Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-4 Gebed om genade en genezing 5-8 De roep om terugkeer van de HEERE 9-11 David heeft zijn vertrouwen hervonden
Inleiding

Psalm 6 is een boetpsalm, de eerste van de zeven boetpsalmen die in Psalmen staan (Psalmen 6; 32; 38; 51; 102; 130; 143). Hij beschrijft de zielenoefeningen die tot stand zijn gekomen door de verdrukkingen in Psalmen 3-5. Daarbij komt nu het besef dat de nood niet alleen komt van de vijand, maar van de HEERE Zelf. En dat brengt hem tot boetvaardigheid. Daarom wordt deze boetpsalm met een lage, sombere stem gezongen. Het is te vergelijken met wat Jozef door zijn handelwijze met zijn broers bij hen bewerkt (Genesis 42-44).

Evenals Psalmen 3-5 geeft deze psalm de diepe zielenroerselen en worstelingen van David weer van een nood die hij voelt. Dit keer is het echter niet een nood die wordt veroorzaakt door zondaars om hem heen die hem naar het leven staan, maar een nood die voortkomt uit het besef dat hij, gezien in Gods licht, zelf een zondaar is. Deze nood drukt zo zwaar op hem, dat hij het gevoel heeft eronder te bezwijken. Zijn nood ervaart hij lichamelijk, in zijn beenderen, en in zijn ziel, door het bewustzijn van wie hij is tegenover de HEERE. Daar komt nog de hoon van de tegenstanders bij.

Het zijn twee kanten van eenzelfde zaak. De ene kant is dat de trouwe gelovigen leven te midden van de afvalligen. Ze leven in die omstandigheden tot eer van God en weten dat Hij aan hun kant staat. Dat roept vijandschap en vervolging op bij de haters van God. In dat besef brengen ze hun vijanden, die hen zo benauwen, voor God. God haat die werkers van ongerechtigheid en daarom vragen zij of Hij hen ten val wil brengen. Ze wijzen God op het geweld en de leugenachtigheid van hun vervolgers en wensen dat Hij hen oordeelt. Daarover spreekt David, en in de eindtijd het gelovig overblijfsel van Israël, in Psalm 5 met God (Ps 5:6-7,116De dwazen blijven niet staande
voor Uw ogen.
U haat allen die onrecht bedrijven,
7U brengt de leugenaars om.
Van de man van bloed en bedrog
heeft de HEERE een afschuw.11Verklaar hen schuldig, o God,
laat hen ten val komen met hun opvattingen;
verdrijf hen om hun vele overtredingen,
want zij zijn U ongehoorzaam.
)
.

De andere kant is de innerlijke nood die de trouwe gelovige heeft en die het gevolg is van het besef zijn eigen zondige natuur. Dat zien we hier in Psalm 6. David spreekt hier over zichzelf. Tegelijk horen we ook hier profetisch het gelovig overblijfsel van Israël in de toekomst. Een trouwe gelovige weet dat hij in zichzelf niets beter is dan de haters van God. Hij is vroeger zelf een van hen geweest. En ook als gelovige weet hij dat hij tot zonde komt als hij zich niet voor de zonde dood houdt en vergeet dat hij van genade afhankelijk is.

Beide kanten zien we bijvoorbeeld ook bij Jesaja. In Jesaja 5 heeft Jesaja zes keer het ‘wee’ over diverse zonden van Gods volk laten horen (Js 5:8,11,18,20,21,228Wee hun die huis aan huis trekken,
veld aan veld voegen,
tot er geen plaats [meer] over is,
en alleen u in het midden van het land gevestigd bent.
11Wee hun die 's morgens vroeg opstaan
[en] op sterkedrank uit zijn,
daarmee doorgaan tot de schemering,
[totdat] de wijn hen heeft verhit.
18Wee hun die de ongerechtigheid [naar zich toe] trekken met koorden van valsheid,
en de zonde als [met] dikke wagentouwen,
20Wee hun die het kwade goed noemen
en het goede kwaad;
die duisternis voorstellen als licht,
en licht als duisternis;
die bitter voorstellen als zoet
en zoet als bitter.21Wee hun die in hun [eigen] oog wijs zijn
en naar hun eigen mening verstandig.22Wee hun die een held zijn in wijn drinken
en dappere mannen in het mengen van sterkedrank,
)
. In Jesaja 6 spreekt Jesaja voor de zevende keer het ‘wee’ uit, maar dit keer over zichzelf. Dat gebeurt als hij oog in oog komt te staan met de heerlijkheid van de HEERE (Js 6:1-51In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn [gewaad] vulden de tempel.2Serafs stonden boven Hem. Ieder had zes vleugels: met twee bedekte [ieder] zijn gezicht, met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.
3De een riep tot de ander:
Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten;
heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid!
4De deurpinnen in de drempels schudden door de stem van hem die riep, en het huis vulde zich met rook.5Toen zei ik:
Wee mij, want ik verga!
Ik ben immers een man met onreine lippen
en woon te midden van een volk met onreine lippen.
Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de HEERE van de legermachten, gezien.
)
.

De twee soorten nood hebben een verschillende beleving van de verhouding tot God tot gevolg. Voor de nood die wordt veroorzaakt door de omringende vijanden, zoekt en ervaart David steun bij God. Voor de innerlijke nood, de nood van zijn geweten, die wordt veroorzaakt door het besef van zonden, ervaart hij Gods toorn. Hij gaat met de nood vanwege zijn zonden ook naar God, echter niet om steun en bescherming te zoeken, maar om zijn schuld te erkennen en om genade te smeken. Zonde die wordt erkend, drijft niet van God weg, maar drijft naar Hem uit, want alleen bij Hem is vergeving.

Psalm 6 geeft de diepe doorleving van een gelovige die zich ervan bewust is wie hij in zichzelf is. God wil de Zijnen – en dat geldt evenzeer voor de nieuwtestamentische als voor de oudtestamentische gelovige! – daar diep van doordringen. Hoe dieper iemand daarvan doordrongen wordt, des te groter zal de dankbaarheid voor de vergeving worden. Daardoor zullen de liefde voor en de toewijding aan God en de Heer Jezus toenemen. Tevens zal het getuigenis van de vergeving enorm aan kracht winnen, los van de reactie van de omgeving daarop. Het gaat hier niet om Gods werk voor ons, maar in ons.


Opschrift

1Een psalm van David, voor de koorleider, bij snarenspel, op ‘De achtste’.

De psalm is “van David”. Evenals Psalmen 4-5 heeft hij deze psalm “voor de koorleider” gedicht. Zie voor een verklaring van “voor de koorleider” bij Psalm 4:1.

Het is, evenals bij Psalm 4 het geval is, een psalm die “bij snarenspel” wordt gezongen (Ps 4:11Een psalm van David, voor de koorleider, bij snarenspel.). Hier wordt eraan toegevoegd dat hij “op ‘De achtste’” gezongen wordt. Deze toevoeging komt in Psalmen alleen hier en in het opschrift van Psalm 12 voor (Ps 12:11Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De achtste’.).

‘De achtste’ is de vertaling van een woord dat afstamt van het woord voor ‘acht’. Het woord wordt gebruikt om in de muziek aan te geven dat er een octaaf lager moet worden gespeeld en is ook wel vertaald met ‘laaggestemd’ (1Kr 15:2121en Mattithja, Elifele, Mikneja, Obed-Edom, Jeïel en Azazja met laaggestemde harpen, om te begeleiden.). We kunnen dit vergelijken met de lage basstem in een meerstemmig gezongen lied. De basstem past goed bij dit weemoedige lied. In deze psalm horen we de diepe, zware stem van iemand die het innerlijk heel zwaar heeft vanwege zijn eigen zondigheid. Hij voelt de krachtige hand van God op zich (1Pt 5:66Vernedert u dus onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoogt op Zijn tijd,).


Gebed om genade en genezing

2HEERE, straf mij niet in Uw toorn,
bestraf mij niet in Uw grimmigheid!
3Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt,
genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.
4Ja, mijn ziel is zeer door schrik overmand.
En U, HEERE, hoelang [nog]?

De nood die in deze psalm tot uitdrukking wordt gebracht, geldt behalve voor de ervaring van David ook voor die van het overblijfsel in de eindtijd. De verdrukking van het overblijfsel zal zwaar zijn. Zoals gezegd, is dat niet alleen vanwege de vijanden om hen heen, maar ook omdat hun geweten hun zegt dat ze door God verdrukt worden vanwege hun zonden. Daarom spreekt David erover – en zo zal ook het gelovig overblijfsel van Israël in de eindtijd erover spreken – dat de HEERE, de God van het verbond, hem straft (vers 22HEERE, straf mij niet in Uw toorn,
bestraf mij niet in Uw grimmigheid!
)
. Dat vervreemdt en verwijdert hem echter niet van God, maar hij klampt zich daardoor juist aan Hem vast.

David ontkent niet dat hij straf en bestraffing verdient. Hij vraagt niet of God hem niet zal straffen en bestraffen, maar of God het niet zal doen in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid. Als God Zijn volle toorn en grimmigheid over hem zou uitstorten, zou er niets van hem overblijven (vgl. Jr 10:2424Bestraf mij, HEERE, maar met mate,
niet in Uw toorn, anders zou U weinig van mij overlaten.
)
. Hij is diep onder de indruk van de heiligheid en gerechtigheid van God en erkent dat hij voor Hem geen stand kan houden als Hij “op de ongerechtigheden let” (Ps 130:33Als U, HEERE, op de ongerechtigheden let,
Heere, wie zal staande blijven?
)
.

Het enige wat David kan doen, is God smeken om hem genadig te zijn (vers 33Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt,
genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.
)
. Er is geen enkel recht waarop hij een beroep zou kunnen doen. Op grond van het verbond zou God hem moeten straffen, maar toch vraagt hij om genade. Hij is totaal verzwakt en staat op het punt om te komen. Hij is ziek en er is in zijn beenderen geen kracht om te bewegen, laat staan dat hij zou kunnen lopen. Zijn lichaam is vervallen en krachteloos. Hij smeekt God om genade en genezing. Alles moet van Hem komen. Van Hem is de tucht gekomen. Alleen Hij kan die ook wegnemen (Ps 39:1111Neem Uw plaag van mij weg;
ik ben bezweken door de bestrijding van Uw hand.
)
. Daarom heeft hij in zijn uitzichtloze situatie op Hem zijn hoop gevestigd.

Niet alleen zijn lichaam is door de tucht aangetast, ook zijn ziel lijdt er zwaar onder (vers 44Ja, mijn ziel is zeer door schrik overmand.
En U, HEERE, hoelang [nog]?
)
. Iemand kan soms veel lichamelijk lijden verdragen, maar als de ziel bezwijkt, is de kracht verdwenen om het lijden te verdragen. David beseft dat hij geen kracht heeft om zichzelf uit de ellende te redden en dat hij er geen recht op heeft dat God het doet. Hij is zonder kracht en zonder recht.

Het enige wat overblijft, is ondanks alles te blijven uitzien naar Gods uitredding. Dit beluisteren we in de tweede regel van vers 44Ja, mijn ziel is zeer door schrik overmand.
En U, HEERE, hoelang [nog]?
. Door de vertwijfeling heen horen we dat hij verwacht dat er een einde aan zijn gewetensnood komt. Alleen, hoelang moet het nog duren? Hij stelt die vraag aan Hem Die alleen het antwoord kan geven.


De roep om terugkeer van de HEERE

5Keer terug, HEERE, red mijn ziel,
verlos mij, omwille van Uw goedertierenheid.
6Want in de dood is er geen gedachtenis aan U,
wie zal U loven in het graf?
7Ik ben moe van mijn zuchten,
heel de nacht maak ik mijn bed nat,
doorweek ik mijn rustbank met mijn tranen.
8Mijn ogen zijn verzwakt van verdriet,
ze zijn oud geworden vanwege al mijn tegenstanders.

Hij roept de HEERE op om tot hem terug te keren, om Zich niet langer van hem af te wenden (vers 55Keer terug, HEERE, red mijn ziel,
verlos mij, omwille van Uw goedertierenheid.
)
. Hij verlangt naar de redding van zijn ziel, want die is door schrik overmand, zoals hij net in vers 44Ja, mijn ziel is zeer door schrik overmand.
En U, HEERE, hoelang [nog]?
heeft gezegd. Er is niets in hemzelf wat hij als grond voor zijn verlossing zou kunnen aanvoeren. Als de HEERE hem redt en verlost, is de enige grond daarvoor Zijn “goedertierenheid”. Het woord ‘goedertierenheid' is weer de vertaling van het Hebreeuwse woord chesed, wat betekent dat God rechtvaardig is en juist daarom trouw is aan Zijn verbond. Daarom doet David daar een beroep op. Zijn redding en verlossing zullen een getuigenis van Gods goedertierenheid zijn. Daarvoor zal Hij groot gemaakt worden.

Dat laatste zal niet gebeuren als Hij hem niet redt en verlost, maar hem laat omkomen (vers 66Want in de dood is er geen gedachtenis aan U,
wie zal U loven in het graf?
)
. Als David sterft, is er geen getuigenis van Gods goedertierenheid, geen gedachtenis aan Hem en geen lof voor Hem (Ps 30:1010Wat voor winst is er in mijn bloed,
in mijn neerdalen in het graf?
Zal het stof U loven?
Zal dat Uw trouw verkondigen?
; Js 38:1818Immers, het graf zal U niet loven,
de dood U niet prijzen;
wie in de kuil neerdalen,
zullen op Uw waarheid niet hopen.
)
. In de dood en in het graf heersen doodse stilte (Ps 115:1717De doden zullen de HEERE niet prijzen,
evenmin al wie in de stilte neergedaald zijn.
)
. Dat is toch niet Gods bedoeling met David? Hij wil toch dat er aan Hem gedacht wordt en dat Hij geprezen wordt (vgl. Js 38:19-2019De levende, de levende, die zal U loven,
zoals ik vandaag.
De vader zal zijn kinderen
met Uw waarheid bekendmaken.
20De HEERE was er om mij te verlossen.
Daarom zullen wij mijn snarenspel doen klinken,
al de dagen van ons leven,
in het huis van de HEERE.
)
?

We zien hier de beperkte kennis van de oudtestamentische gelovige van de toestand in het hiernamaals. Door de volle openbaring van Christus weten wij dat een gelovige die sterft, bij de Heer Jezus in het paradijs is (Lk 23:4343En Hij zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: vandaag zult u met Mij in het paradijs zijn.). Hij woont in bij de Heer (2Ko 5:88maar wij hebben goede moed en willen liever ons verblijf in het lichaam verlaten en bij de Heer inwonen.) en geniet van Zijn tegenwoordigheid (Fp 1:2323maar ik word van beide kanten gedrongen: ik verlang ernaar heen te gaan en met Christus te zijn, <want> dit is verreweg het beste;). De mens is zich na zijn dood volledig bewust van zijn situatie (Lk 16:2525Abraham echter zei: Kind, bedenk dat u het goede hebt ontvangen in uw leven, en Lazarus evenzo het kwade; en nu wordt hij hier vertroost, maar u lijdt smart.). Het is een bewuste toestand. De lering van de zogenaamde ‘zielenslaap’ is in strijd met wat de Schrift leert.

David is moe van zijn zuchten, van zijn innerlijke worsteling (vers 77Ik ben moe van mijn zuchten,
heel de nacht maak ik mijn bed nat,
doorweek ik mijn rustbank met mijn tranen.
)
. Hij kan niet slapen, want hij kan alleen maar huilen, de hele nacht door. Zijn verdriet is diep. Zijn bed en zijn rustbank, plaatsen waar hij tot rust zou moeten komen, zijn drijfnat van zijn tranen. In Psalm 3 kan hij rustig slapen, terwijl hij door talrijke vijanden omringd is (Ps 3:6-76Ik lag neer en sliep; ik ontwaakte,
want de HEERE ondersteunde mij.
7Ik vrees niet voor tienduizenden van het volk,
die zich aan alle kanten tegen mij opstellen.
)
. Maar nu zijn geweten hem kwelt vanwege zijn zonden, worstelt hij en komt niet tot rust.

Zijn “ogen zijn verzwakt van verdriet” (vgl. Jb 17:77Daarom is mijn oog verduisterd door verdriet,
en al mijn ledematen zijn als een schaduw.
)
en “oud geworden” vanwege zijn tegenstanders (vers 88Mijn ogen zijn verzwakt van verdriet,
ze zijn oud geworden vanwege al mijn tegenstanders.
)
. Zijn ogen hebben door zijn diepe verdriet niet meer de scherpe blik op God (vgl. Ps 38:1111Mijn hart gaat tekeer, mijn kracht laat mij in de steek;
ook het licht in mijn ogen, alsof ik geen ogen heb.
)
. Hij heeft verdriet over zijn zonden. Hij is in zijn blik verouderd vanwege de tegenstanders die hem pijnlijk aan zijn zonden herinneren. Zijn geweten is hierdoor overweldigd. Hij is aan het einde met zichzelf gekomen. Dit is tegelijk het keerpunt, zoals uit de laatste verzen van deze psalm blijkt.


David heeft zijn vertrouwen hervonden

9Ga weg van mij, u allen die onrecht bedrijft,
want de HEERE heeft mijn luide geween gehoord.
10De HEERE heeft mijn smeken gehoord,
de HEERE zal mijn gebed aannemen.
11Al mijn vijanden worden zeer beschaamd en door schrik overmand;
zij deinzen terug, zij worden in een ogenblik beschaamd.

David is ervan overtuigd dat de HEERE – drie keer noemt hij Zijn Naam in de verzen 9-109Ga weg van mij, u allen die onrecht bedrijft,
want de HEERE heeft mijn luide geween gehoord.
10De HEERE heeft mijn smeken gehoord,
de HEERE zal mijn gebed aannemen.
– zijn gebed van vers 55Keer terug, HEERE, red mijn ziel,
verlos mij, omwille van Uw goedertierenheid.
heeft verhoord. Vanuit dit geloof spreekt hij tot zijn tegenstanders. De HEERE heeft op grond van genade de toestand van David aangezien (vers 9b9Ga weg van mij, u allen die onrecht bedrijft,
want de HEERE heeft mijn luide geween gehoord.
)
en zijn gebed verhoord (vers 10b10De HEERE heeft mijn smeken gehoord,
de HEERE zal mijn gebed aannemen.
)
. Nu gaat Hij ingrijpen (vers 1111Al mijn vijanden worden zeer beschaamd en door schrik overmand;
zij deinzen terug, zij worden in een ogenblik beschaamd.
)
.

Na zijn diepgaande belijdenis in de vorige verzen spreekt David in vers 99Ga weg van mij, u allen die onrecht bedrijft,
want de HEERE heeft mijn luide geween gehoord.
tot “u allen die onrecht bedrijft”. Dit zijn de mensen die door God zijn gebruikt om hem te tuchtigen. Als God met Zijn tucht Zijn doel heeft bereikt, kan hij tegen hen zeggen dat ze hem met rust moeten laten. David zegt dat niet vanuit de hoogte, maar vanuit het bewustzijn dat de HEERE zijn “luide geween gehoord” heeft.

Het is te vergelijken met de vrijmoedigheid waarmee Petrus tegen de mannen van Israël zegt dat zij Christus verloochend hebben, terwijl hij dat eerder zelf heeft gedaan. Petrus heeft er echter bittere tranen van berouw over gehuild. Hij heeft op grond van zijn belijdenis vergeving ontvangen (1Jh 1:99Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.). Daardoor kan hij dit zonder schroom en zonder aanmatiging zeggen. Dit geldt ook voor het gelovig overblijfsel van Israël. Nadat zij zich hebben bekeerd en zich hebben losgemaakt van de zonden van het volk, hebben zij vrijmoedigheid om het volk op hun zonden te wijzen.

Wij kunnen en moeten mensen op hun zonden wijzen, ook als het zonden zijn die wij zelf hebben gedaan. Wij wijzen mensen niet op hun zonden omdat wij beter zijn, maar omdat ze beleden en vergeven kunnen worden, zoals wij ze ook hebben beleden en ze ons vergeven zijn (vgl. Tt 3:3-63Want ook wij waren vroeger onverstandig, ongehoorzaam, dwalend, aan allerlei begeerten en genietingen verslaafd, in boosheid en afgunst levend, verfoeilijk [en] elkaar hatend.4Maar toen de goedertierenheid en de mensenliefde van God, onze Heiland, verschenen is,5heeft Hij ons behouden, niet op grond van werken in gerechtigheid, die wij hadden gedaan, maar naar Zijn barmhartigheid, door [de] wassing van [de] wedergeboorte en [de] vernieuwing van [de] Heilige Geest,6Die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland,).

In vers 1010De HEERE heeft mijn smeken gehoord,
de HEERE zal mijn gebed aannemen.
keert David tot zichzelf in. Hij weet dat de HEERE zijn “smeken gehoord” heeft. Hij heeft om genade en genezing gesmeekt (vers 33Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt,
genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.
)
. Smeken is intens en oprecht bidden vanuit een smart die alleen door God weggenomen kan worden. Wie zo tot God gaat, kan vol vertrouwen zeggen: “De HEERE zal mijn gebed aannemen.”

De gevolgen van het geloofsvertrouwen dat David in de verhoring van zijn gebed en de vergeving door de HEERE heeft, zien we ook in de reactie van de vijanden (vers 1111Al mijn vijanden worden zeer beschaamd en door schrik overmand;
zij deinzen terug, zij worden in een ogenblik beschaamd.
)
. Zij worden beschaamd. Ze meenden dat God tegen David was, maar Hij blijkt voor hem te zijn. Daardoor worden ze door schrik overmand. In plaats van hem opnieuw aan te vallen deinzen ze terug. Ze hebben niet langer met David te doen, maar de grote en geduchte God Die niet tegen, maar voor David is. In een ogenblik verandert hun vijandschap in schaamte.

Dit zal gebeuren met alle vijanden die Gods volk in de toekomst zullen aanvallen. Zij worden gebruikt om het afvallige volk te oordelen en het gelovig overblijfsel te louteren. Als God door die tucht Zijn doel met Zijn volk heeft bereikt, zullen alle vijandige volken beschaamd staan, want ze zien dat God niet tegen, maar voor Zijn volk is.

Ook in het leven van gelovigen kan het lijken alsof God tegen hen is. Hun vijanden spotten met hen. Maar er komt een tijd dat de rollen omgekeerd worden. De vervolgers zullen beschaamd worden en de vervolgden zullen juichen. Dan zullen de verdrukkers verdrukt worden, terwijl de verdrukten rust zullen hebben (2Th 1:6-76daar het rechtvaardig is bij God, aan hen die u verdrukken, verdrukking te vergelden,7en aan u die verdrukt wordt, rust met ons bij de openbaring van de Heer Jezus van [de] hemel met [de] engelen van Zijn kracht, in vlammend vuur,).


Lees verder