Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-6 Het leven is kort 7-12 Hoop op redding 13-14 Hulpgeroep
Inleiding

Psalm 39 gaat verder met het onderwerp van Psalm 38. Het verschil is dat David in deze psalm nauwelijks over zijn vijanden spreekt, maar hoofdzakelijk over zijn ziekte als gevolg van zijn zonde. Hij erkent dat God de mens een kort leven geeft. Daarom stort hij zijn hart uit voor God als zijn enige hoop en vraagt aan Hem Zijn tucht te beëindigen, opdat hij nog van de resterende dagen van zijn leven kan genieten.


Opschrift

1Een psalm van David, voor de koorleider, van Jeduthun.

Dit is “een psalm van David”. Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1.

Hij is ook “van Jeduthun”. De naam ‘Jeduthun’ staat ook nog in het opschrift boven Psalmen 62 en 77 (Ps 62:11Een psalm van David, voor de koorleider, over Jeduthun.; 77:11Voor de koorleider, over Jeduthun, van Asaf, een psalm.). De psalm laat zien dat de zonde de oorzaak van de vergankelijkheid en kortstondigheid van het leven en de mens is. Hij laat ook zien dat het hart van de rechtvaardige leert dat te aanvaarden. Daarom is de psalm, ondanks zijn donkere onderwerp, ook “van Jeduthun”, dat betekent ‘koor van lofprijzing’.

Jeduthun is een Leviet die, samen met Asaf, Heman en Ethan, van David de opdracht krijgt om God te prijzen (1Kr 16:4141En met hen [waren] Heman en Jeduthun, en de overigen die gekozen waren, die met name aangewezen waren om de HEERE te loven; want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.; 2Kr 5:1212en de Levieten, [te weten] alle zangers onder hen, Asaf, Heman, Jeduthun, hun zonen en hun broeders, in fijn linnen gekleed, met cimbalen, met luiten en harpen, stonden ten oosten van het altaar, en met hen tot honderdtwintig priesters toe, die op trompetten bliezen –). Hij heeft zijn zonen in hetzelfde werk onderwezen (1Kr 16:3838en [ook] Obed-Edom met hun broeders, achtenzestig [man]; met Obed-Edom, de zoon van Jeduthun, en Hosa, als poortwachters,; 25:1,3,61Verder zonderde David met de legerbevelhebbers [mensen] af voor het dienstwerk uit de nakomelingen van Asaf, Heman en Jeduthun. Zij profeteerden onder [het spel van] harpen, luiten en cimbalen. Dit is hun aantal, van de mannen werkzaam voor hun dienstwerk.3Wat betreft Jeduthun: de zonen van Jeduthun waren Gedalja, Zeri, Jesaja, Hasabja en Mattithja, zes. [Zij stonden] onder leiding van hun vader Jeduthun die bij [het spel van] de harp profeteerde onder het loven en prijzen van de HEERE.6Deze allen [stonden] onder leiding van hun vader [opgesteld] voor het lied in het huis van de HEERE met cimbalen, luiten, en harpen, voor de dienst in het huis van God, onder leiding van de koning – Asaf, Jeduthun en Heman.; Ne 11:1717En Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf, het hoofd [verantwoordelijk] voor de aanhef van de dankzegging bij het gebed, en Bakbukja was de tweede van zijn broeders; en Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun.). David heeft de koorleider Jeduthun de opdracht gegeven deze psalm te onderwijzen en te zingen.


Het leven is kort

2Ik zal mijn wegen bewaren, zei ik,
zodat ik niet zondig met mijn tong;
ik zal mijn mond met een muilkorf bewaren,
zolang de goddeloze tegenover mij staat.
3Ik was verstomd [en hield mij] stil,
ik zweeg van het goede.
Maar mijn lijden werd heviger,
4mijn hart werd heet in mijn binnenste.
Een vuur ontbrandde bij mijn zuchten;
toen sprak ik met mijn tong:
5HEERE, maak mij mijn einde bekend
en wat de maat van mijn dagen is,
zodat ik weet hoe vergankelijk ik ben.
6Zie, U hebt mijn dagen een handbreed gemaakt
en mijn levensduur is voor U als niets.
Ja, ieder mens is niet meer dan een zucht,
[hoe] vast [hij] ook staat. /Sela/

David vertelt wat hem bezighoudt. Hij beschrijft de gemoedstoestand waarin hij is. Hij zegt dat hij zijn wegen zal bewaren, wat betekent dat hij erop zal letten welke wegen hij gaat (vers 22Ik zal mijn wegen bewaren, zei ik,
zodat ik niet zondig met mijn tong;
ik zal mijn mond met een muilkorf bewaren,
zolang de goddeloze tegenover mij staat.
)
. Het geeft aan dat hij van plan is niet meer van Gods wegen af te wijken. Met zijn wegen bedoelt hij zijn hele levensweg, zijn houding en gedrag. Hij spitst dat toe op zijn spreken. Het bewaren van zijn wegen wil vooral zeggen zijn “mond … bewaren”. Hij zal erop letten wat hij zegt en bovenal wat hij niet moet zeggen.

Hij wil ten koste van alles voorkomen dat hij met zijn tong zondigt. Hij voelt de neiging om opstandige woorden te spreken als hij de “goddeloze tegenover” zich ziet staan. Hij ziet hoe de goddeloze leeft en spreekt en hoe het daartegenover met hemzelf gaat. Dat doet wat met hem, dat laat hem niet koud.

Maar hij wil zich niet laten verleiden om lucht te geven aan zijn frustratie met het grote gevaar verkeerde dingen te zeggen. Daarvoor zal hij zijn “mond met een muilkorf bewaren”. Dit is sterk gezegd, maar zo radicaal is hij, en zo radicaal moeten wij ook zijn als het erom gaat onze tong in bedwang te houden (vgl. Mt 5:29-2029Als nu uw rechteroog u een aanleiding tot vallen is, trek het uit en werp het van u; want het is nuttig voor u, dat een van uw leden vergaat en niet uw hele lichaam in [de] hel wordt geworpen.). We menen vaak dat we alles maar moeten zeggen wat er in ons opkomt. Dat wordt ook gestimuleerd door de mensen van de wereld om ons heen. Maar hier zien we dat dit de gelovige niet past.

Hij verstomt en houdt zich stil in tegenwoordigheid van goddeloze mensen (vers 33Ik was verstomd [en hield mij] stil,
ik zweeg van het goede.
Maar mijn lijden werd heviger,
)
. Hij ziet hun voorspoed en zorgeloze leven, maar beheerst zich om daarover iets te zeggen. Er komen geen opstandige woorden uit zijn mond, maar ook het goede komt niet over zijn lippen. Of dit laatste positief moet worden gezien, is de vraag. We kunnen ons soms beheersen iets kwaads te zeggen, maar vaak zijn we dan zo druk bezig met deze zelfbeheersing, dat we er ook niet toe komen iets te zeggen wat tot nut van de ander is.

Zijn zelfbeheersing is een innerlijke strijd die geen rust geeft. Door het onderdrukken van zijn gevoelens wordt zijn innerlijke lijden heviger. Het wil niet zeggen dat hij een verkeerde beslissing heeft genomen om te zwijgen. Een goede beslissing kan nieuwe strijd opleveren. David is niet meer innerlijk ontstemd over de goddeloze, maar hij zit in de knoop met zijn eigen leven.

Zijn hart begint te branden en wordt heet in zijn binnenste (vers 44mijn hart werd heet in mijn binnenste.
Een vuur ontbrandde bij mijn zuchten;
toen sprak ik met mijn tong:
)
. Zijn zuchten, dat is klagen zonder woorden, wordt intenser en er ontbrandt een vuur. Dan kan hij zich niet langer inhouden (vgl. Jr 20:99Zei ik: Ik zal niet aan Hem denken,
ik zal niet meer spreken in Zijn Naam,
dan werd het in mijn hart als brandend vuur,
opgesloten in mijn beenderen.
Wel deed ik moeite om [het] in te houden,
maar ik kon [het] niet.
)
en spreekt hij met zijn tong, dat wil zeggen dat hij hardop spreekt. Hij spreekt niet tot zijn vijanden, maar tot de HEERE; hij spreekt niet over zijn vijanden, maar over zichzelf (vers 55HEERE, maak mij mijn einde bekend
en wat de maat van mijn dagen is,
zodat ik weet hoe vergankelijk ik ben.
)
.

Davids eerdere woorden spreekt hij in zichzelf en dat doet hij omdat hij de goddeloze tegenover zich ziet. Nu is hij in Gods tegenwoordigheid. Dat verandert een mens. Wat hij zegt, zijn geen opstandige woorden, maar gaan over de kortheid van het leven. Nergens ziet een mens zijn vergankelijkheid duidelijker dan wanneer hij in de tegenwoordigheid van God is, waar hij ook ziet hoe zondig hij is.

In dit gebed spreekt hij over de vluchtigheid van het leven en de vergankelijkheid van de mens. Vergankelijk wil zeggen ophouden er te zijn, voorbijgaan. David wil zijn einde weten, dat is het einde van zijn zware beproeving, hoe het met hem zal aflopen, en hoeveel dagen hij nog te leven heeft. Hij wil graag weten, wanneer zijn dagen vervuld zijn. Dan weet hij hoe vergankelijk hij is, hoe voorbijgaand ofwel dan weet hij dat zijn leven voorbij is, erop zit.

Hij weet dat zijn dagen door God zijn bepaald en dat God ze slechts “een handbreed gemaakt” heeft (vers 66Zie, U hebt mijn dagen een handbreed gemaakt
en mijn levensduur is voor U als niets.
Ja, ieder mens is niet meer dan een zucht,
[hoe] vast [hij] ook staat. /Sela/
; vgl. Ex 25:2525Ook moet u er een sierlijst van een hand breed omheen maken en moet u een gouden rand rondom die sierlijst maken.)
. Een handbreed is vier vingers (Jr 52:2121Wat betreft de pilaren: een pilaar was achttien el hoog, een draad van twaalf el kon hem omspannen. De dikte ervan was vier vingers, [en] hij was hol.) en is een van de kleinste meeteenheden in het oude Israël. Het duidt de kortheid van het leven aan. David erkent dat deze maat ook voor hem geldt. Zijn levensduur, het aantal dagen dat hem is toegemeten, is voor God, Die de eeuwige God is, “als niets”.

Wat voor David geldt, geldt voor ieder mens, want het leven van “ieder mens is niet meer dan een zucht” (vgl. Ps 62:10a10Zeker, eenvoudigen zijn een zucht,
aanzienlijken een leugen;
in de weegschaal gewogen,
zijn zij tezamen [lichter] dan een zucht.
; Jb 7:7a7Bedenk dat mijn leven een ademtocht is;
mijn oog zal niet opnieuw het goede zien.
)
. Het leven is vluchtig, een damp die een korte tijd wordt gezien en er dan niet meer is (Jk 4:1414u die niet weet wat morgen [gebeuren] zal. (Want hoe is uw leven? Want u bent een damp die een korte tijd gezien wordt en daarna verdwijnt)). De mens kan in zijn verwaandheid menen dat hij “vast … staat”, dat niets zijn leven aan het wankelen kan brengen, laat staan het kan laten verdwijnen. Het getuigt van kortzichtigheid en blindheid voor de waarheid die David hier belijdt. Ieder mens die wijs is, zal dat met hem belijden.


Hoop op redding

7Ja, de mens loopt rond in een schijnbeeld.
Ja, tevergeefs is men onrustig.
Men brengt [van alles] bijeen
en weet niet wie het binnenhalen zal.
8En nu, wat verwacht ik, Heere?
Mijn hoop, die is op U!
9Red mij van al mijn overtredingen,
maak mij niet tot een smaad voor de dwaas.
10Ik ben verstomd,
ik zal mijn mond niet opendoen,
want Ú hebt het gedaan.
11Neem Uw plaag van mij weg;
ik ben bezweken door de bestrijding van Uw hand.
12Bestraft U iemand met straffen om zijn ongerechtigheid,
dan doet U zijn aantrekkelijkheid als een mot teniet.
Ja, ieder mens is een zucht. /Sela/

Na het “ja” dat ieder mens niet meer is dan een zucht in vers 66Zie, U hebt mijn dagen een handbreed gemaakt
en mijn levensduur is voor U als niets.
Ja, ieder mens is niet meer dan een zucht,
[hoe] vast [hij] ook staat. /Sela/
, volgt in vers 77Ja, de mens loopt rond in een schijnbeeld.
Ja, tevergeefs is men onrustig.
Men brengt [van alles] bijeen
en weet niet wie het binnenhalen zal.
het “ja” van de praktijk van elke dag: “Ja, de mens loopt rond in een schijnbeeld.” Dit is de mens die geen ‘ja’ zegt op de waarheid dat hij niet meer is dan een zucht. Die mens jaagt schaduwbeelden na. Het lijkt op de werkelijkheid, maar het is een leven in de leugen. Vandaag kunnen we dit toepassen op de virtuele wereld, waarin iemand zich voordoet als de persoon die hij graag wil zijn, maar niet is. Hij moet erachter komen dat zijn bestaan en toekomst gevuld zijn met onzekerheden.

Met nog een “ja” wijst David erop hoe mensen tevergeefs rusteloos jagen naar meer bezit. Daarmee hangt nauw samen het zich zorgen maken over de dingen van dit leven, waarover de Heer Jezus spreekt. Daar schiet een mens ook niets mee op. Het voegt ook niets toe aan de duur van zijn leven (Mt 6:2727Wie van u echter kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen?). “Men brengt [van alles] bijeen”, maar men kan er niets van meenemen na dit leven. Daarbij komt nog de frustratie dat hij niet weet wie er na zijn dood met zijn verzameling goederen vandoor gaat (vgl. Pr 2:18-1918Ik haatte ook al mijn zwoegen waarmee ik zwoegde onder de zon, zwoegen dat ik zou moeten overlaten aan de mens die er na mij zijn zal.19Want wie weet of die wijs zal zijn of dwaas? Toch zal hij beschikken over al mijn zwoegen waarmee ik, zij het met wijsheid, heb gezwoegd onder de zon. Ook dat is vluchtig.). God noemt iemand die zo leeft een dwaas (Lk 12:16-2116Hij nu sprak een gelijkenis tot hen en zei: Het land van een rijk mens bracht veel op;17en hij overlegde bij zichzelf en zei: Wat zal ik doen? want ik heb niets waarin ik mijn vruchten kan verzamelen.18En hij zei: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen, en ik zal daar al mijn gewas en mijn goederen verzamelen;19en ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, je hebt vele goederen liggen voor vele jaren; rust, eet, drink, wees vrolijk.20God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u hebt bereid, voor wie zal het zijn?21Zo is hij die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God.).

Davids verwachting is van andere aard. Zijn hoop is op de Heere, Adonai, de Heerser over het heelal (vers 88En nu, wat verwacht ik, Heere?
Mijn hoop, die is op U!
)
. Daarmee is hij heel wat beter af dan al die verzamelaars van goederen die ze door hun dood of door diefstal kwijtraken aan personen die ze niet kennen. Wie zijn hoop vestigt op de Heer, deelt met Hem alles wat Hij bezit. En wat bezit Hij? De aarde en alles daarop (Ps 24:11Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
)
.

Vanuit de hoop op de Heere vraagt David of Hij hem van “al” zijn overtredingen wil redden (vers 99Red mij van al mijn overtredingen,
maak mij niet tot een smaad voor de dwaas.
)
en daarmee een einde wil maken aan Zijn tuchtigingen. Hij weet dat God daartoe in staat is en ook gewillig is dat te doen. Hij verzet zich niet tegen Gods tucht, maar verlangt naar het einde ervan. Zijn vraag om redding van al zijn overtredingen is een grondige belijdenis dat hij ze heeft begaan. Hij eist geen redding, maar verlangt naar genade. Dit is waartoe God een mens wil brengen, ook de gelovige die heeft gezondigd. David voegt eraan toe dat Gods redding tot gevolg heeft dat hij “niet tot een smaad voor de dwaas worden” zal.

Het diepe besef van zijn nietigheid tegenover de grote God heeft David ervoor bewaard kritiek te uiten over het doen van God (vers 1010Ik ben verstomd,
ik zal mijn mond niet opendoen,
want Ú hebt het gedaan.
)
. Hij beklaagt zich niet over wat God hem heeft aangedaan. God heeft Zijn bedoeling met wat Hij in een mensenleven bewerkt of toelaat. David zal daarover zijn mond “niet opendoen”. Hij weet en erkent dat Gód het heeft gedaan (vgl. Am 3:66Of wordt in een stad de bazuin geblazen
zonder dat het volk beeft?
Of komt er kwaad in de stad voor
zonder dat de HEERE dat doet?
)
. God is niet de Bewerker van het kwaad of van de zonde, maar gebruikt het in de uitvoering van Zijn plannen met de mens en met de schepping.

Als hij in vers 1111Neem Uw plaag van mij weg;
ik ben bezweken door de bestrijding van Uw hand.
vraagt of God Zijn plaag van hem wegneemt, is dat geen opstandig vragen. God heeft Zijn plaag over hem gebracht en alleen God kan die plaag ook van hem wegnemen. Als motief voert hij aan dat hij door de bestrijding van Gods hand is bezweken. Er is geen kracht in hem overgebleven. Heeft God dan Zijn doel niet met Zijn tucht bereikt? Is Zijn bestrijding van de zonde die hij heeft gedaan dan nog langer nodig?

De straffen waarmee God hem heeft bestraft om zijn ongerechtigheid, hebben zijn aantrekkelijkheid tenietgedaan (vers 1212Bestraft U iemand met straffen om zijn ongerechtigheid,
dan doet U zijn aantrekkelijkheid als een mot teniet.
Ja, ieder mens is een zucht. /Sela/
)
. We kunnen hierbij denken aan zijn kracht, zijn lichaam en zijn bezittingen. Daar is niets meer van te zien, want God heeft hem verpulverd alsof hij een mot is. David buigt zich hier diep voor God neer en erkent dat er niets van hem over is. Wat David voor God is, is ieder mens voor God: een zucht, vluchtigheid.


Hulpgeroep

13Luister naar mijn gebed, HEERE,
neem mijn hulpgeroep ter ore,
zwijg niet bij mijn tranen,
want ik ben een vreemdeling bij U,
een bijwoner, zoals al mijn vaderen.
14Wend [Uw] blik van mij af, zodat ik mij verkwik,
voordat ik heenga en er niet [meer] ben.

David doet, onder tranen, een dringend beroep op God om naar zijn gebed en hulpgeroep te luisteren (vers 1313Luister naar mijn gebed, HEERE,
neem mijn hulpgeroep ter ore,
zwijg niet bij mijn tranen,
want ik ben een vreemdeling bij U,
een bijwoner, zoals al mijn vaderen.
)
. Hij vraagt niet veel, alleen of God de korte tijd dat hij hier nog is, zijn leven draaglijk wil maken. Laat God Zich toch niet in stilzwijgen blijven hullen.

David stelt zich aan God voor als “een vreemdeling … een bijwoner”. Dat is hij in de wereld, zo trekt hij er doorheen. Dat betekent dat hij niet thuis is in de wereld. Zijn thuis is bij God. Hij wijst op “al mijn vaderen”. Zij zijn vreemdelingen en bijwoners in de wereld geweest, net zoals hij nu is, terwijl ze bij God hebben geleefd. Hij zal hebben gedacht aan Abraham en de aartsvaders en allen die in het geloof hebben geleefd (1Kr 29:1515Want wij zijn vreemdelingen voor Uw aangezicht en bijwoners, zoals al onze vaderen. Als een schaduw zijn onze dagen op de aarde, en er is geen hoop.; Hb 11:1313In [het] geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften te hebben ontvangen, maar zij zagen het in de verte en begroetten het, en beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren.). Ook voor ons geldt dat wij vreemdelingen en bijwoners in de wereld zijn (1Pt 2:1111Geliefden, ik vermaan [u] dat u zich als bijwoners en vreemdelingen onthoudt van de vleselijke begeerten die strijd voeren tegen uw ziel,).

Hoelang die situatie zal duren, weet God alleen. Dat wordt niet bepaald door de goddelozen. Zij snoeven wel dat zij de toekomst in eigen hand hebben, maar dat is een ongebreidelde aanmatiging.

Hij vraagt aan God om Zijn bestraffende, toornige blik, die nu op hem rust, van hem af te wenden (vers 1414Wend [Uw] blik van mij af, zodat ik mij verkwik,
voordat ik heenga en er niet [meer] ben.
)
. Dan kan hij zich verkwikken (vgl. Jb 10:2020Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op,
laat Hij Zich van mij afkeren, zodat ik mij een beetje kan verkwikken,
)
, wat inhoudt dat zijn levenskracht en levensvreugde terugkeren. Dan zal hij nog enkele dagen van rust en vrede kunnen genieten, voordat zijn toch al korte leven op aarde er opzit en hij heengaat en er niet meer is. Dat hij er niet meer is, wil zeggen dat hij niet meer op aarde is. Het betekent niet dat hij zou ophouden te bestaan.

Hij wenst te sterven in rust, met de zekerheid dat Gods tucht voorbij is en God hem heeft aangenomen. Het is zijn wens om de wereld niet in somberheid of met een somber en ontmoedigend vooruitzicht te verlaten, maar met een vreugdevolle terugblik op het verleden en de blijde verwachting van de toekomstige wereld.


Lees verder