Psalmen
1 Opschrift 2-4 Oproep voortdurend God te loven 5-9 De HEERE zoeken, zien en vrezen 10-17 De vreze des HEEREN leren 18-23 God antwoordt en verlost
Opschrift

1[Een psalm] van David; toen hij zijn gezicht had vertrokken bij Abimelech, die hem verdreef, zodat hij [ervandoor] ging.

Deze psalm is “van David” (vers 11[Een psalm] van David; toen hij zijn gezicht had vertrokken bij Abimelech, die hem verdreef, zodat hij [ervandoor] ging.). Het is een van de vijftien psalmen die in het opschrift de aanleiding van het ontstaan ervan noemen (Psalmen 3; 7; 9; 18; 30; 34; 51; 52; 54; 56; 57; 59; 60; 63; 142). De achtergrond van deze psalm is een kort verblijf van David bij Achis die hier Abimelech wordt genoemd (1Sm 21:10-1510David stond op en vluchtte op die dag voor Saul; en hij kwam bij Achis, de koning van Gath.11Maar de dienaren van Achis zeiden tegen hem: Is dit niet David, de koning van het land? Zong men van hem niet in beurtzang bij de reidansen: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden?12David nam deze woorden ter harte en werd zeer bevreesd voor Achis, de koning van Gath.13Daarom vertrok hij zijn gezicht voor hun ogen, en hij gedroeg zich in hun handen als een waanzinnige. Hij krabbelde aan de deuren van de poort en liet zijn speeksel in zijn baard lopen.14Toen zei Achis tegen zijn dienaren: Zie, u ziet dat de man krankzinnig is. Waarom hebt u hem bij mij gebracht?15Heb ik gebrek aan krankzinnigen, dat u deze [man] gebracht hebt om zich bij mij zo krankzinnig te gedragen? Moet deze in mijn huis komen?). Abimelech is de titel van de Filistijnse koningen (Gn 20:22Abraham zei van zijn vrouw Sara: Zij is mijn zuster. Toen stuurde Abimelech, de koning van Gerar, [een bode] en haalde Sara weg.; 26:11Er kwam hongersnood in het land, een andere dan de eerste hongersnood, die er in de dagen van Abraham geweest was. Daarom ging Izak naar Abimelech, de koning van de Filistijnen, naar Gerar.). David voelt zich genoodzaakt zijn land te verlaten, het land waarover hij naar Gods beloften zal regeren, en zoekt zijn toevlucht bij Achis, de koning van Gath, een van de vijf Filistijnse steden.

Als David merkt dat hij herkend is, wordt hij bang. Angst is altijd een slechte raadgever en een vijand van het geloof en de liefde. De volmaakte liefde drijft immers de vrees uit (1Jh 4:1818In de liefde is geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit, want de vrees houdt straf in, en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde.). Iemand groeit en behaalt overwinningen naar de mate waarin hij in het geloof de vrees overwint. David laat zich in deze periode echter niet leiden door zijn geloof. Hij weet dat de Filistijnen in hem een machtige vijand zien die ze door zijn komst zomaar in handen hebben gekregen (Ps 56:11Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Duif op verre eiken’; toen de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath.). Hij weet geen andere oplossing voor dit probleem dan zich als een waanzinnige te gaan gedragen. Hij stelt zich aan als iemand die zijn verstand heeft verloren.

David daalt hier ver beneden het peil van een gelovige. Dit is geen krijgslist, maar een wanhoopsdaad. Een gelovige die zich bewust als een idioot gedraagt, geeft een totaal verkeerd voorbeeld. Hij werpt een smaad op de Naam van de Heer. Laten we David er maar niet te hard om vallen. Hoe vaak hebben wij ons bewust anders gedragen uit angst voor uitingen van vijandschap van de wereld en zijn we, op zijn zachtst gezegd, geen getuigen van de Heer Jezus geweest?

De afgang van David is groot. Zijn gedrag bewerkt dat Achis hem wegjaagt, zoals we hier in het opschrift lezen. Zeker, hij is ontsnapt uit een gevaarlijke situatie, maar hoe smadelijk is zijn redding. Er is veel om zich over te schamen. Wat overblijft, is de genade van God. Dat Gods genade ook een rol speelt in dit hele gebeuren, blijkt wel uit de twee psalmen die in zijn hart zijn ontstaan tijdens zijn verblijf bij Achis in Gath (Ps 34; 56). In de beschrijving van de gebeurtenissen zien we zijn uiterlijke gedrag. In de beide psalmen zien we wat er in zijn hart omgaat tijdens die gebeurtenis.

Psalm 34 laat zien wat er in zijn hart is als hij bang is voor Abimelech. Zijn hart roept tot God en Hij redt hem, want hij wordt verbroken van hart en verslagen van geest (vers 1919De HEERE is nabij de gebrokenen van hart,/koph/
Hij verlost de verbrijzelden van geest.
)
.

De psalm is gedicht in de vorm van een zogenoemd acrostichon. Dit wil zeggen dat elk vers van deze psalm begint met een opeenvolgende letter van de tweeëntwintigletters van het Hebreeuwse alfabet. Deze vorm is een hulpmiddel bij het uit het hoofd leren van een gedeelte. Het gebruik van deze vorm wijst er ook op dat Gods Geest de hele rijkdom van de taal gebruikt om de inhoud van de ervaring te beschrijven.

Wel ontbreekt in deze psalm één letter. Tussen vers 66Zij zagen naar Hem uit, ja, stroomden op [Hem] aan; /he/
en hun gezicht werd niet rood van schaamte.
en vers 77Deze ellendige riep en de HEERE hoorde; /zain/
Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.
ontbreekt de letter ‘waw’. De verzen 2-52Ik zal de HEERE te allen tijde loven, /aleph/
Zijn lof zal voortdurend in mijn mond zijn.
3Mijn ziel zal zich beroemen in de HEERE; /beth/
de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.
4Maak de HEERE met mij groot, /gimel/
laten wij tezamen Zijn Naam roemen.5Ik heb de HEERE gezocht en Hij heeft mij geantwoord, /daleth/
en mij gered uit al wat ik vrees.
zijn een getuigenis van geloofsvertrouwen, maar vers 77Deze ellendige riep en de HEERE hoorde; /zain/
Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.
maakt duidelijk dat David door zijn gedrag zeer diep is gevallen. Dat wijst op de onregelmatigheid die kan voorkomen in de weg die een gelovige zou moeten bewandelen. Dat komt tot uiting door een hobbel, een ontbrekende letter in het acrostichon. Dit is bewust ingebracht. In Psalm 25 zien we hetzelfde verschijnsel (Ps 25:17,1817De benauwdheden van mijn hart hebben zich wijd uitgestrekt, /tsade/
bevrijd mij uit mijn angsten.
18Zie mijn ellende en mijn moeite, /resj/
neem weg al mijn zonden.
)
.


Oproep voortdurend God te loven

2Ik zal de HEERE te allen tijde loven, /aleph/
Zijn lof zal voortdurend in mijn mond zijn.
3Mijn ziel zal zich beroemen in de HEERE; /beth/
de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.
4Maak de HEERE met mij groot, /gimel/
laten wij tezamen Zijn Naam roemen.

David zegt dat Hij de HEERE “te allen tijde”, dat wil zeggen altijd, zal loven (vers 22Ik zal de HEERE te allen tijde loven, /aleph/
Zijn lof zal voortdurend in mijn mond zijn.
)
. Zo begint een dankpsalm doorgaans. Na zijn uitredding uit een zo moeilijke en vernederende situatie is hij vol dankbaarheid tegenover de HEERE. Hij neemt zich voor dat de lof voor Hem “voortdurend” in zijn mond zal zijn. ‘Te allen tijde’ en ‘voortdurend’ wil zeggen dat de HEERE het waard is dat we Hem niet alleen loven als we in voorspoed leven, maar ook als het ons tegenzit, dus ongeacht de omstandigheden (vgl. 1Th 5:1616Verblijdt u altijd.; Fp 4:44Verblijdt u altijd in [de] Heer! Nog eens zal ik zeggen: Verblijdt u!).

Hij heeft zijn verlossing uit de greep van Abimelech waarin hij zichzelf heeft begeven niet aan zichzelf te danken. Hij heeft zich wel als een waanzinnige aangesteld, maar de HEERE heeft het hart van Abimelech bewerkt dat hij hem niet doodt, maar wegjaagt. Daarom leeft hij nog en is hij vrij. Het is de aanleiding voor zijn ziel om zich in de HEERE te beroemen (vers 33Mijn ziel zal zich beroemen in de HEERE; /beth/
de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.
)
. Van hemzelf is er niets bij, alleen schaamte.

Zijn ervaring heeft hem zachtmoedig, of beter ootmoedig, nederig, gemaakt. De ootmoedigen of nederigen zijn mensen die net als hij geleerd hebben ootmoedig en nederig te zijn en niets meer van zichzelf te verwachten. Een ootmoedige of nederige is iemand wiens geest verslagen is doordat het Woord hem getroffen heeft in zijn nood (Js 66:22Want Mijn hand heeft al die dingen gemaakt,
en [daardoor] bestaan al die dingen, spreekt de HEERE.
Maar Ik zal zien op deze, op de ellendige
en verslagene van geest, en wie voor Mijn woord beeft.
)
, iemand die zich vernederd heeft onder de krachtige hand van God (1Pt 5:66Vernedert u dus onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoogt op Zijn tijd,).

Toen David zich in nood bevond, heeft hij uit de diepst van zijn ziel tot God geroepen. Zijn ervaring dat de HEERE acht slaat op zulke mensen (Js 66:22Want Mijn hand heeft al die dingen gemaakt,
en [daardoor] bestaan al die dingen, spreekt de HEERE.
Maar Ik zal zien op deze, op de ellendige
en verslagene van geest, en wie voor Mijn woord beeft.
)
, is een bemoediging voor anderen in soortgelijke situaties. Zij zullen horen van wat God voor David heeft gedaan. Ze zullen dat herkennen en er blij over zijn dat David zo door de HEERE is gered.

David roept hen daarom op met hem de HEERE groot te maken (vers 44Maak de HEERE met mij groot, /gimel/
laten wij tezamen Zijn Naam roemen.
)
. Zij hebben op soortgelijke manier de HEERE leren kennen. Daarom kunnen zij met David Zijn Naam roemen, dat wil zeggen de glorie van Zijn Naam bekendmaken. Zijn Naam is Zijn Wezen, het is alles wat Hij is en waarin de Zijnen Hem hebben leren kennen. Zijn goedheid komt hier tot uiting in het feit dat Hij Zich laat verbidden. Op het moment dat je in je nood om uitredding vraagt, hoort en verhoort Hij dat gebed (verzen 5,75Ik heb de HEERE gezocht en Hij heeft mij geantwoord, /daleth/
en mij gered uit al wat ik vrees.
7Deze ellendige riep en de HEERE hoorde; /zain/
Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.
)
. Dat is de aanleiding om Zijn Naam te roemen.


De HEERE zoeken, zien en vrezen

5Ik heb de HEERE gezocht en Hij heeft mij geantwoord, /daleth/
en mij gered uit al wat ik vrees.
6Zij zagen naar Hem uit, ja, stroomden op [Hem] aan; /he/
en hun gezicht werd niet rood van schaamte.
7Deze ellendige riep en de HEERE hoorde; /zain/
Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.
8De engel van de HEERE legert zich /cheth/
rondom hen die Hem vrezen, en redt hen.
9Proef en zie dat de HEERE goed is; /teth/
welzalig de man [die] tot Hem de toevlucht neemt.

In deze verzen volgt de motivering voor het loven van de HEERE waartoe David in de vorige verzen heeft opgeroepen. Er is duidelijk gebleken dat de HEERE een Helper in nood is. In vers 55Ik heb de HEERE gezocht en Hij heeft mij geantwoord, /daleth/
en mij gered uit al wat ik vrees.
en vers 77Deze ellendige riep en de HEERE hoorde; /zain/
Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.
spreekt David een persoonlijke ervaring uit. In de daarop aansluitende verzen 6,86Zij zagen naar Hem uit, ja, stroomden op [Hem] aan; /he/
en hun gezicht werd niet rood van schaamte.
8De engel van de HEERE legert zich /cheth/
rondom hen die Hem vrezen, en redt hen.
spreekt hij op grond daarvan een algemeen getuigenis uit als een bemoediging voor anderen. Vers 99Proef en zie dat de HEERE goed is; /teth/
welzalig de man [die] tot Hem de toevlucht neemt.
is een aansporing op grond van zijn ervaring en getuigenis.

In vers 55Ik heb de HEERE gezocht en Hij heeft mij geantwoord, /daleth/
en mij gered uit al wat ik vrees.
getuigt David van wat vaak in Psalmen voorkomt: zijn zoeken van God in zijn nood en Gods antwoord in de uitredding. De uitredding is hier totaal, het is “uit al wat ik vrees”. Alles wat hem bevreesd heeft gemaakt (1Sm 21:1212David nam deze woorden ter harte en werd zeer bevreesd voor Achis, de koning van Gath.), daaruit heeft God hem gered.

In vers 66Zij zagen naar Hem uit, ja, stroomden op [Hem] aan; /he/
en hun gezicht werd niet rood van schaamte.
breidt David dit uit tot een meervoudig “zij”. Hij zegt niet wie die ‘zij’ zijn, maar we mogen aannemen dat dit het groepje mannen is dat bij hem is. Zij zien ook uit naar de HEERE en “straalden” van vreugde. [Het Hebreeuwse woord nahar, waarvan ‘stroomden’ is afgeleid, kan betekenen ‘rivier’. Een andere, maar betere vertaling is: ‘stralen’ (vgl. Js 60:55Dan zult u het zien en stralen,
uw hart zal diep ontzag hebben en zich verruimen,
want de menigte van de zee zal zich naar u toekeren,
het vermogen van de heidenvolken zal naar u toe komen.
)
.] De HEERE heeft hen geholpen, zodat hun gezicht niet rood van schaamte is geworden (vgl. Ps 35:44Laat beschaamd en te schande worden
wie mij naar het leven staan;
laat terugwijken en rood van schaamte worden
wie kwaad tegen mij bedenken.
)
.

In hen herkennen we het gelovig overblijfsel. In de eindtijd, als er zoveel vijanden zijn die hen bevreesd maken, zullen ze naar Hem uitzien, ja, zullen hun gezichten stralen. Als je de Heer ziet, word je verblijd (Jh 20:2020En toen Hij dit had gezegd, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan verblijdden zich toen zij de Heer zagen.; vgl. 1Sm 6:1313De [inwoners] van Beth-Semes waren de tarweoogst aan het maaien in het dal. Toen zij hun ogen opsloegen en de ark zagen, waren zij verheugd [die] te zien.). Zij zullen in hun vertrouwen op Hem niet beschaamd worden, want ze zullen verlost worden ‘uit al wat zijn vrezen’.

David spreekt over zichzelf als “deze ellendige” (vers 77Deze ellendige riep en de HEERE hoorde; /zain/
Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.
)
. Dit betekent dat David in grote nood zich heeft vernederd onder de krachtige hand van God (1Pt 5:66Vernedert u dus onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoogt op Zijn tijd,). Uit wat David heeft ervaren, kunnen anderen leren hoe de HEERE telkens weer handelt. Daarom spreekt hij over zichzelf in de derde persoon. Hij stelt zichzelf als voorbeeld hoe de HEERE een ellendige die tot Hem roept “uit al zijn benauwdheden” verlost.

In vers 88De engel van de HEERE legert zich /cheth/
rondom hen die Hem vrezen, en redt hen.
breidt hij dat weer uit en spreekt over allen die de HEERE vrezen. Rondom hen legert de Engel van de HEERE Zich en redt hen (vgl. Zc 9:88Ik zal Mij als een wacht rond Mijn huis legeren,
vanwege [het leger] dat heen en weer trekt,
zodat geen onderdrukker meer tegen hen optrekt.
Nu heb Ik [het] immers met eigen ogen gezien!
; 2Kn 6:15-1715De dienaar van de man Gods stond heel vroeg op en ging naar buiten, en zie, een leger met paarden en strijdwagens omringde de stad. Toen zei zijn knecht tegen hem: Ach, mijn heer! Wat moeten wij doen?16Hij zei: Wees niet bevreesd, want die bij ons zijn, zijn méér dan die bij hen zijn.17En Elisa bad en zei: HEERE, open toch zijn ogen, zodat hij ziet. En de HEERE opende de ogen van de knecht, zodat hij zag; en zie, de berg was vol paarden en strijdwagens van vuur rondom Elisa.)
. De Engel van de HEERE is de verschijning van de HEERE ofwel de Heer Jezus in het Oude Testament (vgl. Gn 16:7-137De Engel van de HEERE vond haar bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sur.8En Hij zei: Hagar, slavin van Sarai! Waar komt u vandaan en waar gaat u heen? Zij zei: Ik ben op de vlucht voor mijn meesteres Sarai.9Toen zei de Engel van de HEERE tegen haar: Keer terug naar uw meesteres, en onderwerp u aan haar gezag.10Verder zei de Engel van de HEERE tegen haar: Ik zal uw nageslacht zeer talrijk maken, zodat het vanwege de menigte niet geteld kan worden.11Ook zei de Engel van de HEERE tegen haar:
Zie, u bent zwanger;
u zult een zoon baren
en u moet hem de naam Ismaël geven,
omdat de HEERE uw verdrukking gehoord heeft.
12En hij zal zijn
een wilde ezel [van een] mens;
zijn hand zal tegen allen zijn,
en de hand van allen tegen hem;
en hij zal wonen tegenover al zijn broeders.
13En zij gaf de HEERE, Die tot haar sprak, de naam: U bent de God Die naar mij omziet! Want zij zei: Heb ik hier dan Hem gezien Die naar mij omgezien heeft?
)
.

David besluit het delen van zijn ervaringen met de oproep om te proeven en te zien “dat de HEERE goed is” (vers 99Proef en zie dat de HEERE goed is; /teth/
welzalig de man [die] tot Hem de toevlucht neemt.
)
. Vers 9b9Proef en zie dat de HEERE goed is; /teth/
welzalig de man [die] tot Hem de toevlucht neemt.
is de uitleg van vers 9a9Proef en zie dat de HEERE goed is; /teth/
welzalig de man [die] tot Hem de toevlucht neemt.
. We kunnen proeven dat God goed is, als wij in grote nood de toevlucht tot Hem nemen. Wie dat doet, is gelukkig, welzalig, doordat God op zo’n moment Zijn goedheid laat zien. David heeft ervan getuigd, waardoor iedereen ervan kan proeven en het kan zien. Wij kunnen proeven en zien dat God goed is in wat Hij in het leven van anderen heeft gedaan.

Toch zal het echte proeven en zien van Gods goedheid pas werkelijk door ons gebeuren als we zelf God zo hebben ervaren in onze persoonlijke omstandigheden. Het is dan ook een oproep om in gemeenschap met Hem onze weg te gaan, opdat dit onze ervaring zal worden. Dit betekent dat we tot Hem in alles de toevlucht nemen. Dan zijn we welzalig, vol van geluk.

Petrus haalt dit vers aan in verband met onze geestelijk groei (1Pt 2:3-43als u geproefd hebt dat de Heer goedertieren is,4tot Wie u komt, tot een levende steen, door mensen wel verworpen maar bij God uitverkoren en kostbaar,). Daarvoor zijn we niet in de eerste plaats aangewezen op een goed verstand, maar op onze geestelijke smaak. De dingen waarover Petrus spreekt, zijn niet tot het verstand gericht, maar tot het hart dat “geproefd” heeft “dat de Heer goedertieren is”. Ook Petrus spreekt erover dat we de goedheid (Hebreeuws tov, in Ps 34:9a9Proef en zie dat de HEERE goed is; /teth/
welzalig de man [die] tot Hem de toevlucht neemt.
) ervaren als we tot Hem komen, dat wil zeggen in onze nood de toevlucht nemen tot Hem.


De vreze des HEEREN leren

10Vrees de HEERE, u, Zijn heiligen,/jod/
want wie Hem vrezen, hebben geen gebrek.
11Jonge leeuwen lijden armoede en honger,/kaph/
maar wie de HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.
12Kom, kinderen, luister naar mij,/lamed/
ik zal jullie de vreze des HEEREN leren.
13Wie is de man die vreugde vindt in het leven,/mem/
die dagen liefheeft om het goede te zien?
14Behoed je tong voor het kwaad /nun/
en je lippen voor het spreken van bedrog.
15Keer je af van het kwaad en doe het goede;/samech/
zoek de vrede en jaag die na.
16De ogen van de HEERE rusten op de rechtvaardigen,/ain/
Zijn oren [zijn gericht] op hun hulpgeroep.
17Het aangezicht van de HEERE is tegen hen die kwaad doen:/pe/
Hij zal hun nagedachtenis van de aarde uitroeien.

De verzen 10-1110Vrees de HEERE, u, Zijn heiligen,/jod/
want wie Hem vrezen, hebben geen gebrek.
11Jonge leeuwen lijden armoede en honger,/kaph/
maar wie de HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.
vormen de uitleg van verzen 8-98De engel van de HEERE legert zich /cheth/
rondom hen die Hem vrezen, en redt hen.
9Proef en zie dat de HEERE goed is; /teth/
welzalig de man [die] tot Hem de toevlucht neemt.
. De “heiligen” (vers 1010Vrees de HEERE, u, Zijn heiligen,/jod/
want wie Hem vrezen, hebben geen gebrek.
)
zijn zij die toegewijd zijn aan en afgezonderd zijn voor de HEERE doordat zij de toevlucht tot Hem hebben genomen (vers 99Proef en zie dat de HEERE goed is; /teth/
welzalig de man [die] tot Hem de toevlucht neemt.
)
. Zij hebben ervaren dat de HEERE een machtige Verlosser is (vers 88De engel van de HEERE legert zich /cheth/
rondom hen die Hem vrezen, en redt hen.
)
. Wie Hem vrezen in vers 88De engel van de HEERE legert zich /cheth/
rondom hen die Hem vrezen, en redt hen.
en vers 1010Vrees de HEERE, u, Zijn heiligen,/jod/
want wie Hem vrezen, hebben geen gebrek.
is hetzelfde als in vers 99Proef en zie dat de HEERE goed is; /teth/
welzalig de man [die] tot Hem de toevlucht neemt.
: zij hebben de toevlucht tot de HEERE genomen en hebben ervaren dat Hij goed is. En als je de HEERE hebt, dan heb je geen gebrek, want je hebt alles (Gn 33:1111Aanvaard toch mijn geschenk, dat u gebracht is, omdat God mij dit in Zijn genade geschonken heeft, en omdat ik alles heb. Hij drong zo aan, dat hij het aanvaardde.).

David roept Gods “heiligen” ertoe op de HEERE te vrezen (vers 1010Vrees de HEERE, u, Zijn heiligen,/jod/
want wie Hem vrezen, hebben geen gebrek.
)
. Hij geeft het motief erbij: “Want wie Hem vrezen hebben geen gebrek”. Dit betekent niet dat zij altijd voldoende te eten hebben en altijd gezond zullen zijn. Wat wordt bedoeld, is dat het hun nooit zal ontbreken aan de tegenwoordigheid van God. Zij zeggen met David: “De HEERE is mijn Herder, mij ontbreekt niets” (Ps 23:11Een psalm van David.
De HEERE is mijn Herder,
mij ontbreekt niets.
)
omdat ze evenals hij kunnen zeggen: “Want U bent met mij” (Ps 23:4b4Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood,
ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij;
Uw stok en Uw staf,
die vertroosten mij.
)
.

David illustreert zijn woorden van vers 1010Vrees de HEERE, u, Zijn heiligen,/jod/
want wie Hem vrezen, hebben geen gebrek.
door een vergelijking te maken met roofzuchtige jonge leeuwen die altijd op hun snelheid en kracht kunnen rekenen om een prooi te grijpen (vers 1111Jonge leeuwen lijden armoede en honger,/kaph/
maar wie de HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.
)
. Toch lijden ze “armoede en honger”. Dat is anders voor “wie de HEERE zoeken”. Zij “hebben geen gebrek aan enig goed”. Zelfs al lijden zij armoede en honger, toch bezitten zij al het goed dat de HEERE hun heeft toegezegd omdat Hij bij hen is. Zij zullen er niets van missen. Het kan zijn dat ze er op aarde nog niets van krijgen, maar ze zullen het zeker in de opstanding krijgen.

David spreekt als de wijsheidsleraar, zoals Salomo dat in Spreuken doet (vers 1212Kom, kinderen, luister naar mij,/lamed/
ik zal jullie de vreze des HEEREN leren.
)
. Hij roept zijn volgelingen – die hij, zoals een wijsheidsleraar dat gebruikelijk doet, hier “kinderen” noemt – op naar hem te luisteren, want hij wil hun iets leren (vgl. Sp 4:11Luister, kinderen, naar de vermaning van [je] vader
en sla er acht op om inzicht te leren kennen,
)
. Hij wil hun doorgeven wat hij zelf heeft geleerd. Hij wil hun “de vreze des HEEREN leren” (vgl. Sp 1:77De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis,
dwazen verachten wijsheid en vermaning.
)
. De vreze des HEEREN is zo belangrijk, omdat die het begin van de wijsheid is (Sp 1:77De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis,
dwazen verachten wijsheid en vermaning.
; 9:1010Het beginsel van wijsheid is de vreze des HEEREN
en de kennis van de heiligen is inzicht.
; Ps 111:1010De vreze des HEEREN is het beginsel van wijsheid, /resj/
allen die ernaar handelen, hebben een goed inzicht; /sin/
Zijn lof houdt voor eeuwig stand. /taw/
)
. Dit is het beste dat ook wij onze kinderen kunnen leren, beter dan welke bekwaamheid voor dit leven dan ook.

In de volgende verzen leert hij wat de vreze des HEEREN inhoudt, waaruit deze bestaat en waarin deze zichtbaar moet worden. Hij wijst ook op de gezegende gevolgen die dit heeft. Het onderwijs betreft het leren om Hem bij alle dingen van het leven te betrekken, in diep ontzag voor Hem Die alles bestuurt en met vertrouwen dat Hij dat volmaakt doet.

De verzen 13-1713Wie is de man die vreugde vindt in het leven,/mem/
die dagen liefheeft om het goede te zien?
14Behoed je tong voor het kwaad /nun/
en je lippen voor het spreken van bedrog.
15Keer je af van het kwaad en doe het goede;/samech/
zoek de vrede en jaag die na.
16De ogen van de HEERE rusten op de rechtvaardigen,/ain/
Zijn oren [zijn gericht] op hun hulpgeroep.
17Het aangezicht van de HEERE is tegen hen die kwaad doen:/pe/
Hij zal hun nagedachtenis van de aarde uitroeien.
worden door Petrus geciteerd (1Pt 3:10-1210‘Want laat hij die [het] leven wil liefhebben en goede dagen zien, zijn tong van kwaad weerhouden en zijn lippen van het spreken van bedrog;11laat hij zich afkeren van het kwade en het goede doen, vrede zoeken en ernaar jagen.12Want [de] ogen van [de] Heer zijn op [de] rechtvaardigen en Zijn oren tot hun smeken; maar [het] aangezicht van [de] Heer is tegen hen die kwaad doen’.). Petrus citeert tot en met vers 17a17Het aangezicht van de HEERE is tegen hen die kwaad doen:/pe/
Hij zal hun nagedachtenis van de aarde uitroeien.
. Vers 17b17Het aangezicht van de HEERE is tegen hen die kwaad doen:/pe/
Hij zal hun nagedachtenis van de aarde uitroeien.
citeert hij niet omdat dit nu nog niet aan de orde is. Hij spreekt namelijk over de indirecte regering van God, dat wil zeggen over een wijze van regeren van God waarbij het kwaad niet onmiddellijk wordt gestraft en het goede niet direct wordt beloond. Pas als de Heer Jezus op aarde regeert, zal plaatsvinden wat vers 17b17Het aangezicht van de HEERE is tegen hen die kwaad doen:/pe/
Hij zal hun nagedachtenis van de aarde uitroeien.
zegt. Petrus haalt deze verzen uit Psalm 34 aan omdat wat daarin staat niet alleen in het vrederijk geldt, maar ook nu al.

David begint met de vraag: “Wie is de man die vreugde vindt in het leven, die dagen liefheeft om het goede te zien?” (vers 1313Wie is de man die vreugde vindt in het leven,/mem/
die dagen liefheeft om het goede te zien?
;
1Pt 3:1010‘Want laat hij die [het] leven wil liefhebben en goede dagen zien, zijn tong van kwaad weerhouden en zijn lippen van het spreken van bedrog;). Het antwoord ligt in de vraag opgesloten. Ieder mens wil dit toch? Het is mogelijk ook tijdens dit leven vreugde in het leven te vinden en goede dagen te zien.

We moeten bij wat David hier zegt in de eerste plaats aan aardse, tijdelijke zegeningen denken met daarbij het genieten van de gunst van God. Voor de Israëliet betekent zegen een goed leven hebben, alle goede gaven genieten en in goede ouderdom sterven, omringd door kinderen en kleinkinderen, van het leven verzadigd (vgl. Gn 25:88Toen gaf Abraham de geest en stierf in goede ouderdom, oud en [van het leven] verzadigd, en hij werd met zijn voorgeslacht verenigd.). Het goede leven dat hier verbonden is aan het doen van het goede, staat tegenover de plotselinge, voortijdige dood van de goddeloze.

Tegelijk moeten we bedenken dat niet iedere Godvrezende Israëliet oud wordt en verzadigd van het leven sterft en dat niet iedere goddeloze vroeg sterft. Vaak zien we het omgekeerde. Is het daarom niet waar wat hier in Gods Woord staat? Ja, het is volkomen waar. We moeten namelijk bedenken dat de zegen van het lange leven uiteindelijk in het vrederijk, na de opstanding, wordt gegeven.

Voor het ontvangen van zegen of oordeel moeten we leren over de dood heen te kijken. In de opstanding vervult God alles wat Hij heeft beloofd. Daarom komt het bij wat David hier zegt aan op geloof in Gods Woord, ook als het erop lijkt dat het anders gaat dan wij hier op het eerste gezicht lezen.

Aan een leven met dagen waarin het goede wordt gezien, zijn enkele voorwaarden verbonden. David noemt ze. Zonder “de vreze des HEEREN (vers 1212Kom, kinderen, luister naar mij,/lamed/
ik zal jullie de vreze des HEEREN leren.
)
kan Gods goedheid (vers 99Proef en zie dat de HEERE goed is; /teth/
welzalig de man [die] tot Hem de toevlucht neemt.
)
niet worden ervaren. In de volgende verzen wordt de vreze des HEEREN uitgewerkt in woord (vers 1414Behoed je tong voor het kwaad /nun/
en je lippen voor het spreken van bedrog.
)
en in werken (vers 1515Keer je af van het kwaad en doe het goede;/samech/
zoek de vrede en jaag die na.
)
.

Deze voorwaarden sluiten uit dat een mens die geen nieuw leven heeft, ooit het ware leven kan genieten en goede dagen zal zien. Alleen door hen die nieuw leven hebben, dat is leven uit God, kan aan deze voorwaarden worden voldaan. Hieraan zien we dat het gaat om het genot van het leven nu en tot in eeuwigheid, dat is het leven in het vrederijk onder de zegenrijke regering van de Messias.

De voorwaarden bestaan uit iets wat negatief is en uit iets wat positief is. Het is in de eerste plaats noodzakelijk, zegt David, “je tong voor kwaad en je lippen voor het spreken van bedrog” te behoeden (vers 1414Behoed je tong voor het kwaad /nun/
en je lippen voor het spreken van bedrog.
)
. Een van de eerste bewijzen van nieuw leven is waar te nemen in een verandering van spreken. Het blijft voor wie nieuw leven heeft een gevaar om in zijn spreken terug te vallen in een oud patroon. Daarom waarschuwt David voor dit gevaar, want het heeft een slechte invloed op de kwaliteit van je leven (Sp 13:33Wie zijn mond behoedt, bewaart zijn ziel,
wie zijn lippen openspert, hem [wacht] de ondergang.
)
. De vreugde in het leven verdwijnt en het goede van de dagen wordt niet meer genoten.

Vervolgens zegt David tegen zijn kinderen, en tegen ons, dat ze zich moeten afkeren van het kwade en het goede moeten doen (vers 1515Keer je af van het kwaad en doe het goede;/samech/
zoek de vrede en jaag die na.
; 1Pt 3:1111laat hij zich afkeren van het kwade en het goede doen, vrede zoeken en ernaar jagen.)
. Het negatieve wordt opgevolgd door het positieve. Het is niet de bedoeling dat het leven wordt gekenmerkt door alles wat ze niet doen, maar dat het wordt gekenmerkt door het doen van wat goed is. Wie alleen het negatieve vermijdt, is te vergelijken met een huis dat leeg, geveegd en versierd is, wat het tot een woonplaats van demonen maakt (Mt 12:4444Dan zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis waar ik ben uitgegaan. En als hij komt, vindt hij het leegstaan, geveegd en geordend.). Het doen van het goede houdt in het zoeken van de vrede en dat op een intensieve manier. We moeten ernaar jagen, zoals men een veldhoen op de bergen najaagt (1Sm 26:2020Nu dan, laat mijn bloed niet op de aarde vallen, ver weg van het aangezicht van de HEERE. Want de koning van Israël is eropuit getrokken om enkel een vlo te zoeken, zoals men in de bergen op een patrijs jaagt.). Het gebeurt met beleid, met volle inzet en gezamenlijk.

Vrede is niet slechts de afwezigheid van oorlog. Het is de innerlijke rust als gevolg van de gemeenschap met God in het gaan van Zijn weg, met het vertrouwen dat Hij zorgt voor wat nodig is en dat Hij beschermt tegen gevaren. Deze vrede staat voortdurend onder druk, want de omstandigheden proberen die vrede weg te nemen. Daarom moet ernaar worden gejaagd. Het najagen van vrede kunnen we doen door te streven naar een goede onderlinge verhouding met alle mensen met wie we omgaan en het goede voor hen te zoeken (vgl. Rm 12:1818Zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, houdt vrede met alle mensen.; Hb 12:1414Jaagt naar vrede met allen en naar de heiliging zonder welke niemand de Heer zal zien,).

De wijsheidsleraar heeft gesproken (vers 1212Kom, kinderen, luister naar mij,/lamed/
ik zal jullie de vreze des HEEREN leren.
)
, hij heeft adviezen gegeven. Vanaf vers 1616De ogen van de HEERE rusten op de rechtvaardigen,/ain/
Zijn oren [zijn gericht] op hun hulpgeroep.
wordt nu uitleg gegeven over de reden ervan. Deze de uitleg wordt gegeven door de rechtvaardigen te stellen tegenover de goddelozen (verzen 17,2217Het aangezicht van de HEERE is tegen hen die kwaad doen:/pe/
Hij zal hun nagedachtenis van de aarde uitroeien.22Het kwaad brengt de goddeloze de dood;/taw/
wie de rechtvaardige haten, worden schuldig verklaard.
)
. Om ons te bemoedigen vervolgt David met ons oog te richten op de HEERE (vers 1616De ogen van de HEERE rusten op de rechtvaardigen,/ain/
Zijn oren [zijn gericht] op hun hulpgeroep.
; 1Pt 3:1212Want [de] ogen van [de] Heer zijn op [de] rechtvaardigen en Zijn oren tot hun smeken; maar [het] aangezicht van [de] Heer is tegen hen die kwaad doen’.)
.

Zijn kinderen ofwel zijn leerlingen of volgelingen, die hij hier “de rechtvaardigen” noemt, mogen weten dat Gods ogen constant op hen gericht zijn. Opnieuw lezen we over de ogen van de HEERE (Ps 32:88Ik onderwijs u en leer u de weg die u moet gaan;
Ik geef raad, Mijn oog is op u.
; 33:1818Zie, het oog van de HEERE is over wie Hem vrezen,
op hen die op Zijn goedertierenheid hopen,
)
. Zijn ogen “rusten” op hen, wat ziet op Zijn vreugdevolle betrokkenheid bij alles wat hen bezighoudt en overkomt.

Hij weet ook dat er krachten en machten zijn die hen belagen en dat die veel sterker zijn dan zij. Daarom mogen ze ook weten dat behalve Zijn ogen ook Zijn oren voor hen openstaan (Ps 17:66Ík roep U aan,
omdat U mij verhoort, o God;
neig Uw oor tot mij,
luister naar mijn woorden.
)
. Zijn oren [zijn gericht] op hun hulpgeroep”, wanneer ze door vijandige machten worden aangevallen. Hij hoort hen en neemt het voor hen op tegen hen die het kwade tegen hen beramen.

Hij richt Zijn oren tot de Zijnen als zij tot Hem roepen, maar Hij keert Zijn aangezicht in toorn tegen hen die de Zijnen kwaad doen (vers 1717Het aangezicht van de HEERE is tegen hen die kwaad doen:/pe/
Hij zal hun nagedachtenis van de aarde uitroeien.
; 1Pt 3:1212Want [de] ogen van [de] Heer zijn op [de] rechtvaardigen en Zijn oren tot hun smeken; maar [het] aangezicht van [de] Heer is tegen hen die kwaad doen’.)
. Hij zal bij Zijn aantreden als Koning op aarde met hen afrekenen en “hun gedachtenis van de aarde uitroeien”. Er wordt niet alleen niet meer aan deze kwaaddoeners gedacht, maar het betekent ook dat deze kwaaddoeners geen nageslacht zullen hebben. Er is niets meer wat aan hen herinnert (Ps 9:66U hebt de heidenvolken bestraft, de goddeloze omgebracht, /gimel/
hun naam uitgewist, voor eeuwig en altijd.
; 109:13,1513Laten zijn nakomelingen uitgeroeid worden,
laat hun naam uitgewist worden in de volgende generatie.
15Laten ze de HEERE voortdurend voor [ogen] staan,
ja, laat Hij hun nagedachtenis van de aarde uitroeien.
)
.


God antwoordt en verlost

18Zij roepen en de HEERE hoort,/tsade/
Hij redt hen uit al hun benauwdheden.
19De HEERE is nabij de gebrokenen van hart,/koph/
Hij verlost de verbrijzelden van geest.
20De rechtvaardige heeft veel ellende,/resj/
maar uit dat alles redt de HEERE hem.
21Hij bewaart al zijn beenderen,/sjin/
niet één daarvan wordt gebroken.
22Het kwaad brengt de goddeloze de dood;/taw/
wie de rechtvaardige haten, worden schuldig verklaard.
23De HEERE verlost de ziel van Zijn dienaren;
allen die tot Hem de toevlucht nemen, worden niet schuldig verklaard.

Deze verzen zijn een nadere uitwerking van vers 1616De ogen van de HEERE rusten op de rechtvaardigen,/ain/
Zijn oren [zijn gericht] op hun hulpgeroep.
. We zien in deze verzen dat de rechtvaardigen ook door zware rampen getroffen kunnen worden, maar dat de HEERE hen bewaart en redt. Tegelijkertijd ervaart de rechtvaardige dat de HEERE goed is (vers 99Proef en zie dat de HEERE goed is; /teth/
welzalig de man [die] tot Hem de toevlucht neemt.
)
. Wat David uit eigen ervaring kent, geldt ook voor alle rechtvaardigen: “Zij roepen en de HEERE hoort, Hij redt hen uit al hun benauwdheden” (vers 1818Zij roepen en de HEERE hoort,/tsade/
Hij redt hen uit al hun benauwdheden.
)
.

Door de benauwdheden, door zware slagen in het leven, worden de rechtvaardigen “gebrokenen van hart” en “verbrijzelden van geest” (vers 1919De HEERE is nabij de gebrokenen van hart,/koph/
Hij verlost de verbrijzelden van geest.
)
. Hun hart, de kern van hun bestaan, is gebroken. Hun geest, hun levenskracht, is verbrijzeld. Het gaat om de situatie waarbij je geen uitzicht meer hebt behalve de toevlucht naar de HEERE (Js 66:22Want Mijn hand heeft al die dingen gemaakt,
en [daardoor] bestaan al die dingen, spreekt de HEERE.
Maar Ik zal zien op deze, op de ellendige
en verslagene van geest, en wie voor Mijn woord beeft.
)
. Als je dan de toevlucht tot Hem zoekt, zal Hij altijd acht geven. Deze kenmerken zijn voor God offers waarin Hij een welgevallen heeft en die Hij niet veracht (Ps 51:1919De offers voor God zijn een gebroken geest;
een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.
)
. Bij hen woont Hij (Js 57:1515Want zo zegt de Hoge en Verhevene,
Die [in] de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is:
Ik woon [in] de hoge hemel en [in] het heilige,
en bij de verbrijzelde en nederige van geest,
om levend te maken de geest van de nederigen,
en om levend te maken het hart van de verbrijzelden.
)
. Hij is hen zo “nabij”, dat Hij klaarstaat en helpt en verlost zodra zij roepen.

Dat “de rechtvaardige … veel ellende” heeft (vers 2020De rechtvaardige heeft veel ellende,/resj/
maar uit dat alles redt de HEERE hem.
)
, lijkt in strijd met de wens om goede dagen te zien. De rechtvaardige wordt niet getroffen door een beetje ellende, maar door ‘veel ellende’. Het leven van de rechtvaardige is niet beperkt tot het leven hier-en-nu, maar gaat door in het vrederijk en wordt daar ten volle geleefd. De HEERE redt de rechtvaardige “uit dat alles”, uit al die ellende, door hem aan de zegen van het vrederijk te laten deelhebben.

Wat David in vers 2121Hij bewaart al zijn beenderen,/sjin/
niet één daarvan wordt gebroken.
zegt, sluit daarop aan. De HEERE bewaart al de beenderen van de rechtvaardige, “niet één daarvan wordt gebroken”. De rechtvaardige zal geen wezenlijke, onherstelbare schade lijden van alle ellende die hem treft. Deze bijzondere bescherming van God van de rechtvaardige die lijdt, wordt op speciale wijze letterlijk door Christus ervaren als Hij aan het kruis hangt (Jh 19:3636Want deze dingen zijn gebeurd opdat de Schrift vervuld wordt: ‘Geen been van Hem zal worden verbrijzeld’.; Ex 12:4646In één huis moet het gegeten worden. U mag van het vlees niets uit het huis naar buiten brengen, en u mag er geen been van breken.; Nm 9:1212Zij mogen er niets van over laten blijven tot de [volgende] morgen en mogen er geen been van breken; volgens alle verordeningen voor het Pascha moeten zij het houden.). De bescherming van God van Christus, maar ook van de martelaars van de grote verdrukking, gaat over de dood heen.

Christus heeft als enige Mens volkomen beantwoord aan alles wat David in de verzen 13-1513Wie is de man die vreugde vindt in het leven,/mem/
die dagen liefheeft om het goede te zien?
14Behoed je tong voor het kwaad /nun/
en je lippen voor het spreken van bedrog.
15Keer je af van het kwaad en doe het goede;/samech/
zoek de vrede en jaag die na.
heeft gezegd. Toch is er geen mens die meer ellende heeft gezien en ervaren dan Hij (Kl 3:1-61Ik ben de man [die] ellende gezien heeft /aleph/
door de stok van Zijn verbolgenheid.
2Mij heeft Hij geleid en doen gaan /aleph/
[in] duisternis, en niet [in] licht.
3Ja, Hij heeft telkens weer Zijn hand /aleph/
tegen mij gekeerd, de hele dag.
4Hij heeft mijn vlees en mijn huid doen wegteren, /beth/
Hij heeft mijn beenderen gebroken.
5Hij heeft tegen mij aan gebouwd en Hij heeft [mij] omsingeld /beth/
[met] gal en moeite.
6In duistere oorden doet Hij mij wonen, /beth/
als degenen die allang dood zijn.
)
. Dit maakt duidelijk dat alle zegen die met een Godvruchtig leven gepaard gaat op aarde innerlijk wordt beleefd en na de opstanding ook in uiterlijk opzicht. De Heer Jezus wordt ‘uit’ al Zijn benauwdheden verlost, niet door voor het lijden en de dood gespaard te blijven, maar als God Hem opwekt uit de doden.

Zo zal het gaan met alle rechtvaardigen die “veel ellende” hebben. Zij delen in het goede in de opstanding omdat de Rechtvaardige een lijden heeft ondergaan dat zij niet hebben kunnen ondergaan en dat is het lijden voor hun zonden. Daardoor zijn zij tot God gebracht en rechtvaardigen geworden (1Pt 3:1818Want ook Christus heeft eenmaal voor [de] zonden geleden, [de] Rechtvaardige voor [de] onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Hij Die wel gedood is in [het] vlees, maar levend gemaakt in [de] Geest,). Christus is niet rechtvaardig geworden, maar altijd de Rechtvaardige geweest. Daarom heeft Hij dit noodzakelijke en unieke werk voor de verlossing uit de macht van de zonde kunnen doen.

In vers 2222Het kwaad brengt de goddeloze de dood;/taw/
wie de rechtvaardige haten, worden schuldig verklaard.
komt David terug op wat hij in vers 1717Het aangezicht van de HEERE is tegen hen die kwaad doen:/pe/
Hij zal hun nagedachtenis van de aarde uitroeien.
heeft gezegd over hen die kwaad doen. Hij spreekt hier over “de goddeloze” en over “wie de rechtvaardige haten”. Bij ‘de goddeloze’ kunnen we denken aan hen die zich niet laten leiden door de vreze van de HEERE, in tegenstelling tot de rechtvaardigen (vers 1616De ogen van de HEERE rusten op de rechtvaardigen,/ain/
Zijn oren [zijn gericht] op hun hulpgeroep.
)
, de leerlingen van de wijsheidsleraar. De weg van de goddeloze vergaat (Ps 1:66Want de HEERE kent de weg van de rechtvaardigen,
maar de weg van de goddelozen zal vergaan.
)
. We kunnen bij de goddeloze ook denken aan de antichrist. Het kwaad dat hij doet, zal hem doden. Hij graaft zijn eigen graf. De anderen zijn volgelingen van hem.

Deze volgelingen staan schuldig aan het haten van ‘de rechtvaardige’. Hier kunnen we aan David denken, die hier een schaduwbeeld van de Heer Jezus is (Hd 2:30,3130Daar hij dan een profeet was en wist, dat God hem met een eed had gezworen [Eén] uit [de] vrucht van zijn lendenen op zijn troon te doen zitten,31heeft hij vooruitgezien en gesproken over de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan [de] hades is overgelaten en Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien.). Christus is de Rechtvaardige bij uitstek (Js 53:1111Om de moeitevolle [inspanning] van Zijn ziel zal Hij het zien,
Hij zal verzadigd worden.
Door de kennis van Hem zal de Rechtvaardige, Mijn Knecht, velen rechtvaardig maken,
want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
)
. Daarnaast is David ook een voorbeeld voor de gelovigen, zowel in deze tijd als profetisch voor het gelovig overblijfsel in de eindtijd.

Tegenover de dood die over de goddeloze en zijn volgelingen komt, staat wat de HEERE doet met hen die Hem vrezen (vers 2323De HEERE verlost de ziel van Zijn dienaren;
allen die tot Hem de toevlucht nemen, worden niet schuldig verklaard.
)
. Hij verlost hun ziel. Het Hebreeuwse woord betekent verandering van eigenaar door het betalen van een prijs. De antichrist zal velen van het gelovig overblijfsel doden, maar tegelijkertijd hebben deze martelaars de overwinning behaald over de antichrist (Op 15:22En ik zag als een glazen zee met vuur gemengd, en hen die de overwinning behaald hadden over het beest en over zijn beeld en over het getal van zijn naam, op de glazen zee staan met harpen van God.).

David noemt hen “dienaren” van God. Uiteindelijk wordt hiermee dan het overblijfsel bedoeld wanneer het in de zegen van het vrederijk is aangekomen. Zij zijn heel Israël dat behouden zal worden (Rm 11:2626en zó zal heel Israël behouden worden, zoals geschreven staat: ‘Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal [de] goddeloosheden van Jakob afwenden.). Dan is vervuld wat God na de verlossing uit Egypte van Zijn volk heeft gezegd: “U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn” (Ex 19:66U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.).

Zover is het nu nog niet. De omstandigheden maken dat zij die werkelijk Zijn volk zijn, “tot Hem de toevlucht” moeten nemen. Daar zijn ze veilig voor de vijandschap van hen die hen haten. Zij “worden niet schuldig verklaard”. Dit staat tegenover hen die hen haten, want zij worden wel schuldig verklaard, zoals in het vorige vers staat. Deze ‘niet-schuldigverklaring’ danken ze aan Hem Die voor hen schuldig is verklaard en het oordeel voor hun zonden op het kruis heeft gedragen.


Lees verder