouwen van alle einden der aarde
en van de verre zeeën,
)
. Het is een beschrijving van de overvloedige zegen in het duizendjarig vrederijk (vgl. Dt 11:10-15,2110Want het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, is niet zoals het land Egypte, waaruit u weggetrokken bent, dat u met uw zaad moest bezaaien en al lopend water moest geven, zoals een groentetuin.11Maar het land waar u naartoe trekt om het in bezit te nemen, is een land met bergen en dalen; het drinkt water door de regen uit de hemel.12[Het is] een land waar de HEERE, uw God, voor zorgt: voortdurend rusten de ogen van de HEERE, uw God, daarop, van het begin van het jaar tot het einde van het jaar.13En het zal gebeuren, wanneer u nauwgezet luistert naar mijn geboden die ik u heden gebied, door de HEERE, uw God, lief te hebben en Hem te dienen met heel uw hart en met heel uw ziel,14dat Ik regen voor uw land zal geven op zijn tijd, vroege regen en late regen, zodat u uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie kunt inzamelen.15Ook zal Ik gewas op uw veld geven voor uw dieren; en u zult eten en verzadigd worden.21opdat uw dagen en de dagen van uw kinderen in het land waarvan de HEERE uw vaderen gezworen heeft het hun te geven, [zo] talrijk worden als de dagen dat de hemel boven de aarde staat.; Ez 36:33-3833Zo zegt de Heere HEERE: Op de dag dat Ik u reinig van al uw ongerechtigheden, zal Ik de steden doen bewonen en zullen de puinhopen herbouwd worden.34Het verwoeste land zal bewerkt worden, in plaats van een woestenij te zijn voor de ogen van ieder die erdoorheen trekt.35Zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is als de hof van Eden geworden. De steden die verwoest lagen, verwoest en afgebroken, zijn versterkt [en] bewoond.36Dan zullen de heidenvolken die om u heen overgebleven zijn, weten dat Ik, de HEERE, Zelf herbouw wat afgebroken is [en] beplant wat verwoest is. Ík, de HEERE, heb gesproken en Ik zal [het] doen.37Zo zegt de Heere HEERE: Opnieuw zal Ik hierom door het huis van Israël gevraagd worden om dit voor hen te doen. Ik zal hen [even] talrijk aan mensen maken als aan schapen.38Als [met] de geheiligde schapen, als [met] de schapen van Jeruzalem op hun vaste feestdagen, zo vol zullen de verwoeste steden worden met kudden mensen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.). Dan is de schepping vrijgemaakt van de “vruchteloosheid” die er door de zonde van de mens op is komen te liggen (Rm 8:20-2120Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen (niet vrijwillig, maar om wille van hem die [haar] onderworpen heeft),21in [de] hoop dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.). De grond brengt een overvloed aan vrucht voort.

Die tijd van zegen dankt “het land” aan het omzien van God ernaar (vers 1010U zag om naar het land en gaf het overvloed,
U maakt het zeer rijk;
de beek van God is vol water;
U geeft hun koren; ja, zó geeft U het:
)
. In ‘omzien’ ligt de gedachte aan zich ontfermen over iemand die in nood is, aan hem denken, naar hem kijken en voorzien in zijn nood. Dit is wat God doet met het land dat Hij voor Zijn volk heeft uitgekozen om er te wonen en te genieten van wat het voortbrengt.

De overvloed die het land voortbrengt, is Zijn werk. Hij “gaf het overvloed”. Hij voorziet niet alleen in wat nodig is, maar geeft in overvloed. God is een God van overvloed (vgl. Dt 28:1111En de HEERE zal u een overvloed ten goede geven, in de vrucht van uw schoot, in de vrucht van uw vee en in de vrucht van uw land, in het land dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft u te [zullen] geven.; 30:99De HEERE, uw God, zal u overvloed geven in al het werk van uw handen, in de vrucht van uw schoot, in de vrucht van uw vee en in de vrucht van uw land, ten goede. Want de HEERE zal Zich weer ten goede over u verblijden, zoals Hij Zich over uw vaderen verblijd heeft,; Jh 10:1010De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verderven; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben, en het overvloedig hebben.). Hij maakt het land “zeer rijk”. Alle gebrek is verleden tijd. Er is een grote rijkdom aan voedsel.

Dit is te danken aan “de beek van God” die “vol water” is. Met ‘de beek van God’ worden de grote waterreservoirs in de wolken bedoeld (vgl. Jb 26:88Hij bindt het water in Zijn wolken;
toch scheurt de wolk daaronder niet.
; 38:37-3837Wie kan de wolken met wijsheid tellen?
En wie kan de kruiken van de hemel neerleggen,
38zodat het stof vast wordt als iets dat gegoten is,
en de kluiten aan elkaar kleven?
)
. Op Gods bevel gieten ze hun water uit op het land, waardoor het koren in rijke mate kan groeien. Gód “geeft hun koren”. Dat zal het herstelde Israël volmondig en met grote dankbaarheid erkennen: “Ja, zó geeft U het.”

God kán wel op wonderlijke wijze iets laten groeien (Jn 4:66En de HEERE God beschikte een wonderboom en liet hem boven Jona opschieten, zodat er schaduw zou zijn boven zijn hoofd, om hem te bevrijden van zijn kwelling. Jona was erg blij met de wonderboom.), maar Zijn gebruikelijke weg is dat hij groei geeft volgens de wetmatigheden die Hij in de schepping heeft gelegd. De boer moet het land wel bewerken. Hij ploegt de aarde om. Maar God doordrenkt die omgeploegde aarde (vers 1111U doordrenkt zijn omgeploegde aarde,
U doet [water in] zijn voren dalen,
U doorweekt het met regendruppels,
U zegent zijn gewas.
)
. Hij laat water in zijn voren dalen en doorweekt het met regendruppels. Het gewas dat tevoorschijn komt, wordt door God gezegend, het groeit onder Zijn zegen. Het is duidelijk dat God en niemand anders deze groei, deze overvloed, deze rijke opbrengst van het land geeft.

Dit is ook een beschrijving van de manier waarop God een zondaar tot bekering brengt en geestelijk doet groeien (1Ko 3:66Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God heeft de groei gegeven.). De Geest overtuigt door het Woord van God het hart van de zondaar van zijn zonden. Hij ploegt als het ware de grond om, waardoor de ongerechtigheid wordt gezien en beleden. Dan doordrenken Woord en Geest het hart en werken het nieuwe leven in hem (Jh 3:55Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan.). De leer van Gods Woord doorweekt vervolgens als een zachte regen en als regendruppels dat nieuwe leven waardoor het groeit en vrucht gaat dragen (Dt 32:22Laat mijn leer neerdruppelen als de regen,
laten mijn woorden stromen als de dauw,
als een zachte regen op het groen,
en als regendruppels op het gewas.
)
.

Het hele jaar heeft God Zijn zorg aan het land besteed en zo Zijn goedheid bewezen (vers 1212U kroont het jaar van Uw goedheid,
Uw voetstappen druipen van overvloed,
)
. De bekroning ervan is die rijke oogst. In wat uit de aardbodem voortkomt, zien we als het ware Zijn “voetstappen” die “druipen van overvloed”. Het geeft het beeld dat Godin de opeenvolgende seizoenen door het land wandelt. En overal waar Hij loopt, verschijnen vruchtbaarheid, schoonheid en overvloed. De schitterende wijngaarden, korenvelden en olijfbomen sieren het land zoals een kroon het hoofd siert. Het is de kroon die God op het land zet.

De droge woestijn wordt gekroond met weiden (vers 1313zij bedruipen de weiden van de woestijn.
De heuvels omgorden zich met vreugde.
; Js 35:1-21De woestijn en de dorre plaatsen zullen vrolijk zijn,
de wildernis zal zich verheugen en in bloei staan
als een roos.
2Zij zal welig in bloei staan en zich verheugen,
ja, zij zal zich verheugen en juichen.
De luister van de Libanon is haar gegeven,
de glorie van de Karmel en de Saron.
Ze zullen zien de heerlijkheid van de HEERE,
de glorie van onze God.
)
. Zijn voetstappen bedruipen de weiden, zodat ze overvloedig vruchtbaar gras blijven voortbrengen. De vruchtbaarheid en overvloed veroorzaken vreugde. “De heuvels”, die als personen voorgesteld, “omgorden zich met vreugde”. De groene pracht om de heuvels heen lijken een gordel die vreugde uitstraalt.

De kudden op de velden zijn zo groot, dat ze lijken op een bekleding voor die velden (vers 1414De velden zijn bekleed met kudden,
de dalen zijn bedekt met koren;
zij juichen, ook zingen zij.
)
. Ook de dalen hebben een bekleding: ze zijn bedekt met koren. De velden en de dalen zijn daardoor vol uitingen van blijdschap: ze juichen en zingen. De hele natuur is vol van de goedheid van God en is een getuigenis van Zijn geluk en Zijn schoonheid (Zc 9:16-1716Op die dag zal de HEERE, hun God, hen verlossen,
als de kudde van Zijn volk,
want [als edel]stenen in een diadeem
zullen zij schitteren in Zijn land,
17want hoe [groot] is Zijn geluk,
en hoe [groot] Zijn schoonheid!
Het koren zal [de mond van] de jongemannen,
en de nieuwe wijn [die van] de meisjes doen overlopen.
)
.

Deze beschrijving is een aansporing voor de gelovige om vol blijdschap te getuigen van de geestelijke zegeningen die hij in Christus heeft ontvangen.


Lees verder