Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-4 Er is niemand die goeddoet 5-6 Door God verworpen 7 Verlangen naar verlossing
Inleiding

De inhoud van deze psalm is voor een groot deel gelijk aan de inhoud van Psalm 14. Een opmerkelijk verschil is dat waar in Psalm 14 de naam “HEERE” staat, die naam in Psalm 53 is veranderd in “God”. ‘HEERE’ is de vertaling van Jahweh, de naam van God als de God van het verbond met Zijn volk. In deze psalm wordt het bestaan van God als de Schepper en Onderhouder van het heelal en de God van alle mensen geloochend. Wat van de enkeling Doëg in Psalm 52 wordt gezegd, geldt volgens Psalm 53 voor alle mensen.


Opschrift

1Een onderwijzing van David, voor de koorleider, op Machalath.

Deze psalm is weer “een onderwijzing van David”. Zie verder bij Psalm 52:1 en Psalm 32:1. Het is een onderwijzing “voor de koorleider”. Zie verder bij Psalm 4:1.

Het is een psalm “op Machalath”, een uitdrukking die alleen nog voorkomt in het opschrift van Psalm 88 (Ps 88:11Een lied, een psalm van de zonen van Korach, voor de koorleider, op Machalath Leannoth; een onderwijzing van Heman, de Ezrahiet.). Er wordt verondersteld dat het woord ‘machalath’ is afgeleid van een woord voor ‘ziekte’. Dat is ook wel in overeenstemming met de inhoud van de psalm die de totale verdorvenheid van de mens beschrijft.


Er is niemand die goeddoet

2De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk, zij bedrijven gruwelijk onrecht;
er is niemand die goeddoet.
3God heeft uit de hemel neergezien
op de mensenkinderen,
om te zien of er iemand verstandig was,
iemand die God zocht.
4Ieder van hen heeft zich afgekeerd, tezamen zijn zij verdorven,
er is niemand die goeddoet,
zelfs niet één.

David weet niet alleen wat de dwaas zegt, hij weet ook waar hij het zegt. Door het onderricht van God weet hij dat de dwaas “in zijn hart” zegt dat er geen God is (vers 22De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk, zij bedrijven gruwelijk onrecht;
er is niemand die goeddoet.
)
. Het hart is de bron van alle gedachten, die in het leven worden uitgewerkt. “De dwaas” is niet noodzakelijk een dom iemand. Hij kan een zeer intelligente persoon zijn. Maar God noemt zo iemand dwaas omdat hij in zijn hart Zijn bestaan loochent.

Het is een willens en wetens negeren van Zijn bestaan. Hij weigert opzettelijk de waarheid van Gods bestaan te erkennen, want hij haat de gedachte dat er een God is Die hem kent en aan Wie hij verantwoording schuldig is (vgl. Jh 3:2020Want ieder die kwade dingen bedrijft, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet bestraft worden.). Het is het tegenovergestelde van het begin van de wijsheid, want dat is het vrezen van God (Sp 1:77De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis,
dwazen verachten wijsheid en vermaning.
)
waardoor de wijze in alles rekening houdt met God. Bij de dwaas ontbreekt het geringste spoortje wijsheid.

Vervolgens beschrijft David het resultaat van het ontkennen van het bestaan van God. Mensen die het bestaan van God ontkennen, “handelen verderfelijk”. Ook bedrijven zij “gruwelijk onrecht”. Ze kunnen niet anders, want ze verachten de bron van het goede, de bron die als enige goed is en het goede geeft. Zij hebben geen ander referentiekader dan hun eigen verdorven hart. De Heer Jezus vertelt wat er allemaal uit een dergelijk hart voorkomt (Mt 15:1919Want uit het hart komen voort boze overleggingen, moorden, overspel, hoererijen, diefstallen, valse getuigenissen, lasteringen.).

En dit geldt voor ieder mens. Daarom is er “niemand die goeddoet”. Het gaat niet om de neiging om het kwade te doen, maar de onmogelijkheid om het goede te doen. Atheïsme, de loochening van het bestaan van God, is geen onschuldige vergissing, maar een openlijke en afschuwelijke zonde. Er is geen enkele verontschuldiging voor die zonde te bedenken die door God als excuus kan worden aanvaard.

God heeft David laten weten dat Hij “uit de hemel” heeft “neergezien op de mensenkinderen, om te zien of er iemand verstandig was, iemand die God zocht” (vers 33God heeft uit de hemel neergezien
op de mensenkinderen,
om te zien of er iemand verstandig was,
iemand die God zocht.
)
. De mens sluit God wel buiten, maar God vergeet de mens niet. Hij ziet altijd neer op de mens om te zien of er ook maar iemand is die zo verstandig is dat hij op zoek gaat naar God.

Het is een grote dwaasheid van de mens te menen dat door zijn ontkenning van God er ook geen God is. Vanuit Zijn verheven woonplaats neemt God alles waar wat de mens denkt en doet. Wij moeten leren alles van bovenaf te zien, vanuit het gezichtsveld van de hemel, de plaats waar God woont. Zijn beoordeling is volmaakt zuiver, zonder vertroebeling door aardse relaties of omstandigheden.

God heeft moeten constateren dat “ieder van hen … zich afgekeerd” heeft (vers 44Ieder van hen heeft zich afgekeerd, tezamen zijn zij verdorven,
er is niemand die goeddoet,
zelfs niet één.
)
. Dit is wat ieder persoonlijk heeft gedaan. Ieder is zijn eigen weg gegaan, een weg van God af, met de rug naar God toe (Js 53:6a6Wij dwaalden allen als schapen,
wij keerden ons ieder naar zijn [eigen] weg.
Maar de HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen
op Hem doen neerkomen.
)
. Het gemeenschappelijk resultaat is dat zij “tezamen zijn … verdorven”. Het woord voor ‘verdorven’ is het woord dat wordt gebruikt voor ‘zuur geworden’, zoals dat met melk kan gebeuren. Melk is er om te worden gedronken. Gebeurt dat niet en laat men ze staan, dan wordt ze zuur. Dan is ze niet meer te drinken en wordt weggegooid. Zo is het met mensen die hun leven niet gebruiken voor het doel waartoe God het hun heeft gegeven, dat is om Hem mee te dienen en te verheerlijken. Dat leven is verdorven.

De conclusie is een bevestiging van wat al in vers 22De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk, zij bedrijven gruwelijk onrecht;
er is niemand die goeddoet.
is gezegd dat er niemand is die goeddoet. Door eraan toe te voegen dat er “zelfs niet één” is, wordt er geen enkele ruimte gelaten voor een uitzondering. Het oordeel is algemeen. Het betreft niet alleen de atheïst van vers 22De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk, zij bedrijven gruwelijk onrecht;
er is niemand die goeddoet.
, maar het geldt voor ieder mens, wie hij ook is. Het is het doodsoordeel over het menselijke ras, over de in de zonde gevallen mensheid in haar geheel.


Door God verworpen

5Hebben zij dan geen kennis die onrecht bedrijven,
die mijn volk opeten [alsof] zij brood aten?
Zij roepen God niet aan.
6Daar zijn zij door angst bevangen,
[maar] er was niets angst[wekkends];
want God heeft de beenderen van uw belagers verstrooid.
U hebt hen te schande gemaakt,
omdat God hen heeft verworpen.

Nadat David de gevallen mensheid heeft gezien, gaat hij nu spreken over Gods volk te midden van die gevallen mensheid. Hij vraagt zich verbaasd af hoe het zit met de kennis van hen “die onrecht bedrijven” (vers 55Hebben zij dan geen kennis die onrecht bedrijven,
die mijn volk opeten [alsof] zij brood aten?
Zij roepen God niet aan.
)
. Het lijkt alsof deze mensen, die geen kennis van God hebben en dus ook niet van hen die met Hem verbonden zijn, kunnen doen wat ze willen. Daarbij hebben ze het vooral op ‘zijn volk’, dat zijn Gods gunstelingen, voorzien.

De dwazen doen zich tegoed aan zijn volk, dat zij opeten alsof ze brood eten. Het hoeft ons niet te verbazen dat deze goddelozen zo handelen. Het zijn mensen die niet de geringste verbinding met God hebben. Ze roepen Hem niet aan, want Hij bestaat voor hen niet. Daarom gedragen ze zich nog erger dan dieren, want die schreeuwen nog tot God als ze honger hebben en God hoort naar hen. Maar zij hebben Hem niet nodig, want ze vertrouwen op hun rijkdom (vgl. Sp 18:1111Het bezit van een rijke is zijn sterke stad,
als een hoge muur, in zijn verbeelding.
)
.

Dan wijst David op de angst die hen beheerst als gevolg van Gods oordeel (vers 66Daar zijn zij door angst bevangen,
[maar] er was niets angst[wekkends];
want God heeft de beenderen van uw belagers verstrooid.
U hebt hen te schande gemaakt,
omdat God hen heeft verworpen.
)
. Zij die zeggen dat ze geen angst voor God hebben, zijn daarom niet zonder angst (vgl. Hb 2:1515en allen zou verlossen die uit vrees voor [de] dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren.). Bij al hun snoeverij en pochen op hun rijkdom en zogenaamde wijsheid worden ze “door angst bevangen” en dat terwijl er “niets angst[wekkends]” is (vgl. Lv 26:3636En wie van u overgebleven zijn, zal Ik in de landen van hun vijanden angst inboezemen, zodat het geritsel van een opdwarrelend blaadje hen [al] opjagen zal. Zij zullen op de vlucht slaan alsof ze voor een zwaard op de vlucht slaan, en neervallen, terwijl niemand [hen] opjaagt.; Jb 15:2121Het geluid van angstaanjagende dingen [klinkt] in zijn oren;
[zelfs] tijdens de vrede komt de verwoester naar hem toe.
; Sp 28:1a1Goddelozen vluchten terwijl er geen vervolger is,
maar een rechtvaardige heeft [zelf]vertrouwen als een jonge leeuw.
)
. Hij beschrijft het alsof ze al angstig rondlopen. In het geloof ziet hij waar het met deze snoevers en pochers op uitloopt.

David ziet een slagveld voor zich met daarop de beenderen van de belagers die daar door God verstrooid liggen. Hij ziet vergane lijken, waarvan alleen de beenderen nog over zijn. Ze zijn ook niet begraven, waardoor zij door God “te schande gemaakt” zijn. Niet begraven worden is een grote schande is (vgl. Js 14:19-2019Maar ú bent weggeworpen, [ver] van uw graf,
als een verafschuwde loot
bedolven onder gedoden, die met het zwaard zijn doorstoken
[en] neergedaald in een steengroeve;
[u bent] als een lijk dat is vertrapt.
20U zult in het graf niet met hen verenigd worden,
want u hebt uw land te gronde gericht
en uw volk gedood.
Voor eeuwig zal niet [meer] genoemd worden
het nageslacht van de kwaaddoeners.
; Ez 6:55Ik zal de dode lichamen van de Israëlieten vóór hun stinkgoden leggen en Ik zal uw beenderen rondom uw altaren verstrooien.)
. Omdat zij God hebben verworpen, heeft Hij hen verworpen


Verlangen naar verlossing

7Och, dat Israëls volkomen verlossing uit Sion kwam!
Wanneer God de gevangenen van Zijn volk laat terugkeren,
[dan] zal Jakob zich verheugen, Israël zal verblijd zijn.

De rechtvaardige hoopt voor de volkomen verlossing van Israël op God (vers 77Och, dat Israëls volkomen verlossing uit Sion kwam!
Wanneer God de gevangenen van Zijn volk laat terugkeren,
[dan] zal Jakob zich verheugen, Israël zal verblijd zijn.
)
. Hij kijkt daarvoor naar Sion, de woonplaats van God. Daaruit moet de verlossing komen. De volkomen verlossing betekent zowel de bevrijding van het verdrukte volk als de terugkeer van de gevangenen van Gods volk uit de verstrooiing.

Dan is het hele volk in de zegen, wat tot vreugde van Jakob en tot blijdschap van Israël zal zijn. De naam Jakob doet denken aan de beloften van God die Hij aan Jakob heeft gedaan en die Hij zal vervullen, ondanks de ontrouw die Jakob vaak heeft laten zien. De naam Israël doet denken aan wat God van Jakob heeft gemaakt, aan de positie en de voorrechten die Hij hem heeft gegeven.


Lees verder