Psalmen
Inleiding 1-3 Zing voor de HEERE 4-9 De macht van Gods Woord 10-15 De HEERE ziet alle mensen 16-22 Onze hulp en ons schild
Inleiding

Na de vergeving in de vorige psalm volgt in deze psalm de lofzang voor die vergeving. Het eerste vers sluit aan op het laatste vers van de vorige psalm. In Psalm 33 wordt God voorgesteld op een wijze die de lofzang stimuleert. Dit geldt in het bijzonder voor het volk dat God als eigendom voor Zichzelf heeft verkozen (vers 1212Welzalig het volk dat de HEERE tot zijn God heeft,
het volk dat Hij Zich als eigendom verkozen heeft.
)
. De wetenschap uitverkoren te zijn, is een bijzondere aanleiding om God voor te prijzen. Dat geldt zeker voor ons, nieuwtestamentische gelovigen, die Hij heeft uitverkoren tot het zoonschap voor Zichzelf (Ef 1:3-73Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,4zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,5terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,6tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,7in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade,).

Er is in deze psalm geen sprake van vijanden of vervolging of verdrukking. God wordt bezongen als de allerhoogste Heerser. Het doet denken aan de tijd na de grote verdrukking, als de heidense verdrukkers zijn verdelgd en Israël in vrede in het land woont. Het is dan ook een psalm waarin we de gevoelens van dank van het overblijfsel beluisteren.


Zing voor de HEERE

1Zing vrolijk in de HEERE, rechtvaardigen!
Een lofzang past de oprechten.
2Loof de HEERE met de harp,
zing psalmen voor Hem met de harp [en] de tiensnarige luit.
3Zing voor Hem een nieuw lied,
speel welluidend met vrolijke klanken.

Na Psalmen 1, 2 en 10 is dit de vierde psalm die geen dichter vermeldt. Hij sluit direct aan op het laatste vers van de vorige psalm. Deze voortzetting maakt een opschrift overbodig. Evenals daar spreekt de dichter hier tot de “rechtvaardigen” en de “oprechten” (vers 11Zing vrolijk in de HEERE, rechtvaardigen!
Een lofzang past de oprechten.
)
. In iets andere woorden herhaalt hij de oproep tot de “rechtvaardigen” om “vrolijk in de HEERE” te zingen (Ps 32:1111Verblijd u in de HEERE en verheug u, rechtvaardigen,
zing vrolijk, alle oprechten van hart!
)
.

Hij zegt vrolijk ‘in de HEERE’ te zingen, niet ‘tot’ de HEERE, hoewel dat er natuurlijk ook bij hoort. ‘In de HEERE’ omvat meer dan ‘tot’ de HEERE. Het geeft de sfeer en ook de kracht aan waarin vrolijk wordt gezongen. Het vrolijke lied is de weergave van een leven dat gekenmerkt wordt door alles wat de HEERE is en heeft gedaan. Daardoor kunnen de gelovigen als rechtvaardigen worden aangesproken. Dat ze rechtvaardigen zijn, betekent dat ze volkomen geschikt gemaakt zijn om met blijdschap en dankbaarheid in Gods tegenwoordigheid te zijn.

Het is dan ook gepast dat de oprechten “een lofzang” zingen. Het Hebreeuwse woord voor lofzang, tehilla, heeft aan het boek Psalmen zijn Hebreeuwse naam gegeven, tehillim. De “oprechte”, iemand die innerlijk recht voor God staat, zal door een lofzang uiting aan zijn bewondering voor God en al Zijn weldaden geven. Als je iemand bewondert, houd je dat niet voor jezelf. Je laat het horen aan het voorwerp van je bewondering en doet dat luid, zodat ook anderen horen hoezeer je de ander bewondert.

Die bewondering komt ook niet in algemene, vage woorden tot uiting, maar in een beschrijving van alles wat er te bewonderen valt. We zien dat bijvoorbeeld bij de beschrijving die de bruid in Hooglied geeft van de bruidegom (Hl 5:9-169Wat heeft uw Liefste vóór boven een ander,
o, allermooiste onder de vrouwen?
Wat heeft uw Liefste vóór boven een ander,
dat u ons dit zo bezweert?10Mijn Liefste is blank en rood,
Hij steekt als een vaandel boven tienduizend uit.
11Zijn hoofd is van fijn goud, van zuiver goud,
Zijn haarlokken zijn krullend, zwart als een raaf.12Zijn ogen zijn als duiven
bij waterstromen,
badend in melk,
zittend bij een volle bron.
13Zijn wangen zijn als een bed met specerijen,
als torentjes met kruiden.
Zijn lippen zijn als lelies
druipend van vloeiende mirre.14Zijn handen zijn als gouden ringen,
ingezet met turkoois.
Zijn buik is als blinkend ivoor,
bedekt met saffieren.
15Zijn benen zijn als witmarmeren pilaren,
gegrondvest op voetstukken van zuiver goud.
Zijn gedaante is als de Libanon,
uitgelezen als de ceders.
16Zijn gehemelte is een en al zoetheid,
alles aan Hem is geheel en al begeerlijk.
Zo is mijn Liefste, ja, zo is mijn Vriend,
dochters van Jeruzalem!
)
. De dichter geeft vanaf vers 44Want het woord van de HEERE is recht
en al Zijn werk betrouwbaar.
woorden aan zijn bewondering van God. Hij beschrijft Zijn almacht en verhevenheid en Zijn bijzondere betrekking tot het volk dat Hij Zich tot een eigendomsvolk verkozen heeft.

Het loven en zingen wordt begeleid “met de harp” en “de tiensnarige luit” (vers 22Loof de HEERE met de harp,
zing psalmen voor Hem met de harp [en] de tiensnarige luit.
)
. In de Israëlitische, oudtestamentische erediensten spelen muziekinstrumenten een belangrijke rol. David heeft ze daarvoor bedacht en gemaakt (2Kr 7:66Ook stonden de priesters op hun wachtposten, en de Levieten met de muziekinstrumenten van de HEERE die koning David gemaakt had om de HEERE te loven, [zo dikwijls] als David door hun dienst [Hem] zou prijzen dat Zijn goedertierenheid voor eeuwig is. Tegenover hen bliezen de priesters op trompetten, en heel Israël stond.; 29:2727En Hizkia beval dat men het brandoffer op het altaar moest offeren. Juist op de tijd dat het brandoffer begon, begon [ook] het lied voor de HEERE, met de trompetten, onder begeleiding van de instrumenten van David, de koning van Israël.; Ne 12:3636en zijn broeders Semaja en Azareël, Milalai, Gilalai, Maäi, Nethaneël en Juda, [en] Hanani, met muziekinstrumenten van David, de man Gods. En Ezra, de schriftgeleerde, [ging] voor hen uit.; Am 6:55[u,] die vrolijk zingt onder het geklank van de luit
– zoals David hebben zij voor zichzelf muziekinstrumenten uitgedacht –
)
. In de christelijke, nieuwtestamentische eredienst zingen we voor God in onze harten (Ko 3:1616Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen, terwijl u in alle wijsheid elkaar leert en terechtwijst met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen [en] in <de> genade zingt in uw harten voor God.). De christen aanbidt God op een geestelijke wijze (Jh 4:2424God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.), waarbij het gebruik van muziekinstrumenten niet nodig is.

Wij mogen de Heer met steeds nieuwe liederen lofzingen (vers 33Zing voor Hem een nieuw lied,
speel welluidend met vrolijke klanken.
)
. Het nieuwe lied is het lied van de verlossing als gevolg van de vergeving in Psalm 32. Het kan worden gezongen door ‘vernieuwde mensen’, dat zijn allen die verlost zijn door het kostbare bloed van Christus. Het zal speciaal gezongen worden door de Israëlieten aan het begin van het vrederijk (Op 14:33En zij zingen <als> een nieuw lied vóór de troon en vóór de vier levende wezens en de oudsten; en niemand kon het lied leren dan de honderdvierenveertigduizend die van de aarde gekocht waren.).

Elke nieuwe ervaring van Wie God is, is aanleiding voor een nieuw lied. Ook liederen die we al vaker hebben gezongen, worden na een nieuwe ervaring van Gods goedheid op een nieuwe, een dieper doorleefde manier gezongen. Elke nieuwe ontdekking van Gods goedheid is een gelegenheid voor een nieuw lied. De begeleiding is “welluidend met vrolijke klanken”. Het betekent dat het gebeurt door bazuinen of trompetten als een aangename uiting van de hoogste vreugde die een weldaad is om naar te luisteren.


De macht van Gods Woord

4Want het woord van de HEERE is recht
en al Zijn werk betrouwbaar.
5Hij heeft gerechtigheid en gericht lief,
de aarde is vol van de goedertierenheid van de HEERE.
6Door het Woord van de HEERE is de hemel gemaakt,
door de Geest van Zijn mond heel hun legermacht.
7Hij verzamelt het water van de zee als een dam,
Hij sluit de diepe wateren op in schatkamers.
8Laat heel de aarde voor de HEERE vrezen,
laat alle bewoners van de wereld bevreesd zijn voor Hem.
9Want Híj spreekt en het is er,
Híj gebiedt en het staat er.

 

Als eerste aanleiding voor het nieuwe lied van vers 33Zing voor Hem een nieuw lied,
speel welluidend met vrolijke klanken.
worden de woorden van God en direct daaraan verbonden de werken van God genoemd (vers 44Want het woord van de HEERE is recht
en al Zijn werk betrouwbaar.
)
. Dit wordt aangegeven door het woord “want” waarmee het vers begint. God is “recht” in Zijn woorden. In alles wat Hij zegt, is Hij ‘waar’, ‘getrouw’. Het woord ‘recht’ is in het Hebreeuws hetzelfde als ‘oprecht’. Een oprecht persoon is een zonder bedrog (Ps 32:22Welzalig de mens wie de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent,
en in wiens geest geen bedrog is.
)
. God wordt altijd gerechtvaardigd in Zijn woorden (Rm 3:44Volstrekt niet! Maar God zij waarachtig en ieder mens leugenachtig, zoals geschreven staat: ‘Opdat U gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer U geoordeeld wordt’.), wat voor de rechtvaardige een aanleiding is om Hem te loven.

In “al Zijn werk”, in alles wat Hij doet, is Hij “betrouwbaar”. Zijn werk is door Zijn Woord tot stand gekomen. Zijn Woord en Zijn werk zijn daarom in volkomen harmonie met elkaar. Zoals er in Zijn woorden geen enkele onbetrouwbaarheid of leugenachtigheid is, zo is er niets in Zijn werken aanwezig wat een gebrek of slijtage vertoont of ooit zal vertonen. Het is stabiel, volkomen betrouwbaar. Zijn werken staan als een rots. Ze zijn onvergankelijk, onbevlekt en onverwelkelijk (1Pt 1:44tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, in [de] hemelen weggelegd voor u,).

God “heeft gerechtigheid en gericht lief” (vers 55Hij heeft gerechtigheid en gericht lief,
de aarde is vol van de goedertierenheid van de HEERE.
)
. Hier zien we de twee wezenskenmerken van God: “God is licht” (1Jh 1:55En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is.) en “God is liefde” (1Jh 4:8,168Wie niet liefheeft, heeft God niet gekend, want God is liefde.16En wij hebben onderkend en geloofd de liefde die God ten aanzien van ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem.). Dit bepaalt al Zijn handelingen. Zijn “gerechtigheid” en Zijn “gericht” of oordeel zijn nooit in strijd met Zijn liefde, en omgekeerd is Zijn liefde nooit in strijd met Zijn gerechtigheid en gericht. Zijn gerechtigheid en Zijn oordeel zijn uitdrukkingen van Zijn liefde voor de waarheid, het zijn uitingen van Zijn betrouwbaarheid. Hij doet wat Hij zegt, ook in de handhaving van het recht en het uitvoeren van het oordeel. In Zijn liefde maakt Hij Zich zo bekend aan de mens, zodat deze voor Hem kan buigen.

Overal waar we op aarde kijken, zien we een getuigenis van Gods “goedertierenheid”. Goedertierenheid is een woord dat zowel liefde als waarheid of trouw inhoudt. Het is aan Zijn goedertierenheid te danken dat de mens op aarde kan wonen en voorzien wordt van veel goede gaven en alles wat hij nodig heeft om te leven. Overal zien we dezelfde liefde en trouw in Gods verzorging van Zijn schepping (vgl. Mt 6:2626Kijkt naar de vogels van de hemel, dat zij niet zaaien, niet maaien en niet in schuren verzamelen, en uw hemelse Vader voedt ze. Gaat u ze niet ver te boven?). Dit is een bemoediging voor de Zijnen, in het bijzonder als ze in nood zijn en denken dat Hij hen misschien vergeten zou zijn.

Zijn Woord is Zijn macht. Dat zien we in de schepping die Hij heeft geschapen, waarbij hier speciaal de aandacht gericht wordt op de hemel, of het hemelgewelf (vers 66Door het Woord van de HEERE is de hemel gemaakt,
door de Geest van Zijn mond heel hun legermacht.
; vgl. Jh 1:1,31In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.3Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is.; Hb 1:1-21Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in [het] laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon,2Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.)
. Hij heeft de hemel gemaakt. De “legermacht” van het hemelgewelf, het hele sterrenstelsel, roept ontzag op (Js 40:2626Sla uw ogen op naar omhoog,
en zie Wie deze dingen geschapen heeft;
Hij is het Die hun leger voltallig tevoorschijn brengt,
ze alle bij name roept
door [Zijn] grote vermogen en [Zijn] sterke kracht;
er ontbreekt er niet één.
)
. Het ontstaan daarvan wordt aan de Geest toegeschreven. We kunnen hierbij denken aan de Heilige Geest, Die ook bij de schepping betrokken is (Gn 1:22De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water.; vgl. Ps 104:3030Zendt U Uw Geest uit, [dan] worden zij geschapen
en vernieuwt U het gelaat van de aardbodem.
)
.

Ook “het water van de zee” staat volledig onder Zijn gezag (vers 77Hij verzamelt het water van de zee als een dam,
Hij sluit de diepe wateren op in schatkamers.
)
. Hij kan het water verzamelen en er een dam van maken (Ex 15:88Door de adem van Uw neus
is het water opgehoopt,
de stromen stonden als een dam,
de watervloeden zijn gestold in het hart van de zee.
; Jz 3:13,1613Want het zal gebeuren, zodra de voetzolen van de priesters die de ark van de HEERE, de Heere van de hele aarde, dragen, in het water van de Jordaan komen, dat het water van de Jordaan afgesneden wordt, [namelijk] het water dat van bovenaf vloeit; het zal blijven staan als een dam.16bleef het water dat van bovenaf kwam, staan. Het bleef staan als een dam heel ver weg bij de stad Adam, die naast Sarthan ligt. En [het water] dat naar de zee van de Vlakte, de Zoutzee, stroomde, verdween; het werd afgesneden. Toen stak het volk over, tegenover Jericho.; vgl. Jb 38:8-118Of [wie] heeft de zee met deuren afgesloten,
toen zij losbarstte [en] uit de baarmoeder naar buiten kwam,
9toen Ik haar een wolk gaf als kleding,
en de donkere [wolken] als haar omslagdoek.
10Ik stelde haar Mijn grens,
en plaatste een grendel en deuren,
11en zei: Tot hiertoe mag u komen en niet verder,
hier zal zich [een grens] stellen tegen de hoogmoed van uw golven.
)
. “De diepe wateren” kan Hij opsluiten in schatkamers alsof het een voorwerp is (vgl. Jb 38:2222Bent u gekomen bij de schatkamers van de sneeuw?
Hebt u de schatkamers van de hagel gezien,
; Jr 10:1313Als Hij Zijn stem laat klinken, [dan] is er gedruis van wateren aan de hemel.
Hij doet dampen opstijgen van het einde van de aarde.
Hij heeft bliksemflitsen bij de regen gemaakt.
De wind brengt Hij uit Zijn schatkamers tevoorschijn.
)
. Hij handelt ermee zoals een boer met zijn graan doet als hij het in een voorraadschuur opslaat. De mens heeft noch op het hemelgewelf noch op het water van de zee enige grip. Ze staan volledig buiten zijn controle, terwijl God ze volledig onder controle heeft.

Dit moet “heel de aarde”, alle volken, tot een “vrezen”, dat is een diep ontzag, van de HEERE brengen (vers 88Laat heel de aarde voor de HEERE vrezen,
laat alle bewoners van de wereld bevreesd zijn voor Hem.
)
. “Alle bewoners van de wereld” worden opgeroepen “bevreesd … voor Hem” te zijn. Dit gaat verder dan alleen diep ontzag. Hierin is ook het aspect van schrik en huivering voor Gods macht in de schepping aanwezig (Ex 15:1616Op hen viel
verschrikking en angst.
Door de grootheid van Uw arm
verstomden zij als een steen,
terwijl Uw volk, HEERE, erdoorheen trok,
terwijl dit volk, dat U verworven hebt, erdoorheen trok.
; Jr 5:2222Zou u voor Mij niet bevreesd zijn, spreekt de HEERE,
of zou u voor Mijn aangezicht niet beven?
Ik, Die het zand gemaakt heb tot een grens voor de zee,
een eeuwige verordening, die zij niet zal overschrijden.
Al kolken haar golven, zij zullen niets kunnen [uitrichten],
al bruisen zij, zij zullen hem niet overschrijden.
)
. Omdat Hij alles heeft gemaakt en soeverein over het universum regeert, moeten de volken erkennen dat Hij alleen de Schepper-Heerser is.

De volken, die allemaal hun eigen afgoden hebben, moeten weten dat de wereld niet is ontstaan door een activiteit van samenwerkende goden. Ook is niets toevallig ontstaan. Alles in de schepping weerspiegelt Gods wijsheid. Het is de uitwerking van Zijn Woord, waaruit blijkt dat Hij alleen betrouwbaar is. Omdat Hij iets zegt, gebeurt het, en wat er gebeurt, is wat Hij heeft gezegd, niets meer en niets minder. De evolutietheorie is daarom behalve een loochening van God als Schepper ook een loochening van de betrouwbaarheid van Zijn Woord en daarmee van Hemzelf.

Alles wat Hij spreekt, komt tot stand omdat Híj spreekt (vers 99Want Híj spreekt en het is er,
Híj gebiedt en het staat er.
)
. In de lange opsomming van de werking van het geloof in Hebreeën 11 is het eerste en daarmee meest fundamentele geloofswerk het geloof dat God alles door Zijn Woord heeft geschapen (Hb 11:33Door [het] geloof begrijpen wij dat de werelden door Gods Woord bereid zijn, zodat wat men ziet, niet ontstaan is uit wat zichtbaar is.). Er is in de materie die Hij heeft geschapen geen element weerspannig. Hij gebiedt en het staat er, precies op maat en op de plaats waar Hij het hebben wil. De orde in de schepping weerspiegelt Gods soevereine heerschappij. Zijn opperheerschappij boezemt de Godvrezende geen angst in, maar vervult hem met troost en moed.

Gods besturing van het heelal leert ons dat Hij ook ons leven bestuurt. Dat heeft God Job geleerd en dat moeten wij ook leren, juist als wij dingen die in ons leven gebeuren, niet begrijpen. Job begrijpt God niet en dat veroorzaakt geloofsworstelingen bij hem. Totdat hij oog in oog komt te staan met God. Dan begrijpt hij dat hij te klein is om Gods bestuur van alle dingen te beoordelen. Het gaat erom dat wij erop leren vertrouwen dat Hij echt alles in de hand heeft.


De HEERE ziet alle mensen

10De HEERE vernietigt de raad van de heidenvolken,
Hij verbreekt de gedachten van de volken.
11[Maar] de raad van de HEERE bestaat voor eeuwig,
de gedachten van Zijn hart [bestaan] van generatie op generatie.
12Welzalig het volk dat de HEERE tot zijn God heeft,
het volk dat Hij Zich als eigendom verkozen heeft.
13De HEERE schouwt uit de hemel
en ziet alle mensenkinderen.
14Vanuit Zijn verheven woonplaats aanschouwt Hij
alle bewoners van de aarde.
15Hij vormt hun aller hart;
Hij let op al hun daden.

Gods opperheerschappij betreft niet alleen de materie, maar ook “de raad” en “de gedachten” van de volken (vers 1010De HEERE vernietigt de raad van de heidenvolken,
Hij verbreekt de gedachten van de volken.
)
. Dit zijn de niet materiële dingen, de overleggingen van het hart van de mensen. Ook die dingen zijn in Zijn macht. Hij zal die raad en gedachten vernietigen en verbreken. Dat zal Hij doen omdat de raad en gedachten van de volken tegen Hem en tegen Zijn volk gericht zijn. Dat Hij ze verbreekt en vernietigt, laat Zijn verhevenheid en hun nietigheid zien.

Daartegenover staan Zijn raad en de gedachten van Zijn hart (vers 1111[Maar] de raad van de HEERE bestaat voor eeuwig,
de gedachten van Zijn hart [bestaan] van generatie op generatie.
)
. Niemand is in staat daaraan iets te veranderen, laat staan die te vernietigen of te verbreken. Zijn raad “bestaat voor eeuwig” (vgl. Sp 19:2121In het hart van de mens zijn veel plannen,
maar de raad van de HEERE, die houdt stand.
)
. De gedachten van Zijn hart hebben te maken met Zijn beloften aan de aartsvaders. Zijn gedachten van zegen voor Zijn volk bestaan “van generatie op generatie”. Niets is in staat die gedachten ongedaan te maken. Hij houdt Zijn beloften door de generaties heen vast en zal ze vervullen.

In vers 1212Welzalig het volk dat de HEERE tot zijn God heeft,
het volk dat Hij Zich als eigendom verkozen heeft.
wordt de aandacht gericht op een speciaal volk te midden van alle volken. Het is “het volk dat de HEERE tot zijn God heeft, het volk dat Hij Zich als eigendom verkozen heeft”. Met recht kan er worden gezegd dat een volk “welzalig” is als dat volk de God Die in de vorige verzen in Zijn verhevenheid is getoond, tot God heeft. Hij heeft Israël “als eigendom verkozen” (Ex 19:55Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij.; Dt 4:2020maar ú heeft de HEERE genomen en uit de ijzeroven, uit Egypte geleid, om voor Hem tot een erfvolk te zijn, zoals het op deze dag is.; 9:26,2926En ik bad tot de HEERE en zei: Heere HEERE, richt Uw volk en Uw eigendom [toch] niet te gronde, dat U door Uw grootheid verlost hebt, dat U met sterke hand uit Egypte hebt geleid.29Zij zijn toch Uw volk en Uw eigendom, dat U met Uw grote kracht en met Uw uitgestrekte arm hebt uitgeleid!; 32:99Want het deel van de HEERE is Zijn volk,
Jakob is het gebied dat Zijn eigendom is.
)
.

De God van dit volk “schouwt uit de hemelen ziet alle mensenkinderen. Vanuit Zijn verheven woonplaats aanschouwt Hij alle bewoners van de aarde” (verzen 13-1413De HEERE schouwt uit de hemel
en ziet alle mensenkinderen.
14Vanuit Zijn verheven woonplaats aanschouwt Hij
alle bewoners van de aarde.
)
. Zijn positie in de hemel, Zijn verheven woonplaats, benadrukt Zijn verhevenheid boven alles wat op aarde is en gebeurt en Zijn onaantastbaarheid voor wie op aarde wonen.

Dat betekent niet dat Hij niet ten nauwste betrokken is bij de aarde en zijn bewoners. Er is niets wat Hem ontgaat. Hij ziet niet alleen alles wat er gebeurt, maar vormt ook van alle mensen “hun aller hart” (vers 1515Hij vormt hun aller hart;
Hij let op al hun daden.
)
. Zo heeft Hij als Schepper ook hun lichaam gevormd (Gn 2:77toen vormde de HEERE God de mens [uit] het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.). Dit betekent dat Hij het hart van de mensen door en door kent. Hij kent alle overleggingen die daar plaatsvinden en die voor iedereen verborgen zijn.

Daarbij let Hij “op al hun daden”. Zowel de innerlijke overwegingen, de drijfveren van de mensen, als hun uiterlijke daden kent Hij. En dat niet alleen. De mens kan niet alleen nooit Gods plannen dwarsbomen, maar God beheerst de mens en gebruikt hem tegen wil en dank om Zijn plannen uit te werken en Zijn doel te bereiken.


Onze hulp en ons schild

16Een koning wordt niet verlost door een groot leger,
een held wordt niet gered door grote kracht.
17Het paard geeft valse [hoop] op de overwinning
en bevrijdt niet door zijn grote kracht.
18Zie, het oog van de HEERE is over wie Hem vrezen,
op hen die op Zijn goedertierenheid hopen,
19om hun ziel te redden van de dood
en hen in het leven te behouden, wanneer er honger is.
20Onze ziel verwacht de HEERE,
Hij is onze hulp en ons schild.
21Want ons hart is in Hem verblijd,
omdat wij op Zijn heilige Naam vertrouwen.
22Laat Uw goedertierenheid over ons zijn, HEERE,
zoals wij op U hopen.

Tegenover de macht van God vallen de machtigste mensen zoals “een koning” en “een held” in het niet (vers 1616Een koning wordt niet verlost door een groot leger,
een held wordt niet gered door grote kracht.
)
. Ze zijn machteloos, ook al hebben ze een “groot leger” en “grote kracht”, om zich te verlossen van een vijand of zich uit een bedreigende situatie te redden.

Als een mens op de grote kracht van een paard rekent voor een overwinning of om te ontkomen aan een nederlaag, komt hij bedrogen uit (vers 1717Het paard geeft valse [hoop] op de overwinning
en bevrijdt niet door zijn grote kracht.
)
. Zijn hoop daarop is vals. De mens is dwaas en lijdt aan hopeloze zelfoverschatting als hij zich voor een overwinning op eigen kracht beroemt en daarop steunt. Alleen de HEERE kan de overwinning geven, want Hij bestuurt alles.

In tegenstelling tot mensen die op de kracht van eigen middelen of van zichzelf vertrouwen, staan de mensen die de HEERE vrezen en op Zijn goedertierenheid hopen (vers 1818Zie, het oog van de HEERE is over wie Hem vrezen,
op hen die op Zijn goedertierenheid hopen,
)
. Zij weten dat Zijn oog in liefdevolle zorg op hen is gericht en dat Hij hen altijd ziet, wat wil zeggen dat Hij in goedheid op hen let (Jb 36:7a7Hij trekt Zijn ogen niet af van de rechtvaardige,
maar Hij plaatst hen voor altijd met koningen op de troon,
en zij worden verheven.
)
. Dit is heel wat beter dan op menselijke middelen te bouwen. Hij redt van de dood (vers 1919om hun ziel te redden van de dood
en hen in het leven te behouden, wanneer er honger is.
)
. Ook behoudt Hij in het leven in tijden van honger. Bij een hongersnood is elk beroep op een koning, een held of een paard zinloos (vgl. 2Kn 6:25-2725En er ontstond een grote hongersnood in Samaria, want zie, zij belegerden [de stad], totdat een ezelskop voor tachtig zilverstukken werd [verkocht] en het vierde deel van een kab duivenmest voor vijf zilverstukken.26En het gebeurde, toen de koning van Israël op de muur voorbijging, dat een vrouw tot hem riep: Help [mij], mijn heer koning.27Hij zei: De HEERE helpt u niet, waarmee zou ik u dan helpen? [Met iets] van de dorsvloer of van de perskuip?).

Wie de HEERE vrezen, verwachten Hem, dat wil zeggen dat ze uitzien naar wat Hij gaat doen (vers 2020Onze ziel verwacht de HEERE,
Hij is onze hulp en ons schild.
)
. Ze nemen niet zelf initiatieven, maar laten het aan Hem over. Wat Hij bepaalt, is goed. Ze belijden vrijmoedig dat Hij hun hulp en hun schild is (vgl. Ps 28:77De HEERE is mijn kracht en mijn schild;
op Hem heeft mijn hart vertrouwd
en ik ben geholpen.
Daarom springt mijn hart op van vreugde
en zal ik Hem met mijn lied loven.
)
. Hij is hun Helper en Beschermer.

Ze verklaren dat hun hart in Hem verblijd is (vers 2121Want ons hart is in Hem verblijd,
omdat wij op Zijn heilige Naam vertrouwen.
)
. De oorzaak daarvan is hun vertrouwen op “Zijn heilige Naam”. Dit houdt in dat ze zich aan Hem onderwerpen, dat wil zeggen dat zij God willen laten zijn Wie Hij is: God. Zijn heilige Naam staat ervoor garant dat Hij al Zijn plannen zal uitwerken tot vervulling van al Zijn beloften.

Het gebed om zegen in vers 2222Laat Uw goedertierenheid over ons zijn, HEERE,
zoals wij op U hopen.
is de uitdrukking van afhankelijkheid van de goedertierenheid van God. De Godvrezenden vragen om Gods goedertierenheid “over” hen, wat betekent dat die over hen zal waken, hen zal beschermen en hen zal leiden door het leven. Ze hopen op Hem en daarmee op alles wat Hij is, want Hij Zelf is het enige wat zij nodig hebben om hun leven verder te leven tot Zijn eer.


Lees verder