Psalmen
1-2 Opschrift 3-5 Verlossing door Gods Naam 6-7 God is Helper 8-9 De Naam van de HEERE loven
Opschrift

1Een onderwijzing van David, voor de koorleider, bij snarenspel;2toen de Zifieten gekomen waren en tegen Saul gezegd hadden: Verbergt David zich niet bij ons?

Deze psalm is “een onderwijzing van David” (vers 11Een onderwijzing van David, voor de koorleider, bij snarenspel;). Het is een maskil. Zie verder bij Psalm 32:1. Het is een onderwijzing “voor de koorleider”. Zie verder bij Psalm 4:1. Het is ook een onderwijzing “bij snarenspel”. Zie verder bij Psalm 4:1.

Dit is één van de veertien psalmen die in het opschrift de aanleiding van hun ontstaan vermelden (Psalmen 3; 7; 18; 30; 34; 51; 52; 54; 56; 57; 59; 60; 63; 142). In de tijd dat David op de vlucht is voor Saul, hebben de Zifieten twee keer aan Saul doorgegeven waar David zich verbergt (1Sm 23:1919Toen trokken de Zifieten naar Saul in Gibea en zeiden: [Weet u] niet dat David zich bij ons verborgen heeft in de bergvestingen in Choresa, op de heuvel van Hachila, die ten zuiden van de wildernis ligt?; 26:11De Zifieten kwamen bij Saul in Gibea en zeiden: Houdt David zich niet verborgen op de heuvel Hachila, tegenover de wildernis?). Dit verraad is de aanleiding voor deze psalm (vers 22toen de Zifieten gekomen waren en tegen Saul gezegd hadden: Verbergt David zich niet bij ons?). Veel van deze psalm is van toepassing op ons, die ook te lijden hebben van wat mensen ons aandoen omdat we van Christus zijn.


Verlossing door Gods Naam

3O God, verlos mij door Uw Naam,
verschaf mij recht door Uw macht.
4O God, luister naar mijn gebed,
neem de woorden van mijn mond ter ore.
5Want vreemden staan tegen mij op,
geweldplegers staan mij naar het leven;
zij houden God niet voor ogen. /Sela/

David vraagt aan God om hem door Zijn Naam van zijn vijanden verlossen (vers 33O God, verlos mij door Uw Naam,
verschaf mij recht door Uw macht.
)
. De “Naam” staat voor alles wat God is, voor Zijn Wezen en al Zijn eigenschappen. Een van die eigenschappen is Zijn macht tot het uitoefenen van gerechtigheid. David vraagt of God hem door Zijn macht recht wil verschaffen. Profetisch is het de taal van het gelovig overblijfsel in de eindtijd als zij verdrukt worden door de eigenwillige valse koning, de antichrist.

David richt zich tot God, niet tot de HEERE. Dat doet hij pas aan het einde van de psalm (vers 88Ik zal U vrijwillig offers brengen;
ik zal Uw Naam loven, HEERE, want hij is goed.
)
. Nu gaat het erom dat God Zijn macht toont tegenover vijandige mensen. Zijn vijanden meten hun kracht met die van David. David gaat de vijanden echter niet in eigen kracht te lijf, maar doet een beroep op de macht van God. Daar hebben zijn vijanden geen oog voor, maar David des te meer. Hij weet dat hij in zijn recht staat en hij vraagt aan God om dat door Zijn macht aan zijn vijanden te tonen.

Nadat David in vers 33O God, verlos mij door Uw Naam,
verschaf mij recht door Uw macht.
direct met zijn nood bij God is gekomen, vraagt hij vervolgens aan God om naar zijn gebed te luisteren (vers 44O God, luister naar mijn gebed,
neem de woorden van mijn mond ter ore.
)
. Zijn gebed bestaat uit “de woorden van mijn mond”. Hij maakt God in duidelijke woorden bekend wat zijn nood is en wat hij graag wil dat God doet. Zo mogen ook wij door onze woorden onze nood bij God bekendmaken (vgl. Fp 4:66Weest in niets bezorgd, maar laat in alles, door gebed en smeking met dankzegging, uw verlangens bekend worden bij God.).

Dan omschrijft David wat hem bezighoudt, wat zijn nood is (vers 55Want vreemden staan tegen mij op,
geweldplegers staan mij naar het leven;
zij houden God niet voor ogen. /Sela/
)
. Er zijn “vreemden” tegen hem opstaan en die willen hem doden. Deze vreemden zijn mensen die wel uiterlijk, maar niet in waarheid tot Gods volk behoren, want zij willen Gods gezalfde koning ombrengen. In de eindtijd zijn zij het afvallige Israël onder aanvoering van de antichrist. Deze mensen zijn gewelddadig en staan het overblijfsel naar het leven. Zij willen hen doden.

Ze zijn op David als op een misdadiger gericht en niet op God. Ze houden God niet voor ogen en rekenen niet met Zijn gezag. Als ze dat wel zouden doen, zouden ze David zien, zoals God hem ziet. Maar Hij staat hun niet voor ogen, ze denken niet aan Hem, aan Zijn macht en Zijn gerechtigheid. De gelovige, David, het overblijfsel, doen dat wel (Ps 16:88Ik stel mij de HEERE voortdurend voor [ogen];
omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet.
)
.


God is Helper

6Zie, God is mijn Helper,
de Heere is onder hen die mijn ziel ondersteunen.
7Hij zal mijn belagers dit kwaad vergelden;
breng hen om vanwege Uw trouw.

Dan wendt David zijn blik van de mensen af die hem naar het leven staan en richt zijn ogen met een nadrukkelijk “zie” vol vertrouwen op God (vers 66Zie, God is mijn Helper,
de Heere is onder hen die mijn ziel ondersteunen.
)
. God is zijn Helper. Dat heeft hij vaak ervaren en daar rekent hij nu ook weer op. Hij weet dat “de Heere”, dat is Adonai, de soevereine Heerser van het heelal, “onder hen” is die zijn “ziel ondersteunen”. Zijn ziel, zijn leven, wordt belaagd en dreigt te wankelen. Maar hij zal niet vallen want de Heere ondersteunt hem. Hij heeft er oog voor dat zijn trouwe volgelingen hem ook tot steun zijn, maar ook zij kunnen dat alleen zijn omdat God ook hen helpt.

David neemt het recht niet in eigen hand, maar laat het aan God over zijn belagers het kwaad te vergelden (vers 77Hij zal mijn belagers dit kwaad vergelden;
breng hen om vanwege Uw trouw.
; Rm 12:1919Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn; want er staat geschreven: ‘Aan Mij de wraak, Ik zal vergelden, zegt [de] Heer’.)
. God zal met hen handelen naar wat ze verdienen. Hij vertrouwt erop dat God dat zal doen omdat Hij trouw is aan Zichzelf. Dat betekent dat Hij rechtvaardig met het kwaad dat de Zijnen wordt aangedaan, zal handelen. Hij kan Zichzelf niet verloochenen en daarom zal Hij in Zijn trouw de onboetvaardige kwaaddoeners ombrengen (vgl. 2Tm 2:1313als wij ontrouw zijn – Hij blijft trouw, want Zichzelf kan Hij niet verloochenen.).


De Naam van de HEERE loven

8Ik zal U vrijwillig offers brengen;
ik zal Uw Naam loven, HEERE, want hij is goed.
9Want Hij heeft mij gered uit alle nood;
mijn oog heeft [de val] van mijn vijanden gezien.

Na zijn verlossing zal hij God “vrijwillig offers brengen” (vers 88Ik zal U vrijwillig offers brengen;
ik zal Uw Naam loven, HEERE, want hij is goed.
)
. Hij handelt niet uit verplichting of dwang, hij doet het niet omdat het formeel zo hoort, hij doet het omdat hij dankbaar is. Bij deze offers zal hij de Naam van God, die “HEERE” is, loven. Hij zal dat doen omdat die Naam goed is. De naam HEERE is de Naam die de verbondsrelatie met Zijn volk aangeeft. Op grond van die Naam handelt God ten gunste van hen die met Hem in deze verbondsrelatie staan.

De goedheid van die Naam heeft hij getoond door David, en in hem het overblijfsel, uit alle nood te redden (vers 99Want Hij heeft mij gered uit alle nood;
mijn oog heeft [de val] van mijn vijanden gezien.
)
. Het bewijs hebben ze gezien: ze hebben door Gods optreden ten gunste van hen hun vijanden zien vallen. Al de boosaardige pogingen om hem om te brengen zijn door de HEERE verijdeld. Nu liggen zij verslagen terneer en David ziet het en weet dat hij bevrijd en veilig is.


Lees verder