Psalmen
1 Opschrift 2-9 Belijdenis 10-15 Verlangen 16-21 Hoop 22-23 Gebed om hulp
Opschrift

1Een psalm van David, om te doen gedenken.

Deze “psalm van David” is de derde van de zeven zogenoemde boetpsalmen in Psalmen (Psalmen 6; 32; 38; 51; 102; 130; 143). Hij wordt door de Joden op Jom Kippoer, de grote Verzoendag, de dag van berouw en zondenbelijdenis, gebeden. De psalm wordt door de enkeling uitgesproken, door David, maar is ten volle van toepassing op het gelovig overblijfsel in de beproevingen van de grote verdrukking in de eindtijd.

Zij beseffen dat de ellende die over hen komt, het gevolg is van hun zonden. Dat belijden ze ook, zonder enige terughoudendheid. Wat hun overkomt, aanvaarden ze uit de hand van God als rechtvaardige tucht. Daarom richten ze zich ook tot Hem, want Hij alleen kan die tucht wegnemen. Ze weten dat Hij het zal doen. Maar wanneer zal Hij het doen? De nood is zo groot. Zolang Zijn hand op hen rust, is er die kwellende vraag: Wanneer komt de verlossing?

De uitdrukking “om te doen gedenken”, die alleen nog in het opschrift van Psalm 70 voorkomt (Ps 70:11[Een psalm] van David, voor de koorleider, om te doen gedenken.), sluit daarop aan. De uitdrukking betekent ‘om in gedachtenis te roepen’. Het is een oproep aan God om Zich te herinneren wat Hij in Zijn verbond en Zijn beloften heeft gezegd. God aan iets herinneren is een indirecte vraag om in te grijpen.


Belijdenis

2HEERE, straf mij niet in Uw grote toorn,
bestraf mij niet in Uw grimmigheid.
3Want Uw pijlen zijn in mij gedrongen,
Uw hand is op mij neergekomen.
4Er is niets gezonds aan mijn lichaam door Uw gramschap,
er is geen vrede in mijn beenderen vanwege mijn zonde.
5Want mijn ongerechtigheden gaan mij boven het hoofd,
als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.
6Mijn wonden stinken, zij zijn vervuild
vanwege mijn dwaasheid.
7Ik ben krom geworden, ik ga zeer diep gebukt;
de hele dag ga ik in het zwart gehuld.
8Want mijn lendenen zijn volledig ontstoken,
er is niets gezonds aan mijn lichaam.
9Ik ben bezweken en volkomen verbrijzeld;
ik schreeuw het uit vanwege het bonken van mijn hart.

De hele psalm is een gebed. David richt zich tot God, niet tot de lezer (vers 22HEERE, straf mij niet in Uw grote toorn,
bestraf mij niet in Uw grimmigheid.
)
. Hij is zo volledig op God gericht, dat hij niet anders dan zijn eigen diepe zondigheid ziet. Daardoor is hij er tevens van overtuigd dat God de zonde in Zijn toorn en grimmigheid erover moet ‘straffen’ en ‘bestraffen’ (vgl. Ps 6:22HEERE, straf mij niet in Uw toorn,
bestraf mij niet in Uw grimmigheid!
)
. De straf is die voor de zonde, de bestraffing is de tuchtiging die tot doel heeft hem in zijn gemeenschap met God te herstellen.

David voelt dat Gods pijlen in hem zijn gedrongen en dat Gods hand op hem is neergekomen (vers 33Want Uw pijlen zijn in mij gedrongen,
Uw hand is op mij neergekomen.
; vgl. Jb 6:44Want de pijlen van de Almachtige zijn in mij,
mijn geest drinkt het vergif ervan;
de verschrikkingen van God staan tegen mij opgesteld.
; Kl 3:1212Hij heeft Zijn boog gespannen, /daleth/
en Hij stelde mij als doelwit voor [Zijn] pijl.
)
. Zowel de doordringende pijn van de pijlen als de zware druk waaronder hij gebukt gaat, is het werk van God. David spreekt over “Uw pijlen” en “Uw hand”. Met ‘pijlen’ kan honger bedoeld worden die tot verderf leidt (Ez 5:1616Wanneer Ik de boosaardige pijlen van de honger, die tot verderf leiden en die Ik afschiet om u te gronde te richten, op hen afschiet, zal Ik de honger over u doen toenemen en het u aan brood laten ontbreken.). Het zijn de middelen van Gods tucht waardoor iemand lichamelijk zwaar te lijden krijgt.

Zijn lichaam wordt geteisterd door Gods gramschap (vers 44Er is niets gezonds aan mijn lichaam door Uw gramschap,
er is geen vrede in mijn beenderen vanwege mijn zonde.
)
. Zijn beenderen kennen geen vrede omdat hij zich zijn zonde bewust is. Door de intensiteit van Gods tucht is alle vreugde in het leven bij hem verdwenen. Zijn hele lichaam is ziek, “er is niets gezonds aan” (vgl. Js 1:66Vanaf de voetzool tot het hoofd toe
is er geen gezonde plek aan:
wonden en striemen
en gapende wonden,
niet uitgedrukt, niet verbonden,
en niet met olie verzacht.
)
. In de geestelijke betekenis ervan – en mogelijk bedoelt David het ook zo – wil het zeggen dat hij geen enkele verontschuldiging voor zijn zonde aanvoert en daarmee Gods tucht als terecht aanvaardt. Hij ziet zichzelf als totaal verdorven. Dat is tegelijk het bewijs van zijn oprechtheid en het begin van herstel (vgl. Lv 13:12-1312Maar als de melaatsheid op de huid helemaal uitbreekt en de melaatsheid heel de huid van de aangetaste bedekt, van zijn hoofd tot zijn voeten, zover de ogen van de priester kunnen zien,13en de priester heeft gezien dat – zie! – de melaatsheid zijn hele lichaam bedekt heeft, dan zal hij de aangetaste rein verklaren. Hij is helemaal wit geworden, hij is rein.).

Hij kleineert zijn zonden niet, maar ziet ze als wateren waarin hij ten onder gaat en dreigt te verdrinken (vers 55Want mijn ongerechtigheden gaan mij boven het hoofd,
als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.
)
. Hij voelt ze ook als een zware last die hij niet kan tillen. Soms moet dat ook ons weer duidelijk voor ogen komen, om er opnieuw van onder de indruk te komen hoe groot Zijn genade is dat Hij ons ervan heeft bevrijd. Wij gaan eraan ten onder, maar Hij heeft de last van ons weggenomen en die op Zijn Zoon gelegd. ‘U Jezus hebt de last gedragen die zonde en schuld te dragen gaf.’

De wonden die God hem heeft geslagen, stinken (vers 66Mijn wonden stinken, zij zijn vervuild
vanwege mijn dwaasheid.
)
. De geur is weerzinwekkend. David brengt hier de afschuw over zijn zonde tot uitdrukking. Is onze afschuw over onze zonden ook zo groot? Soms kunnen we met ‘smaak’ over onze vroegere zonden vertellen en worden daarom bewonderd. Dan hebben we er niet de afschuw van die we zouden moeten hebben.

De wonden zijn niet schoongemaakt, maar vervuild. Het wijst erop dat David niet zijn best heeft gedaan de gevolgen van zijn zonde weg te nemen of te verzachten. De oorzaak van zijn zonde ligt in zijn dwaasheid. Dwaasheid is iets doen waarvan je weet dat het verkeerd afloopt. David is zich ervan bewust geweest dat zijn zonde hem zou kwellen, toch heeft hij die zonde begaan.

Hij kan niet meer rechtop lopen, maar gaat “zeer diep gebukt” zijn weg (vers 77Ik ben krom geworden, ik ga zeer diep gebukt;
de hele dag ga ik in het zwart gehuld.
)
. Het is niet alleen een lichamelijke houding, het is vooral zijn ziel die ‘zeer diep gebukt’ is. De toestand van zijn ziel is hem aan te zien: “de hele dag” gaat hij “in het zwart gehuld”. Dit betekent waarschijnlijk dat door zijn lichamelijke uitputting zijn vlees zwart ziet (vgl. Jb 30:3030Mijn huid is zwart geworden op mij,
en mijn beenderen branden van hitte.
)
en niet zozeer dat hij zwarte kleding draagt. De zware straf en bestraffing hebben hem aangegrepen en zijn aan hem te zien.

Zijn ”lendenen zijn volledig ontstoken” (vers 88Want mijn lendenen zijn volledig ontstoken,
er is niets gezonds aan mijn lichaam.
)
. In de lendenen zit de kracht om te lopen. Als die ‘volledig ontstoken’ zijn, doet elke loopbeweging hevig pijn. Nog eens zegt hij, wat hij in vers 44Er is niets gezonds aan mijn lichaam door Uw gramschap,
er is geen vrede in mijn beenderen vanwege mijn zonde.
ook heeft gezegd, dat er “niets gezonds” aan zijn lichaam is. De herhaling maakt duidelijk dat David geen enkele verzachtende omstandigheid heeft aangevoerd. Hij lijdt, en erkent daarvan ten volle de rechtvaardigheid.

Ook geestelijk is hij volledig gesloopt. Hij is “bezweken en volkomen verbrijzeld” (vers 99Ik ben bezweken en volkomen verbrijzeld;
ik schreeuw het uit vanwege het bonken van mijn hart.
)
. Deze erkenning is voor God aanleiding bij hem te komen wonen (Js 57:1515Want zo zegt de Hoge en Verhevene,
Die [in] de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is:
Ik woon [in] de hoge hemel en [in] het heilige,
en bij de verbrijzelde en nederige van geest,
om levend te maken de geest van de nederigen,
en om levend te maken het hart van de verbrijzelden.
)
. Zijn hart houdt niet op met bonken, het gaat wild tekeer. Er kan veel onrust om iemand heen zijn, terwijl er rust in het hart is. Maar als er onrust in het hart is, is er nergens rust. Hij kan het niet meer verdragen en schreeuwt het uit.


Verlangen

10Heere, al mijn verlangen [ligt] voor U [open],
mijn zuchten is voor U niet verborgen.
11Mijn hart gaat tekeer, mijn kracht laat mij in de steek;
ook het licht in mijn ogen, alsof ik geen ogen heb.
12Mijn geliefden en mijn vrienden staan afzijdig van mijn plaag,
zij die nauw aan mij verwant zijn, blijven van verre staan.
13Wie mij naar het leven staan, spannen valstrikken;
wie mijn onheil zoeken, spreken schadelijke [woorden]
en bedenken de hele dag listen.
14Maar ik ben als een dove, ik hoor niet,
en als een stomme, [die] zijn mond niet opendoet.
15Ja, ik ben als een man die niet hoort
en in wiens mond geen weerwoord is.

David kan in deze uitzichtloze situatie maar één ding doen en dat is gaan naar Hem Die hem dit leed heeft aangedaan. En dat is precies de bedoeling van God met leed dat Hij over ons brengt. Alle pijn en moeiten vervreemden David niet van God, maar drijven hem naar Hem uit.

Hij spreekt God aan als “Heere”, dat is Adonai, de soevereine Heerser van het heelal (vers 1010Heere, al mijn verlangen [ligt] voor U [open],
mijn zuchten is voor U niet verborgen.
)
en zegt tegen Hem dat al zijn verlangen voor Hem openligt, of naar Hem uitgaat. Zoals al zijn ongerechtigheden voor God openbaar zijn (vers 55Want mijn ongerechtigheden gaan mij boven het hoofd,
als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.
)
, zo ziet en hoort God ook zijn zuchten. Zuchten is een uiting van nood zonder woorden (vgl. Rm 8:2626En evenzo komt ook de Geest onze zwakheid te hulp; want wat wij naar behoren zullen bidden, weten wij niet, maar de Geest Zelf bidt voor <ons> met onuitsprekelijke verzuchtingen.).

In zijn verlangen naar God spreekt hij nu niet meer over zijn ongerechtigheden, maar over zijn krachteloosheid (vers 1111Mijn hart gaat tekeer, mijn kracht laat mij in de steek;
ook het licht in mijn ogen, alsof ik geen ogen heb.
)
. Zijn hart is vervuld van vrees en beven en kent geen rust. Het gaat tekeer, waardoor hij geen kracht heeft om iets te doen. Hij ziet ook niets meer, hij weet niet hoe hij verder moet leven. Het is alsof hij geen ogen heeft, want hij ziet geen licht. Hij is het zicht op God als de God van het verbond kwijt en wandelt in de duisternis.

Van zijn geliefden en vrienden hoeft hij geen hulp te verwachten (vers 1212Mijn geliefden en mijn vrienden staan afzijdig van mijn plaag,
zij die nauw aan mij verwant zijn, blijven van verre staan.
; Jb 19:13-1413Mijn broeders heeft Hij ver van mij weggedaan;
en wie mij kennen, zijn geheel van mij vervreemd.
14Mijn naaste verwanten blijven weg,
en mijn bekenden vergeten mij.
)
. Zij, met wie hij een goede relatie heeft gehad, staan op een afstand. Dit is zowel letterlijk als figuurlijk. Ze staan letterlijk op een afstand te kijken en figuurlijk is er afstand omdat ze niet in zijn lijden willen delen. Ze willen niets met hem te maken hebben en mijden hem. Dit is een bittere smart, nog bitterder dan de lichamelijke pijnen. Ook zijn naaste verwanten komen niet bij hem inde buurt om zijn pijnen te verlichten, maar houden veilig afstand.

Terwijl zijn vrienden en familie op een afstand staan, komen zijn vijanden steeds dichterbij (vers 1313Wie mij naar het leven staan, spannen valstrikken;
wie mijn onheil zoeken, spreken schadelijke [woorden]
en bedenken de hele dag listen.
)
. Hij heeft in het voorgaande gesproken over de vijand in zichzelf, zijn zonde. Nu gaat hij over zijn vijanden om hem heen spreken. Over deze twee vijanden zal ook het gelovig overblijfsel in de eindtijd spreken. Zijn vijanden staan hem “naar het leven”, ze “spannen valstrikken” voor hem. Ze zijn er op een verraderlijke, achterbakse manier op uit om hem om te brengen.

Ze zoeken zijn “onheil” en daarom “spreken” zij “schadelijke [woorden]”, dat zijn woorden die tot doel hebben hem te beschadigen. En daarbij blijft het niet. Terwijl hij “de hele dag” in het zwart gaat omdat hij er zo ellendig aan toe is, “bedenken” zij “de hele dag” listen tegen hem. Ze zijn er voortdurend mee bezig hoe ze hem uit de weg kunnen ruimen.

In plaats van te protesteren over zoveel onrecht houdt David zich als een dove (vers 1414Maar ik ben als een dove, ik hoor niet,
en als een stomme, [die] zijn mond niet opendoet.
)
. Hij sluit zijn oren ervoor af en hoort niet. Hij kan zich niet verdedigen, want hij is machteloos, en hij wil zich niet verdedigen, want hij weet dat hij deze ellende door zijn zonde verdient (vgl. 2Sm 16:10-1310Maar de koning zei: Wat heb ik met u te maken, zonen van Zeruja? Ja, laat hem vervloeken, want de HEERE heeft tegen hem gezegd: Vervloek David, [en] wie zou dan zeggen: Waarom hebt u dat gedaan?11Verder zei David tegen Abisaï en tegen al zijn dienaren: Zie, mijn zoon, die uit mijn lichaam is voortgekomen, staat mij naar het leven; hoeveel te meer dan nu deze Benjaminiet! Laat hem begaan en [mij] vervloeken, want de HEERE heeft het hem gezegd.12Misschien zal de HEERE mijn ellende aanzien, en zal de HEERE mij het goede [weer] teruggeven, in plaats van zijn vervloeking van deze dag.13Zo ging David met zijn mannen [zijns] weegs, terwijl Simeï al vervloekend meeliep langs de flank van de berg aan de overkant van hem, en vanaf de overkant van hem met stenen gooide en stof opwierp.). Daarom is hij “als een stomme, [die] zijn mond niet opendoet”.

In vers 1515Ja, ik ben als een man die niet hoort
en in wiens mond geen weerwoord is.
zegt David nog een keer met andere woorden hetzelfde als in vers 1414Maar ik ben als een dove, ik hoor niet,
en als een stomme, [die] zijn mond niet opendoet.
, waarbij hij de accenten nog iets sterker legt (vgl. Js 53:77Toen [betaling] geëist werd, werd Híj verdrukt,
maar Hij deed Zijn mond niet open.
Als een lam werd Hij ter slachting geleid;
als een schaap dat stom is voor zijn scheerders,
zo deed Hij Zijn mond niet open.
; 1Pt 2:2323Die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar [Zich] overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt;)
. Wat er ook tegen hem wordt gezegd, hij schenkt er geen aandacht aan en doet alsof hij het niet hoort. Hij reageert ook niet en houdt zijn mond. Hij heeft geen weerwoord.

Door alle lijden heen doet God Zijn werk met hem. David maakt God er geen verwijten over, maar zwijgt. Hij ziet zijn innerlijke lijden vanwege zijn zonde als Gods werk en hij ziet ook wat de vijanden hem aandoen als Gods werk. Daarom richt hij zich in het volgende vers niet tot zijn vijanden, maar tot zijn God.


Hoop

16Maar op U, HEERE, hoop ik;
Ú zult verhoren, Heere, mijn God!
17Want ik zei: Laten zij zich toch over mij niet verblijden!
Zou mijn voet wankelen, zij zouden zich tegen mij verheffen.
18Ja, ik dreig te struikelen,
mijn smart [staat] voortdurend vóór mij.
19Want ik maak [U] mijn ongerechtigheid bekend,
ik ben bekommerd vanwege mijn zonde.
20Maar mijn vijanden zijn in leven [en] worden machtig;
wie mij om valse redenen haten, worden talrijk.
21Wie kwaad voor goed vergelden,
zijn mijn tegenstanders, omdat ik het goede najaag.

Voor de derde keer richt David zich tot God (vers 1616Maar op U, HEERE, hoop ik;
Ú zult verhoren, Heere, mijn God!
)
. David zelf hoort niet naar de vijanden en reageert niet op hen, maar richt zich tot God omdat hij weet dat God verhoort. In vers 22HEERE, straf mij niet in Uw grote toorn,
bestraf mij niet in Uw grimmigheid.
heeft hij God gevraagd niet over hem toornig te zijn. In vers 1010Heere, al mijn verlangen [ligt] voor U [open],
mijn zuchten is voor U niet verborgen.
heeft hij zijn verlangen naar God geuit. Nu zegt hij tegen God dat hij op Hem hoopt. Hij spreekt zelfs de zekerheid uit dat God zal verhoren. Hij noemt Hem “Heere, mijn God”, dat wil zeggen dat de soevereine Heerser van het heelal zijn almachtige God is.

David spreekt niet tot zijn vijanden, maar spreekt over hen tot God. Hij vraagt dat God ervoor zal zorgen dat zijn vijanden zich toch niet over hem zullen verblijden (vers 1717Want ik zei: Laten zij zich toch over mij niet verblijden!
Zou mijn voet wankelen, zij zouden zich tegen mij verheffen.
)
. Zij zullen zich over hem verblijden en zich zelfs tegen hem verheffen als zijn voet zou wankelen. En dat gevaar is groot. Hij dreigt te struikelen, want hij wordt geplaagd door zijn smart (vers 1818Ja, ik dreig te struikelen,
mijn smart [staat] voortdurend vóór mij.
)
. Die staat voortdurend vóór hem. Hij moet er steeds aan denken dat hij zo’n grote zondaar is.

Hij is in Gods tegenwoordigheid en is daar overweldigd door zijn ongerechtigheid (vers 1919Want ik maak [U] mijn ongerechtigheid bekend,
ik ben bekommerd vanwege mijn zonde.
)
. Die verdoezelt hij niet, hij verontschuldigt zich ook niet, maar maakt die bekend. Hij kan niet anders en wil niet anders. Hij zit in over zijn zonde. Dat vreet aan hem en maakt hem krachteloos. Dit is een berouw dat in overeenstemming is met God (2Ko 7:99Nu verblijd ik mij, niet omdat u bedroefd bent geworden, maar omdat u bedroefd bent geworden tot bekering toe; want u bent bedroefd geworden in overeenstemming met God, opdat u in niets schade van ons lijdt.).

Zijn nood wordt nog vergroot als hij naar zijn vijanden kijkt (vers 2020Maar mijn vijanden zijn in leven [en] worden machtig;
wie mij om valse redenen haten, worden talrijk.
)
. Die lijkt het allemaal voor de wind te gaan. Ze leven erop los en niemand legt hun een strobreed in de weg, ook God niet. Ze worden zelfs machtig. Zijn vijanden zijn ook zijn haters. God straft hem terecht, omdat hij tegen Hem heeft gezondigd. Maar zijn vijanden haten hem om valse redenen, want hij heeft hun niets misdaan. Zij nemen niet in aantal af, maar worden talrijk, terwijl hij onmachtig is en alleen staat.

We zien dat David heen en weer gaat tussen wat God hem aandoet en wat zijn vijanden hem aandoen, tussen de druk van zijn zonden en de druk van zijn vijanden. Dit zal ook bij het gelovig overblijfsel in de toekomst het geval zijn. Dit is het geval zolang er niet de zekerheid is van de vergeving van zonden.

Dan is er nog een categorie die hem kwaad voor goed vergeldt (vers 2121Wie kwaad voor goed vergelden,
zijn mijn tegenstanders, omdat ik het goede najaag.
)
. Hij heeft hun goed gedaan. Ze keren zich tegen hem in plaats van hem daar dankbaar voor te zijn en worden zijn tegenstanders. En dat, omdat hij het goede najaagt. Het goede is het volgen van de HEERE, Die de Goede is (vgl. Mk 10:17-1817En toen Hij naar buiten ging, de weg op, liep iemand snel op Hem toe; en hij viel voor Hem op de knieën en vroeg Hem: Goede Meester, wat moet ik doen om eeuwig leven te beërven?18Jezus echter zei tot hem: Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed dan Eén: God.). Maar dat herinnert zijn vijanden te zeer aan God en dat willen ze niet. Ze willen hun eigen leven leiden. Daarom willen ze hem voorgoed het zwijgen opleggen.


Gebed om hulp

22Verlaat mij niet, HEERE;
mijn God, blijf niet ver van mij.
23Kom mij spoedig te hulp,
Heere, mijn heil!

David is volkomen op God aangewezen. In zijn nood smeekt hij de HEERE, de God van het verbond, hem niet te verlaten (vers 2222Verlaat mij niet, HEERE;
mijn God, blijf niet ver van mij.
)
. Wij hebben de belofte dat Hij ons niet zal begeven en ons niet zal verlaten (Hb 13:5b5Laat uw wandel zonder geldzucht zijn en weest tevreden met wat u hebt; want Hijzelf heeft gezegd: ‘Ik zal u geenszins begeven en u geenszins verlaten’,). David doet weer een beroep op God als “mijn God”. God is toch zijn God? Dan kan Hij toch niet ver van hem blijven?

De nood is groot, de situatie zeer dreigend. Er moet spoedig hulp van God komen (vers 2323Kom mij spoedig te hulp,
Heere, mijn heil!
)
. Daarvoor doet hij een beroep op de “Heere, mijn heil”. Al zijn vertrouwen voor zijn heil, zijn behoudenis, zijn verlossing, is gevestigd op de “Heere”, Adonai, de soevereine Heerser. Hij brengt niet alleen heil, maar is zijn heil, zijn verlossing. Het is geen daad, maar een Persoon Die de daad van verlossing op Zijn tijd zal verrichten.


Lees verder