Psalmen
Inleiding 1 De vraag 2-5 Het antwoord
Inleiding

Psalm 15 is, net als Psalm 1, een wijsheidspsalm, een psalm van onderwijzing voor het gelovig overblijfsel. Dit onderwijs wordt door de verstandigen van het volk aan het volk gegeven (Dn 11:33a33De verstandigen onder het volk zullen velen onderwijzen. Zij zullen struikelen door zwaard en vlam, door gevangenschap en beroving – dagen [lang].), waardoor het volk tot inzicht komt waar het in hun tijd om gaat en vooral om Wie het gaat, de Messias.

Psalm 15 is de keerzijde van Psalm 14. In Psalm 16 spreekt David over de Persoon Die het volledige tegenbeeld is van de dwaas van Psalm 14 en aan alle voorwaarden van Psalm 15 heeft voldaan.


De vraag

1Een psalm van David.
HEERE, wie zal verblijven in Uw tent?
Wie zal wonen op Uw heilige berg?

Psalm 15 is “een psalm van David” (vers 1a1Een psalm van David.
HEERE, wie zal verblijven in Uw tent?
Wie zal wonen op Uw heilige berg?
)
. Zie bij Psalm 3:1. Het is de eerste psalm waarbij verder geen enkele nadere aanduiding staat, zoals dat in voorgaande psalmen waarvan hij als dichter wordt genoemd, wel steeds het geval is.

De zware vervolging door de goddeloze (Ps 12:1-61Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De achtste’.2Breng verlossing, HEERE, want goedertieren mensen zijn er niet [meer],
onder de mensenkinderen zijn er [nog maar] weinig trouw*.3Valse [dingen] spreekt men tot elkaar,
[met] vleiende lippen; dubbelhartig spreekt men.
4Laat de HEERE alle vleiende lippen afsnijden
[en] de tong vol grootspraak.
5Zij zeggen: Met onze tong zullen wij de overhand hebben!
Onze lippen zijn van ons! Wie is heer over ons?6Om de verwoesting van de ellendigen en het gekerm van de armen
zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE;
Ik zal in veiligheid brengen wie hij weg wil blazen.
; 14:44Hebben zij dan geen kennis, allen die onrecht bedrijven,
die mijn volk opeten [alsof] zij brood aten?
Zij roepen de HEERE niet aan.
)
brengt de vraag wie bewaard kan zijn om in te gaan in het vrederijk. Psalm 15 laat ons de geestelijke kenmerken van het gelovig overblijfsel zien dat het vrederijk zal ingaan.

Er zijn enkele aanwijzingen die een verband met de voorgaande psalm veronderstellen. Daar spreekt David over de dwaas die in zijn hart zegt dat er geen God is (Ps 14:11Een psalm van David, voor de koorleider.
De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk,
bedrijven gruwelijke daden;
er is niemand die goeddoet.
)
. Hier spreekt hij over iemand die “met zijn hart de waarheid spreekt” (Ps 15:22Hij die oprecht wandelt en gerechtigheid beoefent,
die met zijn hart de waarheid spreekt.
)
. Daar zegt hij dat er niemand is die goeddoet en God zoekt. Hier vraagt hij aan God wie bij Hem kan verblijven en wonen (vers 1b1Een psalm van David.
HEERE, wie zal verblijven in Uw tent?
Wie zal wonen op Uw heilige berg?
)
, dat wil zeggen het vrederijk kan ingaan om daar bij Hem te zijn.

Met de tweevoudige vraag “wie” wordt niet naar de identiteit van de persoon gevraagd, maar naar de soort persoon, naar zijn kenmerken (vgl. Ps 24:33Wie zal de berg van de HEERE beklimmen?
Wie zal staan in Zijn heilige plaats?
; Js 33:14-1614De zondaars in Sion zijn angstig,
huiver heeft de huichelaars aangegrepen:
Wie onder ons kan verblijven bij een verterend vuur?
Wie onder ons kan verblijven bij een eeuwige gloed?
15Hij die wandelt in gerechtigheid en billijk spreekt,
die winstbejag door afpersing verwerpt,
die zijn handen [afwerend] schudt om geen geschenken aan te nemen,
die zijn oor dichtstopt om niet van bloedvergieten te horen,
die zijn ogen sluit om het kwaad niet te zien –
16die zal wonen op de hoogten;
bergvestingen [op] de rotsen zullen zijn veilige vesting zijn,
zijn brood wordt [hem] gegeven, van water is hij verzekerd.
; Op 5:22En ik zag een sterke engel, die met luider stem uitriep: Wie is waard het boek te openen en zijn zegels te verbreken?)
. De vraag heeft betrekking op het “verblijven” in Gods “tent” en het “wonen op” Gods “heilige berg”. Het woord ‘verblijven’ (Hebr. yagur) betekent als vreemdeling verblijven. De vraag betekent vrij vertaald: wie kan als gast bij Hem komen?

Dit wil zeggen dat het er niet om gaat slechts incidenteel, bij een bijzondere gelegenheid, tot God te naderen, maar om een voortdurend bij Hem zijn voor het genieten van gemeenschap met Hem. Het gaat over het te allen tijde toegang hebben tot God. Dit is het deel van de rechtvaardige in het vrederijk. Hij mag verblijven in het huis van God, de tempel van God op de berg Sion. Dat is niet het deel van de kwaaddoener (Ps 5:55Want U bent geen God Die vreugde vindt in goddeloosheid,
de kwaaddoener zal bij U niet verblijven.
)
.

David stelt deze vraag aan de “HEERE”. Hij weet dat alleen de HEERE de voorwaarden bepaalt voor het wonen bij Hem en dat het niet aan hem is dat te doen. Dat is wel heel anders dan veel mensen, ook vandaag, doen. Zij maken zelf wel uit hoe ze bij God komen, als ze al menen dat Hij er is.

Voor de woonplaats van God worden twee woorden gebruikt: “Uw tent” en “Uw heilige berg”. ‘Tent’ is de vertaling van het woord voor ‘tabernakel’. David heeft de tabernakel op de berg Sion, Gods “heilige berg” geplaatst (2Sm 6:1-191Daarna verzamelde David opnieuw de beste van alle [mannen] in Israël, dertigduizend.2David stond op en ging [op weg] met al het volk dat bij hem was, vanuit Baälim-Juda, om vandaar de ark van God op te halen, [de ark] waarbij de Naam wordt aangeroepen: de Naam van de HEERE van de legermachten, Die daarop troont, tussen de cherubs.3Zij vervoerden de ark van God op een nieuwe wagen. Ze haalden hem uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel lag, en Uzza en Ahio, zonen van Abinadab, leidden de nieuwe wagen.4Zij haalden [de wagen] uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel lag, met de ark van God, en Ahio liep voor de ark uit.5David en het hele huis van Israël huppelden voor het aangezicht van de HEERE, met allerlei [muziekinstrumenten] van cipressenhout, met harpen, met luiten, met tamboerijnen, met rinkelbellen en met cimbalen.6Maar toen zij bij de dorsvloer van Nachon kwamen, strekte Uzza [zijn hand] uit naar de ark van God en greep die, omdat de runderen struikelden.7Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Uzza, en God strafte hem daar om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf daar bij de ark van God.8David ontstak [in woede], omdat de HEERE Uzza een zware slag had toegebracht, en hij noemde die plaats Perez-Uzza, tot op deze dag.9David was op die dag bevreesd voor de HEERE en zei: Hoe moet de ark van de HEERE bij mij komen?10David wilde de ark van de HEERE niet bij zich laten komen in de stad van David, maar David liet hem uitwijken naar het huis van Obed-Edom, de Gethiet.11Zo bleef de ark van de HEERE in het huis van Obed-Edom, de Gethiet, drie maanden [lang], en de HEERE zegende Obed-Edom en heel zijn huis.12Koning David werd de boodschap gebracht: De HEERE heeft het gezin van Obed-Edom en al wat hij heeft, gezegend vanwege de ark van God. Toen ging David [op weg] en bracht de ark van God met blijdschap vanuit het huis van Obed-Edom over naar de stad van David.13En het gebeurde, nadat de dragers van de ark van de HEERE zes stappen gedaan hadden, dat hij een rund en een gemest [kalf] offerde.14David huppelde uit alle macht voor het aangezicht van de HEERE; en David was gekleed in een linnen priesterhemd.15Zo brachten David en heel het huis van Israël de ark van de HEERE over, met gejuich en met bazuingeschal.16En het gebeurde, toen de ark van de HEERE in de stad van David kwam, dat Michal, de dochter van Saul, uit het venster neerkeek. Toen zij koning David zag springen en huppelen voor het aangezicht van de HEERE, verachtte zij hem in haar hart.17Toen zij de ark van de HEERE [de stad] binnenbrachten, zetten zij die op zijn plaats, midden in de tent die David ervoor gespannen had. En David bracht brandoffers voor het aangezicht van de HEERE, en dankoffers.18Toen David klaar was met het brengen van het brandoffer en de dankoffers, zegende hij het volk in de Naam van de HEERE van de legermachten.19Hij deelde aan heel het volk, aan heel de menigte van Israël, van de man tot de vrouw toe, aan ieder één broodkoek, één klomp dadels en één rozijnenkoek uit. Toen ging al het volk [zijns weegs], ieder naar zijn huis.). Hij zal daaraan gedacht hebben, maar zonder die hier te bedoelen. In de tabernakel kan namelijk niemand, ook de priesters niet en zelfs de hogepriester niet, voortdurend verblijven. God Zelf wordt door Mozes in zijn zegen voor de twaalf stammen “een woning” voor Zijn volk genoemd (Dt 33:27a27De eeuwige God is [voor u] een woning,
en onder u zijn eeuwige armen.
Hij verdrijft de vijand voor u uit,
en zegt: Vaag [hem] weg!
; vgl. Js 8:1414Hij zal tot een heiligdom [voor u] zijn,
tot een steen des aanstoots,
en tot een rots waarover men struikelt
voor de beide huizen van Israël,
tot een strik en een val voor de inwoners van Jeruzalem.
)
.

God woont op Zijn heilige berg. Dit is de berg Sion, de berg waarvan God heeft gezegd dat Hij daarover Zijn Koning heeft gezalfd (Ps 2:66Ik heb Mijn Koning toch gezalfd
over Sion, Mijn heilige berg.
)
. Nu zien we dat Hij daar niet alleen Zijn Koning heeft gezalfd, maar daar ook woont. We zien hier de verbinding tussen wonen en regeren. Hij woont waar Hij regeert, en Hij regeert waar Hij woont. Wonen en regeren gebeuren beide in ‘heiligheid’. Op die heilige plaats zullen ook alle rechtvaardigen in het vrederijk bij Hem wonen. Zij bezitten door de nieuwe geboorte (Jh 3:3,53Jezus antwoordde en zei tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het koninkrijk van God niet zien.5Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan.) de kenmerken die Hij in de volgende verzen geeft. Zij zullen bij Hem wonen en met Hem regeren, want zij zijn heilig, zoals Hij heilig is (Lv 11:4545Want Ik ben de HEERE, Die u uit het land Egypte heeft laten vertrekken, opdat Ik u tot een God ben. U moet heilig zijn, want Ik ben heilig.; 1Pt 1:15-1615maar wordt, zoals Hij Die u geroepen heeft heilig is, ook zelf heilig in al [uw] wandel;16want er staat geschreven: ‘Weest heilig, want Ik ben heilig’.).


Het antwoord

2Hij die oprecht wandelt en gerechtigheid beoefent,
die met zijn hart de waarheid spreekt.
3Die met zijn tong niet lastert,
zijn vrienden geen kwaad doet
en geen smaad jegens zijn naaste [op de lippen] neemt.
4In zijn ogen is de verworpene veracht,
maar wie de HEERE vrezen, eert hij.
Heeft hij gezworen tot [zijn] schade,
[zijn eed] verandert hij evenwel niet.
5Zijn geld leent hij niet uit tegen rente,
een geschenk ten nadele van de onschuldige aanvaardt hij niet.
Wie deze dingen doet,
zal niet wankelen, voor eeuwig.

Het antwoord op de ‘wie-vraag’ is de beschrijving van iemand bij wie een aantal positieve kenmerken aanwezig is en een aantal negatieve kenmerken ontbreekt. Eerst komen drie positieve kenmerken (vers 22Hij die oprecht wandelt en gerechtigheid beoefent,
die met zijn hart de waarheid spreekt.
)
. Wie bij God wil verblijven, wie bij Hem wil zijn om gemeenschap met Hem te hebben, is ten eerste iemand “die oprecht wandelt”. In het hart van zo iemand is de oprechte gezindheid om eerlijk en betrouwbaar voor God en mensen te leven (Gn 17:11Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de HEERE aan Abram en zei tegen hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht.).

Het tweede positieve kenmerk van zo iemand is dat hij “gerechtigheid beoefent”. Dit kenmerk geeft aan dat hij ieder geeft waar hij recht op heeft. Gerechtigheid oefenen is handelen naar wat recht is voor God. God is rechtvaardig in al Zijn handelingen. Hij geeft altijd iedereen wat iemand verdient. Dit geldt zowel in beloning als in straf.

Iemand die bij God kan wonen, is in de derde plaats iemand “die met zijn hart de waarheid spreekt”. Hij is te vertrouwen in wat hij zegt, want het komt uit een rein en zuiver hart, een hart waarin geen bedrog is (vgl. Jh 1:4848Jezus zag Nathanaël naar Zich toe komen en zei van hem: Zie, waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is.). Zijn hart, het centrum van zijn bestaan, bestuurt zijn woorden. Zijn woorden en zijn hart zijn in harmonie met elkaar.

Samengevat zien we in de drie genoemde kenmerken
1. een wandel die op God gericht is, wat in
2. daden en
3. woorden tot uiting komt.
Deze kenmerken beantwoorden aan de verwachtingen van God en mensen.

In vers 33Die met zijn tong niet lastert,
zijn vrienden geen kwaad doet
en geen smaad jegens zijn naaste [op de lippen] neemt.
worden vervolgens drie negatieve kenmerken genoemd, dingen die ontbreken bij iemand die bij God thuis is. Het eerste kenmerk kan worden verbonden met het derde positieve kenmerk. Hij die met zijn hart de waarheid spreekt, zal met zijn tong niet lasteren. Het Hebreeuwse woord voor lasteren betekent rondgaan en negatieve praatjes rondstrooien. In onze tijd gaat dat heel snel via smartphone en internet. Hij zal niet roddelen, met modder gooien of anderen door het slijk halen. Om het met de woorden van de apostel Jakobus te zeggen: er is in zo iemand geen bron die “uit dezelfde opening het zoete en het bittere” laat “opwellen” (Jk 3:1111De bron laat toch niet uit dezelfde opening het zoete en het bittere opwellen?).

Ten tweede is hij iemand die “zijn vrienden geen kwaad doet”. Het woord voor vriend hier (Hebreeuws rea) betekent medemens. Het woord “naaste” heeft een soortgelijke betekenis. Het kenmerk van een gelovige is hier dan ook herkenbaar doordat hij niet meedoet aan lasterpraat en handelt rechtvaardig met zijn medemens. Dit is een van de voorwaarden om de Heer te kunnen dienen en aanbidden.

Ook “jegens zijn naaste” zal de rechtvaardige geen smaad op zijn lippen nemen. Hij zal hem niet in een kwaad daglicht stellen. Hij bedekt het kwaad van de naaste met liefde (vgl. Rm 13:1010De liefde doet de naaste geen kwaad. Daarom is de liefde [de] vervulling van [de] wet.). Zelfs al is het waar, dan zal hij toch er niet met anderen over spreken. Als collega’s of andere mensen smadelijk over hun naaste spreken – het moderne ‘mobben’, dat is het opzettelijk kwetsen van anderen –, zal hij daar niet aan meedoen.

Al deze dingen doet hij niet uit respect voor zijn medemens. Dit respect komt voort uit zijn Godvrezendheid (vgl. Gn 42:1818Op de derde dag zei Jozef tegen hen: Doe dit, zodat u in leven blijft, [want] ik vrees God.). Hij heeft zijn naaste lief als zichzelf (Lv 19:1818U mag geen wraak nemen of een [wrok] koesteren tegen uw volksgenoten, maar u moet uw naaste liefhebben als uzelf. Ik ben de HEERE.; Mt 22:39-4039[Het] tweede nu, daaraan gelijk: ‘U zult uw naaste liefhebben als uzelf’.40Aan deze twee geboden hangt de hele wet en de profeten.). Dit betekent niet dat hij naïef is en ook liefheeft wat verwerpelijk is. Daar is geen sprake van, want “in zijn ogen is de verworpene veracht” (vers 44In zijn ogen is de verworpene veracht,
maar wie de HEERE vrezen, eert hij.
Heeft hij gezworen tot [zijn] schade,
[zijn eed] verandert hij evenwel niet.
)
. Hij maakt onderscheid tussen “de verworpene” en “wie de HEERE vrezen”.

De ‘verworpene’ is de booswicht, iemand die door God verworpen wordt vanwege zijn hardnekkige opstandigheid tegen Hem, met Wie hij geen rekening wenst te houden. Het is iemand die willens en wetens in de zonde leeft en daarin volhardt. Zo iemand veracht hij, terwijl hij “eert” wie de HEERE vrezen. Verachten is niet minachten, maar afstand houden van de zonde door afstand te houden van wie volhardt in het leven in de zonde en dat graag doet. We zien dit verschil in de omgang van Abraham met de koning van Sodom enerzijds en met Melchizedek anderzijds (Gn 14:17-2417Toen trok de koning van Sodom hem tegemoet, nadat hij teruggekeerd was van het verslaan van Kedor-Laomer en de koningen die bij hem waren, naar het dal Sjave, dat is het [tegenwoordige] Koningsdal.18En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.
19En hij zegende hem en zei:
Gezegend zij Abram
door God, de Allerhoogste,
Die hemel en aarde bezit!
20En geloofd zij God, de Allerhoogste,
Die overgeleverd heeft
uw tegenstanders in uw hand!
En [Abram] gaf hem van alles een tiende deel.
21De koning van Sodom zei tegen Abram: Geef mij de mensen, maar houd de bezittingen voor uzelf.22Maar Abram zei tegen de koning van Sodom: Ik zweer bij de HEERE, God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit,23dat ik niets, van draad tot schoenriem toe, ja, niets van alles wat van u is, zal nemen, zodat u niet kunt zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt.24Verre daarvan! Alleen wat de knechten gegeten hebben, en het deel van de mannen die met mij meegegaan zijn, Aner, Eskol en Mamre; laten die hun deel nemen!
)
.

Wie bij de HEERE woont, laat zich niet leiden door wat hij ziet. De booswicht kan veel invloed hebben en wie de HEERE vreest, kan niet in tel zijn. De rechtvaardige beoordeelt iemand vanuit Gods tegenwoordigheid. Hij laat daardoor zien dat hij de Goddelijke natuur heeft, want zo kijkt God ook naar mensen (1Sm 2:30b30Daarom spreekt de HEERE, de God van Israël: Ik had duidelijk gezegd: Uw huis en uw familie zullen voor eeuwig voor Mijn aangezicht wandelen. Maar nu spreekt de HEERE: Er is bij Mij geen sprake van, want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij verachten, zullen [zelf] veracht worden.).

Hij houdt zijn woord en doet wat hij heeft beloofd. Zelfs als hij heeft “gezworen tot [zijn] schade”, zal hij zijn eed niet veranderen. Ook dan zal hij doen waartoe hij zich heeft verplicht. Zo volkomen betrouwbaar is hij in wat hij heeft gezegd (vgl. Pr 5:3-63Wanneer u aan God een gelofte doet,
stel [dan] niet uit die na te komen,
want Hij heeft geen welgevallen aan dwazen.
Kom na wat u belooft.
4Het is beter dat u niet belooft,
dan dat u belooft maar niet nakomt.
5Sta uw mond niet toe,
uw vlees te doen zondigen.
Zeg ook niet in de tegenwoordigheid van de engel:
dat was een vergissing.
Waarom zou God zeer toornig worden om wat u zegt,
en het werk van uw handen te gronde richten?
6Want zoals er in een veelheid aan dromen [veel] vluchtigs is,
zo is het ook met de veelheid van woorden.
Daarom: vrees God!
; Mt 5:3737Laat uw woord ja echter ja zijn, [en uw] nee nee; en wat meer is dan dit, is uit de boze.)
. Het betekent niet dat hij onbezonnen een eed heeft gedaan. Het gaat erom dat hij zich bewust heeft verplicht tot een daad waarvan hij weet dat die hemzelf schade bezorgt, maar een ander voordeel oplevert.

Dit is, zoals alles wat als kenmerken van de rechtvaardige wordt genoemd, bijzonder waar van de Heer Jezus. Hij neemt de verplichting op Zich om Gods wil te doen als Hij tegen God zegt: “Zie, Ik kom om Uw wil te doen” (Hb 10:99zei Hij daarna: ‘Zie, Ik kom om Uw wil te doen’. Hij neemt het eerste weg om het tweede te stellen.). En Hij heeft woord gehouden ten koste van Zijn leven. Dat heeft als resultaat dat velen door Hem gered zijn van de eeuwige dood (Hb 10:1010Door die wil zijn wij geheiligd door middel van de offerande van het lichaam van Jezus Christus, eens voor altijd.).

Als een naaste zo verarmd is dat hij moet lenen, zal de rechtvaardige geld aan zijn naaste lenen, maar zonder daar rente voor te vragen (vers 55Zijn geld leent hij niet uit tegen rente,
een geschenk ten nadele van de onschuldige aanvaardt hij niet.
Wie deze dingen doet,
zal niet wankelen, voor eeuwig.
)
. We moeten daarbij bedenken dat de verarmde anders genoodzaakt is om zichzelf of zijn kinderen als slaaf te verkopen om de schulden te kunnen betalen (Lv 25:3939En wanneer uw broeder bij u in armoede raakt en zich aan u verkocht heeft, [dan] mag u hem geen slavenarbeid laten verrichten.; Ne 5:55Welnu, zoals het vlees van onze broeders is [ook] ons vlees; zoals hun zonen zijn [ook] onze zonen. En zie: wij staan op het punt onze zonen en onze dochters aan de slavernij te onderwerpen en er zijn er van onze dochters die [al aan de slavernij] zijn onderworpen, en dat buiten onze macht, en onze velden en onze wijngaarden [behoren] aan anderen toe.). Volgens de wet mag een Israëliet niet profiteren van de financiële nood waarin een mede-Israëliet door tegenslagen terecht is gekomen. Lenen aan een arme tegen rente is verboden omdat de arme dan nog dieper in de schuld komt (Ex 22:25-2725Als u [iemand] van Mijn volk, [een] van de armen onder u, geld leent, dan mag u zich niet als een schuldeiser tegenover hem gedragen. U mag hem geen rente opleggen.26Als u het kleed van uw naaste in onderpand neemt, moet u dat aan hem teruggeven voordat de zon ondergaat.27Dat is immers zijn enige bedekking. Het is de kleding over zijn huid. Waarin zou hij [anders moeten] slapen? Wanneer hij tot Mij [om hulp] roept, zal het gebeuren dat Ik het zal horen, want Ik ben genadig!; Lv 25:35-3635En wanneer uw broeder in armoede raakt en met lege handen staat, dan moet u hem steunen, [ook als] hij een vreemdeling en bijwoner is, zodat hij bij u in leven blijft.36U mag geen rente of winst van hem nemen, maar u moet uw God vrezen, zodat uw broeder bij u in leven blijft.; Dt 23:1919U mag van uw broeder geen rente vragen: rente over geld, rente over voedsel [of] rente over enig ding waarover men rente betaalt.).

Hij is ook onomkoopbaar. “Een geschenk ten nadele van de onschuldige” is wat wij ‘steekpenningen geven’ noemen. Het is een betaling voor de misdaad om de waarheid te verzwijgen of te verdraaien. Zo kan een rechter of getuige zich laten omkopen ten nadele van de arme (vgl. Js 1:2323Uw vorsten zijn opstandig
en metgezellen van dieven.
Ieder van hen houdt van geschenken,
zij jagen wederdiensten na.
De wees doen zij geen recht,
en de rechtszaak van de weduwe raakt hen niet.
)
. Een dergelijke handelwijze wordt in de wet strikt verboden (Ex 23:88U mag geen geschenk aannemen, want het geschenk maakt zienden blind en verdraait de woorden van de rechtvaardigen.; Dt 16:1919U mag het recht niet buigen. U mag niet partijdig zijn en geen geschenk aannemen, want een geschenk verblindt de ogen van wijzen en verdraait de woorden van rechtvaardigen.). De profeten hebben de praktijk van omkoping om het recht te buigen keer op keer krachtig veroordeeld (Js 1:2323Uw vorsten zijn opstandig
en metgezellen van dieven.
Ieder van hen houdt van geschenken,
zij jagen wederdiensten na.
De wees doen zij geen recht,
en de rechtszaak van de weduwe raakt hen niet.
; 5:2323die de goddelozen in het gelijk stellen voor een geschenk,
maar de rechtvaardigen hun recht ontnemen.
; Am 5:1212Want Ik weet dat uw overtredingen veel zijn,
en uw zonden talrijk:
u drijft de rechtvaardige in het nauw, u neemt zwijggeld aan,
u duwt armen in de poort opzij.
; vgl. Sp 15:2727Wie op winstbejag uit is, stort zijn huis in het ongeluk,
maar wie [omkoop]geschenken haat, zal leven.
; 17:8,238Een [omkoop]geschenk is in de ogen van de bezitters ervan een sierlijke steen;
waarheen hij zich [ook] wendt, hij zal voorspoedig zijn.23Een goddeloze zal een [omkoop]geschenk uit de schoot aannemen
om de paden van het recht te buigen.
)
.

Voor ons, nieuwtestamentische gelovigen, is het antwoord op de ‘wie-vraag’ van volledig andere aard. Dat heeft te maken met het feit dat de woonplaats van God niet een geografisch bepaalde plaats is, maar een plaats die geestelijke kenmerken heeft (vgl. Jh 4:20-2420Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden, en u zegt dat in Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden.21Jezus zei tot haar: Geloof Mij, vrouw, er komt een uur dat u noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.22U aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de behoudenis is uit de Joden.23Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden.24God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.). Ieder die nieuw leven heeft, is “in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God” (1Tm 3:15b15Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.).

Gelovigen behoren zich daarin te gedragen naar de voorschriften die God daarvoor heeft gegeven, want het is Zijn huis (1Tm 3:15a15Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.). Allen die daarin zijn, zijn “medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God” (Ef 2:1919Dus bent u geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar u bent medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God,). Zij mogen voortdurend in gemeenschap met God leven en daarvan genieten. Om die gemeenschap werkelijk te kunnen genieten, moeten zij deel met Hem hebben, dat wil zeggen gereinigd zijn door de wassing met het water van Gods Woord (Jh 13:8b,108Petrus zei tot Hem: U zult mijn voeten geenszins wassen tot in eeuwigheid. Jezus antwoordde hem: Als Ik je niet was, heb je geen deel met Mij.10Jezus zei tot hem: Wie gebaad is, heeft alleen nodig zich de voeten te laten wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen.; Ef 5:2626opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,).

In vers 5b5Zijn geld leent hij niet uit tegen rente,
een geschenk ten nadele van de onschuldige aanvaardt hij niet.
Wie deze dingen doet,
zal niet wankelen, voor eeuwig.
staat het antwoord op de vraag die in vers 11Een psalm van David.
HEERE, wie zal verblijven in Uw tent?
Wie zal wonen op Uw heilige berg?
is gesteld. Het antwoord dat wij verwachten, is dat de persoon die “deze dingen doet”, dat zijn de dingen die in de verzen 2-5a2Hij die oprecht wandelt en gerechtigheid beoefent,
die met zijn hart de waarheid spreekt.
3Die met zijn tong niet lastert,
zijn vrienden geen kwaad doet
en geen smaad jegens zijn naaste [op de lippen] neemt.
4In zijn ogen is de verworpene veracht,
maar wie de HEERE vrezen, eert hij.
Heeft hij gezworen tot [zijn] schade,
[zijn eed] verandert hij evenwel niet.
5Zijn geld leent hij niet uit tegen rente,
een geschenk ten nadele van de onschuldige aanvaardt hij niet.
Wie deze dingen doet,
zal niet wankelen, voor eeuwig.
zijn genoemd, bij God mag verblijven om tot Hem te naderen. Dit antwoord ligt in elk geval voor hand, want daarover gaat de vraag in vers 11Een psalm van David.
HEERE, wie zal verblijven in Uw tent?
Wie zal wonen op Uw heilige berg?
. Het antwoord wordt echter anders geformuleerd en lijkt er niet bij te passen. Wie de genoemde dingen doet, “zal niet wankelen, voor eeuwig” (vgl. Lk 6:4848Hij is gelijk aan een mens die een huis bouwde; hij groef, diepte uit en legde een fundament op de rots. Toen er nu een stortvloed kwam, sloeg de waterstroom tegen dat huis en was niet in staat het te doen wankelen, omdat het goed gebouwd was.).

Toch is het een treffend antwoord dat nog meer inhoudt dan alleen het wonen bij God. Het wonen bij God staat aan aanvallen bloot, maar de belofte is dat de aanvallers van buitenaf nooit enig succes zullen boeken. Ook innerlijk zal hij nooit door twijfel worden overvallen of ertoe komen uit eigen beweging uit Gods woning weg te dwalen.

De “dingen” die worden gedaan of niet worden gedaan, bestaan uit drie positieve dingen in vers 22Hij die oprecht wandelt en gerechtigheid beoefent,
die met zijn hart de waarheid spreekt.
, drie negatieve dingen in vers 33Die met zijn tong niet lastert,
zijn vrienden geen kwaad doet
en geen smaad jegens zijn naaste [op de lippen] neemt.
, twee positieve dingen in vers 44In zijn ogen is de verworpene veracht,
maar wie de HEERE vrezen, eert hij.
Heeft hij gezworen tot [zijn] schade,
[zijn eed] verandert hij evenwel niet.
en twee negatieve dingen in vers 55Zijn geld leent hij niet uit tegen rente,
een geschenk ten nadele van de onschuldige aanvaardt hij niet.
Wie deze dingen doet,
zal niet wankelen, voor eeuwig.
, in totaal tien dingen. Dat herinnert aan de wet van de tien geboden, waarbij we opmerken dat het om een toets voor hart en handelingen gaat. Grove zonden als moord en overspel worden niet genoemd.

De bedoeling van de verwijzing naar de wet is dat alleen gehoorzaamheid aan de geboden van God toegang geeft tot Gods heiligdom om er wonen. Ook moeten we bedenken dat het daarbij niet gaat om formele gehoorzaamheid aan Zijn geboden. God is niet tevreden met louter uitwendig eerbetoon. Hij verlangt naar totale toewijding aan Hem in het hele leven in al zijn aspecten. Dat kan alleen als het hart op Hem is gericht.

Nooit is enig mens in staat geweest om aan alle voorwaarden van God te voldoen. Geen mens kan de wet houden, want de wet is een niet te dragen juk (Hd 15:1010Nu dan, waarom verzoekt u God door een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaderen noch wij in staat zijn geweest te dragen?). Aan Gods voorwaarden kan alleen worden voldaan door het nieuwe leven. Dit gebeurt in het vrederijk. Daarin gaan allen binnen die hebben erkend schuldig te staan aan de dood van de Messias.

Als ze Hem zien Die zij hebben doorstoken, zullen ze over Hem rouw bedrijven (Zc 12:10-1410Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als [met] de rouwklacht over een enig [kind]; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene.11Op die dag zal in Jeruzalem de rouwklacht groot zijn, zoals de rouwklacht van Hadad-Rimmon in het dal van Megiddo.12Het land zal rouw bedrijven, elk geslacht afzonderlijk: het geslacht van het huis van David afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van het huis van Nathan afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk,13het geslacht van het huis van Levi afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van Simeï afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk,14al de overige geslachten: elk geslacht afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk.). God zal als antwoord daarop in hun binnenste Zijn wet geven en die in hun hart schrijven (Jr 31:33-3433Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.34Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.). Daardoor zijn ze in staat Hem van harte te gehoorzamen. Zo zal Hij voortdurend in Zijn woning op Sion met hen gemeenschap hebben.

Het onderwijs dat deze psalm voor de oudtestamentische gelovigen bevat, heeft voor ons, nieuwtestamentische gelovigen, zijn tegenhanger in de eerste brief van Johannes. Wij worden kinderen van God genoemd omdat we uit God geboren zijn. Omdat we uit God geboren zijn, bezitten we Zijn natuur. Zijn natuur is licht en liefde (1Jh 1:55En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is.; 4:8,168Wie niet liefheeft, heeft God niet gekend, want God is liefde.16En wij hebben onderkend en geloofd de liefde die God ten aanzien van ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem.). De bewijzen dat we Gods natuur bezitten, laten we zien door gehoorzaamheid, dat is het doen van gerechtigheid, en het liefhebben van God en de broeders (1Jh 2:3-103En hieraan onderkennen wij dat wij Hem kennen: als wij Zijn geboden bewaren.4Wie zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in hem is de waarheid niet.5Maar wie Zijn woord bewaart, in hem is waarlijk de liefde van God volmaakt. Hieraan onderkennen wij dat wij in Hem zijn.6Wie zegt dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf <zó> te wandelen als Hij gewandeld heeft.7Geliefden, geen nieuw gebod schrijf ik u, maar een oud gebod, dat u van [het] begin af hebt gehad. Dit oude gebod is het woord dat u gehoord hebt.8Anderzijds is het een nieuw gebod dat ik u schrijf, dat waar is in Hem en in u, omdat de duisternis voorbijgaat en het waarachtige licht al schijnt.9Wie zegt dat hij in het licht is en zijn broeder haat, is in de duisternis tot nu toe.10Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht en geen aanleiding tot vallen is in hem.). Wie daardoor wordt gekenmerkt, bevindt zich in Gods tegenwoordigheid en leeft in gemeenschap met Hem. Dat blijft voor eeuwig zo.


Lees verder