Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-5 Kenmerken van de goddeloze 6-10 Kostbare goedertierenheid 11-13 Goedertierenheid en gerechtigheid
Inleiding

Uit deze psalm kunnen we geen directe aanleiding opmaken die heeft geleid tot het dichten ervan. We horen de taal van een gelovige die inzicht heeft in het wezen van de goddeloze, wat hem kenmerkt en drijft. Dat inzicht drijft hem uit naar de uitnemendheid en grootheid van God als zijn toevlucht en de overvloed aan zegen die bij Hem genoten wordt. De psalmist kijkt eerst naar de ‘grootheid’ van de goddeloze en dan naar de grootheid van God. We herkennen hier de ervaring van het gelovig overblijfsel in de eindtijd als ze met ‘de goddeloze’, dat is de antichrist, te maken krijgen.

Dat de gelovigen door de kennis van de goddelozen worden uitgedreven naar God, is precies wat God wil. We zien hier een toepassing van het raadsel dat Simson opgeeft: “Eten kwam uit de eter, en zoetigheid kwam uit de sterke” (Ri 14:1414Hij zei tegen hen: Eten kwam uit de eter, en zoetigheid kwam uit de sterke. En drie dagen [lang] konden zij het raadsel niet uitleggen.). De dreiging van de goddeloze maakt ons des te meer bewust van alles wat we in Christus hebben ontvangen. Daardoor komt er ‘eten’ en ‘zoetigheid’ voor ons uit de ‘eter’ en ‘de sterke’, dat is de goddeloze.

De psalm kan als volgt worden ingedeeld:
1. De kenmerken van de goddeloze (verzen 2-52De overtreding van de goddeloze spreekt binnen in mijn hart:
ontzag voor God [staat] hem niet voor ogen.
3Want hij vleit zichzelf in zijn [eigen] ogen,
tot men zijn ongerechtigheid vindt [en] haat.
4De woorden van zijn mond zijn onrecht en bedrog;
hij laat na verstandig te handelen en goed te doen.
5Op zijn slaapplaats bedenkt hij onrecht;
hij gaat op een weg staan die niet goed is,
het kwaad verwerpt hij niet.
)
.
2. Lofzang over de verbondstrouw van God en de vreugde ervan (verzen 6-106HEERE, Uw goedertierenheid [reikt tot] in de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
7Uw gerechtigheid is als de machtige bergen,
Uw oordelen zijn [als] de grote watervloed;
mensen en dieren verlost U, HEERE.
8Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God!
Daarom nemen de mensenkinderen de toevlucht
onder de schaduw van Uw vleugels.
9Zij worden verzadigd met de overvloed van Uw huis;
U laat hen drinken [uit] Uw beek vol verrukkelijke gaven.
10Want bij U is de bron van het leven;
in Uw licht zien wij het licht.
)
.
3. Gebed om bewaard te blijven voor de goddeloze (verzen 11-1311Strek Uw goedertierenheid uit over wie U kennen,
en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
12Laat de voet van de hoogmoedigen niet over mij heen komen,
laat de hand van de goddelozen mij niet doen rondzwerven.
13Daar zijn zij gevallen die onrecht bedrijven!
Zij zijn neergestoten en kunnen niet meer opstaan.
)
.


Opschrift

1Een psalm van David, de dienaar van de HEERE, voor de koorleider.

De psalm is “van David”. Voor “de dienaar van de HEERE” zie bij Psalm 18:1 waar deze uitdrukking in het opschrift de eerste en enige andere keer voorkomt. Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1.


Kenmerken van de goddeloze

2De overtreding van de goddeloze spreekt binnen in mijn hart:
ontzag voor God [staat] hem niet voor ogen.
3Want hij vleit zichzelf in zijn [eigen] ogen,
tot men zijn ongerechtigheid vindt [en] haat.
4De woorden van zijn mond zijn onrecht en bedrog;
hij laat na verstandig te handelen en goed te doen.
5Op zijn slaapplaats bedenkt hij onrecht;
hij gaat op een weg staan die niet goed is,
het kwaad verwerpt hij niet.

In het Hebreeuws begint deze psalm met het woord ne’um, dat wil zeggen dat wat hierna volgt een Godsspraak is, een orakel van God. Wat volgt, is een omschrijving van de goddeloze zoals God hem ziet. De kenmerken die hier worden beschreven, laten zien dat er geen enkele terughoudendheid is bij het begaan van zonden.

Het is niet beperkt tot een bepaalde vijand in het leven van de psalmist, maar geldt voor iedere goddeloze. Het is zijn natuur, hij leeft hiernaar. Het betreft zijn hele wezen, zijn denken, zijn woorden en zijn daden, kortom het is de mens onder de macht van de zonde (vgl. Jr 17:99Arglistig is het hart, boven alles,
ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen?
; Ef 2:1-31En u [heeft God opgewekt], toen u dood was in uw overtredingen en zonden,2waarin u vroeger hebt gewandeld overeenkomstig de tijdgeest van deze wereld, overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest die nu werkt in de zonen van de ongehoorzaamheid,3onder wie ook wij allen vroeger verkeerden in de begeerten van ons vlees, toen wij de wil deden van het vlees en van de gedachten; en wij waren van nature kinderen van [de] toorn, evenals de overigen.)
. “De overtreding” wil hier zeggen dat de zonde in het hart van de goddeloze de plaats van God heeft ingenomen.

Zijn leven bestaat uit “overtreding” van alles wat God heeft verboden (vers 22De overtreding van de goddeloze spreekt binnen in mijn hart:
ontzag voor God [staat] hem niet voor ogen.
)
. God weet wat de goddeloze “binnen in mijn hart” zegt. Die mens heeft geen greintje “ontzag voor God”. Zijn ogen zijn niet daarop gericht. Bij de goddeloze is het spreken van God in het hart of het geweten vervangen door de wens om alles wat God heeft verboden te overtreden. Het gaat niet om een heiden, maar om iemand die bewust in opstand is tegen het verbond van God. Het gaat om een afvallige jood, die uiteindelijk in de antichrist zijn volle vervulling vindt (vgl. 2Th 2:3-43Laat niet iemand u op enigerlei wijze bedriegen, want [die komt niet] als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf,4die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is.).

Er staat de goddeloze in plaats van ontzag voor God iets heel anders voor ogen en dat is hijzelf. Hij vindt zichzelf geweldig. Hij beroemt zich op zijn overtreding, hij praat die goed, en vleit zich met alles wat hij kan en is in zijn eigen ogen (vers 33Want hij vleit zichzelf in zijn [eigen] ogen,
tot men zijn ongerechtigheid vindt [en] haat.
)
. Daarmee misleidt hij zichzelf en anderen. Er komt een ogenblik dat “men zijn ongerechtigheid vindt [en] haat” (vgl. Nm 32:2323Maar als u [dit] niet zo doet, zie, dan hebt u tegen de HEERE gezondigd; weet dan dat uw zonde u zal vinden!). Dit betekent dat de goddeloze uiteindelijk voor de grote, witte troon met zijn ongerechtigheid zal worden geconfronteerd en geoordeeld, maar hier gaat het om de regering van God hier-en-nu.

Het wordt algemeen gezegd, “men”, omdat het gaat om het beginsel. Wie ongerechtigheid doet, zal daarvoor worden gestraft door God. Hij zal worden gehaat door God en ieder die Hem liefheeft. Dan zullen de bedrijvers van ongerechtigheid ervan overtuigd worden dat ze de ongerechtigheid hebben liefgehad en daarmee tegen God en hun eigen leven hebben gezondigd. Zonder verweer zullen ze inzien dat de straf die ze krijgen, verdiend en rechtvaardig is.

Zijn overtreding – dat is niet alleen verkeerd handelen, maar het is een verbod overtreden – blijkt uit de woorden van onrecht en bedrog die uit zijn mond komen (vers 44De woorden van zijn mond zijn onrecht en bedrog;
hij laat na verstandig te handelen en goed te doen.
)
. Er is bij hem geen verstandig handelen en goed doen. In zijn woorden en daden is niets te ontdekken wat waar en goed is. Dit is het gevolg van het ontbreken van ontzag voor God. Als dat ontbreekt, kan er geen verstandig handelen zijn. Hier staat “laat na”. Dat wijst erop dat hij beter weet, maar het niet doet, het nalaat. Het is een schuldige nalatigheid. Het volgende vers toont dat aan.

Uit vers 55Op zijn slaapplaats bedenkt hij onrecht;
hij gaat op een weg staan die niet goed is,
het kwaad verwerpt hij niet.
blijkt dat de goddeloze opzettelijk en welbewust het kwade doet. Het is moedwillig, met voorbedachten rade zondigen (Hb 10:2626Want als wij moedwillig zondigen nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor [de] zonden meer over,). Het is rebelleren tegen het verbond van God. Hij bedenkt onrecht op zijn bed. ’s Nachts houdt de begeerte om onrecht te doen hem bezig. Als hij uit bed komt, gaat hij “op een weg staan die niet goed is”. Op een dergelijke weg is het niet mogelijk goed te doen. “Het kwaad verwerpt hij niet”, wat inhoudt dat hij het kwaad kent, maar het niet verwerpt.


Kostbare goedertierenheid

6HEERE, Uw goedertierenheid [reikt tot] in de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
7Uw gerechtigheid is als de machtige bergen,
Uw oordelen zijn [als] de grote watervloed;
mensen en dieren verlost U, HEERE.
8Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God!
Daarom nemen de mensenkinderen de toevlucht
onder de schaduw van Uw vleugels.
9Zij worden verzadigd met de overvloed van Uw huis;
U laat hen drinken [uit] Uw beek vol verrukkelijke gaven.
10Want bij U is de bron van het leven;
in Uw licht zien wij het licht.

Zonder overgang, zonder inleiding, is ineens de HEERE daar (vers 66HEERE, Uw goedertierenheid [reikt tot] in de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
)
. Hoe kan dat? Het antwoord is: Zijn goedertierenheid (chesed) ofwel Zijn verbondstrouw. Voor ons is het handelen van de HEERE gebaseerd op het bloed van het nieuwe verbond, dat voor ons is. Zijn trouw is gebaseerd op de volbrachte werk van de Heer Jezus aan het kruis. Deze psalm is, zoals bij vers 22De overtreding van de goddeloze spreekt binnen in mijn hart:
ontzag voor God [staat] hem niet voor ogen.
is opgemerkt, een Godsspraak, wat aangeeft dat alles hier vanuit Gods gezichtspunt wordt gezien. Daarom kunnen we hier in vers 66HEERE, Uw goedertierenheid [reikt tot] in de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
de abrupte overgang naar een loflied op Gods verbondstrouw hebben.

Tegenover de verheerlijking van de goddeloze van zichzelf in vers 33Want hij vleit zichzelf in zijn [eigen] ogen,
tot men zijn ongerechtigheid vindt [en] haat.
staat de verheerlijking van Gods goedertierenheid en trouw door de Godvrezende (vers 66HEERE, Uw goedertierenheid [reikt tot] in de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
)
. Gods “goedertierenheid [reikt tot] in de hemel”. Dat houdt in dat de goedertierenheid van God de rechtvaardige op aarde zal begeleiden totdat hij in de hemel is. Tevens rekent de rechtvaardige op de trouw van God die boven het aardse gebeuren uitgaat en “tot de wolken” reikt.

Het betekent dat de goedertierenheid en de trouw van God onmetelijk groot zijn (vgl. Ps 57:1111Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
)
. Zover het oog reikt, zijn ze zichtbaar. Goedertierenheid is de bron van Gods handelen en biedt vertroosting in moeilijke omstandigheden. Trouw is het anker waaraan de gelovige zich vasthoudt. Trouw biedt zekerheid.

Aan Gods goedertierenheid en trouw is Zijn “gerechtigheid” verbonden (vers 77Uw gerechtigheid is als de machtige bergen,
Uw oordelen zijn [als] de grote watervloed;
mensen en dieren verlost U, HEERE.
)
. Die is onwankelbaar “als de machtige bergen”. Zijn gerechtigheid komt tot uiting in Zijn regering die tot oordeel voor de goddeloze en tot verlossing voor de rechtvaardige is. Hij handelt altijd in overeenstemming met wie Hij is, in overeenstemming met Zijn heiligheid en Zijn liefde.

Na zijn oordelen in de grote verdrukking, die zijn als “de grote watervloed”, volgt de verlossing van “mensen en dieren”. Dit herinnert aan Gods oordeel van de zondvloed (Gn 7:1111In het zeshonderdste levensjaar van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand, op die dag zijn alle bronnen van de grote watervloed opengebarsten en de sluizen van de hemel opengezet.), waarna mensen en dieren uit de ark op een door de oordelen gereinigde aarde komen (Gn 8:18-1918Toen ging Noach naar buiten, en zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen met hem.19Alle dieren, alle kruipende dieren en alle vogels, alles wat zich op de aarde beweegt, overeenkomstig hun soorten, gingen de ark uit.). Zo zal het zijn in het vrederijk na de grote verdrukking (Rm 8:20-2120Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen (niet vrijwillig, maar om wille van hem die [haar] onderworpen heeft),21in [de] hoop dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.).

In het vrederijk zal duidelijk worden “hoe kostbaar” Gods “goedertierenheid” is, want alles wat dan wordt genoten, is daar het gevolg van (vers 88Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God!
Daarom nemen de mensenkinderen de toevlucht
onder de schaduw van Uw vleugels.
)
. Dit beginsel geldt niet alleen voor het vrederijk. Gods goedertierenheid is nu al de reden, “daarom”, voor “de mensenkinderen de toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels” te nemen (vgl. Ru 2:1212Moge de HEERE uw daad vergelden, en moge uw loon volkomen zijn van de HEERE, de God van Israël, onder Wiens vleugels u gekomen bent om toevlucht te nemen.; Ps 17:88Bewaar mij als [Uw] oogappel,
verberg mij onder de schaduw van Uw vleugels
; 57:22Wees mij genadig, o God, wees mij genadig,
want mijn ziel heeft tot U de toevlucht genomen;
ik neem mijn toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels,
totdat de rampen voorbij zijn gegaan.
; 61:55Ik zal in alle eeuwigheid in Uw tent verblijven,
mijn toevlucht zoeken in de schuilplaats onder Uw vleugels. /Sela/
; 63:88voorzeker, U bent een Helper voor mij geweest;
onder de schaduw van Uw vleugels zal ik vrolijk zingen.
; 91:44Hij zal u beschutten met Zijn vlerken,
onder Zijn vleugels zult u de toevlucht nemen,
Zijn trouw is een schild en een pantser.
)
. God biedt bescherming en veiligheid. Een voorbeeld daarvan zien we in de natuur bij kuikens die onder vleugels van de moeder kruipen als er gevaar dreigt (Mt 23:3737Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die tot haar zijn gezonden, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenverzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeenverzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild.; Lk 13:3434Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die tot haar zijn gezonden, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenverzamelen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels, en u hebt niet gewild.).

Onder de schaduw van Gods vleugels vinden de mensenkinderen niet alleen bescherming, maar ook een overvloed aan zegeningen: ze worden “verzadigd met de overvloed van Uw huis” (vers 99Zij worden verzadigd met de overvloed van Uw huis;
U laat hen drinken [uit] Uw beek vol verrukkelijke gaven.
)
. De zegeningen zijn hier te mogen eten van het dank- of vredeoffer dat spreekt van gemeenschap met de Heer.

God geeft hun daar te drinken uit Zijn “beek vol verrukkelijke gaven” (vgl. Ez 47:1-51Daarna bracht Hij mij terug naar de ingang van het huis. En zie, er stroomde water uit, van onder de drempel van het huis naar het oosten, want de voorkant van het huis lag naar het oosten. Het water stroomde naar beneden van onder de rechterzijde van het huis, ten zuiden van het altaar.2Vervolgens bracht Hij mij naar buiten via de noorderpoort en leidde mij buitenom rond naar de buitenpoort, in de richting die naar het oosten gekeerd is. En zie, uit de rechterzijde borrelde water.3Toen de Man [naar] het oosten naar buiten ging, was er een meetlint in Zijn hand. Hij mat duizend el en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de enkels.4Hij mat [weer] duizend [el] en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de knieën. Toen mat Hij er [weer] duizend en liet mij erdoor gaan: het water kwam tot de heupen.5[Nog eens] mat Hij duizend [el]: het was een beek waar ik niet door kon gaan, want het water was [heel] hoog – water waar men [alleen] zwemmend [door kon], een beek waar men [anders] niet door kon gaan.). Dit is kenmerkend voor de vreugde van allen die deelhebben aan de Goddelijke natuur. Waar God Zijn vreugde heeft, daar hebben de Zijnen hun vreugde. Bij de ‘verrukkelijke gaven’ kunnen we denken aan alles wat we in Christus aan gaven hebben ontvangen, zowel geestelijke als stoffelijke gaven. Voor beide gaven geldt: wat hebben we wat we niet ontvangen hebben (1Ko 4:77Want wie onderscheidt u? En wat hebt u, dat u niet hebt ontvangen? En als u het dan hebt ontvangen, waarom beroemt u zich, alsof u het niet had ontvangen?)? Alle gaven vinden hun samenvatting in de ene grote gave van God: Christus. “God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave” (2Ko 9:1515God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave.).

Deze overvloed aan zegeningen mogen door ons, nieuwtestamentische gelovigen, op hogere wijze worden genoten dan mogelijk is voor gelovigen die met Gods aardse volk verbonden zijn. Christus is ons leven geworden. De Heilige Geest woont in ons. We hebben het eeuwige leven gekregen. Onze gemeenschap is door de Geest met de Vader en de Zoon en met elkaar. Dat geeft een volkomen blijdschap (1Jh 1:1-41Wat van [het] begin af was, wat wij gehoord, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd en onze handen betast hebben betreffende het Woord van het leven2(en het leven is geopenbaard en wij hebben gezien en getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en ons geopenbaard is);3wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat ook u met ons gemeenschap hebt. En onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.4En deze dingen schrijven wij <u>, opdat onze blijdschap volkomen is.).

We kunnen dit alles genieten omdat we in verbinding zijn gebracht met Hem bij Wie “de bron van het leven” is (vers 1010Want bij U is de bron van het leven;
in Uw licht zien wij het licht.
)
. Bron wil zeggen bron van water. Leven wil zeggen dat het hier gaat om een bron van levend water, water dat leven en verfrissing geeft. Voor ons gaat het nog verder. Die bron is niet alleen ‘bij’ ons, maar in ons (Jh 14:16-1716En Ik zal de Vader vragen en Hij zal u een andere Voorspraak geven, opdat Die met u zal zijn tot in eeuwigheid:17de Geest van de waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, omdat zij Hem niet aanschouwt en Hem niet kent; u kent Hem, omdat Hij bij u blijft en in u zal zijn.). Wij hebben die bron in Christus, Die door het geloof in onze harten woont (Ef 3:1717zodat Christus door het geloof in uw harten woont, terwijl u in [de] liefde geworteld en gegrond bent;), en in het eeuwige leven – en dat is Hij ook (1Jh 5:2020En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons [het] verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en [het] eeuwige leven.) – dat we hebben ontvangen (Jh 4:1414maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in [het] eeuwige leven.). Wij hebben die bron ook in ons door de Heilige Geest Die in ons woont, waardoor we weer een bron van water voor anderen kunnen worden (Jh 7:37-3937En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus [daar] en riep aldus: Als iemand dorst heeft, laat hij bij Mij komen en drinken!38Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.39Dit nu zei Hij van de Geest, Die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want [de] Geest was [er] nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.).

Behalve de bron van het leven is God ook “licht”, en in Zijn licht “zien wij het licht”. Het licht zien is verbonden met ‘leven’ (Ps 49:2020[toch] zal hij komen tot het geslacht van zijn vaderen;
voor altijd zullen zij het licht niet zien.
)
. Dit betekent dat ze leven ontvangen in het licht van God. Leven en licht horen bij elkaar. Dat is in Christus te zien: “In Hem was leven, en het leven was het licht van de mensen” (Jh 1:44In Hem was leven, en het leven was het licht van de mensen.). In het verband waarin het hier staat, wil het zeggen dat het licht de gelovige de weg laat zien in de duisternis waarin de wereld is gehuld. Het gaat om het licht van God dat licht geeft in de duisternis.

De diepere betekenis is dat het licht in duistere mensenharten schijnt en openbaar maakt wat daarin is. Het maakt de zondaar openbaar en laat ook zien Wie God is en wat Hij heeft gedaan om de zondaar te redden.


Goedertierenheid en gerechtigheid

11Strek Uw goedertierenheid uit over wie U kennen,
en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
12Laat de voet van de hoogmoedigen niet over mij heen komen,
laat de hand van de goddelozen mij niet doen rondzwerven.
13Daar zijn zij gevallen die onrecht bedrijven!
Zij zijn neergestoten en kunnen niet meer opstaan.

We komen hier bij het derde deel van de psalm. In het eerste deel hebben we de kenmerken van de goddeloze gezien. In het tweede deel hebben we een lofzang over de verbondstrouw van God, van Zijn goedertierenheid, gehoord. In dit derde deel vraagt de psalmist of de HEERE Zijn goedertierenheid wil bewijzen over hen die Hem kennen. Zij noemen zichzelf diegenen die oprecht zijn en de HEERE kennen.

Wie de goddeloze is en Wie God is, is duidelijk gemaakt. Nu kan David bidden om de goedertierenheid en gerechtigheid van God voor de rechtvaardigen (vers 1111Strek Uw goedertierenheid uit over wie U kennen,
en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
)
. Hier worden, evenals in de verzen 6-76HEERE, Uw goedertierenheid [reikt tot] in de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
7Uw gerechtigheid is als de machtige bergen,
Uw oordelen zijn [als] de grote watervloed;
mensen en dieren verlost U, HEERE.
goedertierenheid en gerechtigheid aan elkaar verbonden.

Als David aan Gods goedertierenheid en gerechtigheid denkt, kan hij niet alleen aan zichzelf denken. Hij vraagt of God Zijn goedertierenheid en gerechtigheid ook wil uitstrekken over de Zijnen. Dat doet denken aan een overdekking, aan bescherming en veiligheid. Daarin ligt voor David zowel voor zichzelf als voor hen die bij hem zijn geborgenheid tegen de vijand.

Hij spreekt over “wie U kennen” en “de oprechten van hart”. Zij zijn de “wij” van vers 1010Want bij U is de bron van het leven;
in Uw licht zien wij het licht.
. Wie God kennen, zijn zij die in gemeenschap met God leven. Het betekent dat zij Hem vertrouwen en trouw zijn aan Hem. De oprechten van hart zijn ‘recht van hart’, wat betekent dat in hun hart geen krommingen, zijpaden ofwel bijbedoelingen zijn (vgl. Ps 7:1111Mijn schild is bij God,
Die de oprechten van hart verlost.
; 11:22Want zie, de goddelozen spannen de boog,
zij leggen hun pijlen op de pees
om in het donker te schieten op de oprechten van hart.
; 32:1111Verblijd u in de HEERE en verheug u, rechtvaardigen,
zing vrolijk, alle oprechten van hart!
)
. Zij onderscheiden zich van hen die God in hun hart verloochenen en geen ontzag voor Hem hebben (vers 11Een psalm van David, de dienaar van de HEERE, voor de koorleider.).

In aansluiting op vers 1111Strek Uw goedertierenheid uit over wie U kennen,
en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
vraagt David in vers 1212Laat de voet van de hoogmoedigen niet over mij heen komen,
laat de hand van de goddelozen mij niet doen rondzwerven.
om bewaring voor de hoogmoedige en goddeloze mensen (vgl. Mt 6:1313En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.). Hij spreekt over “de voet van de hoogmoedigen” en “de hand van de goddelozen”. Hij wil niet vertrapt worden door de voet van de hoogmoedigen en niet weggejaagd worden door de hand van de goddelozen. Hij wil graag ongestoord van Gods goedertierenheid en gerechtigheid genieten en Hem dienen. Daarom wil hij niet onder de voet gelopen worden door de snoevers en moeten rondzwerven om uit handen van de goddelozen te blijven.

David besluit zijn gebed met het uitspreken van de zekerheid dat zij “die onrecht bedrijven” aan hun einde zullen komen (vers 1313Daar zijn zij gevallen die onrecht bedrijven!
Zij zijn neergestoten en kunnen niet meer opstaan.
)
. Hij ziet de toekomst als heden. Als de Godvrezende schuilt in de schaduw van de vleugels van de HEERE, kunnen de goddelozen niet staande blijven (Ps 1:55Daarom blijven de goddelozen niet staande in het gericht,
de zondaars niet in de gemeenschap van de rechtvaardigen.
)
. Ze zijn gevallen omdat ze neergestoten zijn, waardoor ze ook niet meer kunnen opstaan om weer onrecht te gaan bedrijven.


Lees verder