Psalmen
1 Opschrift 2-6 Onrechtvaardige rechters 7-10 Straf voor de onrechtvaardige rechters 11-12 Er is een God Die recht doet
Opschrift

1Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Richt niet te gronde’.

Deze woorden van dit opschrift staan ook in het opschrift van Psalm 57. Zie bij Psalm 57:1.


Onrechtvaardige rechters

2Spreekt u werkelijk recht, raad van rechters?
Oordeelt u billijk, mensenkinderen?
3Veeleer bedrijft u onrecht in [uw] hart;
uw handen wegen geweld af op de aarde.
4De goddelozen zijn [van God] vervreemd vanaf de baarmoeder;
de leugenaars dwalen vanaf de [moeder]schoot.
5Zij hebben vurig vergif, het lijkt op vurig slangengif;
zij zijn als een dove adder, [die] zijn oren dichtstopt,
6die niet wil luisteren naar de stem van de bezweerder,
van hem die kundig bezweringen doet.

David roept de onrechtvaardige rechters ter verantwoording. Hij stelt aan de “raad van rechters”, om zo te zeggen het hoogste rechtscollege, de indringende vraag of ze werkelijk rechtspreken (vers 22Spreekt u werkelijk recht, raad van rechters?
Oordeelt u billijk, mensenkinderen?
)
. Hij stelt nog een tweede vraag: of ze wel billijk oordelen, of ze wel oordelen in overeenstemming met waarheid en recht.

Daarbij spreekt hij het college aan als “mensenkinderen”. Deze hoge heren zijn in zichzelf niets anders dan gewone ‘mensenkinderen’. Dat blijkt wel uit het feit dat zij oordelen naar de verdorven overleggingen en vooroordelen die de mensenkinderen kenmerken die zonder God leven.

David geeft zelf antwoord op zijn vragen en doet dat op niet mis te verstane wijze (vers 33Veeleer bedrijft u onrecht in [uw] hart;
uw handen wegen geweld af op de aarde.
)
. De rechters spreken geen recht en oordelen niet billijk. “Veeleer” misbruiken zij hun positie. Ze doen andere mensenkinderen in naam van het recht onrecht aan om er zelf beter van te worden. Dit onrecht zit in hun hart. Daar wordt het bedacht, wat God ziet als daar bedreven.

Hun handen, dat wil zeggen hun daden, volgen het onrecht dat in hun hart heerst. Ze wegen geweld af met hun handen. Het wordt zo voorgesteld, dat de zaak waarover zij moeten beslissen door hen op de ene kant van een weegschaal wordt gelegd met aan de andere kant van de weegschaal het recht. Zo moet het in elk geval in een eerlijke rechtspraak gaan: er moet evenwicht zijn tussen de misdaad en het vonnis (vgl. Jb 31:66laat Hij mij dan wegen in een zuivere weegschaal,
en God zal mijn oprechtheid weten.
; Dn 5:2727TEKEL: u bent gewogen in de weegschaal en u bent te licht bevonden.)
.

In Nederland is ‘Vrouwe Justitia’ het logo van de rechtspraak. Vrouwe Justitia wordt beschouwd als hét symbool voor rechtvaardigheid. In het logo heeft zij voor haar ogen een blinddoek, in haar linkerhand een weegschaal en in haar rechterhand een zwaard. Haar blinddoek staat voor rechtspraak zonder aanzien des persoons, haar weegschaal voor het afwegen van feiten en omstandigheden, haar zwaard voor het vonnis.

Maar deze rechters – en talloze rechters vandaag de dag – passen niet het recht, maar geweld toe. In plaats van een rechtvaardige strafmaat af te wegen, wegen ze geweld af. Ze passen het in hun ogen nodige geweld toe om aan een rechtszaak zoveel mogelijk te verdienen. Dit gebeurt door hen “op de aarde”. Dat is hun werkterrein, net zoals dat van alle mensenkinderen. Als rechters voelen ze zich boven de aarde verheven en kijken ze met minachting op de mensenneer.

De rechters zijn onderdeel van een samenleving waar de goddelozen de dienst uitmaken (vers 44De goddelozen zijn [van God] vervreemd vanaf de baarmoeder;
de leugenaars dwalen vanaf de [moeder]schoot.
)
. De rechters doen daar hard aan mee en gaan daarin door hun onrechtvaardige rechtspraak zelfs voorop. Ze “zijn [van God] vervreemd” (vgl. Ef 4:17-1917Dit nu zeg en betuig ik in [de] Heer, dat u niet meer moet wandelen evenals de volken wandelen in [de] vruchteloosheid van hun denken,18verduisterd in hun verstand, vreemd aan het leven van God, wegens de onwetendheid die in hen is, wegens de verharding van hun hart.19Afgestompt in hun gevoelens hebben zij zich overgegeven aan de losbandigheid om alle onreinheid gretig te bedrijven.). Ze zijn losgeslagen van God, de opperste Rechter, en handelen naar eigen goeddunken. Dit gedrag is niet plotseling ontstaan, maar het kenmerkt hen “vanaf de baarmoeder”, dat wil zeggen vanaf hun geboorte.

Ze zijn “leugenaars”, ze kunnen niet anders dan leugens vertellen. Ze hebben geen enkele verbinding met de waarheid en daarom dwalen ze rond. Dit is zo “vanaf de [moeder]schoot”. Ze zijn nergens in te vertrouwen. Wat ze ook zeggen of beweren of beloven, het is allemaal vals. Dit is niet het gevolg van misleiding of een verkeerde opvoeding, maar van het bewust en schuldig handelen naar wat ze in hun verdorven hart bedenken vanaf het moment dat ze bewust kunnen denken.

Hun spraak is “vurig vergif” dat “lijkt op slangengif” (vers 55Zij hebben vurig vergif, het lijkt op vurig slangengif;
zij zijn als een dove adder, [die] zijn oren dichtstopt,
)
. Net als van de slangen de bek het gevaarlijkste wapen is – een slangenbeet van een giftige slang is door het vergif dodelijk (vgl. Nm 21:66Toen zond de HEERE gifslangen onder het volk; die beten het volk, en er stierf veel volk uit Israël.) –, is ook van de rechters hun mond het gevaarlijkst. Ze praten als de slang, dat is de duivel, die de vader van de leugen is (Jh 8:44b44U bent uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van [het] begin af en staat niet in de waarheid, omdat geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan.). Zo verrichten ze hun verderfelijke en dodelijke werk.

Zelf zijn ze “als een dove adder, [die] zijn oren dichtstopt”. Ze sluiten zich af voor alles wat hen op hun verkeerde handelwijze en leugenachtige woorden wijst. De waarheid willen ze onder geen beding horen. Dat ze echte kinderen van hun vader, de duivel, zijn, blijkt wel uit wat er uit hun mond komt en waar ze hun oren voor dichtstoppen.

Ze willen “niet luisteren naar de stem van de bezweerder” (vers 66die niet wil luisteren naar de stem van de bezweerder,
van hem die kundig bezweringen doet.
)
. Ze sluiten zich voor elk geluid van waarschuwing af. De bezweerder kan nog zo kundig zijn, maar als er pertinente onwil is, kan hij niets met zijn bezweringen beginnen. We kunnen dit toepassen op het geweten dat ieder mens heeft. Als een mens iets wil doen wat niet goed is, spreekt zijn geweten als een ‘bezweerder’. De goddeloze rechter legt zijn geweten het zwijgen op en schroeit het dicht (1Tm 1:1919terwijl je [het] geloof behoudt en een goed geweten, dat sommigen van zich hebben gestoten, waardoor zij aangaande het geloof schipbreuk hebben geleden.; 4:22die in huichelarij leugen spreken en hun eigen geweten hebben dichtgeschroeid.).


Straf voor de onrechtvaardige rechters

7O God, breek hun tanden in hun mond;
breek de hoektanden van de jonge leeuwen stuk, HEERE.
8Laat hen smelten als water, laat hen wegdrijven;
legt hij zijn pijlen aan, laat ze zijn alsof ze afgebroken zijn.
9Laten zij vergaan als een smeltende slak;
laat hen, [als] de misgeboorte van een vrouw, de zon niet zien.
10Voordat uw [kook]potten de doornstruik voelen,
zal Hij hen als [in] brandende [toorn] levend wegvagen.

Op krachtige wijze, ingeleid met het aanroepen van God, “o God”, maakt David zijn verlangen bij God bekend dat Hij toch aan deze vreselijke praktijken een einde maakt. Alleen God kan dat doen. Hij stelt God enkele gepaste straffen voor, waardoor ze onschadelijk worden gemaakt. Wie deze voorstellen ongepast en hardvochtig vindt, geeft blijk van een ongezond medelijden met verdorven, onverbeterlijke opstandelingen tegen God. Hij bewijst grove onverschilligheid voor het grote onrecht dat deze goddeloze rechters God en mensen aandoen.

Omdat de mond hun gevaarlijkste wapen is, vraagt David als eerste dat God toch hun tanden in hun mond breekt (vers 77O God, breek hun tanden in hun mond;
breek de hoektanden van de jonge leeuwen stuk, HEERE.
)
. Met gebroken tanden is het niet mogelijk om te eten. Laat Hij de hoektanden van deze roof- en vraatzuchtige jonge leeuwen toch stukbreken. Dan kunnen ze geen prooi meer verslinden, dat wil zeggen dat ze hun boosaardige rechtspraak niet meer kunnen uitoefenen en nog meer slachtoffers maken (vgl. Jb 29:1717Ik brak de hoektanden van wie onrecht deed,
en rukte de prooi uit zijn tanden.
)
. Omdat ze niet meer kunnen eten, zullen ze uiteindelijk ook sterven.

David vraagt verder of God de goddeloze rechters wil laten smelten als water, zodat er alleen damp overblijft die wegdrijft (vers 88Laat hen smelten als water, laat hen wegdrijven;
legt hij zijn pijlen aan, laat ze zijn alsof ze afgebroken zijn.
)
. Dan zijn ze voorgoed verdwenen. God moet ook de pijlen die de goddeloze rechter aanlegt, dat zijn de dodelijke woorden die hij uitspreekt, laten zijn “alsof ze afgebroken zijn”. Zulke pijlen raken nooit doel en richten dus geen schade aan.

God moet hen ook laten “vergaan als een smeltende slak” (vers 99Laten zij vergaan als een smeltende slak;
laat hen, [als] de misgeboorte van een vrouw, de zon niet zien.
)
. Van een smeltende slak gaat geen enkele dreiging uit. God moet hen de zon niet laten zien “[als] de misgeboorte van een vrouw”. Ze moeten zijn als kinderen die vroegtijdig en dood geboren worden, waardoor ze nooit het licht van de zon hebben gezien (vgl. Jb 3:1616Of ik zou er, als een verborgen misgeboorte, niet zijn;
als de kleine kinderen [die] het licht niet gezien hebben.
; Pr 6:3-53Als iemand honderd [kinderen] verwekt
en vele jaren leeft,
zodat de dagen van zijn jaren vele zijn,
maar hij zichzelf niet verzadigt met het goede,
en er zelfs geen graf voor hem is,
[dan is,] zeg ik, een misgeboorte beter af dan hij.
4Want die komt tevergeefs [ter wereld],
gaat heen in duisternis
en zijn naam wordt in de duisternis bedekt.
5Ook heeft hij de zon niet gezien
of gekend:
hij heeft meer rust dan die [man].
)
.

Een laatste vergelijking om het oordeel over hen te illustreren is die van kookpotten die op een doornstruik worden gezet (vers 1010Voordat uw [kook]potten de doornstruik voelen,
zal Hij hen als [in] brandende [toorn] levend wegvagen.
)
. Voordat de vlam in de doornstruik komt om de potten aan de kook te brengen, heeft de wind de doornstruik weggevaagd. Met die snelheid zal God de goddeloze rechters “als [in] brandende [toorn] levend wegvagen” (vgl. Jb 27:2121De oostenwind zal hem opnemen, en [daar] gaat hij;
hij zal hem van zijn plaats wegvagen.
)
. Het geeft aan dat de goddelozen net zo waardeloos zijn als een doornstruik en dat het oordeel over hen plotseling en compleet zal zijn.


Er is een God Die recht doet

11De rechtvaardige zal zich verblijden als hij de wraak ziet;
hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze.
12De mens zal zeggen: Ja, er is loon voor de rechtvaardige!
Ja, er is een God Die op de aarde recht doet!

Het is gepast dat de rechtvaardige, oudtestamentische gelovige zich verblijdt als hij “de wraak ziet” die God uitoefent over de goddelozen (vers 1111De rechtvaardige zal zich verblijden als hij de wraak ziet;
hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze.
)
. De rechtvaardige is niet bloeddorstig, maar verlangt naar gerechtigheid (Mt 5:66Gelukkig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.). God zal aan dat verlangen voldoen door wraak over de goddelozen en vooral over de goddeloze rechters te brengen en hun bloed te vergieten (vgl. Js 63:1-61Wie is Deze Die uit Edom komt,
in helrode kleding uit Bozra,
Die luisterrijk is in Zijn gewaad,
Die voorttrekt in Zijn grote kracht?
Ik ben het, Die spreek in gerechtigheid,
Die machtig ben om te verlossen.
2Waarom is dat rood aan Uw gewaad,
en is Uw kleding als [die] van iemand die de wijnpers treedt?
3Ik heb de pers alleen getreden;
er was niemand uit de volken met Mij.
Ik heb hen vertreden in Mijn toorn,
hen vertrapt in Mijn grimmigheid.
Hun bloed is op Mijn kleding gespat,
heel Mijn gewaad heb Ik besmet.
4Want de dag van de wraak was in Mijn hart,
het jaar van Mijn verlosten was gekomen.
5Ik keek rond, maar er was niemand die hielp;
Ik ontzette Mij, want er was niemand die ondersteunde.
Daarom heeft Mijn arm Mij heil verschaft,
en Mijn grimmigheid, die heeft Mij ondersteund.
6Ik heb de volken vertrapt in Mijn toorn,
Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid,
Ik heb hun bloed ter aarde doen neerdalen.
; Op 14:19-2019En de engel sloeg zijn sikkel op de aarde en oogstte van de wijnstok van de aarde en wierp het in de grote wijnpersbak van de grimmigheid van God.20En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden en er kwam bloed uit de wijnpersbak tot aan de tomen van de paarden, zestienhonderd stadiën ver.; 19:13-1413En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.)
.

Als gevolg daarvan zal de rechtvaardige “zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze” (vgl. Ps 68:24a24opdat u uw voet kunt baden in bloed,
en de tong van uw honden zijn deel [krijgt] van de vijanden.
)
. ‘Het bloed van de goddeloze’ wijst erop dat hij een gewelddadige dood sterft. Dit is zijn rechtvaardige straf. Hij heeft geweld gepleegd (vers 33Veeleer bedrijft u onrecht in [uw] hart;
uw handen wegen geweld af op de aarde.
)
en komt door geweld om. In zijn bloed wast de rechtvaardige zijn voeten. Het wassen van de voeten is een verkwikking voor een vermoeide pelgrim. In dit verband betekent het dat hij door diens dood verkwikt wordt. Hij krijgt nieuwe krachten omdat hij heeft gezien dat God recht heeft gedaan.

De aarde is het woongebied van de rechtvaardige. Daar heerst nu onrecht en hij heeft daar zwaar van te lijden. Door de wraak van God komt er een einde aan het onrecht en aan zijn lijden en tegelijk een verandering. De rechtvaardige wordt niet meer verdrukt, maar zal in vrede op aarde wonen en de zegen genieten die God hem heeft beloofd.

Deze verandering is voor de mens, voor iedereen, het zichtbare bewijs dat er “loon voor de rechtvaardige” is (vers 1212De mens zal zeggen: Ja, er is loon voor de rechtvaardige!
Ja, er is een God Die op de aarde recht doet!
)
. Het heeft er lang op geleken dat de onrechtvaardige rechters ongehinderd hun gang konden gaan, dat er geen recht was voor de rechtvaardige en dat hij straf in plaats van loon kreeg. Maar de dood van de goddeloze zal aan “de mens” duidelijk maken, dat er wel loon is voor de rechtvaardige. God geeft hem waar hij recht op heeft, maar wat hem door het heersende onrecht steeds is onthouden.

Tevens wordt daardoor duidelijk – en ook dat wordt door iedereen met een instemmend “ja” erkend – dat “er een God” is “Die op aarde recht doet”. Vaak zeggen mensen als een excuus om geen rekening met God te houden: ‘Als er een God is, waarom grijpt Hij dan niet in?’ Het toont de arrogantie van de mens, die van mening is dat hij alles kan beoordelen.

God laat Zich in Zijn handelen niet leiden door de mening van mensen. Hij bepaalt de tijd om in te grijpen en recht te doen op aarde. Die tijd komt zeker. Als het zover is, zal God recht doen op aarde en dat recht niet uit handen geven. Dan zal al de rechtspraak gebeuren op een wijze dat iedereen zal erkennen: “De rechtspraak behoort aan God” (Dt 1:1717U mag niet partijdig zijn in de rechtspraak: zowel de kleine als de grote moet u aanhoren. U mag voor niemand bevreesd zijn, want de rechtspraak behoort aan God. Maar de zaak die voor u te moeilijk is, moet u bij mij brengen en ik zal die aanhoren.).

Voor de nieuwtestamentische gelovige liggen de zaken anders. Zeker ziet hij ook uit naar het moment dat God recht doet op aarde. Er is voor hem zelfs een speciale beloning verbonden aan het uitzien naar de verschijning van Christus als de rechtvaardige Rechter (2Tm 4:88Overigens is voor mij de kroon van de gerechtigheid weggelegd, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal geven; en niet alleen mij, maar ook <allen> die Zijn verschijning hebben lief gekregen.). Zijn bestemming is echter niet de aarde, maar de hemel. Daar hoort hij thuis. Zijn verlossing uit de ellende in deze wereld gebeurt niet door het oordeel dat God over zijn vijanden brengt, maar door hem uit de wereld weg te nemen. Dat gebeurt bij de komst van Christus om Zijn gemeente tot Zich te nemen.

In wat David zegt, ligt wel een les voor de gelovige nu. Niemand kan de gebeurtenissen op aarde verklaren door ze toe te schrijven aan toeval of het lot of aan louter natuurkundige processen, alsof alles voor zichzelf zorgt. Het duidelijke bewijs dat God alles bestuurt, zal worden geleverd wanneer Hij openlijk, voor iedereen waarneembaar, recht doet.

Wij kunnen de gebeurtenissen niet verklaren zonder God. Als we Hem bij de gebeurtenissen betrekken, zien we, soms nu al, maar in elk geval straks, de ware bedoeling, Zíjn bedoeling, ervan. Dat geeft rust om bepaalde gebeurtenissen te accepteren, ook al begrijpen we niet altijd waarom iets zo moest gaan.

Dit geloof is ook het geloof van het gelovig overblijfsel in de grote verdrukking en tevens hun ervaring bij de komst van Christus naar de aarde. Zij weten dat God toch recht op aarde doet. Dat zullen ze meemaken als Christus bij Zijn komt met loon voor hen komt (Op 22:1212Zie, Ik kom spoedig, en Mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden zoals zijn werk is.). Hij geeft de rechtvaardigen loon voor hun trouw. De goddelozen zal Hij oordelen voor hun opstand tegen God en Zijn Christus en de volgelingen van Christus.


Lees verder