Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-3 Roep om redding 4-9 Vertrouwen en blijdschap 10-14 Gebed in nood 15-19 Vertrouwen en gebed 20-23 Loflied 24-25 Bemoediging
Inleiding

De psalm beschrijft de ervaring van David op een manier dat wat in de psalm wordt gezegd, ook van toepassing is op het gelovig overblijfsel. Het is een smeekbede en een uiting van vertrouwen van het overblijfsel. Sommige uitspraken zijn van toepassing op de Heer Jezus, zoals vers 66In Uw hand beveel ik mijn geest;
U hebt mij verlost, HEERE, getrouwe God!
. De woorden van de eerste regel van dat vers worden door Hem uitgesproken op het kruis (Lk 23:4646En Jezus riep met luider stem de woorden: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En toen Hij dit gezegd had, stierf Hij.). Veel gedeelten van deze psalm kunnen wij ook op ons toepassen.

David heeft psalm gedicht in een tijd van grote nood. Het is het gebed van een mens die wordt veracht, gelasterd en vervolgd. David heeft een dergelijke situatie vaak beleefd. We zien dan ook dat veel van zijn psalmen daaruit zijn ontstaan. In deze psalm bemoedigt hij de terneergeslagen gelovige de Heer lief te hebben en sterk te zijn, want de Heer zal hem in bewaren omdat zijn tijden in Zijn hand zijn. Het leven van de gelovigen is in de hand van God, niet in die van de vijanden of de omstandigheden.

Verschillende keren zien we in deze psalm de overgang van smeekbede naar dank en omgekeerd van dank naar smeekbede:
Eerste cyclus:
1. gebed (verzen 2-32Tot U, HEERE, heb ik de toevlucht genomen,
laat mij niet beschaamd worden, voor eeuwig;
bevrijd mij door Uw gerechtigheid.
3Neig Uw oor tot mij, red mij met spoed,
wees voor mij een sterke rots,
een burcht om mij te behouden.
)
,
2. vertrouwen (verzen 4-6a4Want U bent mijn rots en mijn burcht!
Wijs mij dan de weg en leid mij zachtjes, omwille van Uw Naam.
5Trek mij uit het net dat zij heimelijk voor mij [spanden],
want U bent mijn kracht.
6In Uw hand beveel ik mijn geest;
U hebt mij verlost, HEERE, getrouwe God!
)
en
3. dank (verzen 6b-96In Uw hand beveel ik mijn geest;
U hebt mij verlost, HEERE, getrouwe God!
7Ik haat hen die nietige afgoden vereren.
Ík vertrouw op de HEERE.
8Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid,
want U hebt mijn ellende gezien
[en] mijn ziel in benauwdheden gekend.
9U hebt mij niet overgeleverd in de hand van de vijand,
[maar] mijn voeten in de ruimte doen staan.
)
.
Tweede cyclus:
1. klacht (verzen 10-1410Wees mij genadig, HEERE, want [angst] benauwt mij;
verzwakt van verdriet is mijn oog, mijn ziel en mijn buik.
11Want mijn leven teert weg door verdriet
en mijn jaren door zuchten;
mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid
en mijn beenderen zijn verzwakt.
12Vanwege al mijn tegenstanders ben ik tot een smaad geworden,
voor mijn buren het meest,
en tot een [bron van] angst voor mijn bekenden;
wie mij op straat zien, ontvluchten mij.
13Vergeten ben ik, als een dode, [verdwenen] uit het hart;
ik ben geworden als een gebroken kruik.
14Want ik hoor de laster van velen;
angst van rondom,
omdat zij tegen mij samenspannen.
Zij bedenken plannen om mij het leven te benemen.
)
,
2. vertrouwen (verzen 15-16a15Maar ík vertrouw op U, HEERE.
Ik zeg: U bent mijn God!
16Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij
uit de hand van mijn vijanden en van mijn vervolgers.
)
,
3. gebed (verzen 16b-1916Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij
uit de hand van mijn vijanden en van mijn vervolgers.
17Doe Uw aangezicht over Uw dienaar lichten,
verlos mij door Uw goedertierenheid.
18HEERE, laat mij niet beschaamd worden,
want ik roep U aan;
laat de goddelozen beschaamd worden,
laat hen zwijgen in het graf.
19Laat de leugenlippen verstommen,
die hooghartige taal spreken tegen de rechtvaardige,
vol hoogmoed en verachting.
)
en
4. dank (verzen 20-2520Hoe groot is Uw goed,
dat U weggelegd hebt voor wie U vrezen,
[dat] U bereid hebt voor wie tot U de toevlucht nemen
ten aanschouwen van de mensenkinderen.
21U verbergt hen in het verborgene van Uw aangezicht
voor het hoogmoedig gedrag van de man;
U doet hen schuilen in een hut
voor het getwist van tongen.
22Geloofd zij de HEERE,
want Hij heeft wonderen aan mij gedaan,
[wonderen] van Zijn goedertierenheid:
[Hij bracht mij] in een versterkte stad.
23Ik echter zei, in mijn haast:
Ik ben afgesneden van voor Uw ogen;
maar toch hoorde U mijn luide smeekbeden
toen ik tot U riep.24Heb de HEERE lief, al Zijn gunstelingen,
[want] de HEERE beschermt de gelovigen,
maar vergeldt overvloedig wie hoogmoedig handelt.
25Wees sterk en Hij zal uw hart sterk maken,
u allen die op de HEERE hoopt!
)
.

We zien daarin een weergave van het leven, dat zijn ups en downs kent. Soms zitten we hoog op de berg en dan weer diep in een dal. Na het dal klimmen we weer jubelend omhoog, waarna we toch ook weer een periode van nood kunnen krijgen. Maar de psalm eindigt met dank en bemoediging.


Opschrift

1Een psalm van David, voor de koorleider.

Dit is “een psalm van David”. Zie bij Psalm 3:1. Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1.


Roep om redding

2Tot U, HEERE, heb ik de toevlucht genomen,
laat mij niet beschaamd worden, voor eeuwig;
bevrijd mij door Uw gerechtigheid.
3Neig Uw oor tot mij, red mij met spoed,
wees voor mij een sterke rots,
een burcht om mij te behouden.

David zegt tegen de HEERE dat hij tot Hem “de toevlucht genomen” heeft (vers 22Tot U, HEERE, heb ik de toevlucht genomen,
laat mij niet beschaamd worden, voor eeuwig;
bevrijd mij door Uw gerechtigheid.
)
. Met de nadruk op “tot U” verklaart hij dat hij op God vertrouwt en zijn toevlucht tot Hem, “de HEERE” heeft genomen. De HEERE is de God die trouw is aan het verbond, de IK BEN DIE IK BEN. De psalm eindigt ook met een bemoediging voor hen die vertrouwen op de HEERE (vers 2525Wees sterk en Hij zal uw hart sterk maken,
u allen die op de HEERE hoopt!
)
.

De HEERE is zijn enige schuilplaats. Hij heeft en wil ook niemand anders. Hij kan aan niemand anders vragen hem niet beschaamd te laten worden. Alleen de HEERE is in staat dat te voorkomen en dat op een manier dat het “voor eeuwig” niet zal gebeuren. Hij doet hiervoor geen beroep op de genade van God, maar op Zijn “gerechtigheid”.

In de zaak waar hij voor bidt, gaat het om valse beschuldigingen en gemene aanvallen door vijanden. Daartegen moet God in gerechtigheid optreden en hem bevrijden, want anders zal hij beschaamd worden in zijn vertrouwen op Hem. Gerechtigheid betekent hier dat God zal handelen in overeenstemming met het verbond dat Hij met Israël heeft gesloten. Als God hem aan de hand van zijn vijanden overgeeft, zal dat tevens de vijanden aanleiding geven de Naam van God te lasteren.

In korte zinnen smeekt hij God om Zijn oor tot hem te neigen (vers 33Neig Uw oor tot mij, red mij met spoed,
wees voor mij een sterke rots,
een burcht om mij te behouden.
)
, dat wil zeggen aandacht aan zijn smeekbede te schenken. Hij smeekt om een spoedige redding, want de tijd dringt, de nood wordt met de minuut groter. En of God toch maar “een sterke rots”, dat wil zeggen een rotswoning (Ps 18:33De HEERE is mijn rots en mijn burcht en mijn Bevrijder,
mijn God, mijn rots, tot Wie ik de toevlucht neem,
mijn schild en de hoorn van mijn heil, mijn veilige vesting.
),
en “een burcht” voor hem wil zijn om hem “te behouden”. Het maakt duidelijk hoezeer de vijanden op hem aandringen en al zo dicht bij hem zijn dat ze hem bijna in handen hebben.


Vertrouwen en blijdschap

4Want U bent mijn rots en mijn burcht!
Wijs mij dan de weg en leid mij zachtjes, omwille van Uw Naam.
5Trek mij uit het net dat zij heimelijk voor mij [spanden],
want U bent mijn kracht.
6In Uw hand beveel ik mijn geest;
U hebt mij verlost, HEERE, getrouwe God!
7Ik haat hen die nietige afgoden vereren.
Ík vertrouw op de HEERE.
8Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid,
want U hebt mijn ellende gezien
[en] mijn ziel in benauwdheden gekend.
9U hebt mij niet overgeleverd in de hand van de vijand,
[maar] mijn voeten in de ruimte doen staan.

In vers 44Want U bent mijn rots en mijn burcht!
Wijs mij dan de weg en leid mij zachtjes, omwille van Uw Naam.
spreekt David direct het vertrouwen uit dat God voor hem is wat hij in vers 33Neig Uw oor tot mij, red mij met spoed,
wees voor mij een sterke rots,
een burcht om mij te behouden.
heeft gevraagd. We vinden veel synoniemen voor God in verband met vertrouwen: sterke rots, burcht (verzen 2,42Tot U, HEERE, heb ik de toevlucht genomen,
laat mij niet beschaamd worden, voor eeuwig;
bevrijd mij door Uw gerechtigheid.
4Want U bent mijn rots en mijn burcht!
Wijs mij dan de weg en leid mij zachtjes, omwille van Uw Naam.
)
. De HEERE is de Rots, Wiens werk volmaakt is (Dt 32:44Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is,
want al Zijn wegen zijn [een en al] recht.
God is waarheid en geen onrecht;
rechtvaardig en waarachtig is Hij.
)
: dit zegt iets over de bereidheid en het vermogen van de HEERE om Zijn volk te verlossen.

Al tijdens een gebed dat in geloof wordt gedaan, krijgt de bidder de zekerheid van de verhoring ervan. Deze ervaring van David – en in de eindtijd van het overblijfsel – is een prachtige aansporing voor ons om in geloof de toevlucht tot God te nemen. Wij zullen dan ook ervaren “dat Hij een Beloner is van hen die Hem zoeken” (Hb 11:66Zonder geloof echter is het onmogelijk [Hem] te behagen; want wie tot God nadert, moet geloven dat Hij is en dat Hij een Beloner is van hen die Hem zoeken.).

Nu David gesterkt is door de verhoring, bidt hij verder en vraagt God om hem de weg te wijzen en hem te leiden en dat te doen “omwille van Uw Naam”. De eer van God is verbonden met het lot van Zijn volk. Zijn Naam wordt onteerd als het slecht gaat met Zijn volk (vgl. Ps 23:33Hij verkwikt mijn ziel,
Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid,
omwille van Zijn Naam.
; 106:88Maar Hij verloste hen omwille van Zijn Naam,
om Zijn macht bekend te maken.
)
. Hier komt de psalmist terug op Psalm 23 waar de Heer gezien wordt als de goede Herder (Ps 23:11Een psalm van David.
De HEERE is mijn Herder,
mij ontbreekt niets.
)
.

De weg is vol gevaren. De vijanden liggen op de loer. Om niet in hun handen te vallen heeft hij een gids nodig en vraagt of God die Gids wil zijn. Ook vraagt hij of God hem “zachtjes” wil leiden, met geduld. Wat hebben wij ook nodig dat te vragen. Het motief is niet zozeer dat wij bewaard blijven als God onze Gids is, maar dat Zijn Naam zal worden groot gemaakt.

In vers 55Trek mij uit het net dat zij heimelijk voor mij [spanden],
want U bent mijn kracht.
spreekt David over wat zijn vijanden hem aandoen. Zij hebben stiekem een onzichtbaar net voor hem gespannen. David klaagt in Psalmen vaak over netten en valstrikken die zijn vijanden hebben gemaakt om hem daarmee te vangen. Het net sluit zich steeds nauwer om hem heen. Hij vraagt of God hem wil bewaren voor en bevrijden van het gevaar van het net. Zelf kan hij het niet, maar God, van Wie hij zegt “U bent mijn kracht”, kan dat wel.

David beveelt zijn geest, dat is zijn leven of levensadem, in Gods hand (vers 66In Uw hand beveel ik mijn geest;
U hebt mij verlost, HEERE, getrouwe God!
)
. Dit is een hoogtepunt van vertrouwen, het is vertrouwen tot in de dood. Dat is in volmaaktheid alleen van toepassing bij de Heer Jezus. Wij worden wel vermaand om dit vertrouwen na te volgen (1Pt 4:1919Laten daarom ook zij die naar de wil van God lijden, hun zielen [de] trouwe Schepper toevertrouwen met goeddoen.).

David kan zijn geest, zijn leven, niet zelf beschermen en legt die daarom in Gods hand. Dit horen de Heer Jezus dezelfde woorden spreken als Hij aan het kruis hangt, aan het einde van Zijn kruislijden (Lk 23:4646En Jezus riep met luider stem de woorden: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En toen Hij dit gezegd had, stierf Hij.). Er zijn wel verschillen met wat David zegt. We zien, zoals hiervoor al is opgemerkt, dat ons vertrouwen zwak is, terwijl dat van de Heer Jezus volkomen is.

Verder zien we dat deze woorden uit de mond van David een vraag om bescherming inhouden. Het betekent dat hij niet meer zelf plannen maakt, maar het aan God overlaat. Dat is bij de Heer Jezus ook anders. Hij heeft altijd alles in volmaakte overeenstemming met God en Vader gedaan. Bij Hem is het bevelen van Zijn geest in de hand van Zijn Vader Zijn laatste daad van toewijding, van Zelfovergave. Niemand heeft Zijn leven, Zijn levensadem, van Hem afgenomen. Hij geeft zijn geest Zelf over, Hij legt Zijn leven Zelf af omdat Hij daartoe een gebod van de Vader heeft ontvangen (Jh 10:17-1817Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem.18Niemand neemt het van Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af; Ik heb macht het af te leggen en heb macht het weer te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.).

De geest van David is niet van hem afgenomen, want God heeft ervoor gezorgd dat hij zijn leven heeft behouden. Hij getuigt er met dankbaarheid van dat de “HEERE”, de “getrouwe God”, of “God van de waarheid” zoals het ook vertaald kan worden, kan en zal verlossen. God heeft bewezen dat Hij de getrouwe God of de God van de waarheid is. Tegenover die God plaatst David zijn vijanden, en wel als mensen “die nietige afgoden vereren” (vers 77Ik haat hen die nietige afgoden vereren.
Ík vertrouw op de HEERE.
)
ofwel mensen die op deze nietige goden hun vertrouwen stellen. Hij stelt daartegenover met nadruk, “Ík”, dat hij op de HEERE vertrouwt.

David heeft grote vreugde vanwege de goedertierenheid van God (vers 88Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid,
want U hebt mijn ellende gezien
[en] mijn ziel in benauwdheden gekend.
)
. God heeft namelijk zijn ellende gezien. En dat niet alleen. Hij heeft Davids “ziel in benauwdheden gekend”, dat wil zeggen dat Hij er niet alleen kennis van heeft genomen, maar eraan heeft deelgenomen. David dankt God ervoor dat Hij hem niet zal overleveren in de hand van de vijand, maar hem daarentegen met zijn voeten in de ruimte zal doen staan (vers 99U hebt mij niet overgeleverd in de hand van de vijand,
[maar] mijn voeten in de ruimte doen staan.
)
. We kunnen hierbij denken aan de vervolging door Saul die hem op zeker moment heeft omsingeld en dat God hem daaruit bevrijdt (1Sm 23:26-2826Saul ging aan de ene zijde van de berg en David met zijn mannen aan de andere zijde van de berg. Nu gebeurde het terwijl David zich haastte om aan Saul [te ontkomen] en Saul en zijn mannen David en zijn mannen omsingeld hadden om hen te grijpen,27dat er een bode naar Saul kwam [met de boodschap]: Haast u en kom, want de Filistijnen zijn het land binnengevallen.28Toen keerde Saul terug van het najagen van David en ging de Filistijnen tegemoet; daarom noemde men die plaats Sela-Machlekoth.).


Gebed in nood

10Wees mij genadig, HEERE, want [angst] benauwt mij;
verzwakt van verdriet is mijn oog, mijn ziel en mijn buik.
11Want mijn leven teert weg door verdriet
en mijn jaren door zuchten;
mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid
en mijn beenderen zijn verzwakt.
12Vanwege al mijn tegenstanders ben ik tot een smaad geworden,
voor mijn buren het meest,
en tot een [bron van] angst voor mijn bekenden;
wie mij op straat zien, ontvluchten mij.
13Vergeten ben ik, als een dode, [verdwenen] uit het hart;
ik ben geworden als een gebroken kruik.
14Want ik hoor de laster van velen;
angst van rondom,
omdat zij tegen mij samenspannen.
Zij bedenken plannen om mij het leven te benemen.

In dit gedeelte (verzen 10-1410Wees mij genadig, HEERE, want [angst] benauwt mij;
verzwakt van verdriet is mijn oog, mijn ziel en mijn buik.
11Want mijn leven teert weg door verdriet
en mijn jaren door zuchten;
mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid
en mijn beenderen zijn verzwakt.
12Vanwege al mijn tegenstanders ben ik tot een smaad geworden,
voor mijn buren het meest,
en tot een [bron van] angst voor mijn bekenden;
wie mij op straat zien, ontvluchten mij.
13Vergeten ben ik, als een dode, [verdwenen] uit het hart;
ik ben geworden als een gebroken kruik.
14Want ik hoor de laster van velen;
angst van rondom,
omdat zij tegen mij samenspannen.
Zij bedenken plannen om mij het leven te benemen.
)
horen we weer een gebed in nood. Het vertrouwen van David wordt op de proef gesteld, wat geloofsoefeningen tot gevolg heeft. Hij heeft voor Gods aangezicht zijn vertrouwen op Hem onder woorden gebracht. Nu komt de praktijk: hij ziet zijn vijanden. Dan merkt David dat hij, om zo te zeggen, de schat in een aarden vat heeft, en dat de geest wel gewillig kan zijn, maar dat het vlees zwak is. Daarom doet hij hier een beroep op Gods genade, om later te kunnen merken, zoals Paulus dat heeft ervaren, dat hij, wanneer hij zwak is, sterk is (in de Heer).

Het gebed in nood in dit gedeelte gaat dieper dan ook de smeekbede in vers 22Tot U, HEERE, heb ik de toevlucht genomen,
laat mij niet beschaamd worden, voor eeuwig;
bevrijd mij door Uw gerechtigheid.
. Daar doet David een beroep op Gods gerechtigheid, hier op Zijn genade. Hij schildert zijn ellende, hij breidt zijn nood voor Gods aangezicht uit. Hij heeft het benauwd (vers 1010Wees mij genadig, HEERE, want [angst] benauwt mij;
verzwakt van verdriet is mijn oog, mijn ziel en mijn buik.
)
. Zijn eerdere ervaring in vers 99U hebt mij niet overgeleverd in de hand van de vijand,
[maar] mijn voeten in de ruimte doen staan.
, dat zijn voeten in de ruimte zijn gesteld door God, lijkt hij vergeten te zijn. De werkelijkheid grijpt hem weer aan. Maar hij gaat met die werkelijkheid naar God, van Wie hij in vers 44Want U bent mijn rots en mijn burcht!
Wijs mij dan de weg en leid mij zachtjes, omwille van Uw Naam.
heeft gezegd dat Hij zijn rots en burcht is.

Juist als de harde realiteit van de omstandigheden hem overvalt, spreekt hij met God over zijn nood. Hij is verzwakt van verdriet. Verzwakt is zijn oog, hij ziet alles niet meer helder; verzwakt is zijn ziel. Wij zouden zeggen: hij ziet het niet meer zitten. Hij kan de kracht nauwelijks meer opbrengen om verder te leven, hij is levensmoe. Ook zijn beenderen zijn verzwakt, hij is innerlijk, in zijn gevoelsleven, uitgeput.

Langdurig verdriet sloopt iemands krachten, zijn leven teert erdoor weg (vers 1111Want mijn leven teert weg door verdriet
en mijn jaren door zuchten;
mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid
en mijn beenderen zijn verzwakt.
)
. Hij kan niet anders meer dan zuchten, want woorden om aan zijn verdriet uiting te geven heeft hij niet meer. Zo verlopen de jaren. Hij beseft dat zijn kracht is vervallen door zijn “ongerechtigheid”. Ook hier vinden we een groot verschil tussen David en de Heer Jezus. David spreekt over zijn ongerechtigheid, terwijl de Heer onze ongerechtigheid op Zich heeft genomen.

Hier spreekt David niet meer over zijn vijanden, maar over zijn eigen zondigheid. Daardoor kan hij niet meer in het geloof wandelen. Zijn beenderen zijn erdoor verzwakt.

Behalve zijn innerlijke ellende is er ook de ellende die hem door anderen, van buitenaf, wordt aangedaan (vers 1212Vanwege al mijn tegenstanders ben ik tot een smaad geworden,
voor mijn buren het meest,
en tot een [bron van] angst voor mijn bekenden;
wie mij op straat zien, ontvluchten mij.
)
. Hij heeft veel tegenstanders en “al” die tegenstanders hebben ervoor gezorgd dat hij “tot een smaad” is geworden. Zijn “buren”, de mensen met wie regelmatig is omgegaan, van wie hij mocht verwachten dat ze ‘een goede buur’ zouden zijn (vgl. Sp 27:1010Verlaat uw vriend en de vriend van uw vader niet,
ga het huis van uw broer niet binnen op de dag van uw ongeluk.
Beter een buur die nabij is, dan een broer ver weg.
)
, hebben zich het meest tegen hem gekeerd.

Buren zijn mensen die vlakbij wonen, terwijl “bekenden” vrienden zijn, mensen die je na aan het hart zijn. Zelfs voor zijn “bekenden” is hij een bron van angst geworden. Ze zien hem als een melaatse, iemand met wie je beter geen contact kunt hebben. Daarom lopen ze een straatje om als ze hem in de verte zien aankomen. Ze mijden hem als de pest. Dit heeft ook de Heer Jezus ervaren.

Hij voelt zich als een dode, iemand die vergeten is, iemand die wordt genegeerd, naar wie niemand omkijkt (vers 1313Vergeten ben ik, als een dode, [verdwenen] uit het hart;
ik ben geworden als een gebroken kruik.
)
. Hier is het echt ‘uit het oog, uit het hart’. Niemand denkt meer aan hem. Hij is “geworden als een gebroken kruik”, als een gebruiksvoorwerp dat waardeloos is geworden, waar niemand iets aan heeft. Zijn leven ligt in scherven, het is onherstelbaar verbroken.

Dan is er nog het gepraat over hem om hem heen (vers 1414Want ik hoor de laster van velen;
angst van rondom,
omdat zij tegen mij samenspannen.
Zij bedenken plannen om mij het leven te benemen.
)
. Enerzijds is hij vergeten, wordt hij genegeerd en als een melaatse gemeden, maar anderzijds praten de mensen over hem, ze spreken kwaad over hem. Hij hoort wat ze zeggen. Het is allemaal lasterpraat. Hij voelt dat hij is omgeven door vijanden, waardoor hem van alle kanten angst overvalt. Want ze spannen tegen hem samen en bedenken plannen om hem om het leven te brengen. Hij wordt al als een dode behandeld en nu willen ze ook daadwerkelijk een einde aan zijn leven maken.

Deze manier van praten achter iemands rug wordt tegenwoordig ‘mobbing’ genoemd. Mobbing kan worden gedefinieerd als vernederend, intimiderend of vijandig gedrag, dat systematisch is gericht op dezelfde persoon, die zich hier niet tegen kan verweren. Dit is een beproefd middel om iemand ‘kapot’ te maken. Ze zijn van zins om hem letterlijk te neutraliseren, op te ruimen, zoals sommige landen dat met sommige van hun vijanden doen. Bij de Heer Jezus is dit letterlijk gebeurd, toen het besluit werd genomen om Hem te doden (Jh 11:5353Van die dag af dan beraadslaagden zij om Hem te doden.).

Dit middel wordt in de wereld gebruikt, bijvoorbeeld in een werksituatie tegenover een collega. Maar het kan ook in de christenheid gebeuren, zoals het hier bij David gebeurde. Er wordt niet alleen in de wereld, maar juist ook in de christenheid, de afschuwelijkste lasterpraat over de Heer Jezus verkondigd. Ook gelovigen hebben van deze praktijken te lijden. De volgende verzen van deze psalm laten zien wat we in zulke gevallen moeten doen.


Vertrouwen en gebed

15Maar ík vertrouw op U, HEERE.
Ik zeg: U bent mijn God!
16Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij
uit de hand van mijn vijanden en van mijn vervolgers.
17Doe Uw aangezicht over Uw dienaar lichten,
verlos mij door Uw goedertierenheid.
18HEERE, laat mij niet beschaamd worden,
want ik roep U aan;
laat de goddelozen beschaamd worden,
laat hen zwijgen in het graf.
19Laat de leugenlippen verstommen,
die hooghartige taal spreken tegen de rechtvaardige,
vol hoogmoed en verachting.

Dit gedeelte herhaalt thema’s uit vorige gedeelten, bijvoorbeeld ‘beschaamd’ (verzen 2,182Tot U, HEERE, heb ik de toevlucht genomen,
laat mij niet beschaamd worden, voor eeuwig;
bevrijd mij door Uw gerechtigheid.
18HEERE, laat mij niet beschaamd worden,
want ik roep U aan;
laat de goddelozen beschaamd worden,
laat hen zwijgen in het graf.
)
, red mij (verzen 3,163Neig Uw oor tot mij, red mij met spoed,
wees voor mij een sterke rots,
een burcht om mij te behouden.16Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij
uit de hand van mijn vijanden en van mijn vervolgers.
)
, Uw hand (verzen 6,166In Uw hand beveel ik mijn geest;
U hebt mij verlost, HEERE, getrouwe God!
16Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij
uit de hand van mijn vijanden en van mijn vervolgers.
)
.

Als iedereen zich van David afwendt en zich tegen hem keert, wendt hij zich tot God en zegt: “Maar ík vertrouw op U, HEERE” (vers 1515Maar ík vertrouw op U, HEERE.
Ik zeg: U bent mijn God!
)
. David is hier een geloofsheld, die door het geloof de vijand heeft overwonnen (Hb 11:3434[de] kracht van [het] vuur blusten, [de] scherpte van [het] zwaard ontvluchtten, uit zwakheid krachten verkregen, in [de] oorlog sterk werden, legers van vreemden op de vlucht dreven.). Hij herhaalt zijn belijdenis van vers 77Ik haat hen die nietige afgoden vereren.
Ík vertrouw op de HEERE.
: “Ík immers vertrouw op U, HEERE.” Hij doet dat niet alleen in voorspoed, maar ook en juist in tegenspoed. Net als Job. Davids vertrouwen werd op de proef gesteld, en het blijkt echt, echt goud te zijn.

De zin begint met “maar”, waardoor de tegenstelling met het voorgaande duidelijk naar voren komt. Hij zegt nadrukkelijk “ík” en even nadrukkelijk “op U”. Vervolgens onderstreept hij zijn volle vertrouwen op God met het uitspreken van de persoonlijke belijdenis: “Ik zeg: U bent mijn God.” Hier horen we waar hij de kracht vandaan haalt om niet door alle hiervoor genoemde smaad, laster en tegenstand ontmoedigd te worden. Wij mogen dit, als ons het leven zwaar wordt gemaakt, ook als een belijdenis van ons geloof uitspreken.

Daarbij mogen wij, net als David vervolgens zegt, weten dat ons leven niet in de hand van mensen maar van God is (vers 1616Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij
uit de hand van mijn vijanden en van mijn vervolgers.
)
. Onze tijden zijn in Gods hand, niet in die van onze vijanden, hoe groot hun macht en hun haat ook mogen zijn. Zo wilden de Joden de Heer doden en zeiden: niet op het feest, terwijl de Heer zegt dat Hij op het feest gedood zou worden en zo gebeurde het ook.

Hij bepaalt de tijden in ons leven, tijden van voorspoed en tijden van tegenspoed, de tijd van beproeving en de tijd van verlossing, ja, alle tijden (vgl. Pr 3:1-81Voor alles is er een vastgestelde tijd,
en er is een tijd voor elk voornemen onder de hemel.2Er is een tijd om geboren te worden
en een tijd om te sterven;
een tijd om te planten
en een tijd om het geplante uit te trekken;3een tijd om te doden
en een tijd om te genezen,
een tijd om af te breken
en een tijd om op te bouwen;4een tijd om te huilen
en een tijd om te lachen,
een tijd om rouw te bedrijven
en een tijd om te huppelen;5een tijd om stenen weg te werpen
en een tijd om stenen te verzamelen,
een tijd om te omhelzen
en een tijd om zich ver te houden van omhelzen;6een tijd om te zoeken
en een tijd om verloren te laten gaan,
een tijd om te bewaren
en een tijd om weg te werpen;7een tijd om stuk te scheuren
en een tijd om dicht te naaien,
een tijd om te zwijgen
en een tijd om te spreken;8een tijd om lief te hebben
en een tijd om te haten,
een tijd van oorlog
en een tijd van vrede.
)
. Hij bepaalt ook de lengte van ons leven en niet de vijand als die plannen maakt om ons te doden. Daarom wordt de gelovige die in een tijd van tegenspoed leeft, aangespoord zijn leven in de hand van de trouwe Schepper te leggen (1Pt 4:1919Laten daarom ook zij die naar de wil van God lijden, hun zielen [de] trouwe Schepper toevertrouwen met goeddoen.).

Omdat zijn tijden in Gods hand zijn, bidt David dat God hem uit die andere hand, de hand van zijn vijanden en vervolgers, redt. Hij vraagt God om Zijn aangezicht over hem te doen lichten (vers 1717Doe Uw aangezicht over Uw dienaar lichten,
verlos mij door Uw goedertierenheid.
; vgl. Nm 6:24-2524De HEERE zegene u
en behoede u!
25De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten
en zij u genadig!
)
, want nu lijkt het of Gods aangezicht niet zichtbaar is, terwijl het aangezicht van zijn vijanden en vervolgers steeds zichtbaarder wordt.

David richt zich tot God als Zijn “dienaar”. Dat is hij als Gods gezalfde koning. Omdat hij als Gods dienaar in nood is, vraagt hij of God hem wil verlossen door Zijn goedertierenheid. Hij is zich bewust van zijn falen als dienaar. Tegelijk is hij zich bewust van Gods goedertierenheid die er voor falende dienaren is. Daarom doet hij daar een beroep op.

Hij vraagt God om hem niet beschaamd te laten worden, want hij roept Hem aan (vers 1818HEERE, laat mij niet beschaamd worden,
want ik roep U aan;
laat de goddelozen beschaamd worden,
laat hen zwijgen in het graf.
)
. Dan moet God toch horen? De goddelozen, ja, die moeten door God beschaamd worden. Hun moet het zwijgen van de dood worden opgelegd, zodat ze hun verderfelijke woorden niet meer kunnen spreken. Zijn vijanden zijn erop uit hem de dood in te jagen. Hier vraagt David dat God hun het leven ontneemt.

Hun moet voorgoed de mond worden gestopt, want ze hebben leugenlippen (vers 1919Laat de leugenlippen verstommen,
die hooghartige taal spreken tegen de rechtvaardige,
vol hoogmoed en verachting.
)
. Ze doen niet anders dan smaad, bedriegerij, laster en leugentaal uitslaan. Het is “hooghartige taal … tegen de rechtvaardige”. De goddelozen kijken “vol hoogmoed en verachting” op hem neer. De ‘rechtvaardige’ is hier enkelvoud, dat wil zeggen dat het om de individuele gelovige gaat. Daarbij zullen we toch vooral aan de Rechtvaardige, de Heer Jezus, denken. Hoeveel hooghartige taal is er niet tegen Hem gesproken.


Loflied

20Hoe groot is Uw goed,
dat U weggelegd hebt voor wie U vrezen,
[dat] U bereid hebt voor wie tot U de toevlucht nemen
ten aanschouwen van de mensenkinderen.
21U verbergt hen in het verborgene van Uw aangezicht
voor het hoogmoedig gedrag van de man;
U doet hen schuilen in een hut
voor het getwist van tongen.
22Geloofd zij de HEERE,
want Hij heeft wonderen aan mij gedaan,
[wonderen] van Zijn goedertierenheid:
[Hij bracht mij] in een versterkte stad.
23Ik echter zei, in mijn haast:
Ik ben afgesneden van voor Uw ogen;
maar toch hoorde U mijn luide smeekbeden
toen ik tot U riep.

Tot nu toe ging het om het vooruitzicht dat God uitredding zal geven. Vanaf nu gaat het om een terugblik hoe God uitredding heeft gegeven (vgl. vers 2323Ik echter zei, in mijn haast:
Ik ben afgesneden van voor Uw ogen;
maar toch hoorde U mijn luide smeekbeden
toen ik tot U riep.
)
. We kunnen het gedeelte vanaf vers 2020Hoe groot is Uw goed,
dat U weggelegd hebt voor wie U vrezen,
[dat] U bereid hebt voor wie tot U de toevlucht nemen
ten aanschouwen van de mensenkinderen.
dan ook beschouwen als een dankpsalm (zie inleiding van deze psalm).

Nadat David zijn nood vanwege de goddelozen heeft uitgesproken, spreekt hij in vers 2020Hoe groot is Uw goed,
dat U weggelegd hebt voor wie U vrezen,
[dat] U bereid hebt voor wie tot U de toevlucht nemen
ten aanschouwen van de mensenkinderen.
weer over de goedheid van God. Hij is onder de indruk van het “goed” van God Zelf dat Hij heeft weggelegd voor wie Hem vrezen. Dit ‘goed’ omvat alle zegeningen. God heeft die voor de Zijnen weggelegd, wat betekent dat Hij ze heeft veiliggesteld tegen elk bederf of verlies. Wat Hij heeft weggelegd, heeft Hij ook Zelf bereid, Hij heeft het Zelf klaargemaakt, het hele pakket aan zegeningen heeft Hij Zelf samengesteld (1Ko 2:99maar zoals geschreven staat: ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben’.).

Hier is opnieuw duidelijk dat God vrezen niet betekent bang voor Hem zijn, maar in vertrouwen ontzag voor Hem hebben. Wie Hem vrezen nemen namelijk tot Hem de toevlucht. Dit gebeurt “ten aanschouwen van de mensenkinderen”. De mensen zien dat gelovigen de toevlucht nemen tot een God die ze niet zien. Ze zien Zijn zegen en bewaring voor hen die Hem vertrouwen.

Er komt een moment dat God de gelovigen, samen met de zegeningen die Hij voor hen heeft weggelegd en bereid, voor de mensen van de wereld zichtbaar maakt. Gods kinderen, die nu miskend worden door de wereld, en de schatten van de hemel, die nu veracht worden door de wereld, zullen aan de wereld tentoongesteld worden in Christus Zelf wanneer Hij op de wolken verschijnt (2Th 1:9-109Zij zullen als straf lijden [het] eeuwig verderf, [verwijderd] van [het] aangezicht van de Heer en van de heerlijkheid van Zijn sterkte,10wanneer Hij komt om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die hebben geloofd; want ons getuigenis aan u is geloofd geworden.).

Wie tot Hem de toevlucht nemen, verbergt Hij “in het verborgene van Uw aangezicht”, dat wil zeggen dat Hij hen met Zijn aanwezigheid beschermt (vers 2121U verbergt hen in het verborgene van Uw aangezicht
voor het hoogmoedig gedrag van de man;
U doet hen schuilen in een hut
voor het getwist van tongen.
; vgl. Jr 36:2626Verder gaf de koning Jerahmeël, de zoon van de koning, Seraja, de zoon van Azriël, en Selemja, de zoon van Abdeël, bevel om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia [gevangen] te nemen. Maar de HEERE hield hen verborgen.)
. Gods tegenwoordigheid geeft niet alleen licht, zoals in vers 1717Doe Uw aangezicht over Uw dienaar lichten,
verlos mij door Uw goedertierenheid.
, maar geeft ook een schuilplaats. Wie tot Hem de toevlucht nemen, zijn bij Hem veilig verborgen. Hij staat garant voor hun verberging.

Zo zien we dat God het ‘goed’ bewaart voor de Zijnen (vers 2020Hoe groot is Uw goed,
dat U weggelegd hebt voor wie U vrezen,
[dat] U bereid hebt voor wie tot U de toevlucht nemen
ten aanschouwen van de mensenkinderen.
)
en dat Hij de Zijnen bewaart voor het ‘goed’ (vers 2121U verbergt hen in het verborgene van Uw aangezicht
voor het hoogmoedig gedrag van de man;
U doet hen schuilen in een hut
voor het getwist van tongen.
)
. Deze ‘dubbele bewaringsdienst’ geldt zowel voor de gelovigen in het Oude Testament als die in het Nieuwe Testament. Petrus schrijft daarover in zijn eerste brief (1Pt 1:3-53Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren doen worden tot een levende hoop door [de] opstanding van Jezus Christus uit [de] doden,4tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, in [de] hemelen weggelegd voor u,5die in [de] kracht van God door [het] geloof bewaard wordt tot [de] behoudenis, die gereed is om in [de] laatste tijd geopenbaard te worden.).

Omdat God het gelovig overblijfsel verbergt (vgl. Op 12:13-1413En toen de draak zag dat hij op de aarde neergeworpen was, vervolgde hij de vrouw die de mannelijke [Zoon] gebaard had.14En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven, opdat zij in de woestijn zou vliegen naar haar plaats, waar zij gevoed wordt een tijd en tijden en een halve tijd, buiten [het] gezicht van de slang.), zijn ze onaantastbaar “voor het hoogmoedig gedrag van de man”. Deze ‘man’ is de antichrist. Net als in Psalm 27 spreekt David ook hier over het “schuilen in een hut” (Ps 27:55Want Hij doet mij schuilen in Zijn hut
op de dag van het onheil.
Hij verbergt mij in het verborgene van Zijn tent,
Hij plaatst mij hoog op een rots.
)
. Deze schuilplaats biedt niet alleen bescherming, maar ook intimiteit ofwel gemeenschap met God. Dit is het tegenwicht voor “het getwist van de tongen” waarvan de Godvrezenden het onderwerp zijn.

Opnieuw barst David in een lofzang uit (vers 2222Geloofd zij de HEERE,
want Hij heeft wonderen aan mij gedaan,
[wonderen] van Zijn goedertierenheid:
[Hij bracht mij] in een versterkte stad.
)
. De aanleiding, aangegeven door het woord “want”, zijn de wonderen die God aan hem heeft gedaan. Hij omschrijft die wonderen nader als wonderen “van Zijn goedertierenheid”, waardoor God hem “in een versterkte stad” heeft gebracht. Daardoor is hij geen prooi van zijn tegenstanders geworden en heeft het getwist van de tongen, hoewel hij er diep door is gekwetst, geen blijvende schade bij hem veroorzaakt.

Hij is, door de druk van zijn vijanden, even in vertwijfeling geweest of God wel oog had voor de ernst van zijn situatie. Dat heeft hem tot de haastige uitspraak tot God gebracht dat hij was afgesneden van voor Zijn ogen (vers 2323Ik echter zei, in mijn haast:
Ik ben afgesneden van voor Uw ogen;
maar toch hoorde U mijn luide smeekbeden
toen ik tot U riep.
)
. Het leek er even op dat hij toch aan de vijandschap die hij ervoer ten onder zou gaan, alsof God zijn roepen niet hoorde. Maar direct daarop corrigeert hij zich en zegt dat God toch zijn luide smeekbeden hoorde toen hij tot Hem riep.


Bemoediging

24Heb de HEERE lief, al Zijn gunstelingen,
[want] de HEERE beschermt de gelovigen,
maar vergeldt overvloedig wie hoogmoedig handelt.
25Wees sterk en Hij zal uw hart sterk maken,
u allen die op de HEERE hoopt!

David heeft geleerd uit wat hem is overkomen. Die lessen wil hij delen met anderen. Door zijn opgedane ervaringen roept hij Gods gunstelingen op, niet alleen om God te loven, maar Hem lief te hebben (vers 2424Heb de HEERE lief, al Zijn gunstelingen,
[want] de HEERE beschermt de gelovigen,
maar vergeldt overvloedig wie hoogmoedig handelt.
)
. De naam ‘gunstelingen’ wil zeggen dat het om gelovigen gaat die in de onverdiende gunst van God staan.

Nieuwtestamentisch gezegd gaat het om hen die ‘begenadigd of aangenaam gemaakt zijn in de Geliefde’ (Ef 1:66tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,). Die God, Die ons in gunst of genade heeft aangenomen en ons Zijn gunst of genade ook zo vaak heeft doen ervaren, is het waard om met ons hele hart lief te hebben. Dat zal ook tot uiting komen in het loven van Hem, maar liefhebben gaat veel verder en omvat het hele leven.

Voor dit liefhebben worden twee redenen genoemd. De eerste is dat God de gelovigen – of getrouwen, zoals het ook vertaald kan worden – beschermt. Dat heeft David ervaren (vers 2121U verbergt hen in het verborgene van Uw aangezicht
voor het hoogmoedig gedrag van de man;
U doet hen schuilen in een hut
voor het getwist van tongen.
)
. De tweede is wat God met de hoogmoedige doet. Hij “vergeldt overvloedig wie hoogmoedig handelt”. Hier is geen sprake van een straf boven wat de hoogmoedige verdient, maar een ruimschoots vergelden naar de maat van hoogmoed die de hoogmoedige heeft getoond. Een hoogmoedige is niet bescheiden in zijn hoogmoed, daarom krijgt hij geen bescheiden straf. Ook hier kunnen we weer vooral denken aan de antichrist (2Th 2:3-4,83Laat niet iemand u op enigerlei wijze bedriegen, want [die komt niet] als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf,4die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is.8En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer <Jezus> zal verteren door de adem van Zijn mond en tenietdoen door de verschijning van Zijn komst;).

David besluit de psalm met de bemoediging sterk te zijn waarvoor vers 2424Heb de HEERE lief, al Zijn gunstelingen,
[want] de HEERE beschermt de gelovigen,
maar vergeldt overvloedig wie hoogmoedig handelt.
een extra reden heeft gegeven. Dan zal God het hart versterken van allen die op Hem hopen (vers 2525Wees sterk en Hij zal uw hart sterk maken,
u allen die op de HEERE hoopt!
)
. De verlossing uit de huidige nood betekent niet dat er in de toekomst geen gevaren en rampen meer zullen gebeuren. Maar als de nood komt, is God daar nog steeds als de God op Wie we mogen hopen in de nood die zich dan aandient. Dit geeft moed en kracht om de weg verder met Hem te gaan.

We kunnen dit vers ook toepassen op het einde van onze aardse levensreis. We hopen op, dat wil zeggen we zien vooruit naar, de tijd dat God het goed dat Hij voor ons heeft weggelegd, zal uitdelen. Ook als we in tijden van nood zijn, zijn die tijden in Gods hand. Dit houdt in dat we het uiteindelijke doel niet zullen missen. De Heer Jezus is hierin ons voorbeeld, Hij heeft om de vreugde die voor Hem lag het kruis verdragen en de schande veracht. Laten we daarom op Hem zien (Hb 12:1-21Daarom dan ook, daar wij zo’n grote wolk van getuigen rondom ons hebben, laten ook wij alle last en de zonde die [ons] licht omstrikt, afleggen en met volharding de wedloop lopen die vóór ons ligt,2terwijl wij zien op Jezus, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof, Die om de vreugde die vóór Hem lag, [het] kruis heeft verdragen, terwijl Hij [de] schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan [de] rechterzijde van de troon van God.).


Lees verder