Psalmen
Inleiding 1-6 God komt als Rechter 7-15 De Godvrezende aangeklaagd 16-21 De goddeloze aangeklaagd 22-23 Waarschuwing en belofte
Inleiding

Hier begint een nieuw gedeelte van het tweede boek van Psalmen. Psalmen 50 en 51 sluiten op elkaar aan. In Psalm 50 spreekt God tot de mens, in Psalm 51 spreekt de mens tot God. Psalm 50 gaat over de zonde tegen God, Psalm 51 gaat over de zonde tegen de naaste. God heeft die twee rechtszaken met Zijn volk. Het volk heeft tegen Hem gezondigd door de afgoden te gaan dienen. Het volk heeft tegen de Naaste, de Heer Jezus, gezondigd door Hem te verwerpen.

In Psalm 50 spreekt God erover dat Hij geen dierlijke offers wil, maar lofoffers uit het hart. In Psalm 51 spreekt de mens die zijn zonden erkent over offers van een verbroken en verbrijzelde geest.

In veel psalmen wordt het volk van God samengeroepen om God te eren en te prijzen en zich in Hem te verheugen. Dat is in Psalm 50 niet zo. Deze psalm beschrijft een God Die zowel de Rechter als de aanklager van Zijn volk is. De toon is daardoor ernstig.


God komt als Rechter

1Een psalm van Asaf.
De God der goden, de HEERE, spreekt,
en roept de aarde,
vanwaar de zon opkomt
tot waar hij ondergaat.
2Uit Sion, de volmaakte schoonheid,
verschijnt God blinkend.
3Onze God komt en zal niet zwijgen;
voor Zijn aangezicht verteert een vuur,
rondom Hem stormt het geweldig.
4Hij roept tot de hemel daarboven
en tot de aarde, om over Zijn volk recht te spreken:
5Verzamel Mij Mijn gunstelingen,
die een verbond met Mij sluiten door offers.
6De hemel verkondigt Zijn gerechtigheid;
want God Zelf is Rechter. /Sela/

Dit is de eerste “psalm” van de twaalf psalmen “van Asaf” in Psalmen (vers 1a1Een psalm van Asaf.
De God der goden, de HEERE, spreekt,
en roept de aarde,
vanwaar de zon opkomt
tot waar hij ondergaat.
)
. Het gaat in deze psalm over het offeren aan God op een Hem welgevallige wijze. Asaf is daarvoor de geschikte persoon. Hij is het hoofd van de Levieten die dienaars zijn om God te loven en te prijzen (1Kr 16:4-5,74En hij stelde voor de ark van de HEERE [sommigen] uit de Levieten aan als dienaars, om van de HEERE, de God van Israël, melding te maken en [Hem] te loven en te prijzen.5Asaf was het hoofd, Zacharja de tweede na hem; [verder] Jeïel, Semiramoth, Jehiël, Mattithja en Eliab, Benaja, Obed-Edom en Jeïel, met instrumenten [als] luiten en met harpen. En Asaf liet zich horen met cimbalen,7Toen, op die dag, gaf David voor de eerste maal [deze psalm] om de HEERE te loven door de dienst van Asaf en zijn broeders.). Hij is ook een profeet en een ziener (1Kr 25:22Wat betreft de zonen van Asaf: Zakkur, Jozef, Nethanja en Asarela, zonen van Asaf; onder leiding van Asaf, die profeteerde onder leiding van de koning.; 2Kr 29:3030Daarna zeiden koning Hizkia en de leiders tegen de Levieten dat zij de HEERE prijzen moesten met de woorden van David en van Asaf, de ziener. En zij prezen [Hem] met blijdschap, en knielden en bogen zich.).

God begint met Zichzelf voor te stellen als “de God der goden, de HEERE” (vers 1b1Een psalm van Asaf.
De God der goden, de HEERE, spreekt,
en roept de aarde,
vanwaar de zon opkomt
tot waar hij ondergaat.
)
. Hij is de Opperrechter in het universum en is de HEERE, de God van het verbond met Zijn volk. Hij, God, spreekt, niet een mens. Daarom moet iedereen luisteren. Hij roept daartoe de aarde van oost tot west, van het ene einde tot het andere, op (vgl. Ml 1:1111Want vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenvolken; in elke plaats zal aan Mijn Naam een reukoffer gebracht worden, en een rein graanoffer. Voorzeker, Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenvolken, zegt de HEERE van de legermachten.; Ps 113:33Vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat,
zij de Naam van de HEERE geprezen.
)
. Alle inwoners over het rond van de aarde worden als getuigen opgeroepen in de rechtszaak die Hij met Zijn volk heeft.

Vervolgens verschijnt God (vers 22Uit Sion, de volmaakte schoonheid,
verschijnt God blinkend.
)
. Hij komt niet uit de hemel, maar “uit Sion”. Dat is Zijn woonplaats. Sion wordt hier “de volmaakte schoonheid” genoemd (vgl. Ps 48:33Mooi van ligging,
een vreugde voor heel de aarde,
is de berg Sion [aan] de noordzijde,
de stad van de grote Koning!
)
. Dat is de schoonheid die Hij haar heeft gegeven, want zij moet aan Hem beantwoorden. Hij is “blinkend”. Dat blijkt bij Zijn verschijning. Hij is volmaakt zuiver. Waar Hij verschijnt, straalt Hij blinkend licht uit. Hier staat het blinkende licht in verbinding met Zijn oordeel over hen die tot Hem naderen.

Asaf is betrokken bij de verschijning van God aan Zijn volk. Hij spreekt over de komst van “onze God” (vers 33Onze God komt en zal niet zwijgen;
voor Zijn aangezicht verteert een vuur,
rondom Hem stormt het geweldig.
)
. Het betreft Zijn komst om te oordelen. Uit het Nieuwe Testament weten we dat de komst van God ten oordeel gebeurt in de komst van de Zoon van God als de Mensenzoon (Mt 25:3131Wanneer nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid;; Hd 17:3131omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen door een Man Die Hij [daartoe] heeft bestemd, waarvan Hij aan allen zekerheid heeft gegeven door Hem uit [de] doden op te wekken.).

Onze God komt, zegt Asaf, en hoe. Hij zal niet langer zwijgen. Hij heeft lang gezwegen, maar gaat nu rechtspreken. Zijn komst gaat gepaard met een verterend vuur (2Th 1:77en aan u die verdrukt wordt, rust met ons bij de openbaring van de Heer Jezus van [de] hemel met [de] engelen van Zijn kracht, in vlammend vuur,; Hb 10:26-2726Want als wij moedwillig zondigen nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor [de] zonden meer over,27maar een vreselijke verwachting van oordeel en een felheid van vuur dat de tegenstanders zal verslinden.). Het doet denken aan Zijn verschijning op de Sinaï om de wet te geven (Ex 19:1818De berg Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de HEERE er in vuur neerdaalde. De rook ervan steeg omhoog als de rook van een oven, en heel de berg beefde hevig.). Dat geldt ook voor de geweldige storm rondom Hem waardoor alles beeft en schudt (Ex 19:1616En het gebeurde op de derde dag, toen het morgen werd, dat er op de berg donderslagen, bliksemflitsen en een zware wolk waren, en zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in het kamp was, beefde.). Zijn majestueuze, indrukwekkende verschijning hier past bij het recht dat Hij volgens de wet gaat toepassen op het volk.

In de rechtszaak die Hij met Zijn volk heeft, moeten de bewoners van de hemel daarboven en de bewoners van de aarde plaatsnemen in de getuigenbank (vers 44Hij roept tot de hemel daarboven
en tot de aarde, om over Zijn volk recht te spreken:
)
. Hij gaat “over Zijn volk recht … spreken” en Hij wil dat zij daar als getuigen bij zijn. Dat is niet om te beoordelen of Hij rechtvaardig handelt, maar om te constateren dat alles door Hem op volmaakt rechtvaardige wijze gebeurt. Het is om zo te zeggen geen rechtszitting achter gesloten deuren, maar een openbare, voor iedereen toegankelijke en door iedereen verifieerbare rechtszitting.

God roept Zijn volk op zich voor Hem te verzamelen (vers 55Verzamel Mij Mijn gunstelingen,
die een verbond met Mij sluiten door offers.
)
. De eersten die worden gedaagd zijn Gods “gunstelingen”. Dat Hij over hen als “Mijn gunstelingen” spreekt, bepaalt Zijn volk erbij dat zij in Gods gunst staan, dat God in genade met hen heeft gehandeld. Zij zijn het ware volk van God. Tegelijk wordt het volk er daardoor bij bepaald dat zij een grote verantwoordelijkheid hebben om daar ook mee in overeenstemming te leven. En daar heeft het bij hen aan ontbroken, zoals uit de aanklacht, die in de volgende verzen wordt voorgelezen, zal blijken.

Gods gunstelingen hebben met Hem een verbond gesloten. Zij staan met Hem in een verbondsrelatie. Daarbij hebben zij zich verplicht om Hem offers te brengen. Het vervullen van deze verplichting geeft hun het gevoel dat God nu wel tevreden met hen zal zijn. Ze zijn er in elk geval zelf dik tevreden mee en daarom, zo menen zij, zal God dat ook wel zijn.

Wat ze te horen krijgen, is dat het niet om hun beoordeling gaat, maar om de beoordeling van de hemel, ofwel die van God (vers 66De hemel verkondigt Zijn gerechtigheid;
want God Zelf is Rechter. /Sela/
)
. “Want God Zelf is Rechter.” De beoordeling ligt niet bij mensen, bij schepselen die hun eigen hart niet kennen, maar bij Hem Die het hart van de mens volkomen kent (Jr 17:9-109Arglistig is het hart, boven alles,
ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen?
10Ik, de HEERE, doorgrond het hart,
beproef de nieren,
en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen,
overeenkomstig de vrucht van zijn daden.
)
. Om een rechtvaardig oordeel te kunnen vormen en een rechtvaardig vonnis te kunnen uitvoeren is die kennis noodzakelijk. God heeft volkomen kennis van alle daden van alle mensen en van de motieven die daaraan ten grondslag liggen.

Er is geen hoger bewijs van een juiste beoordeling en van een juist uitvoering dan het feit dat God het heeft beoordeeld en heeft uitgevoerd. Hij is de Rechter van de hele aarde en Hij doet recht (Gn 18:25b25Er kan toch geen sprake van zijn dat U zoiets doet, dat [U] de rechtvaardige [samen] met de goddeloze doodt? Dan zal het zijn: zo de rechtvaardige zo de goddeloze. [Daar] kan bij U toch geen sprake van zijn! Zou de Rechter van de hele aarde geen recht doen?). Als Hij het heeft gedaan, doen wij er goed aan daar geen commentaar op te hebben, maar er van harte mee in te stemmen (vgl. Ps 39:1010Ik ben verstomd,
ik zal mijn mond niet opendoen,
want Ú hebt het gedaan.
)
.


De Godvrezende aangeklaagd

7Luister, Mijn volk, en Ik zal spreken,
Israël, Ik zal onder u getuigen:
Ik, God, ben uw God.
8Niet om uw offers zal Ik u straffen,
want uw brandoffers [houd] Ik voortdurend voor ogen.
9[Toch] hoef Ik uit uw huis geen jonge stier te nemen
[of] bokken uit uw kooien,
10want al de [wilde] dieren in het woud zijn van Mij,
de dieren op duizend bergen.
11Ik ken alle vogels van de bergen,
het wild van het veld is bij Mij.
12Als Ik honger had, Ik zou het u niet zeggen;
want van Mij is de wereld en al wat zij bevat.
13Zou Ik stierenvlees eten
of bokkenbloed drinken?
14Offer dank aan God
en kom aan de Allerhoogste uw geloften na.
15Roep Mij aan in de dag van benauwdheid;
Ik zal u eruit helpen en u zult Mij eren.

God wordt nu sprekend ingevoerd. Hij roept Zijn volk – “Mijn volk” – op om te luisteren, want Hij gaat spreken (vers 77Luister, Mijn volk, en Ik zal spreken,
Israël, Ik zal onder u getuigen:
Ik, God, ben uw God.
)
. De houding van luisteren is de grondhouding die ieder mens en in het bijzonder Gods volk past tegenover Hem. Vervolgens spreekt God Zijn volk als “Israël” aan, dat is het volk in de positie die Hij het heeft gegeven. ‘Israël betekent ‘vorst van God’.

God zegt dat Hij onder hen zal getuigen, want Hij heeft een rechtszaak met hen. Nadrukkelijk stelt Hij Zich aan hen voor: “Ik, God.” Hij, en niemand anders. Hij, God, de Schepper van het universum, de Heerser van het heelal, richt Zich tot hen. Die almachtige God staat met hen in een speciale relatie. Hij zegt: “Ik … uw God”.

Dit brengt Hem dichtbij. Hij neemt kennis van alles wat zij doen, vooral van hun offers waarmee zij bij Hem komen. Wat Hem daarbij zwaar op het hart ligt, is dat zij Hem wel formeel dienen, maar dat hun hart er niet bij betrokken is. Daarover gaat Hij met hen spreken, want ze hebben verkeerde opvattingen over hoe God hun offers ziet.

Formeel zijn ze goed bezig. Ze onthouden God hun offers niet, maar brengen die (vers 88Niet om uw offers zal Ik u straffen,
want uw brandoffers [houd] Ik voortdurend voor ogen.
)
, zoals Hij hun ook heeft voorgeschreven. Daar zal Hij hen dan ook niet om straffen. Hun brandoffers houdt Hij “voortdurend voor [ogen]” (vgl. Ex 29:4242Het moet een voortdurend brandoffer zijn, [al] uw generaties door, bij de ingang van de tent van ontmoeting, voor het aangezicht van de HEERE. Daar zal Ik u ontmoeten om daar met u te spreken.). Hij ziet met welke offers ze komen. Hij zegt er echter wel van dat het “uw offers” en “uw brandoffers” zijn, waarmee Hij zegt dat het hun offers zijn. Bij het offeren is niet God het middelpunt, maar zijn ze zelf het middelpunt. Zij zijn zo goed om hun offers te brengen, en daar zal God, zo veronderstellen zij, wel heel blij mee zijn.

Wat ze echter zijn vergeten, is dat God hun offers helemaal niet nodig heeft (vers 99[Toch] hoef Ik uit uw huis geen jonge stier te nemen
[of] bokken uit uw kooien,
)
. Ze menen dat God dankbaar zal zijn met de offerdieren die zij Hem brengen omdat Hij daar, volgens hen, behoefte aan heeft en zij in een behoefte van Hem voorzien. Maar een stier die als brandoffer dient en bokken die als zondoffer dienen, hoeft Hij helemaal niet. Ze menen dat Hij, net als heidense afgoden, gediend moet worden om Hem gunstig te stemmen. Dat Hij genaderd wil worden als de Gever en Verzoener, zijn ze uit het oog verloren.

God spreekt over een jonge stier “uit uw huis” en bokken “uit uw kooien”. Daarin ligt de gedachte dat ze bij God komen met hun offerdier als een groot cadeau dat ze toch maar uit hun eigen zak betalen. Zo willen ze God als het ware verplichten tot een tegenprestatie. Zij geven iets weg en God zal dat toch wel waarderen en vergoeden in de vorm van een speciale zegen. Dat ze alles van God hebben ontvangen en het Hem uit Zijn hand geven, zijn ze vergeten (vgl. 1Kr 29:14b14Want wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij de kracht zouden hebben om vrijwillig te geven zoals dit? Want van U is alles, en uit Uw hand hebben wij het U gegeven.; 1Ko 4:77Want wie onderscheidt u? En wat hebt u, dat u niet hebt ontvangen? En als u het dan hebt ontvangen, waarom beroemt u zich, alsof u het niet had ontvangen?).

Waar ze blind voor zijn, is dat Hij niets van het volk nodig heeft. Alle dieren, de wilde dieren “in het woud” en de tamme dieren “op duizend bergen”, zijn van Hem (vers 1010want al de [wilde] dieren in het woud zijn van Mij,
de dieren op duizend bergen.
)
. Daardoor heeft Hij er recht op en kan Hij erover beschikken waar en wanneer Hij maar wil. Daarom is Hij op geen enkele wijze afhankelijk van hun offers. Wat de mens bezit, bezit hij omdat God het hem heeft gegeven. God heeft de mens nooit de absolute heerschappij over iets gegeven. De mens is slechts Zijn rentmeester. Als zodanig is hij over alles wat hij heeft gekregen aan God verantwoording schuldig.

God ‘kent’ ook “alle vogels van de bergen” (vers 1111Ik ken alle vogels van de bergen,
het wild van het veld is bij Mij.
; vgl. Sp 12:1010De rechtvaardige kent het leven van zijn vee,
maar barmhartigheid van goddelozen is meedogenloos.
)
. Hij kent hun aantal, weet waar ze verblijven en zorgt er ook voor. Hij heeft er de beschikking over. Als Zijn volk Hem een vogel offert, hoeven ze niet te denken dat Hij erom verlegen zit. Hij zegt van “het wild van het veld” ook dat het “bij Mij” is. Ze zijn nooit uit Zijn tegenwoordigheid. Zodra Hij er een nodig zou hebben, kan Hij er een nemen. Het houdt ook vertrouwelijkheid en zorg in.

Niemand kan Hem iets geven wat Hij niet bezit. God heeft de offerdienst niet ingesteld omdat Hij die dieren nodig heeft, maar omdat het volk ze dringend nodig heeft. God is de gelukkige God (1Tm 1:1111volgens het evangelie van de heerlijkheid van de gelukkige God dat mij is toevertrouwd.), Die alles wat Hij nodig heeft in Zichzelf heeft. Hij heeft alle voldoening in Zichzelf. Niemand kan Hem iets geven wat Hij niet bezit en nodig zou hebben.

Stel, zegt God, dat Ik honger zou hebben, dan zou Ik het niet tegen jullie zeggen, Ik zou het jullie niet laten weten (vers 1212Als Ik honger had, Ik zou het u niet zeggen;
want van Mij is de wereld en al wat zij bevat.
)
. Als Ik iets zou willen eten, kan Ik daarvoor in de hele wereld die Ik heb geschapen terecht, want de wereld en al wat ze bevat, is van Mij. Zij kan Mij alles geven wat Ik zou willen. God zegt dit om aan te geven hoe absurd het is te veronderstellen dat Hij in enig opzicht van de mens afhankelijk zou zijn of aan de mens verplicht zou zijn.

Met verontwaardiging stelt God de vraag die diep in hun geweten moet doordringen of Hij werkelijk stierenvlees zou eten en bokkenbloed zou drinken (vers 1313Zou Ik stierenvlees eten
of bokkenbloed drinken?
)
. Hij maakt hierdoor aan Zijn volk duidelijk wat voor dwaze gedachten zij hebben bij de offers die ze Hem brengen. Wat een primitieve gedachten kan Gods volk toch over het dienen van Hem hebben. Dit gebeurt door de invloed die de volken om hen heen hebben, door zich open te stellen voor hun manier van dienen van hun goden. De afgodspriesters eten wat aan de afgoden is geofferd, wat de indruk geeft dat de afgoden het opeten. Ze zijn vergeten dat God een Geest is.

Wat Hij wil, is dat ze Hem hun dank offeren (vers 1414Offer dank aan God
en kom aan de Allerhoogste uw geloften na.
)
. Niet Hij moet hen bedanken voor hun offers, maar zij moeten Hem bedanken voor Wie Hij is en wat Hij voor hen heeft gedaan. Ze hebben beloofd dat ze Hem die dankoffers zullen brengen (vgl. Lv 7:11-2111Dit nu is de wet voor het dankoffer dat men aan de HEERE moet aanbieden.12Als [iemand] het als lofoffer aanbiedt, dan moet hij naast het lofoffer ongezuurde koeken aanbieden, met olie gemengd, ongezuurde platte koeken met olie bestreken en koeken van door elkaar gemengd meelbloem met olie gemengd.13Bij de koeken moet hij als zijn offergave gezuurd brood aanbieden, samen met zijn lof- en dankoffer.14En van elke offergave moet hij één [koek] als een hefoffer aan de HEERE aanbieden. Het is voor de priester die het bloed van het dankoffer sprenkelt.15En het vlees van het lof- en dankoffer moet gegeten worden op de dag dat hij het aanbiedt. Men mag niets ervan tot de [volgende] morgen overlaten.16Maar als het slachtoffer dat hij aanbiedt, een gelofteoffer of een vrijwillige gave is, dan moet dat gegeten worden op de dag dat hij zijn offer aanbiedt; en wat ervan overblijft, mag ook de volgende dag gegeten worden.17Wat er dan [nog] van het vlees van het slachtoffer overgebleven is, moet op de derde dag in het vuur verbrand worden,18want als er op de derde dag ook maar [een deel] van het vlees van zijn dankoffer gegeten wordt, dan komt het hem die het aangeboden heeft, niet ten goede; het wordt [hem] niet toegerekend. Het is onrein vlees: de persoon die daarvan eet, moet zijn ongerechtigheid dragen.19Ook het vlees dat met iets onreins in aanraking is gekomen, mag niet gegeten worden. Het moet in het vuur verbrand worden. Maar wat het [andere] vlees betreft, ieder die rein is, mag [dat] vlees eten.20De persoon echter die vlees eet van het dankoffer, dat voor de HEERE is, terwijl hij onrein is, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden.21En wanneer een persoon met iets onreins in aanraking komt, [zoals] de onreinheid van een mens, of onreine dieren of een of ander onrein [en] afschuwelijk iets, en [toch] eet van het vlees van het dankoffer, dat voor de HEERE is, dan moet die persoon van zijn volksgenoten worden afgesneden.; Dt 23:21-2321Wanneer u de HEERE, uw God, een gelofte gedaan hebt, mag u niet aarzelen die na te komen, want de HEERE, uw God, zal dat zeker van u eisen, en [dan] zou er zonde in u zijn.22Maar als u ervan afziet een gelofte te doen, is er geen zonde in u.23Wat er over uw lippen komt, moet u houden en doen, net als wanneer u de HEERE, uw God, een vrijwillige gave beloofd hebt, iets wat u met uw [eigen] mond gesproken hebt.). Welnu, laten ze dat dan ook doen.

Hij is “de Allerhoogste” en weet wat ze hebben beloofd. Hij herinnert hen eraan. Ze kunnen geen loopje met Hem nemen. Het brengen van een gelofteoffer is niet om in Gods ‘levensonderhoud te voorzien, maar om daardoor aan te geven dat Zijn volk heeft opgemerkt dat Hij voor uitredding heeft gezorgd. Dat zijn de offers die Hij waardeert.

Het vraagt ook geen grote inspanning, maar een hart dat zich bewust is van Gods grote goedheid die Hij keer op keer toont. Het gaat God niet om grote offers die vele malen worden gebracht. Dat wil de mens wel, want dan kan hij wat doen. God vraagt niet om onze inspanning, de producten van ons werk, maar Hij vraagt ons hart (vgl. Mi 6:6-86Waarmee zal ik de HEERE tegemoet gaan
en mij buigen voor de hoge God?
Zal ik Hem tegemoet gaan met brandoffers,
met eenjarige kalveren?
7Zou de HEERE behagen scheppen in duizenden rammen,
in tienduizenden oliebeken?
Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding,
de vrucht van mijn [moeder]schoot voor de zonde van mijn ziel?8Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is.
En wat vraagt de HEERE van u
anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben
en ootmoedig te wandelen met uw God.
)
. Tegelijk is het wel veel wat God vraagt, ja, Hij vraagt alles: Hij vraagt ons hele hart (Sp 4:2323Bescherm je hart boven alles wat te behoeden is,
want daaruit zijn de uitingen van het leven.
)
, dat is ons hele leven.

In Zijn grote genade nodigt Hij hen uit Hem aan te roepen “in de dag van de benauwdheid” (vers 1515Roep Mij aan in de dag van benauwdheid;
Ik zal u eruit helpen en u zult Mij eren.
)
. Ze zullen Hem dan nodig hebben en Hij is voor hen beschikbaar. Hij zal hen uit de benauwdheid helpen en hun daarmee de aanleiding geven om Hem daarvoor te eren. Eren is het offeren van lof, maar is ook ruimer: het gehoorzamen aan alles wat Hij zegt. Eren is wat hen past en wat God graag van hen ziet. God heeft hen niet nodig, maar zij hebben Hem nodig. Hij komt niet in benauwdheid, maar zij komen erin.


De goddeloze aangeklaagd

16Maar tegen de goddeloze zegt God:
Hoe durft u over Mijn verordeningen te vertellen
en Mijn verbond in uw mond te nemen?
17Want ú haat de vermaning
en werpt Mijn woorden achter u weg.
18Ziet u een dief, dan loopt u met hem mee;
en uw deel is met overspelers.
19Uw mond gebruikt u voor het kwaad,
uw tong smeedt bedrog aan bedrog.
20U zit [daar] en spreekt [kwaad] tegen uw broeder,
u werpt een smet op de zoon van uw moeder.
21Zulke dingen doet u en Ik zwijg;
u denkt dat Ik net zo ben als u.
Ik zal u straffen en [uw zonden]
voor uw ogen uitstallen.

In dit gedeelte spreekt God “de goddeloze” aan (vers 1616Maar tegen de goddeloze zegt God:
Hoe durft u over Mijn verordeningen te vertellen
en Mijn verbond in uw mond te nemen?
)
. Dit is een ander gezelschap dan de ‘gunstelingen’ tot wie Hij in de vorige verzen spreekt. Die zijn de ware betekenis van de offers vergeten. De goddeloze echter is een lid van Gods volk die met God geen rekening houdt, terwijl hij de mond vol heeft over het doen van Zijn wil.

God houdt hem zijn vermetelheid voor dat hij over Zijn verordeningen vertelt, terwijl hij er zelf niet naar leeft. De goddeloze heeft zelfs de euvele moed om Gods verbond in zijn mond te nemen, zich erop te beroemen dat hij een lid van God volk is, terwijl hij met God totaal geen rekening houdt. Hij heeft een schijn van Godsvrucht, maar geen nieuw leven. Hij praat mooi, maar in zijn hart leeft de zonde.

Hij heeft de mond vol van Gods “verordeningen”, maar zijn leven is daar overduidelijk mee in strijd. Deze verordeningen zijn de voorschriften die God Zijn volk heeft gegeven over hun leven in het algemeen. Ze zullen hier echter vooral slaan op Zijn voorschriften met betrekking tot de offers.

God stelt hem de zonden die hij begaat duidelijk voor ogen. In scherpe bewoordingen laakt Hij zijn houding tegenover Hem (vers 1717Want ú haat de vermaning
en werpt Mijn woorden achter u weg.
)
. Hij kent zijn hart en weet dat hij de vermaning haat, terwijl die bedoeld is om hem te corrigeren en vervolgens te zegenen. Het woord “u” krijgt nadruk. Het betekent dat juist hij, die het zo goed weet en zich daar ook op beroemt, zo verdorven handelt (vgl. Rm 2:17-2317Als u nu een Jood genoemd wordt, op [de] wet steunt, in God roemt,18Zijn wil kent en beproeft wat het beste is, omdat u uit de wet bent onderwezen,19en van uzelf vertrouwt dat u een leidsman bent van blinden, een licht voor hen die in duisternis zijn,20een opvoeder van onverstandigen, een leermeester van onmondigen, daar u in de wet de belichaming van de kennis en de waarheid hebt, –21u dan die een ander leert, leert u zichzelf niet? U die predikt dat men niet mag stelen, steelt u?22U die zegt dat men geen overspel mag plegen, pleegt u overspel? U die de afgoden verfoeit, pleegt u tempelroof?23U die zich op [de] wet beroemt, onteert u God door de overtreding van de wet?). Uit het wegwerpen van Zijn woorden achter zich toont hij zijn huichelarij. Hij is een huichelaar van de bovenste plank.

De uitdrukking “Mijn woorden” doet denken aan “de Tien Woorden” (Dt 4:1313Hij maakte u Zijn verbond bekend, dat Hij u beval te doen, de Tien Woorden, en Hij schreef ze op twee stenen tafelen.), dat zijn de tien geboden die God Zijn volk heeft gegeven. In de volgende verzen houdt God de goddeloze enkele voorbeelden voor. Daaruit blijkt dat hij Zijn geboden met minachting behandelt door ze grof te overtreden (vgl. Jr 7:8-108Zie, u vertrouwt op bedrieglijke woorden die niet van nut zijn.9Stelen, doodslaan, overspel plegen, valse eden afleggen, reukoffers brengen aan de Baäl, andere goden achternagaan, die u niet gekend hebt,10en [dan] voor Mijn aangezicht komen staan in dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, en zeggen: Wij zijn gered – om al deze gruweldaden te doen?).

Als hij een dief ziet, hem ontmoet of leert kennen, dan loopt hij met hem mee (vers 1818Ziet u een dief, dan loopt u met hem mee;
en uw deel is met overspelers.
)
. Dat kan zijn om mee te doen met stelen, maar ook alleen maar om erbij te zijn. In elk geval veroordeelt hij de dief niet, maar praat zijn handelen goed of prijst hem zelfs. Zo overtreedt hij harteloos het gebod “u zult niet stelen” (Ex 20:1515U zult niet stelen.). De zonde ligt zowel in de daad als in de instemming ermee.

Wie het bezit van een ander niet eert, ontziet het ook niet om overspel te bedrijven met de vrouw van zijn naaste. Ook het gebod “u zult niet echtbreken” (Ex 20:1414U zult niet echtbreken.) wordt door de goddeloze schaamteloos overtreden. God zegt tegen hem dat zijn deel met overspelers is. Hij heeft deel aan hetzelfde waaraan overspelers deelhebben, dat is aan een vrouw die hun niet toebehoort.

Zijn mond gebruikt hij om kwaad te spreken, te lasteren en te bedriegen (vers 1919Uw mond gebruikt u voor het kwaad,
uw tong smeedt bedrog aan bedrog.
)
. Zijn tong is zo bedrieglijk, dat de ene na de andere leugen door hen wordt geuit. Zijn tong is een smederij van louter bedrog, het is een werktuig van de leugen. Zijn broer, zijn nauwste relatie, zijn familie, moet het ontgelden en wordt een mikpunt voor zijn kwaadsprekerij (vers 2020U zit [daar] en spreekt [kwaad] tegen uw broeder,
u werpt een smet op de zoon van uw moeder.
)
. Terwijl hij “zit”, wat kan wijzen op een rechtszitting waar eerlijk recht gesproken moet worden, spreekt hij kwaad. Hij beschuldigt zijn broer, “de zoon van uw moeder”, en werpt een smet op hem, dat wil zeggen dat hij hem in een kwaad daglicht stelt.

Dit zijn de zondige werken van de goddeloze (vers 2121Zulke dingen doet u en Ik zwijg;
u denkt dat Ik net zo ben als u.
Ik zal u straffen en [uw zonden]
voor uw ogen uitstallen.
)
. Toch grijpt God (nog) niet in en zwijgt. Daaruit trekt de goddeloze de verkeerde conclusie door te denken dat God net is als hij. Het geduld dat God heeft met het kwaad uitleggen als Zijn goedkeuring ervan, is dwaas (vers 2121Zulke dingen doet u en Ik zwijg;
u denkt dat Ik net zo ben als u.
Ik zal u straffen en [uw zonden]
voor uw ogen uitstallen.
; vgl. Pr 8:1111Omdat het vonnis over een slechte daad niet snel geveld wordt, daarom blijft het hart van de mensenkinderen in hen vervuld van kwaaddoen.; Ml 2:1717U vermoeit de HEERE met uw woorden,
toch zegt u: Waarmee vermoeien wij [Hem]?
Doordat u zegt: Iedereen die kwaad doet,
is in de ogen van de HEERE goed,
Híj is hun genegen.
Of: Waar is de God van het oordeel?
; 2Pt 3:3-53Weet dit eerst, dat er in [het] laatst van de dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen4en zeggen: Waar is de belofte van Zijn komst? Want sinds de vaderen zijn ontslapen, blijft alles zó [als] van [het] begin van [de] schepping.5Want moedwillig is hun dit onbekend, dat door het Woord van God [de] hemelen van oudsher waren en een aarde bestaande uit water en door water,)
. Wie dit doet, beoordeelt God naar zijn eigen, lage normen. Maar God is God en geen mens. Het zwijgen van God betekent niet dat hij het kwaad goedkeurt. Wie zo denkt, veracht Zijn goedertierenheid (Rm 2:44Of veracht u de rijkdom van Zijn goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, zonder te weten dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt?).

Omdat de goddeloze verkeerde conclusies trekt uit het zwijgen van God, zal God Zijn zwijgen verbreken en hen straffen. Hij zal daarbij zijn zonden voor zijn ogen “uitstallen” of in slagorde opstellen tegen hem. God zal hem ermee confronteren dat hij Zijn woorden verachtelijk heeft weggeworpen en al zijn overtredingen waaruit dat blijkt. Ze zullen hun ogen er niet voor kunnen sluiten, zo duidelijk zal Hij hun zonden aantonen. Dat zal Hij in het rechtsgeding als bewijs voor hun veroordeling aanvoeren. De straf die Hij uitvoert, zal ermee in overeenstemming zijn.


Waarschuwing en belofte

22Begrijp dit toch, u die God vergeet;
anders verscheur Ik, en er is niemand die redt.
23Wie dank offert, zal Mij eren;
wie [de rechte] weg gaat, zal Ik Gods heil doen zien.

Deze verzen zijn een samenvatting en een conclusie. Eerst wordt iets tegen de goddeloze gezegd (vers 2222Begrijp dit toch, u die God vergeet;
anders verscheur Ik, en er is niemand die redt.
)
. Als hij de inhoud begrijpt, is er nog redding voor hem mogelijk. Dan zal hij tot inkeer komen en erkennen dat hij God is vergeten. Dit is geen dommigheid, maar een schuldig vergeten door Hem uit zijn denken bannen. Begrijpt hij deze oproep niet, dan zal God hem verscheuren, zoals een leeuw zijn prooi verscheurt (vgl. Hs 5:1414Want Ik zal voor Efraïm zijn als een felle leeuw,
voor het huis van Juda als een jonge leeuw.
Ik, Ik verscheur en ga;
Ik sleep weg en er zal geen redder zijn.
)
. Dan is er geen redden meer aan. Als hij de enige mogelijkheid tot redding afwijst, is er niemand die hem nog zal kunnen redden.

Dan volgt er ten slotte een woord voor de Godvrezende (vers 2323Wie dank offert, zal Mij eren;
wie [de rechte] weg gaat, zal Ik Gods heil doen zien.
)
. Niet wie veel offers brengt zonder dat zijn hart erbij betrokken is, niet wie Gods voorschriften kan opsommen en intussen Gods woorden wegwerpt alsof ze onrein zijn, maar wie dank offert, die eert God. Daarin heeft God behagen.

Daarbij sluit aan dat hij de rechte weg gaat, dat is de weg van God. God is op die weg met hem. Hij zal hem daarop leiden en hem Zijn heil of behoudenis doen zien. De rechte weg eindigt in de volle behoudenis van het vrederijk. Dat is Góds behoudenis. God staat aan het einde van die weg. Het zijn bij Hem is de grote vreugde voor ieder die met Hem op weg is en met en voor Hem leeft.


Lees verder