Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-9 Gebed in benauwdheid 10-16 Verraden door een bekende 17-22 God zal horen 23-24 Vertrouwen op God
Inleiding

Er is verondersteld dat de aanleiding voor deze psalm het verraad van Achitofel is (2Sm 15:3131Toen vertelde men David: Achitofel is onder hen die met Absalom samenspannen. En David zei: O HEERE, maak de raad van Achitofel toch tot dwaasheid.). Zeker is dit niet, maar het is wel een goede illustratie voor de achtergrond van de gevoelens van David over het verraad van een vriend. Achitofel is eerst een betrouwbare adviseur van David. Maar nadat Absalom zich van de troon van David meester heeft gemaakt, is Achitofel naar Absalom overgelopen. In deze psalm horen we iets van het intense verdriet van David over dat verraad. In dit opzicht is er een parallel met Psalm 41, waar David ook klaagt over het verraad door een vriend (Ps 41:7-107Als [een van hen naar mij] komt kijken,
spreekt hij valse [dingen]
[en] zijn hart brengt onrecht bijeen;
gaat hij naar buiten, [dan] spreekt hij [daarover].
8Allen die mij haten, mompelen tezamen over mij.
Zij bedenken tegen mij wat slecht voor mij is en zeggen:
9Verdorven praktijken kleven hem aan;
wie [zo] neerligt, zal niet meer opstaan.
10Zelfs de man met wie ik [in] vrede [leefde],
op wie ik vertrouwde, die mijn brood at,
heeft zich tegen mij gekeerd.
)

We horen in de psalm ook de Geest van Christus in David, dat wil zeggen dat hij vertolkt wat de Heiland heeft gevoeld bij het verraad door Judas. Tevens beluisteren we wat het overblijfsel in de eindtijd doormaakt vanwege de samenzwering van de antichrist en zijn volgelingen tegen hen.


Opschrift

1Een onderwijzing van David, voor de koorleider, bij snarenspel.

Deze psalm is “een onderwijzing van David” (vers 11Een onderwijzing van David, voor de koorleider, bij snarenspel.). Het is de laatste ‘onderwijzing’ of maskil in de kleine rij van maskilpsalmen (Psalmen 52-55). In deze psalmen staan onderwijzingen voor het hele volk van God, dat wil zeggen het aan God trouwe deel daarvan, in de tijd van de grote verdrukking. Zie voor “een onderwijzing” verder bij Psalm 32:1.

Het is een onderwijzing “voor de koorleider”. Zie verder bij Psalm 4:1. Het is ook een onderwijzing “bij snarenspel”. Zie verder bij Psalm 4:1.


Gebed in benauwdheid

2O God, neem mijn gebed ter ore,
verberg U niet voor mijn smeken,
3sla acht op mij en verhoor mij.
Ik zwerf rond in mijn klagen en kreun,
4vanwege het schreeuwen van de vijand,
vanwege de goddeloze die angst aanjaagt.
Want zij storten onrecht over mij uit,
in toorn haten zij mij.
5Mijn hart beeft in mijn binnenste,
dodelijke schrik heeft mij overvallen.
6Vrees en beven komen over mij,
huiver bedekt mij.
7Daarom zeg ik: Och, gaf iemand mij vleugels als van een duif!
Ik zou wegvliegen naar waar ik blijven kon.
8Zie, ik zou ver wegzwerven,
ik zou overnachten in de woestijn. /Sela/
9Ik zou mij haasten zodat ik zou ontkomen
aan de rukwind, aan de storm.

David begint de psalm met de vraag aan God om Zijn oor voor zijn gebed te openen, ernaar te luisteren (vers 22O God, neem mijn gebed ter ore,
verberg U niet voor mijn smeken,
; Ps 34:16b16De ogen van de HEERE rusten op de rechtvaardigen,/ain/
Zijn oren [zijn gericht] op hun hulpgeroep.
)
. Hij vraagt ook of God Zich toch niet voor zijn smeken verbergt. Het niet luisteren van God is voor hem hetzelfde alsof God Zich voor hem verbergt. Als God zijn gebed ter ore neemt, wil dat zeggen dat Hij alle aandacht aan David schenkt.

Daarom vraagt David vervolgens of God toch acht op hem slaat en dat bewijst door hem te verhoren (vers 33sla acht op mij en verhoor mij.
Ik zwerf rond in mijn klagen en kreun,
)
. Hij wijst God erop dat hij rusteloos rondzwerft “in mijn klagen en gekreun”. God hoort zijn klagen en kreunen toch wel? Dit rondzwerven en deze uitingen van de nood worden veroorzaakt door “het schreeuwen van de vijand” en door “de goddeloze die angst aanjaagt” (vers 44vanwege het schreeuwen van de vijand,
vanwege de goddeloze die angst aanjaagt.
Want zij storten onrecht over mij uit,
in toorn haten zij mij.
)
. Dit tekent de ernst van zijn situatie.

Er wordt onrecht over hem wordt uitgestort door mensen die hem in toorn haten. Hiermee bedoelt hij de lasterpraat die zijn vijand luidkeels over hem rondstrooit. De vijand doet dat met een haat die door toorn, door woede wordt gevoed. Die vijand is “de goddeloze”, de man die geen rekening houdt met God, maar een instrument is van de duivel. De grimmigheid waarmee hij tekeergaat, bezorgt David grote angst.

Zijn hart beeft erdoor in zijn binnenste (vers 55Mijn hart beeft in mijn binnenste,
dodelijke schrik heeft mij overvallen.
)
. Hij heeft geen controle over zijn hart. Zijn hart kent geen rust, maar gaat wild in hem tekeer, want hij is overvallen door “dodelijke schrik”. Angstwekkende gestalten die de dood vertegenwoordigen verschijnen aan hem. Er komen “vrees en beven” over hem heen, of in hem, en hij wordt bedekt door “huiver” (vers 66Vrees en beven komen over mij,
huiver bedekt mij.
)
.

Om die reden, “daarom”, zegt hij dat hij de stad, waarin de haat en het geweld van alle kanten op hem afkomen, wel wil ontvluchten (vers 77Daarom zeg ik: Och, gaf iemand mij vleugels als van een duif!
Ik zou wegvliegen naar waar ik blijven kon.
)
. Het woord “och” is de verzuchting die komt uit een gemoed dat in diepe nood is. Hij wenst dat iemand hem “vleugels als van een duif” zou geven. Een duif is een weerloos dier dat zijn veiligheid in eenzame streken zoekt, zoals een woestijn, waar geen mensen wonen (vgl. Hl 2:14a14Mijn duif in de kloven van de rots,
in de schuilplaats van de bergwand,
laat Mij uw gedaante zien,
laat Mij uw stem horen.
Want uw stem is zoet
en uw gedaante is bekoorlijk.
; Jr 48:2828Verlaat de steden, woon in rotsen,
inwoners van Moab.
Word als een duif die nestelt
in de openingen van een rotsspleet.
)
. David wil wel als een duif wegvliegen naar een dergelijke streek om daar te blijven, daar te wonen.

Dat zou geen streek dichtbij zijn. Hij “zou ver wegzweven” (vers 88Zie, ik zou ver wegzwerven,
ik zou overnachten in de woestijn. /Sela/
)
, ver weg van de moeilijkheden. Daar zou hij “overnachten in de woestijn” (vgl. Jr 9:22Och, had ik in de woestijn [maar] een kamp voor reizigers!
Ik zou mijn volk verlaten, ik zou bij hen weggaan,
want zij zijn allen overspelers, een trouweloos gezelschap.
)
. Vooral de nachten zijn vol gevaren. Maar als hij in de woestijn zou zijn, zou hij ook in de nacht veilig zijn. Hij zou zich haasten om te ontkomen, want de dreiging om te worden gegrepen is groot (vers 99Ik zou mij haasten zodat ik zou ontkomen
aan de rukwind, aan de storm.
)
. David vergelijkt de oprukkende vijand met “de rukwind” en “de storm”. De vijand is onberekenbaar als een rukwind en verwoestend als een storm.

Dit gebed zal ook door het gelovig overblijfsel in de eindtijd worden gebeden. De Heer Jezus zegt met het oog op die tijd, de tijd van de grote verdrukking, tegen Zijn discipelen dat ze moeten vluchten naar de bergen (Mt 24:16-2016laten dan zij die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen;17laat hij die op het dak is, niet naar beneden gaan om de dingen uit zijn huis te halen; en laat hij die op het veld is,18niet terugkeren naar achteren om zijn kleed te halen.19Wee echter de zwangeren en de zogenden in die dagen.20En bidt dat uw vlucht niet ‘s winters of op sabbat gebeurt.). En God zal het overblijfsel van vleugels voorzien om voor de draak te vluchten (Op 12:13-1413En toen de draak zag dat hij op de aarde neergeworpen was, vervolgde hij de vrouw die de mannelijke [Zoon] gebaard had.14En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven, opdat zij in de woestijn zou vliegen naar haar plaats, waar zij gevoed wordt een tijd en tijden en een halve tijd, buiten [het] gezicht van de slang.).


Verraden door een bekende

10Verslind hen, Heere, verwar hun taal,
want ik zie geweld en onenigheid in de stad.
11Die omringen haar op haar muren, dag en nacht;
onrecht en onheil zijn binnen in haar.
12Enkel verderf is binnen in haar;
list en bedrog wijken niet van haar plein.
13Immers, het is geen vijand [die] mij hoont,
anders zou ik het verdragen hebben;
het is niet mijn hater [die] zich tegen mij verheft,
anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.
14Maar u bent het, o sterveling, als mijn gelijke,
mijn leidsman en mijn bekende.
15Wij die zeer aangenaam [en] vertrouwelijk met elkaar omgingen,
wij wandelden in gezelschap van velen naar Gods huis!
16Laat de dood hen als een schuldeiser overvallen,
laat hen levend in het graf neerdalen;
want kwaad [heerst] in hun woning, in hun binnenste.

David vraagt om de tussenkomst van de “Heere”, Adonai, de soevereine Heerser en Bestuurder van het heelal (vers 1010Verslind hen, Heere, verwar hun taal,
want ik zie geweld en onenigheid in de stad.
)
. Hij vraag de Heere om zijn vijanden te ‘verslinden’, dat is gulzig opeten. Hij vraagt ook of God hun taal wil verwarren, waardoor onder hen verdeeldheid zal ontstaan. Hierin is duidelijk een verwijzing naar de spraakverwarring bij de torenbouw van Babel aanwezig (Gn 11:1-91Heel de aarde had één taal en eendere woorden.2En het gebeurde toen zij naar het oosten trokken, dat zij een vlakte in het land Sinear vonden. Daar gingen zij wonen.3En zij zeiden allen tegen elkaar: Kom, laten wij kleiblokken maken en die goed bakken! En de kleiblokken dienden hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem.4En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!5Toen daalde de HEERE neer om de stad en de toren te zien die de mensenkinderen aan het bouwen waren,6en de HEERE zei: Zie, zij vormen één volk en hebben allen één taal. Dit is het begin van wat zij gaan doen, en nu zal niets van wat zij zich voornemen te doen, voor hen onmogelijk zijn.7Kom, laten Wij neerdalen en laten Wij hun taal daar verwarren, zodat zij geen van allen elkaars taal zullen begrijpen.8Zo verspreidde de HEERE hen vandaar over heel de aarde, en zij hielden op met het bouwen van de stad.9Daarom gaf men haar de naam Babel; want daar verwarde de HEERE de taal van heel de aarde, en vandaar verspreidde de HEERE hen over heel de aarde.).

Het grootste wapen van de vijand is hun tong. Wanneer de Heere een spraakverwarring onder zijn vijanden doet ontstaan, is hun samenhang verdwenen. Zo is het ook gebeurd bij de spraakverwarring die God bij de torenbouw van Babel heeft gegeven. Ze kunnen dan niet voortgaan met het smeden van verderfelijke plannen omdat ze elkaar niet meer begrijpen.

De aanleiding voor zijn vraag is dat hij “geweld en onenigheid in de stad” ziet (vgl. Hk 1:33Waarom doet U mij onrecht zien en aanschouwt U de moeite?
Ja, verwoesting en geweld zijn tegenover mij,
er ontstaat onenigheid, ruzie verheft zich.
)
. Met de stad wordt Jeruzalem bedoeld. Hij is zelf niet in de stad, maar hij heeft gehoord hoe het er in de stad toegaat. Dat is hem verteld op een manier dat hij het voor zich ziet. Het doet David pijn dat die stad geterroriseerd wordt door de vijand en de goddeloze. Zij maken de dienst uit in de stad.

Het is zelfs zo erg, dat de stad door geweld en onenigheid wordt omringd omdat die op haar muren, die de stad omringen, aanwezig is (vers 1111Die omringen haar op haar muren, dag en nacht;
onrecht en onheil zijn binnen in haar.
)
. De muren, die normaal veiligheid en bescherming voor de stad tegen het kwaad waarborgen omdat er trouwe wachters op staan, bieden die veiligheid en bescherming helemaal niet meer. Integendeel, op de muren paraderen mensen die geweld en onenigheid beschermen. En dat doen ze dag en nacht, dat wil zeggen onophoudelijk.

Tot in het binnenste van de stad is het verderf werkzaam (vers 1212Enkel verderf is binnen in haar;
list en bedrog wijken niet van haar plein.
)
. “Haar plein”, waar het alledaagse leven zich afspeelt en handel wordt gedreven, is vergeven van “list en bedrog”. Het hele sociale leven is er onuitroeibaar van doortrokken. Alle klassen van de bevolking hanteren list en bedrog.

Na zijn klacht over wat zich in de stad, zijn stad, allemaal afspeelt, uit David vervolgens zijn klacht over een specifieke persoon (vers 1313Immers, het is geen vijand [die] mij hoont,
anders zou ik het verdragen hebben;
het is niet mijn hater [die] zich tegen mij verheft,
anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.
)
. De hoon van vijanden is erg, maar is te verwachten, die is in zekere zin ‘normaal’ en te begrijpen. Dat kan hij ook verdragen, al doet het pijn en bezorgt het angst. En voor zijn hater die tegen hem opstaat, zou hij zich kunnen verbergen, zodat hij niet meer aan zijn haat is blootgesteld.

Maar de persoon die hij nu gaat beschrijven, is geen vijand en geen hater, maar een “sterveling”, van wie hij zegt dat hij “als mijn gelijke” is (vers 1414Maar u bent het, o sterveling, als mijn gelijke,
mijn leidsman en mijn bekende.
)
. Dat David dit zo zegt, geeft aan dat hij als koning spreekt en de ander als op zijn niveau plaatst. Het geeft aan hoezeer hij deze persoon heeft gewaardeerd die in zichzelf niet meer dan een ‘sterveling’ is.

De aanduiding “mijn leidsman en mijn bekende” onderstreept de bijzondere verhouding die er tussen David en deze persoon is geweest. Dit is wel van toepassing op Achitofel die de ‘leidsman’ of raadgever van David is geweest en met wie David goed bekend is geweest (vgl. Ps 41:9-109Verdorven praktijken kleven hem aan;
wie [zo] neerligt, zal niet meer opstaan.
10Zelfs de man met wie ik [in] vrede [leefde],
op wie ik vertrouwde, die mijn brood at,
heeft zich tegen mij gekeerd.
)
.

David omschrijft de verhouding met zijn leidsman en bekende als “zeer aangenaam” (vers 1515Wij die zeer aangenaam [en] vertrouwelijk met elkaar omgingen,
wij wandelden in gezelschap van velen naar Gods huis!
)
. De omgang met hem beschrijft hij als “vertrouwelijk”. Het geeft de intimiteit van de nauwe vriendschap weer die hij met hem had. Als hoogtepunt van hun nauwe omgang met elkaar vermeldt David dat zij “in gezelschap van velen naar Gods huis” wandelden.

De smart van de hoon en het verraad van zo iemand brengt David tot de plotselinge uitroep dat “de dood als een schuldeiser” hem maar moet overvallen (vers 1616Laat de dood hen als een schuldeiser overvallen,
laat hen levend in het graf neerdalen;
want kwaad [heerst] in hun woning, in hun binnenste.
)
. David spreekt in het meervoud, “hen”. Zijn vroegere vriend is niet zijn enige verrader. Het verraad van die vriend heeft hem echter het diepst getroffen en hem tot die uitroep gebracht. Mensen die zoiets doen, moeten “levend in het graf neerdalen”, wat doet denken aan het oordeel over Korach en zijn bende (Nm 16:30-3330Maar als de HEERE iets nieuws zal scheppen, zodat de aardbodem zijn mond zal opensperren, en hen en alles wat van hen is, zal verzwelgen en zij levend naar het graf zullen afdalen, dan zult u weten dat deze mannen de HEERE verworpen hebben.31En het gebeurde, toen hij geëindigd had al deze woorden te spreken, dat de aardbodem die onder hen was, gespleten werd.32De aarde opende haar mond en verzwolg hen, met hun gezinnen, en alle mensen die Korach toebehoorden, en al [hun] bezittingen.33En zij daalden levend af naar het graf, zij en alles wat van hen was. En de aarde overdekte hen, en zij waren verdwenen uit het midden van de gemeente.; vgl. Op 19:2020En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.).

Dit moet met hen gebeuren, “wantkwaad [heerst] in hun woning, in hun binnenste”. Hun binnenste is een woonplaats van alleen maar slechte, verderfelijke dingen. Het gaat ook niet om een tijdelijk verblijf, maar om permanente bewoning. Het kwaad regeert er, het zwaait er de scepter en bestuurt hun hele wil, spreken en handelen.


God zal horen

17Ik [echter], ik zal tot God roepen
en de HEERE zal mij verlossen.
18's Avonds, en 's morgens, en 's middags
zal ik klagen en kermen,
en Hij zal mijn stem horen.
19Hij heeft mijn ziel in vrede verlost
van de strijd tegen mij,
want met velen waren zij tegen mij.
20God zal horen en hen vernederen
– Hij, Die van oudsher troont – /Sela/
omdat bij hen geen enkele verandering is
en zij God niet vrezen.
21Hij slaat zijn handen aan wie vrede met hem had,
hij ontheiligt zijn verbond.
22Zijn mond is gladder dan boter,
maar zijn hart wil strijd;
zijn woorden zijn zachter dan olie,
maar het zijn getrokken zwaarden.

In tegenstelling met wat David in vers 1616Laat de dood hen als een schuldeiser overvallen,
laat hen levend in het graf neerdalen;
want kwaad [heerst] in hun woning, in hun binnenste.
wenst voor zijn verraders, mensen die zich tegen God en Zijn gunstelingen keren, zal hij tot God roepen (vers 1717Ik [echter], ik zal tot God roepen
en de HEERE zal mij verlossen.
)
. Zijn tegenstanders dalen neer in het graf. Voor zichzelf spreekt hij de zekerheid uit dat “de HEERE”, Jahweh, hem zal verlossen.

Hij gaat “‘s avonds, en ‘s morgens, en ‘s middags” met zijn geklaag en gekerm tot God (vers 1818's Avonds, en 's morgens, en 's middags
zal ik klagen en kermen,
en Hij zal mijn stem horen.
; vgl. Dn 6:1111Toen Daniël te weten kwam dat dit bevelschrift ondertekend was, ging hij zijn huis binnen. Nu had hij in zijn bovenvertrek open vensters in de richting van Jeruzalem. [Op] drie tijdstippen per dag ging hij op zijn knieën, bad hij en dankte hij voor het aangezicht van zijn God, precies zoals hij voordien had gedaan.)
. Het geeft aan dat hij voortdurend tot God roept (1Th 5:1717Bidt onophoudelijk.). Hij bidt om zo te zeggen ‘het klokje rond’. Dat hij de avond eerst noemt, is omdat in Israël de dag gewoonlijk begint op de avond van de vorige dag (Lv 23:3232Het moet voor u een sabbat zijn, een dag van volledige rust, en u moet uzelf verootmoedigen. 's Avonds, op de negende [dag] van de maand, moet u uw sabbat vieren, vanaf de avond tot aan de [volgende] avond.).

Davidweet zeker dat God zijn stem zal horen. In geloofsvertrouwen spreekt hij uit dat God zijn “ziel in vrede verlost” heeft “van de strijd” tegen hem (vers 1919Hij heeft mijn ziel in vrede verlost
van de strijd tegen mij,
want met velen waren zij tegen mij.
)
. Voor zijn besef heeft de verlossing al plaatsgevonden. De strijd is voorbij. De velen die tegen hem zijn, strijden niet meer tegen hem. De vrede die hij kwijt is geweest vanwege het verraad van zijn vriend en de tegenstand van velen, is in zijn ziel neergedaald nu hij alles aan God heeft toevertrouwd.

Hij weet dat “God zal horen en hen vernederen” (vers 2020God zal horen en hen vernederen
– Hij, Die van oudsher troont – /Sela/
omdat bij hen geen enkele verandering is
en zij God niet vrezen.
)
. God is immers Degene “Die van oudsher troont”. Davids vijanden kunnen hem van zijn troon verjagen, maar het is onmogelijk God van de troon te stoten. God zit op de troon en bestuurt alles. Zijn bestuur is ten gunste van de Zijnen en betekent oordeel voor de goddelozen.

De goddelozen worden geoordeeld “omdat bij hen geen enkele verandering is en zij God niet vrezen”. God spreekt meerdere keren tot de mens om hem van zijn dwaalweg af te brengen. Maar als zij onveranderlijk blijven in hun manier van leven en hun eigen weg blijven gaan, zal Hij hen vernederen. Hun vertrouwen op eigen kracht en vermogen bewijst dat zij God niet vrezen, dat zij geen enkel respect voor Hem hebben.

Dat zij niet veranderen en God niet vrezen, laten ze zien door hun handen te slaan “aan wie vrede met hem had” (vers 2121Hij slaat zijn handen aan wie vrede met hem had,
hij ontheiligt zijn verbond.
)
. David verwijst nog een keer naar het trouweloze handelen van zijn leidsman en bekende. Die heeft zich aan hem vergrepen door zijn ongeluk te zoeken, terwijl David vrede met hem had. Door die verraderlijke actie heeft hij het vriendschapsverbond ontheiligd.

Het verraad is het verraad van de mond (vers 2222Zijn mond is gladder dan boter,
maar zijn hart wil strijd;
zijn woorden zijn zachter dan olie,
maar het zijn getrokken zwaarden.
)
. Zijn mond is “gladder dan boter” (vgl. Sp 16:2828Een verderfelijke man brengt ruzie teweeg,
en een lasteraar maakt scheiding tussen de beste vrienden.
; Jr 9:4-54Laat eenieder voor zijn naaste op zijn hoede zijn,
en vertrouw op geen enkele broeder,
want elke broeder doet niet anders dan bedriegen,
en elke vriend gaat rond [met] lasterpraat.
5Eenieder bedriegt zijn naaste,
zij spreken niet de waarheid.
Zij leren hun tong leugens te spreken,
zij vermoeien zich met onrecht doen.
)
. Hij is een glibberige huichelaar, zijn woorden hebben geen enkele waarde. Het boterzachte van zijn mond camoufleert zijn hart dat op strijd uit is (Jr 9:88Hun tong is een moordende pijl,
bedrog spreekt hij.
Met zijn mond spreekt men van vrede met zijn naaste,
maar in zijn binnenste legt men hem een hinderlaag.
)
. Zijn hart is boordevol plannen om zijn vriend te bestrijden.

De woorden die uit zijn mond komen “zijn zachter dan olie” (vgl. Sp 5:33Want de lippen van een vreemde [vrouw] druipen van honingzeem,
haar gehemelte is gladder dan olie,
)
. Olie is bedoeld om pijn te bestrijden (Js 1:66Vanaf de voetzool tot het hoofd toe
is er geen gezonde plek aan:
wonden en striemen
en gapende wonden,
niet uitgedrukt, niet verbonden,
en niet met olie verzacht.
)
. Zijn woorden bestrijden echter geen pijn, maar veroorzaken pijn, want “het zijn getrokken zwaarden”. Zijn vleitaal is levensgevaarlijk, want hij is uit op het zaaien van dood en verderf


Vertrouwen op God

23Werp uw zorg op de HEERE,
en Híj zal u onderhouden;
Hij zal voor eeuwig niet toelaten
dat de rechtvaardige wankelt.
24Maar U, o God, U zult de mannen van bloed en bedrog
doen neerdalen in de put van het verderf;
zij zullen [nog] niet de helft van hun dagen bereiken.
Ik echter vertrouw op U.

Na de vrede van vers 1919Hij heeft mijn ziel in vrede verlost
van de strijd tegen mij,
want met velen waren zij tegen mij.
kan het gewicht van de zorg of de last op de HEERE worden geworpen (vers 2323Werp uw zorg op de HEERE,
en Híj zal u onderhouden;
Hij zal voor eeuwig niet toelaten
dat de rechtvaardige wankelt.
)
. In Psalm 37 heeft David gezegd, tegen zichzelf en tegen anderen, dat ze hun weg op de HEERE moeten werpen (Ps 37:55Wentel uw weg op de HEERE/gimel/
en vertrouw op Hem: Híj zal het doen.
)
. Nu zegt hij dat ze hun zorg op Hem moeten werpen. De oplossing voor de beproevingen is niet ervoor weglopen, maar ze op de Heer werpen (1Pt 5:77terwijl u al uw bezorgdheid op Hem werpt, want Hij zorgt voor u.). Dit veronderstelt een activiteit van de gelovige, hij moet dat doen.

Als hij dat doet, houden de beproevingen op wat hun verlammende effect betreft en wordt de basis voor een constant vertrouwen gelegd. Wat de beproeving of moeilijkheid ook mag zijn, we mogen die op de Heer werpen. Dan bestaat de beproeving nog wel, maar Hij, de Heer, zal ons te midden daarvan “onderhouden”.

In Zijn onwankelbare trouw is Hij bij ons in de beproeving. Dat is niet een tijdelijke zaak. We zullen ervaren dat Hij “voor eeuwig niet toelaten” zal “dat de rechtvaardige wankelt”. Dit is beter dan de afwezigheid van het kwaad. Het is onmogelijk dat Hij het kwaad de overwinning laat behalen. Wij moeten leren te midden van het kwaad op Hem te vertrouwen. Hij laat het kwaad nog bestaan om ons te midden daarvan te onderhouden.

De mannen van bloed en bedrog, zoals Achitofel en Judas, zijn vroegtijdig neergedaald “in de put van het verderf” (vers 2424Maar U, o God, U zult de mannen van bloed en bedrog
doen neerdalen in de put van het verderf;
zij zullen [nog] niet de helft van hun dagen bereiken.
Ik echter vertrouw op U.
; 2Sm 17:14,2314Toen zei Absalom, met alle mannen van Israël: De raad van Husai, de Archiet, is beter dan de raad van Achitofel. De HEERE had het echter [zo] beschikt om de goede raad van Achitofel te verijdelen, opdat de HEERE het kwaad over Absalom zou brengen.23Toen Achitofel zag dat zijn raad niet uitgevoerd was, zadelde hij de ezel en maakte zich gereed. Hij ging naar zijn huis in zijn stad, regelde [de zaken] van zijn huis en hing zich op. Zo stierf hij en werd begraven in het graf van zijn vader.; Mt 27:55En na de zilverlingen in het tempelhuis geworpen te hebben vertrok hij en ging weg en hing zich op.)
. David daarentegen vertrouwt op God. God zal hemhoren en redden, hem ondersteunen onder zijn last, hem alles geven wat hij nodig heeft om zijn taak op aarde te verrichten. David zal de raad van God dienen (Hd 13:3636Want nadat David in zijn eigen geslacht de raad van God had gediend, is hij wel ontslapen en bij zijn vaderen bijgezet en heeft ontbinding gezien,) en daarna in heerlijkheid door God worden ontvangen.


Lees verder