Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-5 Hoor dit 6-16 Vertrouwen op rijkdom is dwaas 17-21 De dwaas vergaat
Inleiding

Psalm 49 is de laatste psalm van deze serie psalmen van de Korachieten. In deze psalm schilderen zij de leegte van de wereld in het licht van het oordeel van God aan het einde van de tijd. Die leegte zal dan voor iedereen zichtbaar zijn. Wat in deze psalm staat, maakt die leegte nu al duidelijk voor het geloof en zal daardoor nu al zijn effect hebben op alles wat we bezitten, zijn en nastreven.

We horen geen roepen tot God of een loven van Hem. De bedoeling van de psalm is ons het juiste zicht op de rijkdom te geven. Dat doet de psalmist onder de leiding van Gods Geest door de waarde van rijkdom te bezien tegen de achtergrond van de dood. De dood bewijst de dwaasheid van alle menselijke wijsheid en grootheid. Daar wordt in de wereld, en ook door vleselijk gezinde gelovigen, geen rekening mee gehouden. Het is echter een feit dat altijd waar is. Wie openstaat voor het onderwijs van deze psalm, zal daar volmondig en van harte mee instemmen.


Opschrift

1Een psalm, voor de koorleider, van de zonen van Korach.

Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1. Voor “van de zonen van Korach” zie bij Psalm 42:1.


Hoor dit

2Hoor dit, alle volken,
neem [het] ter ore, alle bewoners van de wereld,
3zowel eenvoudigen als aanzienlijken,
rijk en arm samen.
4Mijn mond zal enkel wijsheid spreken,
en de overdenking van mijn hart zal vol inzicht zijn.
5Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk,
ik zal mijn verborgenheden onthullen bij harp[spel].

Deze verzen vormen een voor Psalmen ongebruikelijk lange inleiding. Het is dan ook een bijzondere psalm. We kunnen zeggen dat het een ‘wijsheidspsalm’ is. In deze psalm is een wijsheidsleraar aan het woord, iemand die door God is geleerd. Zijn boodschap is voor iedereen bedoeld, voor “alle volken” en voor “alle bewoners van de wereld” (vers 22Hoor dit, alle volken,
neem [het] ter ore, alle bewoners van de wereld,
)
. De bewoners van de wereld zijn kortlevende, sterfelijke mensen, ze bewonen de wereld slechts kort.

We herkennen hen in “hen die op de aarde wonen”, die regelmatig in het boek Openbaring worden genoemd (Op 3:1010Omdat u het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal Ik ook u bewaren voor het uur van de verzoeking, dat over het hele aardrijk zal komen, om te verzoeken hen die op de aarde wonen.; 8:1313En ik zag en ik hoorde een arend in [het] midden van de hemel, die met luider stem zei: Wee, wee, wee hun die op de aarde wonen, vanwege de overige stemmen van de bazuin van de drie engelen die gaan bazuinen.; 11:1010En zij die op de aarde wonen, verblijden zich over hen en zijn vrolijk en zullen elkaar geschenken zenden, omdat deze twee profeten hen die op de aarde wonen gepijnigd hadden.; 13:8,12,148En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.12En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was.14En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en [weer] leefde, een beeld moesten maken.). Het zijn de mensen van wie het deel in dit leven is (Ps 17:1414[bevrijd mij] met Uw hand van de mannen, HEERE,
van de mannen van de wereld,
die hun deel hebben in dít leven.
U vult hun buik met Uw verborgen [schatten];
hun kinderen worden verzadigd
en laten hun overschot na aan hún kinderen.
)
, mensen die zo kortzichtig zijn, dat ze alleen voor hier-en-nu leven. Ze worden allemaal opgeroepen het “ter ore” te nemen.

Of ze nu “eenvoudigen” of “aanzienlijken” zijn, of ze nu “rijk” of “arm” zijn, ieder heeft er individueel mee te maken (vers 33zowel eenvoudigen als aanzienlijken,
rijk en arm samen.
)
. Maatschappelijke positie en sociale status doen er niet toe. Het gaat er in deze psalm om hoe wij met die ongelijkheid moeten omgaan. Dat leren we door daarop het ‘licht’ van de dood te laten schijnen. Dan zien we dat deze ongelijkheid die in het leven aanwezig is, geen enkele invloed op de dood heeft. Iedereen krijgt namelijk onontkoombaar met de dood te maken. En in de dood houden alle verschillen op. De dood is de grote ‘gelijkmaker’.

De nieuwtestamentische gelovige ziet meer. Hij weet dat de Heer Jezus elk moment kan komen om de gelovigen op te nemen. Dat is de oudtestamentische gelovige niet bekend, want het is voor hem een verborgenheid (1Ko 15:51-5751Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden,52in een ondeelbaar [ogenblik], in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.53Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoen.54En wanneer dit vergankelijke onvergankelijkheid zal aandoen, en dit sterfelijke onsterfelijkheid zal aandoen, dan zal het woord uitkomen dat geschreven staat: ‘De dood is verslonden tot overwinning’.55‘Waar is, dood, uw prikkel? Waar is, dood, uw overwinning?’56De prikkel nu van de dood is de zonde, en de kracht van de zonde is de wet.57Maar God zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus!). Dat maakt de boodschap van de Korachieten voor ons niet minder belangrijk, maar juist nog belangrijker. Als het goed is, staat ons daardoor de betrekkelijkheid van de rijkdom nog duidelijker voor ogen.

De psalmist trekt de aandacht van zijn hoorders of lezers door te zeggen hoe hij gaat speken (vers 44Mijn mond zal enkel wijsheid spreken,
en de overdenking van mijn hart zal vol inzicht zijn.
)
. Hij zegt nog niet waarover hij gaat spreken, hoewel hij al een hint in vers 33zowel eenvoudigen als aanzienlijken,
rijk en arm samen.
heeft gegeven. Om hun aandacht vast te houden, opdat ze zullen luisteren naar wat hij gaat zeggen, houdt hij hun voor dat hij zijn boodschap brengt met “enkel wijsheid”, “vol inzicht”, “een spreuk” en in “verborgenheden” die hij zal “onthullen bij harp[spel]” (vgl. Sp 1:66om een spreuk en een spreekwoord te begrijpen,
woorden van wijzen en hun raadsels.
)
.

De woorden van wijsheid zijn belangrijk om daardoor de juiste kijk op het onderwerp te krijgen waarover de dichter gaat spreken. Om baat van die woorden te hebben moet je de dichter wel vertrouwen. Hij heeft nagedacht over wat hij gaat zeggen. Zijn woorden zijn het resultaat van de overdenking van het onderwerp in zijn hart. Daardoor heeft hij inzicht gekregen over het onderwerp waarover hij zal spreken. Hij spreekt over rijkdom en over de vrees bij hen die niet rijk zijn voor hen die wel rijk zijn.

Hij roept alle volken op om te luisteren (vers 22Hoor dit, alle volken,
neem [het] ter ore, alle bewoners van de wereld,
)
, maar hij is zelf ook een luisteraar (vers 55Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk,
ik zal mijn verborgenheden onthullen bij harp[spel].
)
. Hij luistert naar wat hij moet zeggen. Voordat we iets zinnigs kunnen zeggen, moeten we eerst luisteren. Maar ook als we spreken, moeten we blijven luisteren naar de stem van de Geest van God. De dichter wordt geïnspireerd door de Geest en is zich ervan bewust dat hij alleen iets over rijkdom kan zeggen als hij blijft luisteren naar de stem van de Geest.

Wat hij zegt, is “een spreuk”. Het woord spreuk betekent ‘gelijkenis’ of ‘vergelijking’. Om een spreuk te gebruiken om daarmee zijn onderwerp te verduidelijken neigt hij zijn oor. Hij houdt zijn oor als het ware dicht bij zijn onderwerp om te weten welke spreuk hij moet gebruiken. Het is geen eenvoudig onderwerp, want de meerderheid heeft een verkeerde kijk op rijkdom. Maar door goed te luisteren zal hij de juiste vergelijking gebruiken.

Hij kan daarom zeggen dat hij zijn verborgenheden zal onthullen en dat op een welluidende manier, onder begeleiding van een harp. Wat op muziek wordt gezet en zo wordt onderwezen, wordt beter onthouden. ‘Verborgenheden’ heeft hier de betekenis van raadsels, van iets wat in het duister verborgen is. Het gaat hier over de verborgenheden of raadsels van het leven en de dood en de relatie waarin deze tot elkaar staan met betrekking tot rijkdom. De dichter weet dit raadsel op voortreffelijke wijze helder te onthullen.

Velen zijn blind voor de gevaren die aan rijkdom verbonden zijn, het is voor hen een verborgenheid. Voor hen gaat hij de werkelijke betekenis van rijkdom onthullen, hij gaat de bedekking die erover ligt, wegnemen. Dat hij dat doet onder begeleiding van harpspel, geeft zijn onderwijs het karakter van profeteren (vgl. 1Kr 25:33Wat betreft Jeduthun: de zonen van Jeduthun waren Gedalja, Zeri, Jesaja, Hasabja en Mattithja, zes. [Zij stonden] onder leiding van hun vader Jeduthun die bij [het spel van] de harp profeteerde onder het loven en prijzen van de HEERE.), wat wil zeggen dat hij de waarheid van God toepast op het hart en geweten van de hoorder (1Ko 14:33Maar wie profeteert, spreekt voor mensen [tot] opbouwing, vermaning en vertroosting.). Zijn onderwerp is, zoals gezegd, rijkdom. Hij profeteert over het gevaar dat aanwezig is als het mensen financieel goed gaat.


Vertrouwen op rijkdom is dwaas

6Waarom zou ik bevreesd zijn in dagen van onheil,
[wanneer] de onrechtvaardigen mij op de hielen [zitten] en mij omringen?
7Zij vertrouwen op hun vermogen
en beroemen zich op hun grote rijkdom.
8Niemand [van hen] kan [zijn] broeder metterdaad verlossen,
hij kan God zijn losgeld niet geven.
9De losprijs voor hun leven is immers te kostbaar
en zal voor eeuwig ontoereikend zijn.
10Hij zou dan voor altijd verder leven,
[en] het verderf niet zien.
11Want hij ziet dat wijzen sterven,
dat een dwaas en een onverstandige samen omkomen
en hun vermogen aan anderen nalaten.
12Hun diepste gedachte is dat hun huizen voor eeuwig zullen bestaan,
hun woningen van generatie op generatie;
zij noemen de landen naar hun naam.
13Toch blijft de mens, in [al zijn] aanzien, niet bestaan;
hij wordt gelijk aan de dieren, [die] vergaan.
14Deze weg die zij gaan, is hun dwaasheid;
toch scheppen hun nakomelingen behagen in hun woorden. /Sela/
15Als schapen zet men hen in het graf,
de dood zal hen weiden.
De oprechten zullen in de morgen over hen heersen,
het graf zal hun gestalte doen wegteren, [ver] van hun woning.
16Maar God zal mijn ziel verlossen uit de greep van het graf,
want Hij zal mij opnemen. /Sela/

De onderwijzer van wijsheid begint zijn onderwijs met een vraag (vers 66Waarom zou ik bevreesd zijn in dagen van onheil,
[wanneer] de onrechtvaardigen mij op de hielen [zitten] en mij omringen?
)
. Het is de vraag waarom de getrouwe Godvrezende bang zou zijn voor dagen van onheil, dagen dat onrechtvaardigen hem op de hielen zitten en hem insluiten. Deze onrechtvaardigen zijn goddeloze, dwaze rijken die de armen onderdrukken. Naar de oudtestamentische waardering hebben rijken de schijn van de goedkeuring van God, terwijl de armen de schijn van Gods misnoegen hebben. Zo hebben ook de vrienden van Job en ook Job zelf geredeneerd.

De wijsheidsleraar helpt ons in deze psalm van dit misverstand af. Hij geeft het antwoord op de vraag. Dat antwoord ligt opgesloten in het hebben van het juiste zicht, Góds zicht, op leven en dood. Als iemand dat heeft, maakt hem dat onbevreesd voor mensen die met hun rijkdom macht over hem uitoefenen. De onderwijzer laat zien dat rijkdom en de rijke slechts tijdelijk, voorbijgaand zijn (vgl. Jk 1:1111Want de zon gaat op met haar hitte en doet het gras verdorren, en zijn bloem valt af en de schoonheid van haar uiterlijk gaat verloren; zo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken.).

Laat de Godvrezende maar eens goed naar de onrechtvaardige, dwaze rijken kijken. Wat ziet hij dan? Mensen die zo dwaas zijn, dat zij op hun vermogen vertrouwen in plaats van op God (vers 77Zij vertrouwen op hun vermogen
en beroemen zich op hun grote rijkdom.
)
. Dat is behalve dwaasheid ook zonde (vgl. 1Tm 6:1717Beveel de rijken in de tegenwoordige eeuw niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet gevestigd te hebben op [de] onzekerheid van [de] rijkdom, maar op God Die ons alles rijkelijk geeft om te genieten,). Vermogende mensen zijn rijke, machtige mensen. In het woord ‘vermogen’ ligt zowel rijkdom als macht opgesloten. Deze vermogende mensen zijn ook nog eens hoogmoedig, want ze “beroemen zich op hun grote rijkdom”.

Maar wat betekent hun rijkdom, hoe groot die ook is, nu helemaal? Kan een rijke dwaas er iemand mee verlossen van de dood? Even goed nadenken levert een duidelijk antwoord op. De dichter geeft nu aan waarom de Godvrezende geen angst voor de dwaze rijken hoeft te hebben. Die mensen hebben namelijk met al hun geld geen enkel gezag over de dood (verzen 8-108Niemand [van hen] kan [zijn] broeder metterdaad verlossen,
hij kan God zijn losgeld niet geven.
9De losprijs voor hun leven is immers te kostbaar
en zal voor eeuwig ontoereikend zijn.
10Hij zou dan voor altijd verder leven,
[en] het verderf niet zien.
)
.

Een rijke kan zichzelf of iemand anders niet met zijn geld van de dood vrijwaren (vers 88Niemand [van hen] kan [zijn] broeder metterdaad verlossen,
hij kan God zijn losgeld niet geven.
)
. Rijkdom en macht hebben een beperkte waarde en zijn een vergankelijk bezit, want ze beveiligen niet tegen de dood (vgl. Sp 10:22Schatten aan goddeloosheid baten niet,
maar gerechtigheid redt van de dood.
)
. Daarom hoeven we niet bang te zijn voor de trotse rijken of hen te benijden. Deze mensen hebben het gevoel dat hun niets kan overkomen. Maar het leven is niet met geld te koop. Geld is vergankelijk, eindig bezit. Niemand kan het leven kopen, al bezit hij alle geld, goud en zilver van de hele wereld. Dit is zo zonder uitzondering voor alle mensen.

Rijke, trotse mensen die op hun vermogen vertrouwen en zich op hun grote rijkdom beroemen, hebben vaak een slecht geweten. Ze hebben hun vermogen vaak verkregen door oneerlijke praktijken (vgl. Jk 5:1-61Komaan dan, rijken, weent en jammert over de ellende die u zal overkomen.2Uw rijkdom is verrot en uw kleren zijn door de mot verteerd.3Uw goud en zilver is verroest en hun roest zal tot een getuigenis tegen u zijn en uw vlees als een vuur verteren. U hebt schatten verzameld in [de] laatste dagen.4Zie, het loon van de arbeiders die uw akkers geoogst hebben, dat door u is ingehouden, roept, en de kreten van de maaiers zijn gekomen tot de oren van [de] Heer Zebaoth.5U hebt in weelde en genotzucht geleefd op aarde; u hebt uw harten te goed gedaan op een slachtdag.6Veroordeeld, gedood hebt u de rechtvaardige; hij weerstaat u niet.). Geld wordt niet voor niets door de Heer Jezus ‘de onrechtvaardige mammon’ genoemd (Lk 16:99En Ik zeg u: maakt u vrienden met de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer die [u] ontvalt, men u ontvangt in de eeuwige tenten.).

Op aarde kunnen rijken met geld een straf afkopen. Maar zo is het niet met hun zondige leven (Mk 8:36-3736Want wat baat het een mens de hele wereld te winnen en zijn ziel erbij in te boeten?37Want wat zou een mens geven in ruil voor zijn ziel?). Er is voor al hun zonden geen verzoening met God mogelijk door het betalen van welke prijs dan ook, zelfs niet met al het goud en zilver van de hele wereld (vgl. 1Pt 1:1818daar u weet dat u niet door vergankelijke dingen zilver of goud, verlost bent van uw onvruchtbare, door de vaderen overgeleverde wandel,). Ze kunnen er ook geen broeder in het kwaad mee loskopen of vrijkopen en zo bevrijden van het rechtvaardige oordeel van God (vgl. Hs 13:1414Ik zal hen verlossen uit de macht van het graf.
Ik zal hen vrijkopen uit de dood.
Dood, waar zijn uw pestziekten?
Graf, waar is uw verderf?
Berouw verbergt zich voor Mijn ogen!
)
.

Hun leven is veel te kostbaar om dat in een bedrag aan geld te kunnen uitdrukken (vers 99De losprijs voor hun leven is immers te kostbaar
en zal voor eeuwig ontoereikend zijn.
)
. Nooit, maar dan ook nooit, zal er een bedrag neergeteld kunnen worden of op Gods bankrekening bijgeschreven kunnen worden dat toereikend zou zijn voor het vrijwaren van de dood. Elk vermogen “zal voor eeuwig ontoereikend zijn”. Het toont de totale en eeuwige waardeloosheid van geld en goederen aan in vergelijking met het leven van een mens.

De rijke meent dat hij het eeuwige leven kan kopen (vers 1010Hij zou dan voor altijd verder leven,
[en] het verderf niet zien.
)
. Er worden grote investeringen gedaan die het medisch mogelijk moeten maken dat een mens onsterfelijk wordt. Maar “voor altijd verder leven [en] het verderf niet zien”, is en blijft een onzinnige waanvoorstelling. Toch blijft de rijke dwaas ernaar streven. Het bewijst zijn totale blindheid, de volledige verduistering van zijn verstand (vgl. Ef 4:17-1817Dit nu zeg en betuig ik in [de] Heer, dat u niet meer moet wandelen evenals de volken wandelen in [de] vruchteloosheid van hun denken,18verduisterd in hun verstand, vreemd aan het leven van God, wegens de onwetendheid die in hen is, wegens de verharding van hun hart.).

Geen mens kan zijn eigen aardse leven of dat van een ander met geld oneindig verlengen. Net zomin kan een mens een ander, zijn “broeder”, het geestelijke, eeuwige leven geven. Alleen de Heer Jezus kan dat, omdat Hij aan de broeders gelijk is geworden. Hij heeft bloed en vlees aangenomen om broeders los te kopen (Hb 2:14-1714Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,15en allen zou verlossen die uit vrees voor [de] dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren.16Want inderdaad, niet engelen neemt Hij aan, maar Hij neemt [het] nageslacht van Abraham aan.17Daarom moest Hij in alles aan Zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en trouw Hogepriester zou zijn in de dingen die God betreffen, om voor de zonden van het volk verzoening te doen.). Om het leven dat Hij geeft te kunnen ontvangen, is belijdenis van zonden voor God en geloof in Christus en Zijn werk op het kruis noodzakelijk.

De levende mens ziet bij al zijn verblindheid wel dat niemand aan de dood ontkomt (vers 1111Want hij ziet dat wijzen sterven,
dat een dwaas en een onverstandige samen omkomen
en hun vermogen aan anderen nalaten.
)
. Dat feit kan hij niet loochenen. Hij ziet dat dit geldt voor de “wijzen” evenzeer als voor “een dwaas en een onverstandige” die “samen omkomen”. Hij ziet ook dat zij hun vermogen aan anderen nalaten. De gestorvenen hebben er zelf niets aan als ze zijn omgekomen. En wie zijn die anderen (vgl. Lk 12:2020God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u hebt bereid, voor wie zal het zijn?)? Dat wordt niet gezegd. Daardoor komt nog meer de nadruk te liggen op het feit dat het leven van de rijke een keer ophoudt; het blijft niet zoals het nu is.

De dwazen en de onverstandigen zien het allemaal, maar het raakt hen niet, ze sluiten zich voor deze onontkoombare werkelijkheid af. Ze laten zich niet waarschuwen door wat ze met hun eigen ogen zien. Iedereen sterft een keer, niemand ontkomt aan de dood. Dat zien ze, maar in hun trotse eigenwaan menen ze dat dit hun niet zal overkomen.

In hun dwaasheid en hoogmoed denken ze “dat hun huizen voor eeuwig zullen bestaan” (vers 1212Hun diepste gedachte is dat hun huizen voor eeuwig zullen bestaan,
hun woningen van generatie op generatie;
zij noemen de landen naar hun naam.
)
. Dit verdorven denken zit onuitroeibaar diep in hen. Als ze zelf al omkomen, dan zullen ze toch, zo denken ze in hun dwaasheid, in hun huizen, hun familie ofwel de komende generaties, blijven voortleven.

Ze vinden zichzelf geweldig en plakken overal hun eigen naam op. De landen noemen ze naar hun naam (vgl. Gn 4:1717En Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Henoch. [Kaïn] was een stad aan het bouwen, en hij noemde de naam van die stad naar de naam van zijn zoon, Henoch.). Ze verbinden hun naam daaraan omdat ze menen daardoor te blijven voortleven. Als koningen hebben ze hun namen daarover laten uitroepen en er daardoor een claim op gelegd. Het is het proclameren van het eigendomsrecht erop, waardoor ze ook na hun dood zullen blijven voortleven, menen ze, dwazen die ze zijn.

De waarheid dat ze stof zijn en tot stof zullen terugkeren, wordt door hen genegeerd (Gn 3:1919In het zweet van uw gezicht zult u brood eten,
totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent;
want stof bent u
en u zult tot stof terugkeren.
)
. Ze denken dat ze de toekomst beheersen, dat ze die zelf in de hand hebben en kunnen besturen. Hun bezittingen zullen ervoor zorgen dat ze niet sterven, menen ze. Zozeer is hun leven vervlochten met de materie. Aan iets hogers denken ze niet.

Dit is werkelijk leven op het niveau van een dier (vers 1313Toch blijft de mens, in [al zijn] aanzien, niet bestaan;
hij wordt gelijk aan de dieren, [die] vergaan.
)
. De mens, “in [al zijn] aanzien”, blijft niet bestaan. Wat hij ook mag hebben bereikt in het leven, wat voor aanzien hij ook heeft verworven, hij blijft niet voortleven, maar “wordt gelijk aan de dieren, [die] vergaan”. Hij heeft geleefd als een dier, dat wil zeggen zonder Godsbesef, en zal sterven als een dier. Hij verlaat de wereld, waarin hij is geëerd, op dezelfde manier als een dier en vergaat als een dier.

Het gaat hierbij natuurlijk alleen om de lichamelijke dood. Daarin is een mens gelijk aan een dier. Dat een mens boven een dier een ziel en een geest heeft, die na zijn dood voortleven, wordt hier buiten beschouwing gelaten (vgl. Pr 3:19-2019Want wat de mensenkinderen overkomt, overkomt ook de dieren. Hun overkomt een [en] hetzelfde. Zoals de een sterft, zo sterft de ander, en zij hebben alle een [en] dezelfde adem. De mensen hebben niets voor op de dieren, want alles is vluchtig.
20Zij gaan allen naar één plaats:
zij zijn allen uit het stof
en zij keren allen terug tot het stof.
)
. Ook zal het lichaam van de mens een keer opstaan, hetzij ten leven, hetzij ten oordeel (Jh 5:28-2928Verwondert u hierover niet, want er komt een uur dat allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen en zullen uitgaan:29zij die het goede hebben gedaan tot [de] opstanding van [het] leven, en zij die het kwade hebben bedreven tot [de] opstanding van [het] oordeel.; Dn 12:22En velen van hen die slapen
in het stof van de aarde, zullen ontwaken,
sommigen tot eeuwig leven,
anderen tot smaad, tot eeuwig afgrijzen.
)
. De mens blijft, in tegenstelling tot de dieren, eindeloos voortbestaan.

“Deze weg die zij gaan” (vers 1414Deze weg die zij gaan, is hun dwaasheid;
toch scheppen hun nakomelingen behagen in hun woorden. /Sela/
)
, is de weg die zojuist is beschreven, de weg van een dier. Het gaan van die weg is hun dwaasheid. Het is de weg van het vertrouwen op zichzelf en hun rijkdom, zonder enige gedachte aan de dood. Hun weg is dwaasheid, maar “toch scheppen hun nakomelingen behagen in hun woorden”. Ze worden geprezen omdat ze het zover hebben geschopt. Ze zijn de goeroes van hun nakomelingen, die van hen de weg naar succes willen leren. Ze willen hun visie op het leven overnemen, want zo willen ze ook leven en hun naam laten voortleven. Het bewijst dat zij net zo dwaas zijn als zij.

De dwaze rijken mogen zich nog zoveel verbeelden, ze zijn niet meer dan schapen die door de dood worden geweid (vers 1515Als schapen zet men hen in het graf,
de dood zal hen weiden.
De oprechten zullen in de morgen over hen heersen,
het graf zal hun gestalte doen wegteren, [ver] van hun woning.
)
. De vergelijking met schapen illustreert hun domheid. Evenals schapen zijn ze in de macht van een ander: de dood, die hen weidt. Een schaap gaat dood, laat niets achter aan zijn nakomelingen, zijn naam vergaat. Vergaan betekent ‘tot zwijgen gebracht’.

De begrafenis van de dwaze rijken is als die van een schaap, want daaraan is de rijke gelijk. Hij verlaat de wereld op dezelfde wijze als een schaap en komt in het graf terecht. Aan zijn opgebouwde reputatie heeft hij zelf niets, en anderen worden door zijn voorbeeld misleidt. De Godvrezende moet zich realiseren dat de macht van de satan alleen voor dit leven geldt. Daarna is er geen sprake meer van bedrog.

Dat de dood hen weidt, wil zeggen dat de dood hen bij het sterven als een kudde naar zijn speciale domein, het dodenrijk, zal drijven. Achter het masker van vriendelijkheid gaat het grimmige gezicht van de dood schuil. De dood weidt hen nu al, tijdens hun leven. Alles wat zij doen, doen ze omdat ze daartoe door de dood als hun herder aangespoord worden. Hun hele bestaan en al hun bezit staan in verbinding met het dodenrijk. Het contrast met de HEERE als Herder Die Zijn schapen in grazige weiden doet neerliggen en zachtjes naar stille wateren leidt (Ps 23:22Hij doet mij neerliggen in grazige weiden,
Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren.
)
, kan niet indrukwekkender worden voorgesteld.

Omdat de dwaze rijken zich in de macht van de dood bevinden, zal hun heerschappij niet standhouden. Dat de oprechten in de morgen over hen heersen, is een verwijzing naar de opstanding (vgl. Js 26:1919Uw doden zullen leven – [ook] mijn dood lichaam – zij zullen opstaan.
Ontwaak en juich, u die woont in het stof,
want Uw dauw zal zijn [als] dauw op jong, fris groen
en de aarde zal de gestorvenen baren.
)
. Het wil in dit verband zeggen dat na de dood en in de opstanding de rollen omgekeerd zullen zijn (vgl. Lk 16:2525Abraham echter zei: Kind, bedenk dat u het goede hebt ontvangen in uw leven, en Lazarus evenzo het kwade; en nu wordt hij hier vertroost, maar u lijdt smart.). Dit mag de Godvrezende, die nu nog door de rijke dwazen wordt onderdrukt, bemoedigen.

De macht van de rijken is van korte duur. Dan sterven zij en zal ook hun gestalte “wegteren”, wat wil zeggen dat alle uiterlijke glorie in het graf zal vergaan tot iets onaanzienlijks (vgl. Kl 3:44Hij heeft mijn vlees en mijn huid doen wegteren, /beth/
Hij heeft mijn beenderen gebroken.
)
. Wegteren heeft niet te maken met ophouden te bestaan. De rijke dwazen verblijven tot in eeuwigheid in de dood, ver van hun prachtige woning waarin ze op aarde hebben gewoond.

Maar de getrouwe, het overblijfsel, vertrouwt op God (vers 1616Maar God zal mijn ziel verlossen uit de greep van het graf,
want Hij zal mij opnemen. /Sela/
)
. Hij weet dat God zijn leven uit de greep van het graf verlost. Verlossen heeft ook de gedachte van ‘vrijkopen’ of ‘loskopen’. Wat een mens niet voor zichzelf of een ander kan doen (verzen 8-108Niemand [van hen] kan [zijn] broeder metterdaad verlossen,
hij kan God zijn losgeld niet geven.
9De losprijs voor hun leven is immers te kostbaar
en zal voor eeuwig ontoereikend zijn.
10Hij zou dan voor altijd verder leven,
[en] het verderf niet zien.
)
, kan God wel. Hij heeft voor ieder van de Zijnen de losprijs gekregen door het werk van Zijn Zoon, Die Zijn leven heeft gegeven “tot een losprijs voor velen” (Mt 20:2828zoals de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn leven te geven tot een losprijs voor velen.).

God zal de getrouwe opnemen uit het graf en bij Zich nemen. De dood heeft over hem geen blijvende heerschappij. De dood zal allen die Gods eigendom zijn door het werk van Zijn Zoon, moeten teruggeven aan Hem van Wie zij zijn. Het woord ‘opnemen’ wordt gebruikt voor Henoch en voor Elia (Gn 5:2424Henoch wandelde met God, en hij was niet [meer], want God nam hem weg.; 2Kn 2:55Toen kwamen de leerling-profeten die in Jericho waren, naar voren, naar Elisa toe en zeiden tegen hem: Weet u dat de HEERE heden uw meester van u zal wegnemen? En hij zei: Ik weet het ook, zwijg [erover].), over wie de dood geen macht heeft kunnen uitoefenen. God kan vóór de dood bewaren en Hij kan uit de dood opnemen. In beide gevallen wordt Zijn macht over de dood gezien.


De dwaas vergaat

17Wees niet bevreesd, wanneer een man rijk wordt,
wanneer de eer van zijn huis groot wordt,
18want bij zijn sterven zal hij niets van dat alles meenemen,
zijn eer zal hem [in het graf] niet nadalen.
19Al prijst hij zich in zijn leven gelukkig,
al looft men u, omdat u zichzelf te goed doet,
20[toch] zal hij komen tot het geslacht van zijn vaderen;
voor altijd zullen zij het licht niet zien.
21De mens, [die wel] in aanzien is, maar geen inzicht heeft,
wordt gelijk aan de dieren, [die] vergaan.

In het licht van het vertrouwen van de Godvrezende op God (vers 1616Maar God zal mijn ziel verlossen uit de greep van het graf,
want Hij zal mij opnemen. /Sela/
)
en de dwaasheid van het vertrouwen van de rijke op zijn rijkdom is er geen enkele reden om bang te zijn voor het toenemen van de rijkdom en de macht van de goddelozen. In het begin heeft de dichter de vraag gesteld waarom hij zou vrezen (vers 66Waarom zou ik bevreesd zijn in dagen van onheil,
[wanneer] de onrechtvaardigen mij op de hielen [zitten] en mij omringen?
)
. Nu zegt hij tegen zijn hoorder, zijn leerling, – want hij geeft onderwijs – niet bevreesd te zijn (vers 1717Wees niet bevreesd, wanneer een man rijk wordt,
wanneer de eer van zijn huis groot wordt,
)
. Dit gaat hij weer motiveren.

Rijkdom leidt er vaak toe daarop te vertrouwen in plaats van op God. De rijke dwaas laat dat zien door het gebruik van zijn rijkdom. Hij gebruikt zijn rijkdom niet om God daarmee te dienen, maar om er de eer van zijn eigen huis mee te vergroten. Daarmee maakt hij indruk op anderen. Hij wil dat anderen hem roemen om zijn goede smaak. Een bijkomende zaak is dat rijkdom macht geeft en tot onderdrukking van anderen voert.

Dan wijst de dichter de getrouwe op het einde van de dwaze rijke (vers 1818want bij zijn sterven zal hij niets van dat alles meenemen,
zijn eer zal hem [in het graf] niet nadalen.
; vgl. Ps 73:15-1715Als ik zou zeggen: Ik zal ook zo spreken,
zie, ik zou ontrouw zijn aan al Uw kinderen.
16Toch heb ik nagedacht om dit te kunnen begrijpen,
[maar] het was moeite in mijn ogen,
17totdat ik Gods heiligdom binnenging
[en] op hun einde lette.
)
. De rijke is een dwaas, want hij ploetert, gaat dood en kan niets van zijn rijkdom meenemen (Pr 5:1414Zoals hij voortgekomen is uit de buik van zijn moeder, zal hij naakt terugkeren om te gaan zoals hij kwam. Hij zal van zijn zwoegen niets meenemen wat hij met zijn hand kan dragen.; 1Tm 6:77want wij hebben niets in de wereld ingebracht, omdat wij er ook niets uit kunnen wegdragen.; Jb 27:16-1916Als hij zilver ophoopt als stof,
en kleding vervaardigt als leem,
17zal hij die vervaardigen, maar de rechtvaardige zal die aantrekken,
en de onschuldige zal het zilver verdelen.
18Hij heeft zijn huis als een mot gebouwd,
en als een hut die een wachter gemaakt heeft.19Rijk legt hij zich te slapen; hij wordt [wel] niet weggenomen,
[maar als] hij zijn ogen opendoet, is het er niet [meer].
)
. Ook aan alle eer die mensen hem hebben gegeven tijdens zijn leven en daarover hebben gesproken bij zijn begrafenis, heeft hij niets (vgl. Js 14:1010Zij zullen allemaal het woord nemen
en zeggen tegen u:
Ook u bent [nu] zo zwak geworden als wij,
u bent aan ons gelijk geworden!
)
. Hij kan al zijn titels en diploma’s in zijn kist en in het graf meenemen, evenals een afschrift van zijn enorme banksaldo, ze zijn voor hem in het graf volledig zonder waarde en zonder betekenis.

Hij heeft het goed met zichzelf getroffen in het leven (vers 1919Al prijst hij zich in zijn leven gelukkig,
al looft men u, omdat u zichzelf te goed doet,
)
. Zijn omstandigheden zijn zoals hij die heeft gewild. Hij kan doen waar hij zin in heeft, zonder iemand om een gunst te hoeven vragen of aan iemand rekenschap af te leggen. Anderen zien dat hij het heeft gemaakt in het leven en prijzen hem voor zijn successen. Hij klopt zichzelf op de schouder en anderen doen dat ook bij hem. Dat hoort ook zo, vindt hij. Een egoïst kan vaak op bijval rekenen. Het streelt zijn ego. Maar hij heeft niet in de gaten dat het huichelarij is en dat de vleiers net zulke grote egoïsten zijn als hij.

De harde werkelijkheid is dat hij sterft en de eeuwigheid in duisternis doorbrengt (vers 2020[toch] zal hij komen tot het geslacht van zijn vaderen;
voor altijd zullen zij het licht niet zien.
)
. Hij kan zichzelf de hemel in prijzen, maar als hij sterft, voegt hij zich bij “het geslacht van zijn vaderen”. Zijn vaderen zijn al die mensen die het in het leven hebben gemaakt, maar na hun dood nooit meer het licht zullen zien.

Zijn lot is precies het omgekeerde van wat hij heeft gedacht. Hij heeft gedacht dat hij voor altijd verder zou leven (vers 1010Hij zou dan voor altijd verder leven,
[en] het verderf niet zien.
)
en dat zijn huis voor eeuwig zou bestaan (vers 1212Hun diepste gedachte is dat hun huizen voor eeuwig zullen bestaan,
hun woningen van generatie op generatie;
zij noemen de landen naar hun naam.
)
. De realiteit is dat hij “voor altijd” het licht niet zal zien. Licht zien is het levenslicht zien en het genieten van voorspoed en vreugde. Daaraan heeft hij tot in eeuwigheid geen deel.

De dwaze rijke heeft evenals de dieren “geen inzicht” (vers 2121De mens, [die wel] in aanzien is, maar geen inzicht heeft,
wordt gelijk aan de dieren, [die] vergaan.
)
, dat wil zeggen dat hij geen kijk heeft op de ware stand van zaken. Hij kan dat ook niet beoordelen. Het onderscheidingsvermogen ontbreekt hem volledig omdat hij net als de dieren met zijn hoofd naar beneden loopt en naar beneden kijkt. Wie inzicht of verstand heeft, kijkt naar boven (vgl. Dn 4:33-3433Op hetzelfde moment werd dat woord over Nebukadnezar voltrokken. Hij werd uit de mensen[wereld] verstoten, hij at gras zoals runderen, en zijn lichaam werd bevochtigd door de dauw van de hemel, totdat zijn haar zo lang werd als [de veren] van arenden en zijn nagels als [die] van vogels.34Na verloop van die dagen sloeg ík, Nebukadnezar, mijn ogen op naar de hemel, want mijn verstand kwam in mij terug, en ik loofde de Allerhoogste en prees en verheerlijkte [Hem] Die eeuwig leeft,
Zijn heerschappij is immers een eeuwige heerschappij,
en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht.
)
.

De psalmist-onderwijzer heeft deze psalm gedicht om daardoor ‘inzicht’ te geven aan wie wil horen (vers 44Mijn mond zal enkel wijsheid spreken,
en de overdenking van mijn hart zal vol inzicht zijn.
)
. De dwaze rijke gaat niet verloren vanwege zijn bezit, maar vanwege het ontbreken van inzicht in de ware rijkdom, dat is rijkdom in God (Lk 12:20-2120God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u hebt bereid, voor wie zal het zijn?21Zo is hij die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God.). Hij sluit zich er ook voor af om dit inzicht te krijgen.

De materiële dingen houden ook voor ons, leden van de nieuwtestamentische gemeente, een geweldige verzoeking in. Wij kunnen gemakkelijk slaaf van het geld worden. Dat kan gebeuren door hard voor onze eigen zaak te werken. We zeggen tegen onszelf dat we toch een verantwoordelijkheid hebben om de zaak goed te laten draaien, maar we hebben niet in de gaten dat we in de macht van het geld zijn. Om te zien hoe het werkelijk is, is het aan te bevelen eens na te gaan hoe de verhouding is tussen bezig zijn met en voor de materiële dingen en de dingen van God. Als we dat eerlijk doen, zal snel duidelijk worden waar onze prioriteiten liggen.

We kunnen ook in geestelijk opzicht op een verkeerde manier met geestelijke rijkdommen omgaan, bijvoorbeeld als we ons beroemen op onze kennis van bijbelse waarheden en geestelijke verworvenheden. Dat zien we in de gemeente in Laodicéa. De Heer Jezus maakt die gemeente daarover zware verwijten (Op 3:14-2014En schrijf aan de engel van de gemeente in Laodicéa: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het begin van de schepping van God:15Ik weet uw werken, dat u niet koud bent en niet heet. Was u maar koud of heet!16Daarom omdat u lauw bent en niet heet of koud, zal Ik u uit Mijn mond spuwen.17Omdat u zegt: Ik ben rijk en verrijkt en heb aan niets gebrek, en u weet niet dat u de ellendige, jammerlijke, arme, blinde en naakte bent,18raad Ik u aan goud van Mij te kopen, gelouterd door vuur, opdat u rijk wordt; en witte kleren, opdat u bekleed wordt en de schande van uw naaktheid niet openbaar wordt; en ogenzalf om uw ogen te zalven, opdat u kunt kijken.19Allen die Ik liefheb, bestraf en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u.20Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik <ook> bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij.). Ze moeten eerst van al hun vermeende rijkdommen worden afgeholpen om werkelijk rijk te zijn, dat wil zeggen dat de Heer Jezus weer in hun midden kan zijn. Hij staat namelijk buiten, aan de deur (Op 3:2020Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik <ook> bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij.). Als we vol zijn van onszelf, is er geen plaats voor Hem.

Wat de psalmist de Godvrezende wil leren, is dat hij zich niet moet verkijken op de voorspoed van de dwaze rijken (vers 1212Hun diepste gedachte is dat hun huizen voor eeuwig zullen bestaan,
hun woningen van generatie op generatie;
zij noemen de landen naar hun naam.
)
. Ze vergaan allemaal en kunnen niets meenemen van hun rijkdom. Ook mag de Godvrezende weten dat God hem tot de dood toe leidt en hem uit de greep van het graf verlost door hem uit de dood op te wekken.


Lees verder