Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-9 De stad van God 10-15 De heerlijkheid van Sion
Inleiding

Psalm 48 is de op een na laatste van deze reeks psalmen van de Korachieten die met Psalm 42 is begonnen. In Psalmen 42-43 horen we de klacht van de enkeling en in Psalm 44 die van het hele overblijfsel. Ze zijn in nood en roepen tot God om hen te verlossen uit de macht van de vijand. Ze zijn vooral in nood vanwege hun vlucht uit het land waardoor ze een enorm gemis aan het verblijf in de tempel voelen. Psalm 45 presenteert Christus als het antwoord op hun roep tot God om hulp. Hij is Degene door Wie de bevrijding en hun terugkeer naar het land, Jeruzalem en de tempel zullen komen.

Psalm 46 drukt het vertrouwen in God uit door de ervaring van Gods genade in het heden. Psalm 47 viert de tussenkomst van God ten gunste van Zijn volk, waarbij Christus Koning over heel de aarde is en Israël boven de volken is verheven. De oproep is om samen God te loven. Psalm 48 stelt de Koning in Sion voor, het centrum van regering van waaruit Hij over de hele aarde regeert en het belang van de stad en de tempel van God voor het hart van God.


Opschrift

1Een lied, een psalm, van de zonen van Korach.

Deze “psalm” wordt “een lied” genoemd. Met ‘een lied’ wordt gewoonlijk een loflied bedoeld. Voor “van de zonen van Korach” zie bij Psalm 42:1.


De stad van God

2De HEERE is groot en zeer te prijzen,
in de stad van onze God, [op] Zijn heilige berg.
3Mooi van ligging,
een vreugde voor heel de aarde,
is de berg Sion [aan] de noordzijde,
de stad van de grote Koning!
4God is in haar paleizen;
Hij is er bekend als een veilige vesting.
5Want zie, koningen hadden zich verzameld,
zij waren samen opgetrokken.
6Zodra zij [de stad] zagen, waren zij verbijsterd,
zij werden door schrik overmand, zij haastten zich weg.
7Huiver greep hen daar aan,
smart als van een barende [vrouw].
8Met een oostenwind breekt U
de schepen van Tarsis stuk.
9Zoals wij het gehoord hadden,
zo hebben wij het gezien
in de stad van de HEERE van de legermachten,
in de stad van onze God:
God zal haar stand doen houden tot in eeuwigheid. /Sela/

Eindelijk is er rust voor het gelovig overblijfsel. “God zit op Zijn heilige troon” (Ps 47:99God regeert over de heidenvolken;
God zit op Zijn heilige troon.
)
. Dat brengt hen tot de uitroep dat “de HEERE … groot en zeer te prijzen” is (vers 22De HEERE is groot en zeer te prijzen,
in de stad van onze God, [op] Zijn heilige berg.
)
. God is “groot”, Hij is hoogverheven boven alle volken en hun goden. Hij heeft Zijn macht boven hen getoond en alle vijandige machten omvergeworpen die tegen Zijn stad zijn opgetrokken. Daarom is Hij “zeer te prijzen”. Hij is alle lof en aanbidding waard, zowel in Zijn Persoon als in Zijn daden.

Hij woont “in de stad van onze God”. Het is de stad van God omdat Hij daar woont. Die stad heeft Hij Zelf uitgekozen. De Korachieten spreken over ‘de stad van onze God’, want de God Die in Zijn stad woont, is hun God. Zijn troon en Zijn tempel bevinden zich beide op “Zijn heilige berg”, dat is de berg Sion.

Zij bezingen de stad Jeruzalem in dit lied vooral als een sterke vesting en een veilige woonplaats. Maar ze beginnen hun lied met het bezingen van de schoonheid van de stad, die volmaakt is (vers 33Mooi van ligging,
een vreugde voor heel de aarde,
is de berg Sion [aan] de noordzijde,
de stad van de grote Koning!
; Ps 50:22Uit Sion, de volmaakte schoonheid,
verschijnt God blinkend.
)
. Dit is het eerste wat hen treft als zij de stad zien (vgl. Ez 16:1414Van u ging een naam uit onder de heidenvolken vanwege uw schoonheid, want die was volmaakt door Mijn glorie, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere HEERE.; Kl 2:1515Alle voorbijgangers hebben over u /samech/
de handen ineengeslagen.
Zij sisten [van afschuw] en schudden hun hoofd
over de dochter van Jeruzalem:
Is dit de stad waarvan men zei:
Volmaakt van schoonheid,
een vreugde voor heel de aarde?
; Mk 13:11En toen Hij uit de tempel ging, zei een van Zijn discipelen tot Hem: Meester, zie, wat een grote stenen en wat een grote gebouwen!)
.

De stad is “mooi van ligging”. Het woord ‘mooi’ wordt behalve hier voor de stad alleen nog voor de Messias gebruikt (Ps 45:33U bent veel mooier dan de [andere] mensenkinderen;
genade is op Uw lippen uitgegoten,
daarom heeft God U voor eeuwig gezegend.
)
. Dat wijst erop dat de stad ‘mooi’ is door de Messias Die daar woont. De ‘ligging’ wil zeggen de ‘hoogte’. De stad steekt boven alle andere steden uit.

Omdat Christus als Koning-Priester na het uitroeien van Zijn vijanden in Zijn tempel op Zijn troon zit, is er vreugde voor heel de aarde. Uit de stad van God, waar de troon van de Messias staat en Hij regeert, gaat zegen over heel de aarde uit (vgl. Js 2:1-51Het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem.
2Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
3Vele volken zullen gaan en zeggen:
Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan,
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
4Hij zal oordelen tussen de heidenvolken
en veel volken vonnissen.
En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
5Huis van Jakob, kom, laten wij wandelen in het licht van de HEERE.
)
. Overal is vrede en vreugde.

Met “de berg Sion” wordt de stad Jeruzalem bedoeld. De ligging is “[aan] de noordzijde” van de berg. De noordzijde is altijd de kant geweest vanwaar de vijanden de stad hebben benaderd. Maar van die zijde is door de aanwezigheid van de Koning geen enkel gevaar meer te duchten. Jeruzalem is “de stad van de grote Koning”, zoals ook de Heer Jezus, Die de grote Koning is, zegt (Mt 5:3535niet bij de aarde, want zij is [de] voetbank voor Zijn voeten; niet bij Jeruzalem, want zij is [de] stad van de grote Koning;).

God is in de paleizen ofwel de vestingen, de burchten van de stad waarin vorsten wonen (vers 44God is in haar paleizen;
Hij is er bekend als een veilige vesting.
)
. De sterkte en veiligheid van Jeruzalem zijn gelegen in de aanwezigheid van God in de stad. Omdat het bekend is dat God de stad als Zijn woonplaats heeft gekozen, hebben de inwoners van de stad geen vrees voor bedreigingen van buitenaf die in het volgende vers worden genoemd.

Die bedreigingen van buitenaf zijn er in vroegere dagen vaak geweest (vers 55Want zie, koningen hadden zich verzameld,
zij waren samen opgetrokken.
)
. Koningen zijn in het verleden gezamenlijk tegen de stad opgetrokken. Er is wel gedacht aan de vijanden die tegen Josafat zijn opgetrokken en door Gods optreden zijn verslagen (2Kr 20:1-2,22-231Hierna gebeurde het dat de Moabieten en de Ammonieten, en met hen [een deel] van de Meünieten, ten strijde trokken tegen Josafat.2Toen kwam men Josafat de boodschap brengen: Er komt een grote troepenmacht op u af van de overkant van de zee, uit Syrië, en zie, zij zijn bij Hazezon-Thamar. (Dat is Engedi.)22Juist op de tijd dat zij met gejuich en lofzang begonnen, legde de HEERE hinderlagen tegen de Ammonieten, Moab en [de bewoners] van het Seïrgebergte die op Juda waren afgekomen, en zij werden verslagen.23De Ammonieten en Moab vielen namelijk de bewoners van het Seïrgebergte aan door [hen] met de ban te slaan en [hen] weg te vagen. Zodra zij de bewoners van Seïr hadden vernietigd, hielpen zij elkaar in het verderf.).

Een ander duidelijk bewijs van Gods bescherming is Zijn bevrijding van Jeruzalem in de dagen dat Sanherib de stad heeft belegerd (Js 37:3636Toen trok de engel van de HEERE [ten strijde] en sloeg in het legerkamp van Assyrië honderdvijfentachtigduizend [man] neer. Toen men de [volgende] morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.). In de toekomst zal Hij Jeruzalem bevrijden van de koning van het noorden (Dn 11:4545En hij zal de tenten van zijn paleis tussen de zeeën opzetten, bij de berg van het heilig sieraad. Dan zal hij tot zijn einde komen, en geen helper hebben.) en nog weer later van de legers die uit het uiterste noorden komen (Ez 39:1-61En u, mensenkind, profeteer tegen Gog, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Gog, oppervorst van Mesech en Tubal!2Ik zal u omkeren, u meeslepen, u doen optrekken uit het uiterste noorden en u op de bergen van Israël brengen,3maar Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen.4Op de bergen van Israël zult u vallen, u en al uw troepen, en de volken die met u zijn. Ik heb u aan allerlei soorten roofvogels en aan de dieren van het veld tot voedsel gegeven.5Op het open veld zult u vallen, want Ík heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.6Ik zal vuur zenden in Magog en onder hen die onbezorgd de kustlanden bewonen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.).

Uit dit optreden van God tegen hen die de vermetelheid hebben om Zijn stad aan te vallen, zien we hoe waardevol deze stad voor Hem is. Het is Zijn woonplaats die Hij in het midden van Zijn volk heeft. Daar wil Hij door hen aanbeden en gediend worden. God zal elke aanval op Zijn oogappel vergelden. Dat is ook zo voor ons, die de gemeente van de levende God zijn (1Ko 3:16-1716Weet u niet, dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?17Als iemand de tempel van God verderft, God zal hem verderven. Want de tempel van God is heilig, en dat bent u.).

God zorgt ervoor dat de aanvallers van Zijn stad iets zullen zien waardoor ze “verbijsterd” zullen zijn en “door schrik overmand” zullen worden (vers 66Zodra zij [de stad] zagen, waren zij verbijsterd,
zij werden door schrik overmand, zij haastten zich weg.
)
. Wat ze zullen zien, staat er niet. De woorden ‘de stad’ staan tussen haken, wat aangeeft dat deze woorden niet in de grondtekst staan. Het is ook niet waarschijnlijk dat de aanblik van de stad hen zal verbijsteren. Mogelijk is het een verschijning van een hemelse legermacht (vgl. 2Kn 6:14-1714Toen stuurde hij daar paarden en strijdwagens heen, en een groot leger. Die kwamen ‘s nachts en omsingelden de stad.15De dienaar van de man Gods stond heel vroeg op en ging naar buiten, en zie, een leger met paarden en strijdwagens omringde de stad. Toen zei zijn knecht tegen hem: Ach, mijn heer! Wat moeten wij doen?16Hij zei: Wees niet bevreesd, want die bij ons zijn, zijn méér dan die bij hen zijn.17En Elisa bad en zei: HEERE, open toch zijn ogen, zodat hij ziet. En de HEERE opende de ogen van de knecht, zodat hij zag; en zie, de berg was vol paarden en strijdwagens van vuur rondom Elisa.).

In elk geval zal wat ze zullen zien ervoor zorgen dat ze zich weghaasten. Zo snel ze kunnen, zullen ze zich van de stad verwijderen. Wat een eenvoudige overwinning leek te zijn, wordt een dramatische afgang. Ze zijn aangegrepen door “huiver” (vers 77Huiver greep hen daar aan,
smart als van een barende [vrouw].
)
. Ze sidderen van angst en voelen de smart en de pijnen “als van een barende [vrouw]”. Het overblijfsel gaat door deze beschrijving van de afgang van de vijanden des te sterker beseffen welke waarde die stad en die tempel op die berg voor God hebben.

Bemoedigd door Gods optreden ten gunste van hen zoals dit zojuist is beschreven, richten ze zich tot Hem (vers 88Met een oostenwind breekt U
de schepen van Tarsis stuk.
)
. Ze spreken het vertrouwen uit dat Hij “met een oostenwind de schepen van Tarsis” zal stukbreken. God kan natuurelementen gebruiken om een vijandelijke vloot te verbreken.

Er is ook een profetische toepassing. Tarsis ligt ver van Israël verwijderd (vgl. Jn 1:33Maar Jona stond op om naar Tarsis te vluchten, weg van het aangezicht van de HEERE. Hij daalde af naar Jafo en vond een schip dat naar Tarsis ging. Hij betaalde de prijs [voor de overtocht] en ging aan boord om met hen mee te gaan naar Tarsis, weg van het aangezicht van de HEERE.), vermoedelijk in Spanje. Daarvandaan komen in de eindtijd bevriende schepen naar het afvallige Israël om hen te helpen in hun strijd tegen de koning van het noorden, de Assyriërs. Maar God gebruikt een oostenwind, dat zijn volken uit het oosten, om deze antigoddelijke westerse macht te bestrijden (Op 16:1212En de zesde goot zijn schaal uit op de grote rivier de Eufraat, en zijn water droogde op, opdat de weg van de koningen die van [de] zonsopgang komen, bereid zou worden.; Dn 11:4444Maar de geruchten uit het oosten en uit het noorden zullen hem schrik aanjagen. Daarom zal hij in grote grimmigheid uittrekken om velen weg te vagen en met de ban te slaan.).

Dit profetisch perspectief hebben ze in het geloof gezien (vers 99Zoals wij het gehoord hadden,
zo hebben wij het gezien
in de stad van de HEERE van de legermachten,
in de stad van onze God:
God zal haar stand doen houden tot in eeuwigheid. /Sela/
)
, nadat ze eerder hebben gehoord wat God in het verleden voor Zijn volk heeft gedaan (Ps 44:22O God, met onze oren hebben wij het gehoord,
onze vaderen hebben het ons verteld:
U hebt een werk gedaan in hun dagen,
in de dagen vanouds.
)
. God is in het verleden voor Zijn volk opgekomen en dat zal Hij in de toekomst weer doen. In de stad woont de Aanvoerder van de hemelse legermachten. Hij zet hen in zodra Zijn stad wordt aangevallen. Die stad is “de stad van onze God”. Daardoor is het de stad van Zijn volk. Daarom ook is elke aanval daarop een poging tot zelfmoord. Het is onbegonnen werk die stad te belegeren, laat staan te veroveren, want “God zal haar stand doen houden tot in eeuwigheid”.

We kunnen dit ook toepassen op de gemeente. Er is geen macht op aarde of in de hemelse gewesten die Gods nieuwtestamentisch stad, de gemeente (Op 21:9-109En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, vol van de zeven laatste plagen, kwam en sprak met mij en zei: Kom, ik zal u de bruid, de vrouw van het Lam tonen.10En hij voerde mij weg in [de] Geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, die uit de hemel neerdaalde van God), kan veroveren of zelfs maar enige schade kan toebrengen. Die stad is gebouwd op de rots, dat is Zoon van de levende God, en daarom zullen de poorten van de hades, ofwel het dodenrijk, haar niet kunnen overweldigen (Mt 16:16-1816Simon Petrus nu antwoordde en zei: U bent de Christus, de Zoon van de levende God.17Jezus nu antwoordde en zei tot hem: Gelukkig ben jij, Simon, Bar-Jona, want vlees en bloed heeft je dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader Die in de hemelen is.18En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen, en [de] poorten van [de] hades zullen haar niet overweldigen.). Ze blijft tot in alle eeuwigheid in de volmaaktheid van de Zoon bestaan.


De heerlijkheid van Sion

10O God, wij gedenken Uw goedertierenheid
in het midden van Uw tempel.
11Zoals Uw Naam is, o God,
zo is Uw roem,
tot aan de einden der aarde;
Uw rechterhand is vol gerechtigheid.
12Laat de berg Sion zich verblijden;
laat de dochters van Juda zich verheugen omwille van Uw oordelen.
13Ga rondom Sion en loop eromheen,
tel haar torens,
14richt uw hart op haar vestingwal,
kijk nauwkeurig naar haar paleizen
om het aan de volgende generatie te vertellen.
15Want deze God is onze God,
eeuwig en altijd;
Híj zal ons leiden tot de dood toe.

Na de beschrijving van Gods bescherming spreken de Korachieten erover wat ze doen en waar ze dat doen (vers 1010O God, wij gedenken Uw goedertierenheid
in het midden van Uw tempel.
)
. Ze richten zich in bewondering tot God, Die ze aanspreken met “o God”, waarin we een hartgrondige uiting van gemeenschap met Hem opmerken.

Ze zeggen tegen Hem dat ze Zijn goedertierenheid gedenken en dat doen “in het midden van Uw tempel”. Dit is voor hen de mooiste en intiemste plek, het dichtst bij God. Daar denken ze eraan terug wat Hij allemaal voor hen heeft gedaan met als resultaat dat ze nu hier mogen zijn, zo dicht bij Hem. Het is “de gedachtenis” die Hij “voor Zijn wonderen” heeft gemaakt (Ps 111:44Hij heeft voor Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt, /zain/
de HEERE is genadig en barmhartig. /cheth/
)
.

Dit geldt ook voor de gemeente. Wij mogen samenkomen als gemeente en dan weten dat de Heer Jezus in het midden is (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.). Er is niets mooier en intiemer dan te zijn op de plaats waar Hij in het midden is. Daar mogen we aan Hem denken, wat we speciaal doen als we ‘tot Zijn gedachtenis’ Zijn dood gedenken. Dat is naar het verlangen van Zijn hart (1Ko 11:23-2523Want ik heb van de Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij overgeleverd werd, brood nam;24en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en zei: ‘Dit is Mijn lichaam, dat voor u is; doet dit tot Mijn gedachtenis’.25Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: ‘Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed; doet dit, zo dikwijls u die drinkt, tot Mijn gedachtenis’.). Daarom gaat ook het verlangen van ieder die Hem liefheeft ernaar uit daar te zijn en dat te doen (vgl. Js 26:88Ook in de weg van Uw oordelen, HEERE,
hebben wij U verwacht;
naar Uw Naam en naar Uw gedachtenis
gaat het verlangen van [onze] ziel uit.
)
.

Als we weten wat de Naam van God aan geestelijke rijkdommen inhoudt, zullen we onder de indruk zijn van de roem ervan (vers 1111Zoals Uw Naam is, o God,
zo is Uw roem,
tot aan de einden der aarde;
Uw rechterhand is vol gerechtigheid.
)
. Naarmate we Hem hebben leren kennen in Zijn zorg, bescherming en bevrijding van ons persoonlijk en van Zijn volk, zullen we over Hem roemen en dat doen “tot aan de einden van de aarde”. We zullen er niets van voor onszelf houden of Zijn roem slechts in kleine kring bekendmaken.

Zijn “rechterhand is vol gerechtigheid”, wat betekent dat Hij grote en heerlijke daden heeft verricht. Elke daad van Hem is een daad van gerechtigheid. Hij kan alleen maar in gerechtigheid handelen. Wie dat ziet, kan daar alleen maar over roemen. Nooit zal er enige kritiek op te leveren zijn. Integendeel, het geeft voortdurend en steeds meer stof om Hem voor te eren.

De uitwerking van deze daden van gerechtigheid is blijdschap (vers 1212Laat de berg Sion zich verblijden;
laat de dochters van Juda zich verheugen omwille van Uw oordelen.
)
. “De berg Sion” wordt opgeroepen zich te “verblijden”. God heeft Zich over haar ontfermd en dat op een rechtvaardige wijze gedaan. Het gevolg is een blijdschap die niet verdwijnt, maar blijvend is.

Het is ook een blijdschap waarin allen delen die met Gods volk verbonden zijn. In “de dochters van Juda” kunnen we de steden van Juda zien. Niet alleen de inwoners van Jeruzalem zijn blij, maar de inwoners van heel Juda. Ze delen allemaal in de feestvreugde van de bevrijding “omwille van Uw oordelen”, dat zijn de oordelen van God over de vijanden. God heeft die blijdschap veroorzaakt.

De bevrijding geeft de mogelijkheid om uit Sion te gaan en de stad van buiten te bekijken. Het overblijfsel wordt uitgenodigd om Sion heen te lopen (vers 1313Ga rondom Sion en loop eromheen,
tel haar torens,
; vgl. Ne 12:31,38,4031Toen liet ik de vorsten van Juda de muur opgaan. Ik stelde twee grote dank[koren] en processies op: [de ene ging] naar rechts, over de muur, naar de Mestpoort,38Het tweede dank[koor] ging in tegenovergestelde richting, met mij erachter, en [met] de helft van het volk, over de muur, boven de Bakoventoren [langs], tot aan de Brede Muur,40Daarna stelden de twee dank[koren] zich op in het huis van God, ook ik en de helft van de machthebbers met mij,)
. Dan zien ze dat de vijand nergens haar schoonheid heeft kunnen aantasten. Ze moeten de torens tellen en zullen constateren dat ze er nog allemaal zijn. De torens dienen ter versterking van de stad en verhogen tevens de schoonheid ervan. Maar de uiteindelijke kracht, veiligheid en schoonheid is God Zelf.

Ze moeten hun hart op “haar vestingwal” richten (vers 1414richt uw hart op haar vestingwal,
kijk nauwkeurig naar haar paleizen
om het aan de volgende generatie te vertellen.
)
. De vestingwal is een verdedigingswerk vóór de muur. Die is nog volledig intact en heeft geen schrammetje opgelopen (vgl. Js 26:11Op die dag zal dit lied gezongen worden in het land Juda:
Wij hebben een sterke stad,
[God] stelt heil
[tot] muren en vestingwallen.
)
. Het bekijken van Sion en dan vooral er een open oog voor hebben hoe God de stad heeft beschermd, is een zaak van het hart. Het gaat erom dat wordt opgemerkt wat God ten gunste van de stad heeft gedaan.

Hetzelfde geldt voor “haar paleizen”, dat zijn de koninklijke verblijven. Gewoonlijk zijn die versterkt en beschermd. Laat ze die aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen. Dan zullen ze opmerken dat ook daaraan geen enkele schade is toegebracht, en dat ze blijvend kunnen dienen als woonplaats van de vorst. Het is alles aan Gods bescherming te danken.

De laatste regel van vers 1414richt uw hart op haar vestingwal,
kijk nauwkeurig naar haar paleizen
om het aan de volgende generatie te vertellen.
vertelt de reden van het lopen rondom Sion, het tellen van de torens en het onderzoeken van haar vestingwal en paleizen: ze moeten wat ze hebben onderzocht, “aan de volgende generatie … vertellen”. Daarbij gaat het niet in de eerste plaats over Sion, maar over de God van Sion. Wat er met Sion is gebeurd, de bescherming die de stad heeft ervaren, is te danken aan God. Het woord “want” (vers 1515Want deze God is onze God,
eeuwig en altijd;
Híj zal ons leiden tot de dood toe.
)
geeft dat aan.

We kunnen de oproep van de verzen 13-1413Ga rondom Sion en loop eromheen,
tel haar torens,
14richt uw hart op haar vestingwal,
kijk nauwkeurig naar haar paleizen
om het aan de volgende generatie te vertellen.
op de gemeente toepassen. Het is een groot voorrecht te weten tot de gemeente van de levende God te behoren. Maar er is een gevaar dat we door gewoonte het bijzondere voorrecht niet meer zien. Dan moeten we als het ware even op een afstand gaan staan van de plaats van het aanbidden van God en van daaraf ons hart richten op de stad. Dat doen we door in het Woord van God op te zoek gaan naar de betekenis van de gemeente voor het hart van God.

We moeten ons hart erop richten en er nauwkeurig naar kijken (vgl. Ez 43:10-1210U, mensenkind, breng het huis van Israël de boodschap van dit huis, zodat zij zich schamen vanwege hun ongerechtigheden, en laten zij het ontwerp meten.11Als zij zich dan schamen vanwege alles wat zij gedaan hebben, maak hun [dan] bekend de vorm van het huis, de inrichting ervan, de uitgangen ervan en de ingangen ervan, ja, alle vormen ervan, met alle bijbehorende verordeningen, alle bijbehorende vormen en alle bijbehorende wetten, en schrijf [dat] voor hun ogen op, zodat zij heel de vorm ervan met alle bijbehorende verordeningen in acht nemen en die houden.12Dit is de wet voor het huis; op de top van de berg is heel het gebied ervan helemaal rondom allerheiligst. Zie, dit is de wet van het huis.). Als we in Gods Woord nagaan wat de gemeente is, hebben we ook wat te vertellen “aan de volgende generatie”. Dat zullen we dan met enthousiasme doen. Het zal de kinderen aanzetten dat onderzoek ook te doen. Zo kan elke generatie zelf een eerste generatie worden.

Het komt erop aan of wij de vragen van onze kinderen kunnen beantwoorden, wanneer zij ons vragen waarom wij de dingen doen, zoals we ze doen (vgl. Ex 12:26-2726En het zal gebeuren, als uw kinderen tegen u zullen zeggen: Wat betekent deze dienst voor u?27dat u moet zeggen: Dit is een Pascha-offer voor de HEERE, Die in Egypte de huizen van de Israëlieten voorbijging, toen Hij de Egyptenaren trof en onze huizen bevrijdde. Toen knielde het volk en boog zich neer.; Dt 6:21-2221dan moet u tegen uw zoon zeggen: Wij waren slaven van de farao in Egypte, maar de HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid.22En de HEERE gaf tekenen en wonderen, groot en onheilbrengend, in Egypte, aan de farao en aan zijn hele huis, voor onze ogen.; Jz 4:6-7,20-246zodat dit een teken is onder u. Wanneer uw kinderen morgen vragen zullen: Wat betekenen deze stenen voor u,7dan moet u tegen hen zeggen, dat het water van de Jordaan werd afgesneden voor de ark van het verbond van de HEERE. Toen hij door de Jordaan ging, werd het water van de Jordaan afgesneden. Daarom zullen deze stenen voor de Israëlieten tot een gedenkteken zijn tot in eeuwigheid.20Die twaalf stenen die zij uit de Jordaan genomen hadden, richtte Jozua op in Gilgal.21Hij zei tegen de Israëlieten: Wanneer uw kinderen morgen aan hun vader vragen: Wat betekenen deze stenen,22dan moet u uw kinderen laten weten: Op het droge stak Israël deze Jordaan over,23want de HEERE, uw God, heeft het water van de Jordaan voor uw ogen doen opdrogen, totdat u overgestoken was, zoals de HEERE, uw God, met de Schelfzee gedaan heeft, die Hij voor onze ogen heeft doen opdrogen, totdat wij overgestoken waren,24opdat alle volken van de aarde zouden weten dat de hand van de HEERE sterk is; opdat u de HEERE, uw God, alle dagen vreest.). Ze merken wel of we een theologisch correct antwoord geven, of dat ons antwoord komt uit een hart dat deze dingen heeft onderzocht en omhelsd.

Als we geen antwoord hebben, bewijst het dat wij zelf meelopers zijn. De kinderen zullen niet enthousiast worden en zelf de Schrift niet onderzoeken. Ze zullen een gemeente zoeken waar ze zich lekker voelen, als ze dat al doen. We moeten geen meelopers zijn, maar weten wat de gemeente is door zelf in de Schrift ‘rondom de stad’ te gaan en zo onder de indruk komen van de woonplaats van God.

Het gaat er niet alleen of in de eerste plaats over dat we doorvertellen wat we van de schoonheid en onaantastbaarheid van de stad hebben gezien, maar vooral over wat we van de God van de stad hebben gezien. Het gaat erom dat we vol bewondering en enthousiasme kunnen zeggen “deze God is onze God” (vers 1515Want deze God is onze God,
eeuwig en altijd;
Híj zal ons leiden tot de dood toe.
)
. Deze God, onze God, heeft ervoor gezorgd dat alle aanvallen op de stad zijn mislukt. Zijn gemeente zal beantwoorden aan Zijn doel.

De psalm besluit met het uitspreken van de zekerheid dat God “eeuwig en altijd” de God van Zijn volk zal zijn. Dit wordt bevestigd door wat de Heer Jezus zegt: “En zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw” (Mt 28:2020En zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw.).

Het overblijfsel weet ook dat Hij hen zal “leiden tot de dood toe”. Dit betekent dat de laatste vijand, de dood, nog niet is tenietgedaan. Het overblijfsel is actueel nog in grote nood. Maar ze zijn in hun geest zeer bemoedigd door wat de Geest van Christus hun heeft laten zien van de stad van God en Gods woonplaats. Met dat perspectief voor ogen kunnen ze zelfs de dood onder ogen zien zonder er bang voor te worden.


Lees verder