Psalmen
1 Opschrift 2-4 Gebed om genade 5-7 De klacht 8-12 De eer van God
Opschrift

1Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Richt niet te gronde’; toen hij voor Saul vluchtte in de grot.

Deze psalm is ook “een gouden kleinood van David”. Zie verder bij Psalm 56:1. Voor “voor de koorleider” zie Psalm 4:1.

De uitdrukking “[op] ‘Richt niet te gronde’” heeft de vorm van een gebed (vgl. Dt 9:2626En ik bad tot de HEERE en zei: Heere HEERE, richt Uw volk en Uw eigendom [toch] niet te gronde, dat U door Uw grootheid verlost hebt, dat U met sterke hand uit Egypte hebt geleid.) en lijkt een muziekterm te zijn. Deze term komt in nog drie andere psalmen voor (Ps 58:11Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Richt niet te gronde’.; 59:11Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Richt niet te gronde’; toen Saul [dienaren] gezonden had om het huis [van David] te bewaken en hem te doden.; 75:11Voor de koorleider, [op] ‘Richt niet te gronde’; een psalm van Asaf, een lied.).

Ook in deze psalm staat in het opschrift de aanleiding voor het schrijven ervan. David schrijft deze psalm als hij voor Saul “in de grot” is gevlucht (vgl. Ps 142:11Een onderwijzing van David, een gebed, toen hij in de grot was.). Omdat er niet sprake is van ‘een grot’, maar van “de grot”, is het aannemelijk dat “de grot van Adullam” wordt bedoeld. Daar is David voor Saul naartoe gevlucht en hebben anderen zich bij hem gevoegd (1Sm 22:1-21Toen ging David daarvandaan en hij ontkwam naar de grot van Adullam. Zijn broers en het hele huis van zijn vader hoorden dit en zij kwamen daar bij hem.2Ook voegde zich bij hem ieder die in nood verkeerde, ieder die een schuldeiser had en ieder die verbitterd van gemoed was; en hij werd hun leider, zodat er ongeveer vierhonderd mannen bij hem waren.).


Gebed om genade

2Wees mij genadig, o God, wees mij genadig,
want mijn ziel heeft tot U de toevlucht genomen;
ik neem mijn toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels,
totdat de rampen voorbij zijn gegaan.
3Ik roep tot God, de Allerhoogste,
tot God, Die [Zijn werk] aan mij voltooien zal.
4Hij zal [hulp] zenden uit de hemel en mij verlossen,
Hij zal te schande maken wie mij wil opslokken. /Sela/
God zal Zijn goedertierenheid en Zijn trouw zenden.

David maakt geen aanspraak op bevrijding, maar doet een indringend beroep op de genade van God (vers 22Wees mij genadig, o God, wees mij genadig,
want mijn ziel heeft tot U de toevlucht genomen;
ik neem mijn toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels,
totdat de rampen voorbij zijn gegaan.
)
. Twee vraagt hij aan God “wees mij genadig”, waarbij hij het tussen beide keren uitroept “o God”. Dit laat wel zien hoe hoog de nood is. Tevens laat het beroep op de genade zien dat David beseft dat hij geen enkel recht op hulp kan laten gelden. Als God helpt, is het alleen genade.

Terwijl hij in de duistere verborgenheid van de grot zit, spreekt hij het uit dat zijn ziel tot God de toevlucht heeft genomen. Hij kan ook tot niemand anders zijn toevlucht nemen. Niet de grot is echter zijn bescherming, maar God (vgl. Js 25:44Want U bent voor de geringe een vesting geweest,
een vesting voor de arme in zijn nood,
een toevlucht tegen de vloed, een schaduw tegen de hitte.
Want het razen van geweldplegers is als een vloed [tegen] een muur.
)
. Hij heeft zijn toevlucht “onder de schaduw” van Gods “vleugels” genomen. Vleugels symboliseren geborgenheid en warmte (vgl. Ru 2:1212Moge de HEERE uw daad vergelden, en moge uw loon volkomen zijn van de HEERE, de God van Israël, onder Wiens vleugels u gekomen bent om toevlucht te nemen.; Ps 36:88Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God!
Daarom nemen de mensenkinderen de toevlucht
onder de schaduw van Uw vleugels.
; 61:55Ik zal in alle eeuwigheid in Uw tent verblijven,
mijn toevlucht zoeken in de schuilplaats onder Uw vleugels. /Sela/
; 63:88voorzeker, U bent een Helper voor mij geweest;
onder de schaduw van Uw vleugels zal ik vrolijk zingen.
; 91:44Hij zal u beschutten met Zijn vlerken,
onder Zijn vleugels zult u de toevlucht nemen,
Zijn trouw is een schild en een pantser.
; Mt 23:3737Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die tot haar zijn gezonden, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenverzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeenverzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild.)
. In die geborgenheid wil David blijven “totdat de rampen voorbij zijn gegaan”. Daarmee spreekt hij zijn vertrouwen op God uit dat Hij een einde aan zijn dreigende situatie zal maken.

Vanuit die veilige plaats roept David “tot God, de Allerhoogste” (vers 33Ik roep tot God, de Allerhoogste,
tot God, Die [Zijn werk] aan mij voltooien zal.
)
. Wat er gebeurt, gebeurt allemaal ‘onder’ Hem, het staat onder Zijn gezag en controle. Dit roepen tot God is evenals zijn schuilen bij God een uiting van Zijn vertrouwen op God. God is oneindig ver verheven boven alle vijanden en hun plannen om hem kwaad te doen.

Die God, zo zegt David, zal “[Zijn werk] aan mij voltooien”. Daarmee zegt hij dat niets of niemand God kan verhinderen Zijn doel met het leven van de Zijnen te bereiken (vgl. Fp 1:66in dit vertrouwen, dat Hij Die een goed werk in u begonnen is, het ook zal voltooien tot op [de] dag van Christus Jezus.; Ru 3:1818Toen zei [Naomi]: Ga [rustig] zitten, mijn dochter, tot je weet hoe de zaak uit zal vallen, want die man zal niet rusten, voordat hij vandaag [nog] deze zaak tot een einde heeft gebracht.). Hetzelfde geldt voor het hele wereldgebeuren. Alles wat God Zich heeft voorgenomen, zal Hij voltooien (Op 21:5-6a5En Hij Die op de troon zat, zei: Zie, Ik maak alles nieuw. En Hij zei <tegen mij>: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig.6En Hij zei tegen mij: Zij zijn gebeurd! Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde. Ik zal hem die dorst heeft, geven uit de bron van het water van het leven om niet.).

Daarvoor, zo weet David, zal God “[hulp] zenden uit de hemel” en hem “verlossen” (vers 44Hij zal [hulp] zenden uit de hemel en mij verlossen,
Hij zal te schande maken wie mij wil opslokken. /Sela/
God zal Zijn goedertierenheid en Zijn trouw zenden.
)
. Dit is het vertrouwen dat ook het overblijfsel in de grote verdrukking zal uitspreken. God hen zal verlossen door hun de Messias te zenden. Hij zal bij Zijn komst de vijanden te schande maken door hen te verdelgen. Voor de gelovige betekent Zijn komst dat God in Hem “Zijn goedertierenheid en Zijn trouw” zendt.

God gebruikt de aanwezigheid van de vijanden van Zijn volk om Zijn goedertierenheid en trouw te tonen. Zijn goedertierenheid toont Hij in de verlossing van de Zijnen. Zijn trouw toont Hij in het vervullen van Zijn beloften.


De klacht

5Mijn ziel verkeert te midden van leeuwen,
ik lig [tussen] mensen die verzengen [als vuur],
mensenkinderen van wie de tanden speren en pijlen zijn,
en hun tong een scherp zwaard.
6Verhef U boven de hemel, o God;
Uw eer zij over de hele aarde.
7Zij hebben een net gereedgemaakt voor mijn voeten,
mijn ziel werd neergebogen;
zij hebben een kuil voor mij gegraven,
[maar] zij zijn er [zelf] middenin gevallen. /Sela/

David vergelijkt zijn tegenstanders met verscheurende leeuwen (vers 55Mijn ziel verkeert te midden van leeuwen,
ik lig [tussen] mensen die verzengen [als vuur],
mensenkinderen van wie de tanden speren en pijlen zijn,
en hun tong een scherp zwaard.
)
. Hij is er middenin, hij is erdoor omgeven. Het zijn “mensen die verzengen [als vuur]”. Hun haat gloeit als een vuur in hen en ze willen hem verteren. Hun woorden komen uit het vuur van de hel (Jk 3:66Ook de tong is een vuur, de wereld van de ongerechtigheid. De tong is onder onze leden gesteld als dat wat het hele lichaam bevlekt en de loop van de natuur in vlam zet en door de hel in vlam gezet wordt.). Hij ligt tussen hen, zonder dat hij iets aan zijn positie kan veranderen. Het geeft tegelijk een zekere rust aan. Hij kan liggen en slapen (vgl. Ps 3:6-76Ik lag neer en sliep; ik ontwaakte,
want de HEERE ondersteunde mij.
7Ik vrees niet voor tienduizenden van het volk,
die zich aan alle kanten tegen mij opstellen.
)
.

De “mensenkinderen” die om hem heen zijn, hebben tanden als “speren en pijlen”. Ze willen hem met hun woorden verslinden (vgl. Ps 52:66U hebt lief alle verslindende woorden
[en] een tong [vol] bedrog.
)
. Hun tong vergelijkt hij met “een scherp zwaard” (vgl. Ps 52:44Uw tong bedenkt enkel schadelijke [dingen],
als een geslepen scheermes dat bedrieglijk werkt.
)
. Ze geven uiting aan de moordzucht en de haat die hen vult in woorden die een dodelijke uitwerking hebben. Ze breken David totaal af door de ergste lasterpraat over hem te verspreiden (1Sm 24:1010En David zei tegen Saul: Waarom luistert u naar de woorden van de mensen die zeggen: Zie, David wil u kwaad doen?).

In het licht van die zo bedreigende omstandigheden vraagt David aan God om Zich boven de hemel, het uitspansel, te verheffen en Zijn eer of heerlijkheid over de hele aarde zichtbaar te maken (vers 66Verhef U boven de hemel, o God;
Uw eer zij over de hele aarde.
)
. Daarmee vraagt hij of God het oordeel over de ongerechtigheid wil uitvoeren. Het kan niet langer zo doorgaan. Het gaat David om Gods eer. Die moet zichtbaar worden en daar is nu niets van te zien.

Dat God Zich verheft en vertoont, is nodig, want zijn vijanden hebben het voor het zeggen. Zij hebben een net gereedgemaakt voor zijn voeten om hem te vangen, zoals een vogelvanger doet om vogels te vangen (vers 77Zij hebben een net gereedgemaakt voor mijn voeten,
mijn ziel werd neergebogen;
zij hebben een kuil voor mij gegraven,
[maar] zij zijn er [zelf] middenin gevallen. /Sela/
)
. Ze willen hem in de val lokken. Zijn ziel wordt erdoor neergebogen, zozeer wordt hij door zijn vele tegenstanders in het nauw wordt gebracht.

Ze hebben ook een kuil voor hem gegraven om hem daarin te vangen zoals een wild dier gevangen wordt. Het kan ook een kuil zijn om hem in te werpen als ze hem hebben gevangengenomen met hun net. Maar in het geloof ziet David dat hun hinderlagen zullen mislukken en dat zijn vijanden het lot ondergaan dat ze voor hem in gedachten hebben (vgl. Ps 7:1616Hij heeft een kuil gedolven en die uitgegraven,
maar hij is gevallen in het graf [dat] hij [zelf] gemaakt heeft.
; Es 9:2525Maar toen zij, [Esther,] voor de koning was gekomen, beval hij door middel van die brieven dat het boze plan van [Haman] dat hij tegen de Joden bedacht had, op zijn [eigen] hoofd zou neerkomen, en men heeft hem en zijn zonen aan de galg gehangen.; Dn 6:2525Vervolgens gaf de koning bevel en men haalde de mannen die Daniël openlijk hadden beschuldigd, en men wierp hen, hun kinderen en hun vrouwen, in de leeuwenkuil. Zij hadden de bodem van de kuil nog niet bereikt, of de leeuwen maakten zich van hen meester en verbrijzelden al hun beenderen.)
.


De eer van God

8Mijn hart is bereid, o God,
mijn hart is bereid;
ik zal zingen, ik zal psalmen zingen.
9Ontwaak, mijn eer,
ontwaak, luit en harp;
ik zal de dageraad doen ontwaken.
10Ik zal U loven onder de volken, Heere;
ik zal voor U psalmen zingen onder de natiën.
11Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
12Verhef U boven de hemel, o God;
Uw eer zij over de hele aarde.

In zijn vertrouwen op Gods verlossing heeft David zich in zijn hart voorgenomen God psalmen te zingen (vers 88Mijn hart is bereid, o God,
mijn hart is bereid;
ik zal zingen, ik zal psalmen zingen.
)
. Zijn hart is bereid, zo zegt hij twee keer. Het wil zeggen dat er in zijn hart geen vrees meer is, maar een vaste overtuiging van Gods goedertierenheid en trouw.

Dat hij twee keer zegt dat zijn hart bereid is, is geen zinloze herhaling, zoals zo vaak in moderne opwekkingsliederen wordt gedaan. Het is een getuigenis van een stijgend enthousiasme. Dit klinkt ook door in “ik zal zingen, ik zal psalmen zingen”. Ook hier horen we een herhaling, dit keer van het zingen, waarbij de tweede keer aan het zingen een nadere invulling wordt gegeven.

David zegt tegen zijn eer dat die moet ontwaken (vers 99Ontwaak, mijn eer,
ontwaak, luit en harp;
ik zal de dageraad doen ontwaken.
)
. Het lijkt erop dat hij door de druk van de omstandigheden zijn eer is vergeten, dat hij zijn roeping en verkiezing tot koning niet meer voor de aandacht heeft. Hij herinnert zichzelf eraan wat God van hem heeft gemaakt. Hij zegt ook tegen zijn “luit en harp” dat zij moeten ontwaken. Muziekinstrumenten horen bij een feestelijke gebeurtenis. Als zijn eer en zijn muziekinstrumenten zijn ontwaakt, kan hij “de dageraad doen ontwaken.

Hij ziet zich geplaatst aan het begin van een nieuwe dag ofwel een nieuwe periode. Het is nog donker. Alles slaapt nog. Maar het aanbreken van de dageraad zal niet lang meer op zich laten wachten. Hij wil door zijn gezang onder begeleiding van muziekinstrumenten het aanbreken ervan als het ware versnellen, hij wil de dageraad wakker schudden.

De nieuwe dag die aanbreekt, belooft niet alleen zegen voor zijn eigen leven. Het aanbreken van de dageraad van het vrederijk zal gemerkt worden in zijn volk en onder de volken (vers 1010Ik zal U loven onder de volken, Heere;
ik zal voor U psalmen zingen onder de natiën.
)
. De lof die hij de Heere, Adonai, zal brengen, is daarom een lof die hij “onder de volken” zal laten horen. Voor de psalmen die hij tot Zijn eer zal zingen, geldt hetzelfde. Hij zal dat doen “onder de natiën”.

De aanleiding, wat wordt weergegeven door het woord “want”, zijn de goedertierenheid en de trouw van God (vers 1111Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
)
. Hij noemt Gods goedertierenheid “groot” en verbindt die met de hemel. Gods trouw verbindt hij met de wolken. Deze beide eigenschappen van God staan vast boven de aarde, maar worden gekend en genoten op aarde.

David besluit zijn psalm met opnieuw de vraag aan God Zich boven de hemel te verheffen (vers 1212Verhef U boven de hemel, o God;
Uw eer zij over de hele aarde.
)
. Toch is er een andere klank aan verbonden dan in vers 66Verhef U boven de hemel, o God;
Uw eer zij over de hele aarde.
. Daar is wordt de vraag gesteld tegen de achtergrond van de vijanden die hem omringen. Als God Zich verheft en hen ombrengt, zal Zijn heerlijkheid over de hele aarde worden gezien. Hier is het zover, dat de verlossing voor het geloof een feit is. Daarom kan God Zijn heerlijkheid “over de hele aarde” laten zien en kan die overal genoten worden.

Het mag onze wens zijn dat onze verdrukkingen of beproevingen zullen leiden tot de verheerlijking van God in ons hele leven.


Lees verder