Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-6 Verlangen naar God 7-9 De ondersteuning door God 10-12 Verblijden in God
Inleiding

In deze psalm horen we het verlangen van de Godvrezende naar het heiligdom omdat het Gods woonplaats op aarde is, terwijl hij er ver vandaan is. In de vorige psalm is God zijn vertrouwen, terwijl God hier de grote verkwikking voor zijn dorstige ziel is. Evenals in Psalmen 61-62 zien we in deze psalm het verlangen naar een nauwe gemeenschap met God.


Opschrift

1Een psalm van David, toen hij in de woestijn van Juda was.

Dit is “een psalm van David”. De psalm informeert ons over de omstandigheden waaronder David is als hij de psalm dicht. Dat is “toen hij in de woestijn van Juda was”. Omdat David spreekt over zijn koningschap (vers 1212Maar de koning zal zich in God verblijden;
al wie bij Hem zweert, zal zich beroemen,
want de mond van de leugenaars zal gestopt worden.
)
, is het aannemelijk dat het de tijd is, waarin hij op de vlucht is voor Absalom. Hij is dan in de woestijn (2Sm 15:2323Het hele land huilde met luide stem, toen heel het volk overstak. Ook de koning stak de beek Kidron over en al het volk stak over, rechtstreeks de weg op naar de woestijn.), waar hij gescheiden is van de ark en de woning van God (2Sm 15:2525Toen zei de koning tegen Zadok: Breng de ark van God terug in de stad. Als ik genade vind in de ogen van de HEERE, zal Hij mij terughalen en hem mij [weer] laten zien, evenals Zijn woning.).


Verlangen naar God

2O God, U bent mijn God!
U zoek ik vroeg [in de morgen];
mijn ziel dorst naar U,
mijn lichaam verlangt naar U
in een land, dor en dorstig, zonder water.
3Zo heb ik U in het heiligdom aanschouwd,
Uw macht en Uw heerlijkheid gezien.
4Uw goedertierenheid is immers beter dan het leven;
[daarom] zullen mijn lippen U prijzen.
5Zo zal ik U loven in mijn leven,
in Uw Naam zal ik mijn handen opheffen.
6Mijn ziel zal als met vet en overvloed verzadigd worden;
mijn mond zal roemen met vrolijk zingende lippen.

David begint de psalm met tegen God te zeggen Wie Hij voor hem is (vers 22O God, U bent mijn God!
U zoek ik vroeg [in de morgen];
mijn ziel dorst naar U,
mijn lichaam verlangt naar U
in een land, dor en dorstig, zonder water.
)
. God is zijn God. Daaruit spreekt een intense liefde voor God. Zijn diepe liefde voor God horen we ook als hij vervolgens zegt dat hij God “vroeg [in de morgen]” zoekt. Hij doet dit omdat zijn ziel naar Hem dorst en zijn lichaam naar Hem verlangt (vgl. Ps 42:2-32Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
3Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?
)
. Zijn ziel en zijn lichaam is zijn hele persoon. Zijn hevige dorst en intense verlangen zijn een geestelijke weerspiegeling van de woestijn waarin hij is. Hij voelt zich als een woestijn, als “een land, dor en dorstig, zonder water”.

Hij herinnert zich Gods “macht” en “heerlijkheid” die hij “in het heiligdom aanschouwd” heeft (vers 33Zo heb ik U in het heiligdom aanschouwd,
Uw macht en Uw heerlijkheid gezien.
)
. Het heiligdom is de tabernakel. Hij is daar steeds naar binnen gegaan om God te aanbidden. Als gevolg daarvan heeft God Zich aan hem geopenbaard in Zijn macht en heerlijkheid.

Wie in Gods tegenwoordigheid is, komt onder de indruk van de macht van Zijn liefde en de heerlijkheid van Zijn Persoon. David heeft die “aanschouwd”, dat wil zeggen dat hij er intens naar heeft gekeken. De indrukken die hij met zijn hart heeft opgedaan, is hij niet vergeten. Hij wil die, nu hij in de woestijn is, opnieuw en nog intenser opdoen.

Wie met de ogen van zijn hart ooggetuige is geweest van Gods macht en goedertierenheid, heeft als het ware “geproefd … dat de Heer goedertieren is” (1Pt 2:44tot Wie u komt, tot een levende steen, door mensen wel verworpen maar bij God uitverkoren en kostbaar,). Daardoor weet hij ook dat Gods goedertierenheid beter is dan het leven (vers 44Uw goedertierenheid is immers beter dan het leven;
[daarom] zullen mijn lippen U prijzen.
)
. Het leven is het kostbaarste bezit dat iemand heeft. Maar de goedertierenheid van God gaat het leven te boven. Het leven kunnen we verliezen, maar de goedertierenheid van God blijft. Tevens neemt het besef ervan toe, zelfs naarmate het leven schijnt weg te vloeien. Als dat groot voor het hart wordt, gaan de lippen open om God te prijzen.

God prijzen en loven voor Zijn goedertierenheid is niet beperkt tot een enkel ogenblik. Het kan voortdurend in ons leven worden gedaan, zolang we leven (vers 55Zo zal ik U loven in mijn leven,
in Uw Naam zal ik mijn handen opheffen.
)
. Daarmee wachten we niet tot we bij Hem zijn. Wie God liefheeft en Zijn goedertierenheid ervaart, zal nooit ophouden met Hem te loven en te prijzen. In Gods Naam zal hij zijn handen opheffen als het uiterlijke gebaar van het opheffen van zijn hart om God te prijzen.

Zo bezig zijn met Gods goedertierenheid verzadigt de ziel “als met vet en overvloed” (vers 66Mijn ziel zal als met vet en overvloed verzadigd worden;
mijn mond zal roemen met vrolijk zingende lippen.
)
. Hier ontstijgt de Godvrezende om zo te zeggen de woestijnomstandigheden en roemt zijn mond “met vrolijk zingende lippen” in God. Hij zingt over Wie God voor hem is. Zijn lichaam lijdt wel door zijn verblijf in de woestijn, maar zijn ziel wordt op overvloedige wijze met het beste van de gemeenschap met God verzadigd. God is het beste deel voor de ziel (Ps 16:55De HEERE is mijn enig deel en mijn beker.
U onderhoudt [wat] het lot mij toewees.
)
. Dit wordt het meest ervaren als de omstandigheden zwaar zijn.


De ondersteuning door God

7Wanneer ik aan U denk op mijn bed,
over U peins in [nacht]waken –
8voorzeker, U bent een Helper voor mij geweest;
onder de schaduw van Uw vleugels zal ik vrolijk zingen.
9Mijn ziel klampt zich [aan U] vast, [komt] achter U aan,
Uw rechterhand ondersteunt mij.

Ook in de nacht is David met God bezig (vers 77Wanneer ik aan U denk op mijn bed,
over U peins in [nacht]waken –
)
. Als hij niet kan slapen, peinst hij over God. Dan gaat hij niet ‘schaapjes tellen’ om in slaap te vallen, maar hij spreekt met de Herder. Er is zoveel om aan Hem te vertellen. We kunnen ook tegen Hem zeggen Wie Hij voor ons is en heeft gedaan en Hem daarvoor loven en prijzen.

David zegt tegen God dat Hij “voorzeker … een Helper” voor hem is geweest (vers 88voorzeker, U bent een Helper voor mij geweest;
onder de schaduw van Uw vleugels zal ik vrolijk zingen.
)
. Hij voelt zich veilig en geborgen onder de schaduw van Gods vleugels. Daar vindt hij bescherming tegen de hitte van de zon overdag. Hij vindt er ook warmte tijdens de koude van de nacht. Daar is hij dicht bij God, ondanks het feit dat hij niet in het heiligdom kan zijn. God Zelf is hier zijn heiligdom (vgl. Js 8:13-14a13De HEERE van de legermachten, Hem moet u heilig achten;
Hij is uw vrees en Hij is uw verschrikking.
14Hij zal tot een heiligdom [voor u] zijn,
tot een steen des aanstoots,
en tot een rots waarover men struikelt
voor de beide huizen van Israël,
tot een strik en een val voor de inwoners van Jeruzalem.
)
. Dat brengt een lofzang in hem omhoog, daar, op die plaats zo dicht bij God, kan hij vrolijk zingen.

Het vervult hem met diep verlangen God nooit meer los te laten (vers 99Mijn ziel klampt zich [aan U] vast, [komt] achter U aan,
Uw rechterhand ondersteunt mij.
)
. Zijn ziel klampt zich aan God vast en gaat achter Hem aan. Vastklampen aan iemand is zich hechten aan iemand op een manier dat twee één worden en niet meer van elkaar te scheiden zijn. Het is als het aanhangen of hechten van de man aan zijn vrouw (Gn 2:2424Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten; en zij zullen tot één vlees zijn.). Daarbij wordt hij door Gods rechterhand, die Gods kracht symboliseert, ondersteund. Hij hoeft zich niet in eigen kracht aan God vast te klampen en Hem te volgen.


Verblijden in God

10Maar dezen, [die] mij naar het leven staan om [dat] te verwoesten,
komen in de laagste plaatsen van de aarde.
11Men zal hen neer doen storten door het geweld van het zwaard,
zij zullen de vossen ten deel zijn.
12Maar de koning zal zich in God verblijden;
al wie bij Hem zweert, zal zich beroemen,
want de mond van de leugenaars zal gestopt worden.

David weet dat hij vijanden heeft (vers 1010Maar dezen, [die] mij naar het leven staan om [dat] te verwoesten,
komen in de laagste plaatsen van de aarde.
)
. De tegenstelling die het woord “maar” aangeeft, laat zien dat zijn vijanden geen enkel deel hebben aan Wie God voor hem is en wat hij in God heeft. Zij staan hem naar het leen om dat te verwoesten. Zij willen hem zijn gemeenschap met God afnemen. Maar daarin zullen ze niet slagen. Integendeel, zij “komen in de laagste plaatsen van de aarde”. Hij is dicht bij God, zij zullen ver van God verstoten worden.

Hun lot is dat men hen neer zal “doen storten door het geweld van het zwaard” (vers 1111Men zal hen neer doen storten door het geweld van het zwaard,
zij zullen de vossen ten deel zijn.
)
. Zij hebben het zwaard gebruikt om anderen neer te doen storten en zullen daarom zelf door het zwaard neergestort worden (Op 13:1010Als iemand in gevangenschap [leidt], dan gaat hij in gevangenschap; als iemand met [het] zwaard zal doden, dan moet hij met [het] zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.). Daarna zullen zij “de vossen ten deel zijn”. Dit betekent dat zij niet begraven worden, wat een grote schande betekent. De schande wordt nog groter wanneer de onreine vossen zich te goed zullen doen aan hun dode lichamen (vgl. Op 19:17-18,2117En ik zag één engel staan in de zon, en hij riep met luider stem en zei tegen alle vogels die in [het] midden van de hemel vlogen: Komt, verzamelt u tot de grote maaltijd van God;18opdat u vlees eet van koningen, vlees van oversten over duizend, vlees van sterken, vlees van paarden, en van hen die daarop zitten en vlees van allen, zowel van vrijen als van slaven, van kleinen als van groten.21En de overigen werden gedood met het zwaard dat kwam uit de mond van Hem Die op het paard zat, en alle vogels werden verzadigd van hun vlees.).

Daartegenover staat dat de koning “zich in God verblijden” zal (vers 1212Maar de koning zal zich in God verblijden;
al wie bij Hem zweert, zal zich beroemen,
want de mond van de leugenaars zal gestopt worden.
)
. David weet dat hij zich uiteindelijk in God zal verblijden omdat God hem de troon zal teruggeven waarvan hij verdreven is. God is zijn bron van blijdschap. Wie zich in God verblijdt, zal Zijn gezag en verhevenheid boven alles erkenning. Hij zal zich toewijden aan Hem en Hem alleen dienen.

David brengt dat tot uitdrukking door bij Hem te zweren. Wie bij God zweert, betrekt Hem bij al zijn voornemens in de erkenning van Zijn autoriteit (Dt 6:1313U moet de HEERE, uw God, vrezen, Hem dienen en bij Zijn Naam zweren.; vgl. Gn 42:15-1615Hiermee zult u beproefd worden: [Zo waar] de farao leeft, u zult niet vanhier vertrekken, tenzij dat uw jongste broer hier komt!16Stuur er een van u [terug] om uw broer te halen, terwijl u gevangen blijft. Zo zullen uw woorden beproefd worden, [om te zien] of u de waarheid [spreekt]. Zo niet, [zo waar] de farao leeft, dan bent u spionnen!) en “zal zich beroemen”. Beroemen wil zeggen roemen in God, Hem eren en groot maken voor de hulp die Hij heeft gegeven bij het uitvoeren van de voornemens.

Leugenaars beroemen zich ook, maar zij spreken leugens. Het betreft de mensen die leugens over Gods koning hebben verspreid. Hun mond zal voor altijd worden gestopt. Dit zal het lot zijn van de antichrist en al zijn volgelingen die leugens over de Christus van God hebben verspreid. “Hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt” (Op 21:88Maar voor de bangen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, hoereerders, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt; dit is de tweede dood.).


Lees verder