Psalmen
Inleiding 1-3 Verklaring van oprechtheid 4-8 Bewijzen van oprechtheid 9-12 Beloning voor oprechtheid
Inleiding

In de Psalmen 25 en 26 vinden we iets dergelijks als wat we ook vinden in de Psalmen 5 en 6. In Psalm 5 vinden we dat het gelovig overblijfsel hun zondige toestand erkent in het licht van God, terwijl het overblijfsel zich in Psalm 6 beroept op hun gerechtigheid, op hun rechtvaardige handelen. Dat is niet in strijd met elkaar. Het is allebei waar.

Psalm 25 eindigt met de wens van de psalmist om oprecht en vroom te zijn (Ps 25:1111Omwille van Uw Naam, HEERE, /lamed/
vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.
)
. In Psalm 26 begint en eindigt de psalmist ook met een getuigenis van zijn oprechtheid (vers 11[Een psalm] van David.
Doe mij recht, HEERE,
want ík ga [mijn weg] in mijn oprechtheid.
Op de HEERE vertrouw ik,
ik zal niet wankelen.
en vers 1111Ik echter, ik ga [mijn weg] in mijn oprechtheid,
verlos mij [dan] en wees mij genadig.
).

In Psalm 25 ziet het overblijfsel zich in het licht van God en belijdt hun zonden, terwijl het in Psalm 26 hun onschuld betuigt. Ze doen dat op basis van de vergeving van hun zonden, waardoor ze tot God, in Zijn huis kunnen komen (verzen 6-86Ik was mijn handen in onschuld;
ik ga rondom Uw altaar, HEERE,
7om een loflied te doen horen
en al Uw wonderen te vertellen.
8HEERE, ik heb lief het huis waar U woont
en de tabernakel, de [woon]plaats van Uw eer.
)
. Psalm 26 is de eerste psalm in een rij van vijf psalmen waarin het huis van God een belangrijke plaats heeft (Psalmen 26-30).


Verklaring van oprechtheid

1[Een psalm] van David.
Doe mij recht, HEERE,
want ík ga [mijn weg] in mijn oprechtheid.
Op de HEERE vertrouw ik,
ik zal niet wankelen.
2Beproef mij, HEERE, ja, stel mij op de proef,
toets mijn nieren en mijn hart.
3Want Uw goedertierenheid [houd] ik voor ogen,
ik wandel in Uw waarheid.

Deze psalm is “van David” (vers 1a1[Een psalm] van David.
Doe mij recht, HEERE,
want ík ga [mijn weg] in mijn oprechtheid.
Op de HEERE vertrouw ik,
ik zal niet wankelen.
)
. Zie bij Psalm 3:1. De psalm is een gebed om verlossing (vers 11b11Ik echter, ik ga [mijn weg] in mijn oprechtheid,
verlos mij [dan] en wees mij genadig.
)
, wat hier inhoudt ‘spreek mij vrij’.

David vraagt aan de HEERE om hem recht te doen (vers 1b1[Een psalm] van David.
Doe mij recht, HEERE,
want ík ga [mijn weg] in mijn oprechtheid.
Op de HEERE vertrouw ik,
ik zal niet wankelen.
)
. Hij vraagt om een rechterlijke uitspraak. Hij wil een verklaring van onschuld inzake de valse beschuldigingen die door vijanden tegen hem worden geuit. Hij noemt als reden daarvoor dat hij zijn weg in zijn oprechtheid gaat (vers 11a11Ik echter, ik ga [mijn weg] in mijn oprechtheid,
verlos mij [dan] en wees mij genadig.
)
. Dit geen aanmatiging en ook geen bewering van zondeloosheid. Het is hier ter verdediging van de valse beschuldigingen. Paulus heeft iets dergelijks gezegd (1Th 2:1010U bent getuigen, alsook God, hoe heilig, rechtvaardig en onberispelijk wij ons onder u die gelooft, hebben gedragen.).

David heeft zijn zonden beleden en vergeving ontvangen. Hij wandelt, om het nieuwtestamentisch te zeggen, in het licht (1Jh 1:77Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.) en heeft gemeenschap met God. Hij vertrouwt op de HEERE. Hij is er zeker van dat hij niet zal wankelen omdat hij vertrouwt op de onwankelbare God.

Een gelovige wil niets verbergen voor iemand die hij liefheeft en dus ook niet voor God. David heeft niets te verbergen. Hij verweert zich niet tegen de valse beschuldigingen met krachtige bezweringen dat er niets van waar is, maar neemt zijn toevlucht tot God. We kunnen een voorbeeld nemen aan David. Het drijft hem uit naar God met het verlangen dat Hij hem beproeft, op de proef stelt en toetst (vers 22Beproef mij, HEERE, ja, stel mij op de proef,
toets mijn nieren en mijn hart.
)
.

“Beproef” – Hebreeuws: bahan – betekent: onderzoek van kwaliteit, bijvoorbeeld van metalen; hierbij gaat het om oprechtheid. “Proef” – Hebreeuws: nasa – betekent onderzoek van echtheid. “Toets” – Hebreeuws sarap – betekent smelten, louteren; hierbij gaat het om het verwijderen van ongewenste verontreiniging.

Hij stelt zich beschikbaar voor een diep inwendig – waarop nieren en hart wijzen – onderzoek door de HEERE. Het gaat de psalmist er niet alleen om dat zijn daden worden beoordeeld, maar de gedachten, de motivatie en de gevoelens daarachter. Daarmee vraagt de psalmist of de HEERE hem totaal wil doorgronden (vgl. Ps 139:2323Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten.
)
.

Dat moeten wij ook doen. God mag oordelen, niet de vijanden, maar ons. De beeldspraak die wordt gebruikt, is die van edelmetaal dat in een smeltoven wordt gedaan om de zuiverheid ervan te testen.

Hij wil volledig openbaar zijn voor God. Hij zegt dat met vrijmoedigheid, want hij houdt Gods goedertierenheid, dat wil zeggen de verbondstrouw van de HEERE, voor ogen (vers 33Want Uw goedertierenheid [houd] ik voor ogen,
ik wandel in Uw waarheid.
)
. Dat kan hij doen omdat hij in Gods waarheid wandelt (vgl. 2Kn 20:33Och HEERE, bedenk toch dat ik in trouw en met een volkomen hart voor Uw aangezicht gewandeld heb en gedaan heb wat goed is in Uw ogen. En Hizkia huilde erg.; 3Jh 1:44Ik heb geen grotere blijdschap dan deze, dat ik hoor dat mijn kinderen in de waarheid wandelen.). Een van de eerste kenmerken van Godvrezendheid is het verlangen om te weten wat waarheid is en daarnaar ook te leven.

Waarheid is hier de trouw van God en Zijn geboden. Het is niet ‘de waarheid weten’, want waarheid is niet zoals wij soms denken: leerstellingen. Wie in de waarheid wandelt, weet dat Gods welgevallen op hem rust. De nadruk ligt op wandelen, dat wil zeggen de praktijk van het leven. Dit leven is gericht op de goedertierenheid ofwel de verbondstrouw van God. Het is het verlangen van David zo te leven, dat dit zo blijft. Daarom verlangt hij ook naar dit onderzoek door God.


Bewijzen van oprechtheid

4Ik zit niet bij valsaards,
met huichelaars ga ik niet om.
5Ik haat het gezelschap van kwaaddoeners,
bij goddelozen zit ik niet.
6Ik was mijn handen in onschuld;
ik ga rondom Uw altaar, HEERE,
7om een loflied te doen horen
en al Uw wonderen te vertellen.
8HEERE, ik heb lief het huis waar U woont
en de tabernakel, de [woon]plaats van Uw eer.

David bewijst zijn oprechtheid door te wijzen enerzijds op zijn afzondering van de zondaars (verzen 4-54Ik zit niet bij valsaards,
met huichelaars ga ik niet om.
5Ik haat het gezelschap van kwaaddoeners,
bij goddelozen zit ik niet.
)
en anderzijds op zijn liefde voor God en Zijn huis (verzen 6-86Ik was mijn handen in onschuld;
ik ga rondom Uw altaar, HEERE,
7om een loflied te doen horen
en al Uw wonderen te vertellen.
8HEERE, ik heb lief het huis waar U woont
en de tabernakel, de [woon]plaats van Uw eer.
)
. Het lijkt erop dat David werd beschuldigd van nauwe contacten met goddelozen en daardoor ontrouw zou zijn geworden aan zijn God. Hij maakt geen aanspraak op volmaaktheid, maar bepleit wel vrijspraak van die verdachtmakingen, terwijl hij wijst op zijn liefde voor God en Diens huis.

David wil niets te doen hebben met valsaards en huichelaars (vers 44Ik zit niet bij valsaards,
met huichelaars ga ik niet om.
)
. Hij wil niet bij hen zitten en niet met hen omgaan (Ps 1:11Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
; Jr 15:1717Ik heb niet gezeten in een kring van spotters,
of sprong [daar] op van vreugde.
Vanwege Uw hand zat ik alleen,
want U hebt mij [met] gramschap vervuld.
)
. Wie in oprechtheid wandelt, wil dat niet. Valsaards zijn mensen die niet oprecht en niet eerlijk zijn, het zijn onbetrouwbare zwetsers. Het is ondenkbaar dat hij bij hen zou kunnen zitten, alsof hij zich bij hen op zijn gemak zou voelen. Huichelaars zijn de schijnheiligen, hypocrieten, mensen met een verborgen, verdorven plannen. Ze geven de schijn dat ze vrienden zijn, maar ze zijn erop uit je op de grofste manier te benadelen.

Er zal in plaats van liefde voor “kwaaddoeners” haat zijn tegen het deel uitmaken van hun “gezelschap” (vers 55Ik haat het gezelschap van kwaaddoeners,
bij goddelozen zit ik niet.
)
. Kwaaddoeners vormen een apart gezelschap in Gods volk. Zij hebben niet het goede voor Gods volk op het oog, maar leggen het erop toe hen kwaad te doen. Ook zit hij niet “bij goddelozen” (vgl. Ps 1:11Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
; Jr 15:1717Ik heb niet gezeten in een kring van spotters,
of sprong [daar] op van vreugde.
Vanwege Uw hand zat ik alleen,
want U hebt mij [met] gramschap vervuld.
)
. Hij wil op geen enkele manier bij hen betrokken zijn of de indruk wekken zich in hun gezelschap thuis te voelen. Zij zijn een volkomen tegenstelling met hem.

Dit geldt ook voor ons, gelovigen van de gemeente. Wie met God leeft, wil geen gemeenschap met zulke mensen. Het gaat niet om mensen die over bepaalde dingen van Gods Woord anders denken dan wij, maar om afvalligen. Helaas zijn er onder Gods volk ook mensen die dat toch doen. Als een lid van Gods volk gemeenschap met zulke mensen heeft, kan God met zo iemand geen gemeenschap hebben (2Ko 6:14-1814Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?15En welke overeenstemming heeft Christus met Belial? En welk deel heeft een gelovige met een ongelovige?16En welke overeenkomst heeft Gods tempel met afgoden? Want wij zijn [de] tempel van [de] levende God, zoals God gezegd heeft: ‘Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn’.17Daarom, ‘gaat weg uit hun midden en scheidt u af, zegt [de] Heer, en raakt niet aan wat onrein is,18en Ik zal u aannemen; en Ik zal u tot Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt [de] Heer, [de] Almachtige’.).

Wie David navolgt in deze houding tegenover de afvalligen, hoeft niet te rekenen op bijval in de christenheid en al helemaal niet in de wereld. Maar wie de gemeenschap met God liefheeft, zal de smaad die afzonderingen van de wereld en de christelijke wereld met zich meebrengt, met vreugde dragen.

David heeft duidelijk gemaakt dat hij geen gemeenschap heeft afvallige zondaars. Nadat hij gezegd heeft wat hij niet heeft gedaan zegt hij wat hij wel heeft gedaan (vers 66Ik was mijn handen in onschuld;
ik ga rondom Uw altaar, HEERE,
)
. Hij zegt met Wie hij wel gemeenschap heeft en bij Wie hij zich wel thuis voelt. Eerst pleit hij weer op zijn onschuld. Hij heeft zijn handen op het offer gelegd om zijn zonden te belijden waarna het offer is geslacht. Daardoor zijn de zonden weggedaan.

Op deze wijze heeft hij zijn handen gewassen – een beeld van een gereinigd en daardoor zuiver geweten (Ps 73:1313Ja, voor niets heb ik mijn hart gezuiverd
en mijn handen in onschuld gewassen.
)
. Hij heeft reine handen (vgl. Dt 21:66En alle oudsten van die stad die het dichtst ligt bij degene die gedood is, moeten hun handen wassen boven de jonge koe waarvan in het dal de nek gebroken is.; 1Tm 2:88Ik wil dan dat mannen in elke plaats bidden met opheffing van heilige handen, zonder toorn en twist.). Oorspronkelijk was dit voorschrift alleen voor de priesters. Voordat zij hun dienst konden doen, moesten zij hun handen en voeten wassen (Ex 30:18-2118U moet vervolgens een koperen wasvat maken, met een bijbehorend koperen voetstuk, voor het wassen. En u moet het plaatsen tussen de tent van ontmoeting en het altaar, en er water in doen,19zodat Aäron en zijn zonen hun handen en voeten [met water] daaruit kunnen wassen.20Wanneer zij de tent van ontmoeting binnengaan, moeten zij zich met water wassen, opdat zij niet sterven. Of wanneer zij tot het altaar naderen om dienst te doen door een vuuroffer voor de HEERE in rook te laten opgaan,21moeten zij hun handen en voeten wassen, opdat zij niet sterven. Dit is een eeuwige verordening voor hen, voor [Aäron] en zijn nageslacht, [al] hun generaties door.). Later deden ook de leken soortgelijke rituele wassingen, zelfs Pilatus. Het is duidelijk dat het gaat om de geestelijke betekenis ervan. Wat Pilatus deed, was dan ook een grove leugen. Hij waste zijn handen (Mt 27:2424Toen Pilatus nu zag dat het niets hielp, maar dat er veeleer opschudding ontstond, nam hij water en waste zijn handen ten aanschouwen van de menigte en zei: Ik ben onschuldig aan het bloed van deze <Rechtvaardige>; het is uw zaak!), terwijl hij ze besmeurde door eigenhandig de Onschuldige over te leveren om gekruisigd te worden.

Voor zover David weet, heeft hij al zijn zonden beleden (Ps 25:1818Zie mijn ellende en mijn moeite, /resj/
neem weg al mijn zonden.
)
. Hij is, in tegenstelling tot de valsaards in vers 44Ik zit niet bij valsaards,
met huichelaars ga ik niet om.
, eerlijk en oprecht. Hij heeft reine handen. Daarom kan hij vrijmoedig naar Gods altaar gaan en daar de omgang maken, dat is eredienst doen. Op het altaar, waar het offer voor de verzoening is gebracht, kan hij nu offers van dank brengen. Het altaar spreekt van de Heer Jezus, net zoals het offer, want de Heer Jezus heeft Zichzelf als offer aan God aangeboden. Het beeld is dat de gelovige die naar het altaar gaat, gemeenschap heeft met de Heer Jezus en met anderen die daar ook zijn (vgl. 1Ko 10:1818Kijkt u naar Israël naar [het] vlees. Hebben niet zij die de offers eten, gemeenschap met het altaar?; Lv 7:6,156Al wie mannelijk is onder de priesters mag het eten; op een heilige plaats moet het gegeten worden. Het is allerheiligst.15En het vlees van het lof- en dankoffer moet gegeten worden op de dag dat hij het aanbiedt. Men mag niets ervan tot de [volgende] morgen overlaten.). Dit is een enorm contrast met de gemeenschap met de zondaars waarover David eerder heeft gesproken, waar hij geen deel aan had. En dat niet alleen, hij had een grote afkeer van hun praktijk en levensinstelling (vers 55Ik haat het gezelschap van kwaaddoeners,
bij goddelozen zit ik niet.
)
.

De eredienst van de gelovige is het zingen van “een loflied” voor God (vers 77om een loflied te doen horen
en al Uw wonderen te vertellen.
)
. Zoals ook in vers 6 is het ook in dit vers is nog persoonlijk. Later, in vers 1212Mijn voet staat op een geëffende weg;
in de samenkomsten zal ik de HEERE loven.
, verruimt het hart en doet David dat te midden van anderen in een samenkomst. Iets dergelijks hadden we in Psalm 25, die een persoonlijke worsteling van David was, maar die in vers 22 eindigt in een voorbede voor het volk.

In het loflied hier bezingt David al de wonderen die God voor hem heeft gedaan (Ps 66:1616Kom, luister, allen die God vrezen,
en ik zal vertellen
wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.
; 145:5-65Ik zal spreken van de heerlijke glorie van Uw majesteit, /he/
en van Uw wonderlijke daden.
6Zij zullen de kracht van Uw ontzagwekkende [daden] in herinnering roepen; /waw/
Uw grootheid, die zal ik vertellen.
)
. Dit is een mooi voorbeeld voor ons om eredienst te doen. Wij mogen “voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden” (Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.). Er is altijd genoeg aanleiding om God te eren. Zien we de wonderen nog die God voor ons heeft gedaan en nog steeds doet? Zingen we daarover en vertellen we Hem daarvan?

In vers 88HEERE, ik heb lief het huis waar U woont
en de tabernakel, de [woon]plaats van Uw eer.
spreekt David over zijn liefde voor de plaats waar Gods altaar staat. De uitvoerige wijze waarop hij over Gods huis spreekt, maakt duidelijk hoe belangrijk die plaats voor hem is. David spreekt over ‘huis’ en ‘woning’, een dubbele uitdrukking van de woonplaats van God. Dit is een voorbereiding voor Psalm 27 waar het huis van God een overheersende plaats inneemt. In die zin is Psalm 26 een brug tussen Psalm 25 en Psalm 27.

Voor David is het huis waar God woont de tent waar hij de ark heeft gebracht (vgl. 2Sm 15:2525Toen zei de koning tegen Zadok: Breng de ark van God terug in de stad. Als ik genade vind in de ogen van de HEERE, zal Hij mij terughalen en hem mij [weer] laten zien, evenals Zijn woning.). Later is deze plaats de tempel. Het is de woonplaats van Gods eer of heerlijkheid, de sjechinah, het symbool van Zijn tegenwoordigheid. Een huis of een woning is meer dan alleen een plaats waar je kunt zijn, het is ook je er ‘thuis voelen’.

Voor ons nu is de gemeente de woonplaats van God. Daar woont Zijn heerlijkheid, dat is Christus. Dat mogen we beleven wanneer we als gemeente samenkomen. De Heer Jezus heeft van die plaats gezegd: “Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen” (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.). Hebben wij die plaats ook lief?


Beloning voor oprechtheid

9Neem mijn ziel niet weg met de zondaars,
noch mijn leven met de mannen van bloed.
10In hun handen is schandelijk gedrag,
hun rechterhand is vol geschenken.
11Ik echter, ik ga [mijn weg] in mijn oprechtheid,
verlos mij [dan] en wees mij genadig.
12Mijn voet staat op een geëffende weg;
in de samenkomsten zal ik de HEERE loven.

Na zijn liefde-uitingen voor de woonplaats van God keert David in vers 99Neem mijn ziel niet weg met de zondaars,
noch mijn leven met de mannen van bloed.
weer terug naar de zondaars en de mannen van bloed (vgl. verzen 4-54Ik zit niet bij valsaards,
met huichelaars ga ik niet om.
5Ik haat het gezelschap van kwaaddoeners,
bij goddelozen zit ik niet.
)
. Hij bevindt zich, zoals hij heeft gezegd, niet in hun gezelschap. Hij wilde niet te maken hebben met de levenswijze van de goddelozen. Nu vraag hij aan de HEERE hem dan ook niet in het lot van de goddelozen te laten delen. “De zondaars” zijn de mensen die zich hebben overgegeven aan een leven van zonde en opstand tegen God. Het zijn “de mannen van bloed”, ofwel gewelddadige, bloeddorstige mensen.

God zal hun leven wegnemen. Dat is terecht dat, want zij hebben hun handen niet in onschuld gewassen. Integendeel, hun handen, hun daden, worden gekenmerkt door “schandelijk gedrag” en omkoperij (vers 1010In hun handen is schandelijk gedrag,
hun rechterhand is vol geschenken.
)
. Met hen wil niet verbonden zijn in het leven en niet in de dood. Hij neemt de grootst mogelijke afstand van mensen die openlijk misdaden bedrijven en van mensen die in het geniep hun verderfelijke handelingen verrichten.

Heel anders, volledig tegengesteld, is het met hem gesteld, wat hij aangeeft door te zeggen: “Ik echter.” Hij herhaalt wat hij in vers 11[Een psalm] van David.
Doe mij recht, HEERE,
want ík ga [mijn weg] in mijn oprechtheid.
Op de HEERE vertrouw ik,
ik zal niet wankelen.
heeft gezegd, dat hij zijn weg in zijn “oprechtheid” gaat (vers 1111Ik echter, ik ga [mijn weg] in mijn oprechtheid,
verlos mij [dan] en wees mij genadig.
)
. Door met dit punt te beginnen en ermee te eindigen onderstreept hij het en vraagt nu vrijmoedig om verlossing.

Tegelijk vraagt hij of God hem genadig wil zijn. Hier zien we dat David geen recht op verlossing claimt omdat hij oprecht is. Hij is oprecht, zo beseft hij, omdat God hem dat heeft gemaakt, en hij leeft oprecht, zo beseft hij eveneens, omdat God hem daartoe in staat stelt. Verlossing kan nooit op grond van enige verdienste van de mens plaatsvinden.

David getuigt in het laatste vers van de verhoring van zijn gebed (vers 1212Mijn voet staat op een geëffende weg;
in de samenkomsten zal ik de HEERE loven.
)
. Hij zegt dat zijn voet op “een geëffende weg” staat. Het is een weg die God voor hem heeft geëffend, dat wil zeggen een weg waarop God alle hindernissen om te struikelen heeft weggenomen, zodat de gelovige geen gevaar loopt te wankelen en te struikelen (vgl. Js 40:44Alle dalen zullen verhoogd worden,
alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden;
wat krom is, zal recht worden;
wat rotsachtig is, zal tot een vlakte worden.
; 42:1616En Ik zal blinden leiden langs een weg [die] zij niet gekend hebben,
Ik zal hen doen gaan op paden die zij niet gekend hebben.
Ik zal vóór hen de duisternis veranderen in licht
en wat krom is in wat recht is.
Deze dingen zal Ik voor hen doen,
Ik zal hen niet verlaten.
)
.

Daarna spreekt David erover dat hij in “de samenkomsten” van Gods volk “de HEERE loven” zal. De geëffende weg leidt, om zo te zeggen, de samenkomsten om daar zijn loflied op de daden van God en de wonderen die God gedaan heeft met anderen te delen. Dit is ook het mooie van de samenkomsten van de christelijke gemeente. We komen samen en mogen samen God groot maken voor het werk dat Zijn Zoon voor ieder lid van de gemeente persoonlijk en voor de gemeente als geheel heeft volbracht.

De psalm roept op tot een zorgvuldig zelfonderzoek naar onze toewijding aan God. Het komt overeen met wat de apostel Paulus in verbinding met het deelnemen aan het avondmaal tegen de Korinthiërs zegt: Maar laat men zichzelf beproeven en zo eten van het brood en drinken van de drinkbeker” (1Ko 11:2828Maar laat men zichzelf beproeven en zo eten van het brood en drinken van de drinkbeker.). Wie het avondmaal serieus neemt, zal zichzelf onderzoeken.

Dit zelfonderzoek, dit “zichzelf beproeven”, is noodzakelijk. Zelfonderzoek heeft altijd een resultaat. Het kan zijn dat we ons dingen herinneren die niet goed zijn; we kunnen die dan wegdoen door ze te belijden (vgl. Mt 5:23-2423Wanneer u dan uw gave offert op het altaar en u daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft,24laat daar uw gave vóór het altaar en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder, en kom dan en offer uw gave.). Het kan ook zijn dat we ons oprecht van niets bewust bent; dan kunnen we onbeschroomd deelnemen aan het avondmaal.

Wegblijven van het avondmaal of het avondmaal aan ons laten voorbijgaan, is in geen geval de ideale oplossing. We laten dan de verhindering of de zonde het winnen van onze liefde voor de Heer Jezus. Nee, laten we onszelf beproeven, de eventuele verhindering of het verkeerde wegdoen en zó van het brood eten en zó van de drinkbeker drinken, terwijl we Hem groot maken voor wat Hij heeft gedaan.


Lees verder