Psalmen
Inleiding 1-3 Roep tot God om hulp 4-10 Vraag om vergelding 11-16 Kwaad voor goed vergolden 17-21 Roep om verlossing 22-26 Vraag om recht te doen 27-28 De HEERE is groot
Inleiding

Deze psalm heeft de vorm van een klaaglied. Hij bestaat uit drie delen
1. verzen 1-10;
2. verzen 11-18;
3. verzen 19-28.
Ze eindigen alle drie met een voornemen om de HEERE te loven.

De psalm is een dringend verzoek aan God om in oordeel op te treden tegen de afvallige, onbarmhartige vervolgers van de rechtvaardige, dat is David en zij die met hem zijn. Smaad, list en geweld worden allemaal tegen hem gebruikt. We kunnen bij de vervolgers het best aan Saul en zijn helpers denken.

Wat zij David aandoen, zal ook het deel van het overblijfsel zijn in de eindtijd. Veel ervan heeft ook de Heer Jezus ervaren.


Roep tot God om hulp

1[Een psalm] van David.
Roep ter verantwoording, HEERE, wie mij ter verantwoording roepen;
bestrijd wie mij bestrijden.
2Grijp het kleine en het grote schild,
sta op, mij te hulp.
3Neem de speer in de hand,
sluit [de weg] af, [houd] mijn vervolgers tegen;
zeg tegen mijn ziel:
Ik ben uw heil.

Dit is een psalm “van David” (vers 1a1[Een psalm] van David.
Roep ter verantwoording, HEERE, wie mij ter verantwoording roepen;
bestrijd wie mij bestrijden.
)
. Zonder inleiding, zonder eerst de aandacht van God te vragen, roept hij in de verzen 1-31[Een psalm] van David.
Roep ter verantwoording, HEERE, wie mij ter verantwoording roepen;
bestrijd wie mij bestrijden.
2Grijp het kleine en het grote schild,
sta op, mij te hulp.
3Neem de speer in de hand,
sluit [de weg] af, [houd] mijn vervolgers tegen;
zeg tegen mijn ziel:
Ik ben uw heil.
tot God. De nood is zo groot dat David geen tijd heeft om zijn gebed in te leiden. Het is als iemand die op het punt staat te verdrinken en daarom roept: ‘Help, help!’ Het is een uitgebreide toelichting op de uitspraak van David toen hij voor Saul moest vluchten: “De HEERE zal Rechter zijn en oordelen tussen mij en u. Hij zal toezien en het voor mij opnemen, en mij recht doen [en bevrijden] uit uw hand” (1Sm 24:1616De HEERE zal Rechter zijn en oordelen tussen mij en u. Hij zal toezien en het voor mij opnemen, en mij recht doen [en bevrijden] uit uw hand.). De psalm is ook nauw verbonden met Psalm 34. Alleen in deze twee psalmen vinden we in Psalmen de uitdrukking de Engel van de HEERE (Ps 34:88De engel van de HEERE legert zich /cheth/
rondom hen die Hem vrezen, en redt hen.
; 35:5-65Laat hen worden als kaf voor de wind,
wanneer de engel van de HEERE hen wegdrijft.
6Laat hun weg duister en spiegelglad zijn,
wanneer de engel van de HEERE hen vervolgt.
)
.

David vraagt Hem om al het mogelijke te doen om af te rekenen met hen die hem bestrijden. Hij valt met de deur in huis en zegt in krachtige taal tegen God dat Hij de middelen die Hij heeft, inzet om hem te hulp te komen.

Om te beginnen vraagt Hij aan God om zijn vervolgers en aanklagers ter verantwoording roepen (vers 1b1[Een psalm] van David.
Roep ter verantwoording, HEERE, wie mij ter verantwoording roepen;
bestrijd wie mij bestrijden.
)
. Als reden daarvoor noemt hij het feit dat zij hem ter verantwoording roepen. De vertaling ‘ter verantwoording roepen’ is veel te zwak. Het is beter om te vertalen: “Twist, HEERE, met hen die met mij twisten.” De betekenis is meer: ‘Vecht, HEERE, tegen diegenen die tegen mij vechten. De taal is zowel militaire taal als gerechtelijke (juridische) taal (verzen 2-32Grijp het kleine en het grote schild,
sta op, mij te hulp.
3Neem de speer in de hand,
sluit [de weg] af, [houd] mijn vervolgers tegen;
zeg tegen mijn ziel:
Ik ben uw heil.
)
, tegelijkertijd en door elkaar heen. Het is zowel bevechten als betwisten.

Wat de vijanden van David willen, is uiterst misplaatst. Er is niets wat dat rechtvaardigt. Hij heeft niets gedaan waarvoor hij zich tegenover hen zou moeten verantwoorden. Dat moet God hun laten weten en daarom moet Hij zijn zaak ter hand nemen. David vraagt aan God om zijn Advocaat te zijn. Daardoor zal Hij laten weten dat Hij aan zijn kant staat. Hij zal hen bestrijden die hem bestrijden.

Laat God het kleine en het grote schild grijpen – dit zijn verdedigingswapens, soms door een schilddrager gedragen – en opstaan om hem te helpen (vers 22Grijp het kleine en het grote schild,
sta op, mij te hulp.
)
. Het kleine schild is het handschild; het grote schild is het schild waarachter de persoon helemaal schuilgaat. God moet ook de speer in de hand nemen – dit is een aanvalswapen om de vijand uit te schakelen – en Zich tussen hem en zijn vervolgers opstellen, zodat Hij de weg voor zijn vervolgers verspert en zij hem niet kunnen grijpen (vers 33Neem de speer in de hand,
sluit [de weg] af, [houd] mijn vervolgers tegen;
zeg tegen mijn ziel:
Ik ben uw heil.
)
.

Behalve door Zijn daden – de wapens spreken van Gods bereidheid om David te verdedigen – moet God hem ook door Zijn woorden laten weten dat Hij voor hem is. Hij moet tegen zijn ziel het volgende zeggen: “Ik ben uw heil”, met de nadruk op “Ik ben”. Dat zal een enorme bemoediging en vertroosting voor hem zijn in de grote nood waarin hij zich bevindt.


Vraag om vergelding

4Laat beschaamd en te schande worden
wie mij naar het leven staan;
laat terugwijken en rood van schaamte worden
wie kwaad tegen mij bedenken.
5Laat hen worden als kaf voor de wind,
wanneer de engel van de HEERE hen wegdrijft.
6Laat hun weg duister en spiegelglad zijn,
wanneer de engel van de HEERE hen vervolgt.
7Want zonder reden verborgen zij een kuil – hun net – voor mij,
zonder reden groeven zij [een kuil] voor mijn ziel.
8Laat verwoesting over hem komen zonder dat hij het merkt,
laat zijn net, dat hij heimelijk [spande], hemzelf vangen;
laat hem daarin vallen, met verwoesting.
9Dan zal mijn ziel zich in de HEERE verheugen,
zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.
10Al mijn beenderen zullen zeggen:
HEERE, wie is aan U gelijk!
U redt de ellendige van wie sterker is dan hij,
en de ellendige en arme van wie hem berooft.

Na wat David in de verzen 1-31[Een psalm] van David.
Roep ter verantwoording, HEERE, wie mij ter verantwoording roepen;
bestrijd wie mij bestrijden.
2Grijp het kleine en het grote schild,
sta op, mij te hulp.
3Neem de speer in de hand,
sluit [de weg] af, [houd] mijn vervolgers tegen;
zeg tegen mijn ziel:
Ik ben uw heil.
heeft gezegd, kan God aan Zijn oordelend werk ten gunste van hem beginnen. Hij vraagt aan God om wie hem naar het leven staan beschaamd en te schande te laten worden (vers 44Laat beschaamd en te schande worden
wie mij naar het leven staan;
laat terugwijken en rood van schaamte worden
wie kwaad tegen mij bedenken.
)
. In het Midden-Oosten telt het heel zwaar als een goede naam te schande wordt gemaakt. Al die mensen die kwaad tegen hem bedenken, moet Hij laten terugwijken en rood van schaamte laten worden. David drukt zich steeds sterker uit in zijn vraag aan God om met zijn vijanden te handelen.

God moet hen door “de Engel van de HEERE”, dat is de Heer Jezus voordat Hij Mens is geworden (vgl. Ps 34:88De engel van de HEERE legert zich /cheth/
rondom hen die Hem vrezen, en redt hen.
)
, wegdrijven (vers 55Laat hen worden als kaf voor de wind,
wanneer de engel van de HEERE hen wegdrijft.
)
. Als Hij erop inslaat, zullen ze als kaf voor de wind wegstuiven, zodat ze onvindbaar zijn (vgl. 2Kn 19:3535Het gebeurde in diezelfde nacht dat de engel van de HEERE [ten strijde] trok en in het leger van Assyrië honderdvijfentachtigduizend [man] neersloeg. Toen men de [volgende] morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.; Js 37:3636Toen trok de engel van de HEERE [ten strijde] en sloeg in het legerkamp van Assyrië honderdvijfentachtigduizend [man] neer. Toen men de [volgende] morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.). Ook vraagt hij om hun weg “duister en spiegelglad” te laten zijn, “wanneer de Engel van de HEERE hen vervolgt” (vers 66Laat hun weg duister en spiegelglad zijn,
wanneer de engel van de HEERE hen vervolgt.
)
. De weg van zijn vervolgers moet duister zijn, zodat ze de weg niet herkennen. Hij moet ook spiegelglad zijn, zodat ze direct uitglijden zodra ze een stap zetten. Het is wat de Egyptenaren in de Rode Zee is overkomen (Ex 14:23-3123De Egyptenaren achtervolgden hen en kwamen hen achterna, [met] al de paarden van de farao, zijn strijdwagens en zijn ruiters, tot in het midden van de zee.24Maar het gebeurde bij het aanbreken van de dag, dat de HEERE in de vuur- en wolkkolom neerzag op het leger van de Egyptenaren, en Hij bracht het leger van de Egyptenaren in verwarring.25Hij liet de wielen van hun wagens wegzakken en liet ze met moeite vooruitkomen. Toen zeiden de Egyptenaren: Laten wij voor Israël vluchten, want de HEERE strijdt voor hen tegen de Egyptenaren.26Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit over de zee, zodat het water terugkeert over de Egyptenaren, over hun strijdwagens en over hun ruiters.27Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en tegen het aanbreken van de morgen vloeide de zee terug naar zijn oorspronkelijke plaats, terwijl de Egyptenaren het water tegemoetvluchtten. Zo stortte de HEERE de Egyptenaren midden in de zee.28Want toen het water terugvloeide, bedolf het de strijdwagens en de ruiters van het hele leger van de farao, die hen in de zee achternagekomen waren. Niet een van hen bleef er over.29Maar de Israëlieten gingen op het droge, midden door de zee. Het water was voor hen een muur aan hun rechter- en linkerhand.30Zo verloste de HEERE Israël op die dag uit de hand van de Egyptenaren. En Israël zag de Egyptenaren dood aan de oever van de zee [liggen].31Toen zag Israël de machtige hand die de HEERE tegen de Egyptenaren gekeerd had, en het volk vreesde de HEERE en geloofde in de HEERE en in Mozes, Zijn dienaar.). David weet dat zijn vijanden niet eens zullen kunnen vluchten voor hun Vervolger, als Hij de rollen heeft omgekeerd.

De vraag van David om het oordeel over zijn vijanden te laten komen, is gerechtvaardigd. Zijn vijanden willen hem als een wild dier in een net en in een kuil vangen die ze voor hem verborgen hebben (vers 77Want zonder reden verborgen zij een kuil – hun net – voor mij,
zonder reden groeven zij [een kuil] voor mijn ziel.
)
. Maar het is “zonder reden” (vgl. vers 1919Laat over mij zich niet verblijden
wie om valse redenen mijn vijand zijn,
en laat niet [heimelijk] knipogen
 wie mij zonder reden haten.
)
. Zo zijn de vijanden van de Heer Jezus ook tegenover Hem geweest. ‘Zonder reden’ hebben ze Hem vervolgd, gedreven door een diepe haat om Hem te doden. Ook het overblijfsel zal ‘zonder reden’ verdrukt worden.

David vraagt aan God om verwoesting over de vijand (enkelvoud) te laten komen zonder dat hij het merkt (vers 88Laat verwoesting over hem komen zonder dat hij het merkt,
laat zijn net, dat hij heimelijk [spande], hemzelf vangen;
laat hem daarin vallen, met verwoesting.
)
. Deze vijand is in de eindtijd de antichrist, de toekomstige valse koning (Jh 5:4343Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen.), die het gelovig overblijfsel tot de dood toe zal vervolgen. Hij zal in zijn eigen sluwheid gevangen en omgebracht worden. Wat hij anderen heeft aangedaan, zal hem worden aangedaan (Op 13:1010Als iemand in gevangenschap [leidt], dan gaat hij in gevangenschap; als iemand met [het] zwaard zal doden, dan moet hij met [het] zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.).

Als God zijn verzoek inwilligt, zal zijn ziel zich in Hem verheugen (vers 99Dan zal mijn ziel zich in de HEERE verheugen,
zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.
)
. Hij zal vrolijk zijn in de behoudenis die God heeft gegeven. Al zijn beenderen, waaruit alle kracht is verdwenen, zullen nieuwe levenskracht opdoen (vers 1010Al mijn beenderen zullen zeggen:
HEERE, wie is aan U gelijk!
U redt de ellendige van wie sterker is dan hij,
en de ellendige en arme van wie hem berooft.
)
. In nieuw opgedane kracht zal hij het uitroepen: “HEERE, wie is aan U gelijk!” (vgl. Ex 15:1111       Wie is als U
                        onder de goden, HEERE?
            Wie is als U,
                        verheerlijkt in heiligheid,
            ontzagwekkend in lofzangen,
                        [U] Die wonderen doet?
)
. Deze woorden heeft Israël over God gesproken na de grote verlossing uit Egypte (Ex 15:1111       Wie is als U
                        onder de goden, HEERE?
            Wie is als U,
                        verheerlijkt in heiligheid,
            ontzagwekkend in lofzangen,
                        [U] Die wonderen doet?
)
. We horen ze ook in de woorden van Jesaja als hij over de God van de schepping spreekt (Js 40:25-2625Met wie zou u Mij willen vergelijken,
of aan wie ben Ik gelijk?
zegt de Heilige.
26Sla uw ogen op naar omhoog,
en zie Wie deze dingen geschapen heeft;
Hij is het Die hun leger voltallig tevoorschijn brengt,
ze alle bij name roept
door [Zijn] grote vermogen en [Zijn] sterke kracht;
er ontbreekt er niet één.
)
en in de woorden van Micha als Hij over God als de Verlosser spreekt (Mi 7:1818Wie is een God als U,
Die de ongerechtigheid vergeeft,
Die voorbijgaat aan de overtreding
van het overblijfsel van Zijn eigendom?
Hij zal niet voor eeuwig vasthouden aan Zijn toorn,
want Hij vindt vreugde in goedertierenheid.
)
.

David spreekt zo over God omdat God hem, “de ellendige”, heeft gered “van wie sterker is dan hij”. David was de onderliggende partij, maar de onvergelijkbare HEERE is hem te hulp gekomen en heeft hem gered. Als de HEERE voor hem opkomt, zal Hij hem, “de ellendige en arme”, redden uit de macht “van wie hem berooft”, van de man die met geweld zijn bezittingen van hem afneemt.


Kwaad voor goed vergolden

11Misdadige getuigen staan [tegen mij] op;
zij eisen [iets] van mij waarvan ik niet weet.
12Zij vergelden mij kwaad voor goed,
[zij willen] mij van het leven beroven.
13Maar ik? Waren zij ziek, [dan] was een rouwgewaad mijn kleding;
ik kwelde mijzelf door te vasten,
mijn gebed kwam telkens terug in mijn binnenste.
14Alsof het [mijn] vriend was, of mijn broeder,
zo liep ik steeds rond;
ik ging gebukt, in het zwart gehuld,
als iemand die om [zijn] moeder treurt.
15Maar toen ík strompelde, waren zij verblijd en verzamelden zich;
zij verzamelden zich om mij heen.
Zij waren kreupel en ik merkte het niet,
zij scheurden [hun kleren] en zwegen niet.
16In hun eigen kring van huichelachtige spotters
knarsetandden zij over mij.

Er wordt in deze verzen, het tweede deel van deze psalm, niet over geweld gesproken. Ze zijn een lange klacht maar over laster, ondankbaarheid, spot en haat. Voor al deze vormen van vijandschap is geen enkele grond. Dat maakt het alles ondraaglijk voor David. Wat David in deze verzen zegt, is met de Heer Jezus is gebeurd. Tegen Hem zijn misdadige getuigen opgestaan om iets aan te voeren op grond waarvan zijn vijanden Hem zouden kunnen veroordelen (vers 1111Misdadige getuigen staan [tegen mij] op;
zij eisen [iets] van mij waarvan ik niet weet.
; Mt 26:59-6059De overpriesters nu en de hele Raad zochten een vals getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem konden doden.60En zij vonden er geen, hoewel vele valse getuigen waren opgekomen.)
. En dat terwijl Hij niets kwaads heeft gedaan. Hij heeft integendeel alleen goed en niets anders gedaan.

David zegt hier “waarvan ik niet weet”. Dat heeft de Heer Jezus niet gezegd. Hij kan zeggen: Maar omdat Ik de waarheid zeg, gelooft u Mij niet. Wie van u overtuigt Mij van zonde? Als Ik [de] waarheid zeg, waarom gelooft u Mij niet?” (Jh 8:45-4645Maar omdat Ik de waarheid zeg, gelooft u Mij niet.46Wie van u overtuigt Mij van zonde? Als Ik [de] waarheid zeg, waarom gelooft u Mij niet?). Hij is Zich volmaakt bewust dat Hij alleen en niets anders dan de wil van God heeft gedaan.

Hoe hebben de vijanden van de Heer Jezus Hem kwaad voor goed vergolden (vers 1212Zij vergelden mij kwaad voor goed,
[zij willen] mij van het leven beroven.
)
. Ze hebben Hem “van het leven” willen “beroven”. Hij, Die het land is “doorgegaan, terwijl Hij goeddeed” (Hd 10:3838[met] Jezus van Nazareth, hoe God Hem heeft gezalfd met [de] Heilige Geest en met kracht. Hij is [het land] doorgegaan, terwijl Hij goeddeed en allen gezond maakte die door de duivel waren overweldigd, want God was met Hem.), is als een kwaaddoener afgeschilderd om Hem (Lk 23:1-2,5,101En de hele massa van hen stond op en leidde Hem voor Pilatus.2Zij nu begonnen Hem te beschuldigen en zeiden: Wij hebben bevonden dat Deze onze natie afkerig maakt en verbiedt de keizer belasting te betalen en van Zichzelf zegt dat Hij Christus is, een Koning.5Zij hielden echter aan en zeiden: Hij zet het volk op door Zijn leren in heel Judéa, waarmee Hij is begonnen van Galiléa tot hiertoe.10De overpriesters en de schriftgeleerden nu stonden Hem heftig te beschuldigen.).

En hoe is Hij te midden van Zijn volk geweest? Hij heeft deelgenomen aan hun lijden op een wijze die werkelijk medegevoel is (vers 1313Maar ik? Waren zij ziek, [dan] was een rouwgewaad mijn kleding;
ik kwelde mijzelf door te vasten,
mijn gebed kwam telkens terug in mijn binnenste.
; vgl. Mt 8:16-1716Toen het nu avond was geworden, brachten zij tot Hem vele bezetenen, en Hij dreef de geesten uit met een woord en Hij genas alle lijdenden,17opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet Jesaja, die zei: ‘Hijzelf heeft onze zwakheden [op Zich] genomen en onze ziekten gedragen’.)
. Hij heeft niet oppervlakkig geïnformeerd, met een beleefdheidsvraag zoals wij die vaak stellen, in de zin van ‘hoe gaat het met je?’. Hij heeft Zich uiterlijk ten volle en innerlijk ten diepste hun lijden aangetrokken en daar blijk van gegeven. Hij heeft telkens voor hen gebeden. Zijn verdriet is oprecht en diep doorvoeld, alsof het zijn vriend of broeder betreft of iemand die om zijn moeder treurt (vers 1414Alsof het [mijn] vriend was, of mijn broeder,
zo liep ik steeds rond;
ik ging gebukt, in het zwart gehuld,
als iemand die om [zijn] moeder treurt.
)
.

Maar wat hebben zij, voor wie David zo goed is geweest, gedaan toen hij het moeilijk had en strompelend door het leven ging (vers 1515Maar toen ík strompelde, waren zij verblijd en verzamelden zich;
zij verzamelden zich om mij heen.
Zij waren kreupel en ik merkte het niet,
zij scheurden [hun kleren] en zwegen niet.
)
? Toen hebben zij zich om hem heen verzameld, niet om hem te helpen, maar hem uit te lachen. Dat is ook wat de vijanden van de Heer Jezus met Hem hebben gedaan (Mt 27:2727Toen namen de soldaten van de stadhouder Jezus mee in het pretorium en verzamelden tegen Hem de hele legerafdeling.; Lk 23:11En de hele massa van hen stond op en leidde Hem voor Pilatus.). Ze hebben Hem haat vergolden voor Zijn liefde.

De mensen die zich, toen hij in nood was, zo om hem heen hebben verzameld om hem te bespotten, “waren kreupel”. Een betere vertaling is “waren vechtlustig”. David merkte het niet op. Hij had het niet door, het ontging hem. “Zij scheurden” hem, zijn reputatie, kapot met hun lasteringen. De toevoeging “en zwegen niet”, wijst erop dat het om woorden gaat. Davids vijanden wisten van geen ophouden, ze gingen maar door.

David weet ook hoe zij zich gedragen als ze ‘onder elkaar’ zijn, “in [hun eigen] kring” (vers 1616In hun eigen kring van huichelachtige spotters
knarsetandden zij over mij.
)
. Het is een gezelschap “van huichelachtige spotters”. Het Hebreeuwse woord heeft de betekenis dat het gaat om mensen die omwille van een kleine beloning (een koekje) bereid zijn om anderen te bespotten.

Misschien kunnen we denken aan mensen die bij Saul aan tafel zaten en daar leugens over hem aan Saul vertelden (1Sm 24:1010En David zei tegen Saul: Waarom luistert u naar de woorden van de mensen die zeggen: Zie, David wil u kwaad doen?). Dat deden deze huichelaars om bij Saul in een goed blaadje te komen en zoveel mogelijk van hem te profiteren (1Sm 22:77Toen zei Saul tegen zijn dienaren die bij hem stonden: Luister toch, Benjaminieten, zal de zoon van Isaï jullie allen soms ook akkers en wijngaarden geven? Zal hij jullie allen tot bevelhebbers over duizend en bevelhebbers over honderd aanstellen?). Daarom “knarsetandden zij” over hem, wat betekent dat ze boze plannen beraamden (Ps 37:1212De goddeloze bedenkt [snode] plannen tegen de rechtvaardige,/zain/
hij knarsetandt over hem.
)
. Ze waren uit op voordeel. Dat kwam maar niet omdat David steeds aan hun handen ontkwam.


Roep om verlossing

17Heere, hoelang zult U toekijken?
Verlos mijn ziel van hun verwoestende daden,
mijn eenzame [ziel] van de jonge leeuwen.
18Dan zal ik U loven in de grote gemeente,
onder machtig veel volk zal ik U prijzen.
19Laat over mij zich niet verblijden
wie om valse redenen mijn vijand zijn,
en laat niet [heimelijk] knipogen
 wie mij zonder reden haten.
20Want over vrede spreken zij niet,
maar tegen de stillen in den lande
bedenken zij bedrieglijke zaken.
21Zij sperren hun mond wijd open tegen mij;
zij zeggen: Haha, ons oog heeft het gezien!

Hoelang zal de “Heere”Adonai, Gebieder, soevereine Heerser – nog werkeloos blijven “toekijken” (vers 1717Heere, hoelang zult U toekijken?
Verlos mijn ziel van hun verwoestende daden,
mijn eenzame [ziel] van de jonge leeuwen.
)
? Wanneer zal Hij tot actie overgaan, waarvoor David Hem in de verzen 1-31[Een psalm] van David.
Roep ter verantwoording, HEERE, wie mij ter verantwoording roepen;
bestrijd wie mij bestrijden.
2Grijp het kleine en het grote schild,
sta op, mij te hulp.
3Neem de speer in de hand,
sluit [de weg] af, [houd] mijn vervolgers tegen;
zeg tegen mijn ziel:
Ik ben uw heil.
heeft opgeroepen? Terwijl in deze psalmen telkens als dichtvorm een herhaling van gedachten voorkomt, wordt deze dichtvorm onderbroken doordat deze vraag op zichzelf staat, zonder herhaling. Daardoor wordt de nood van de psalmist onderstreept.

Er worden verwoestende daden gedaan tegen Zijn gezalfde koning. Hij smeekt God zijn ziel daarvan te verlossen. “Eenzame” is in het Hebreeuws ‘de enige’, dat is ‘meer heb ik niet’. Het gaat het hier om het leven van David, dat was het enige wat hij nog had, en zelfs dat werd bedreigd door de hongerige jonge en dus krachtige en levensgevaarlijke dieren.

David weet dat God het voor hem opneemt en hem verlost en hij neemt zich voor daar niet over zwijgen (vers 1818Dan zal ik U loven in de grote gemeente,
onder machtig veel volk zal ik U prijzen.
)
. Hij zal Hem daarvoor loven “in de grote gemeente”, en “onder machtig veel volk” zal hij Hem prijzen. Net als in Psalm 22 strekt de verlossing van de HEERE tot lofprijzing in de gemeente (Ps 22:2323Ik zal Uw Naam mijn broeders vertellen,
in het midden van de gemeente zal ik U loven.
)
, ja, de grote gemeente (Ps 22:2626Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente,
mijn geloften zal ik nakomen in bijzijn van wie Hem vrezen.
)
, waarbij laatste naar de volheid van Israël in het vrederijk wijst.

Maar zover is het nog steeds niet. Het tweede deel van de psalm eindigt met een voornemen om een loflied te zingen (vers 1818Dan zal ik U loven in de grote gemeente,
onder machtig veel volk zal ik U prijzen.
)
, maar het derde deel (verzen 19-2819Laat over mij zich niet verblijden
wie om valse redenen mijn vijand zijn,
en laat niet [heimelijk] knipogen
 wie mij zonder reden haten.
20Want over vrede spreken zij niet,
maar tegen de stillen in den lande
bedenken zij bedrieglijke zaken.
21Zij sperren hun mond wijd open tegen mij;
zij zeggen: Haha, ons oog heeft het gezien!22U hebt het gezien, HEERE, zwijg niet;
Heere, blijf niet ver van mij.
23Ontwaak en word wakker om mij recht [te doen];
mijn God en Heere, om mijn rechtszaak [te voeren].
24Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God;
laat hen zich over mij niet verblijden.
25Laat hen niet zeggen in hun hart: Aha, [wij hebben] onze zin!
Laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!
26Laat beschaamd en tezamen rood van schaamte worden
wie zich over mijn onheil verblijden;
laat met schaamte en schande bekleed worden
wie zich tegen mij verheffen.27Laat vrolijk zingen en verblijd zijn
wie vreugde vinden in mijn gerechtigheid;
laat hen voortdurend zeggen: De HEERE is groot!
Hij vindt vreugde in de vrede van Zijn dienaar.
28Dan zal mijn tong Uw gerechtigheid tot uiting brengen,
Uw lof, de hele dag.
)
begint met de huidige toestand waarin de vijand zich verblijdt over de toestand van David. Vandaar dat David zich opnieuw tot God richt, dit keer met twee vragen (vers 1919Laat over mij zich niet verblijden
wie om valse redenen mijn vijand zijn,
en laat niet [heimelijk] knipogen
 wie mij zonder reden haten.
)
. Eerst vraagt hij of God ervoor wil zorgen dat zij, die om valse redenen zijn vijanden zijn, zich niet over hem zullen kunnen verblijden.

Het tweede is dat wie hem “zonder reden” haten, geen gelegenheid krijgen elkaar door middel van stiekeme signalen van knipogen te informeren over hun plannen om hem te doden. Mensen die knipogen, verzinnen valse dingen (Sp 16:3030Hij doet zijn ogen dicht om verderfelijke dingen te bedenken,
bijt hij op zijn lippen, [dan] voert hij kwaad uit.
)
. Ze zijn niet oprecht, ze willen niet openlijk zeggen wat ze bedoelen (Sp 6:12-1312Een verdorven mens, een man van onrecht,
gaat rond met valsheid van mond,
13knipoogt [heimelijk], geeft een teken met zijn voeten
en wijst met zijn vingers.
)
. Zij delen geheimen met elkaar die het daglicht niet kunnen verdragen en daarom in de duistere geheimtaal naar elkaar geseind worden.

Hij kent ze wel. Dit zijn geen mensen die over vrede spreken (vers 2020Want over vrede spreken zij niet,
maar tegen de stillen in den lande
bedenken zij bedrieglijke zaken.
)
. Ze zijn niet op vrede uit, maar op het uitroeien van “de stillen in den lande”. “Zij bedenken bedrieglijke zaken” tegen hen. De ‘stillen in den lande’ zijn zij die het overblijfsel vormen, die geen indruk maken en zich niet nadrukkelijk presenteren. Ze treden niet op de voorgrond en laten zich niet gelden. Ze zijn bescheiden in hun gedrag en zijn een gemakkelijke prooi voor het goddeloze volk.

De goddelozen “sperren hun mond wijd open” tegen Gods gezalfde koning (vers 2121Zij sperren hun mond wijd open tegen mij;
zij zeggen: Haha, ons oog heeft het gezien!
)
. Ze zetten een grote mond tegen hem op en houden zich daarbij beslist niet in. Het is hier het beeld van een wild dier, een leeuw, die zijn muil opent en dreigend zijn tanden laat zien (vgl. verzen 17,25b17Heere, hoelang zult U toekijken?
Verlos mijn ziel van hun verwoestende daden,
mijn eenzame [ziel] van de jonge leeuwen.
25Laat hen niet zeggen in hun hart: Aha, [wij hebben] onze zin!
Laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!
)
. Uit hun mond komen de grofste beschuldigingen en verwensingen. Met groot vermaak beweren ze dat ze hebben gezien waarvan ze hem beschuldigen: “Haha, ons oog heeft het gezien.” Nu kunnen ze hem aanklagen en veroordeeld krijgen. De uitdrukking “haha” (vgl. Ps 40:1616Laat als loon voor hun smaad verwoest worden
wie tegen mij zeggen: Haha!
)
wil zeggen dat zij leedvermaak hebben over de ellende van de psalmist (vgl. vers 19a19Laat over mij zich niet verblijden
wie om valse redenen mijn vijand zijn,
en laat niet [heimelijk] knipogen
 wie mij zonder reden haten.
)
.


Vraag om recht te doen

22U hebt het gezien, HEERE, zwijg niet;
Heere, blijf niet ver van mij.
23Ontwaak en word wakker om mij recht [te doen];
mijn God en Heere, om mijn rechtszaak [te voeren].
24Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God;
laat hen zich over mij niet verblijden.
25Laat hen niet zeggen in hun hart: Aha, [wij hebben] onze zin!
Laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!
26Laat beschaamd en tezamen rood van schaamte worden
wie zich over mijn onheil verblijden;
laat met schaamte en schande bekleed worden
wie zich tegen mij verheffen.

De vijanden zeggen in vers 2121Zij sperren hun mond wijd open tegen mij;
zij zeggen: Haha, ons oog heeft het gezien!
dat zij “het” hebben gezien, maar David zegt tegen de HEERE: “U hebt het gezien” (vers 2222U hebt het gezien, HEERE, zwijg niet;
Heere, blijf niet ver van mij.
)
. En dat is waarom het gaat. De HEERE laat niet van Zich horen, maar David weet dat Hij het heeft gezien. Hij roept Hem op Zijn zwijgen te verbreken. Hij vraagt aan de “Heere” (Adonai) niet ver van hem te blijven, waarmee hij wil zeggen dat de Heere toch dicht bij hem zal komen om hem daadwerkelijk te helpen (vgl. Ps 22:1212Blijf [dan] niet ver van mij, want de nood is nabij;
er is immers geen helper.
)
.

David roept God op om te ontwaken (letterlijk: op te staan) en wakker te worden (vers 2323Ontwaak en word wakker om mij recht [te doen];
mijn God en Heere, om mijn rechtszaak [te voeren].
; vgl. Ps 44:2424Word wakker! Waarom zou U slapen, Heere?
Ontwaak! Verstoot ons niet voor altijd.
)
. Hij weet dat God alles heeft gezien. Maar omdat God niets doet, lijkt het voor David of Hij Zich slapend houdt. Het is, volgens David, de hoogste tijd dat God handelend optreedt om Zijn gezalfde koning recht te doen. Hij doet een hartstochtelijk beroep op God, Die hij “mijn God en Heere” noemt, om zijn rechtszaak te voeren. Dan kan Hij de aanklagers de mond snoeren.

Het gaat David erom dat God hem recht doet naar Zijn, dat is Gods, gerechtigheid (vers 2424Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God;
laat hen zich over mij niet verblijden.
)
. Alleen als God, Die hij weer nadrukkelijk aanspreekt, dit keer als “HEERE, mijn God”, hem met Zijn gerechtigheid recht doet, zal elke aanklacht definitief afgewezen worden. De aanklagers zal de aanleiding ontnomen zijn om zich over hem te verblijden. Hij zal in het gelijk gesteld worden en door God worden verlost.

Ze moeten zelfs niet de innerlijke genoegdoening van zijn veroordelingkrijgen en niet “in hun hart” kunnen zeggen dat ze hun zin hebben (vers 2525Laat hen niet zeggen in hun hart: Aha, [wij hebben] onze zin!
Laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!
)
. Van hun voornemen om hem te verslinden (vgl. Kl 2:1616Zij hebben over u hun mond opengesperd, /pe/
al uw vijanden.
Zij sisten [van afschuw] en knarsetandden,
zij zeiden: Wij hebben [haar] verslonden!
Ja, dit is de dag die wij verwacht hebben,
wij hebben [hem] gevonden en hebben [hem] gezien!
)
mag niets terechtkomen. Ze moeten afdruipen, beschaamd en allemaal rood van schaamte, al die mensen die zich over zijn onheil verblijden (vers 2626Laat beschaamd en tezamen rood van schaamte worden
wie zich over mijn onheil verblijden;
laat met schaamte en schande bekleed worden
wie zich tegen mij verheffen.
)
. God moet hen met schaamte en schande bekleden (vgl. vers 44Laat beschaamd en te schande worden
wie mij naar het leven staan;
laat terugwijken en rood van schaamte worden
wie kwaad tegen mij bedenken.
)
, al die mensen die zich tegen hem verheffen om hem uit de weg te ruimen.


De HEERE is groot

27Laat vrolijk zingen en verblijd zijn
wie vreugde vinden in mijn gerechtigheid;
laat hen voortdurend zeggen: De HEERE is groot!
Hij vindt vreugde in de vrede van Zijn dienaar.
28Dan zal mijn tong Uw gerechtigheid tot uiting brengen,
Uw lof, de hele dag.

David heeft God gevraagd om hem te rechtvaardigen tegenover zijn aanklagers en hen beschaamd te maken. Hij eindigt de psalm met een vraag aan God voor hen die vreugde vinden in zijn gerechtigheid (vers 2727Laat vrolijk zingen en verblijd zijn
wie vreugde vinden in mijn gerechtigheid;
laat hen voortdurend zeggen: De HEERE is groot!
Hij vindt vreugde in de vrede van Zijn dienaar.
)
. Die mensen zijn er. Het zijn zijn trouwe volgelingen die zijn gerechtigheid kennen en zich daarin verheugen. Zij ondergaan met hem de smaad die hem wordt aangedaan. Voor hen vraagt David dat God de zaak zo ten goede zal doen keren, dat zij vrolijk zullen zingen en verblijd zijn.

Als er recht is gedaan aan Gods gezalfde koning, dat is uiteindelijk Gods Messias, zal Gods volk vrolijk zingen en verblijd zijn. Zij zullen “voortdurend zeggen: De HEERE is groot”. God zal alle eer krijgen. Gods vreugde zal groot zijn “in de vrede van Zijn dienaar”. Ook hierbij gaat het om de Heer Jezus. Hij is de ware Dienaar van God, de Knecht van de HEERE.

De vrede van Gods Dienaar, de Messias, is de vrede die Hij heeft bewerkt door Zijn werk op het kruis. Daardoor heeft Hij vrede met God mogelijk gemaakt (Rm 5:11Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus,; Jh 14:27a27Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld geeft, geef Ik u. Laat uw hart niet ontroerd en niet bang worden.). Dit is de vrede waaraan de zondaar deel krijgt als hij zich bekeert tot God en in geloof het werk van de Heer Jezus aanvaardt. De Heer Jezus geeft vervolgens Zijn eigen vrede, dat is de vrede van God, aan allen die door Zijn werk met God verzoend zijn en daardoor met Hem verbonden zijn (Jh 14:27b27Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld geeft, geef Ik u. Laat uw hart niet ontroerd en niet bang worden.; Fp 4:77En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus.). Dat is nu al zo in de harten van de Zijnen. Dan is er nog een derde vorm van vrede. Dat is de vrede die binnenkort overal op aarde zal heersen (Js 9:66Aan de uitbreiding van deze heerschappij
en aan de vrede zal geen einde komen
op de troon van David
en over zijn koninkrijk,
om het te grondvesten
en het te ondersteunen
door recht en gerechtigheid,
van nu aan tot in eeuwigheid.
De na-ijver van de HEERE van de legermachten
zal dit doen.
)
.

Die vrede is volgens vers 2424Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God;
laat hen zich over mij niet verblijden.
gebaseerd op “Uw gerechtigheid”, dat is Gods gerechtigheid. Nu wordt diezelfde gerechtigheid door David verkondigd en groot gemaakt (vers 2828Dan zal mijn tong Uw gerechtigheid tot uiting brengen,
Uw lof, de hele dag.
)
. Gods gerechtigheid garandeert de eeuwige duur van de vrede. Het is vrede als vrucht van de gerechtigheid, dat wil zeggen van het rechtvaardig handelen van God (Jk 3:1818[De] vrucht van [de] gerechtigheid nu wordt in vrede gezaaid voor hen die vrede maken.). God oordeelt in gerechtigheid de vijanden van Zijn volk en van David en van de ware David. Daarna komt er vrede op aarde.

Davids vijanden hebben hun tong gebruikt om goddeloze dingen te zeggen. David zal zijn tong gebruiken en daarmee Gods gerechtigheid “tot uiting brengen”, Gods “lof, de hele dag” of “lof, elke dag”, dat is voortdurend. Gedurende de hele tijd van het vrederijk zal God de hele dag door geprezen worden voor Zijn gerechtigheid.

De uitdrukking ‘het recht zal zegevieren’ wordt dan in de volle zin ervan vervuld, want Góds recht, het waarachtige recht, is dan tot uitdrukking gekomen. Het gevolg ervan, de vrede, wordt dan overal genoten. Dat zal steeds in lofprijzing voor God tot uiting worden gebracht door allen die deze vrede genieten.


Lees verder