Psalmen
Inleiding 1-6 Loof de HEERE vanuit de hemel 7-13 Loof de HEERE vanaf de aarde 14 Het volk dat nabij Hem is
Inleiding

In deze psalm worden twee machtige koren gevormd. Eerst worden de hemelen en alles wat zich erin bevindt opgeroepen om deel te nemen aan het grote ‘halleluja’ om de HEERE te loven. Hij heeft de hemel en alles wat daarin is geschapen en houdt alles op zijn plaats (verzen 1-61Halleluja!
Loof de HEERE vanuit de hemel,
loof Hem in de hoogste plaatsen.
2Loof Hem, al Zijn engelen,
loof Hem, al Zijn legermachten.
3Loof Hem, zon en maan,
loof Hem, alle lichtende sterren.
4Loof Hem, allerhoogste hemel,
en water dat boven de hemel is.
5Laten zij de Naam van de HEERE loven,
want toen Híj het gebood, werden zij geschapen.
6Hij heeft ze vast doen staan, voor eeuwig en altijd,
hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden.
)
.

Daarna roept hij de aarde en alles wat daarin is op om zich bij die lofprijzing aan te sluiten en Hem te loven van Wie de Naam alleen hoogverheven is en van Wie de majesteit over de hemel en de aarde is (verzen 7-137Loof de HEERE vanaf de aarde,
zeemonsters en alle diepe wateren,
8vuur en hagel, sneeuw en damp,
stormwind, die Zijn woord doet,
9bergen en alle heuvels,
vruchtbomen en alle ceders,
10[wilde] dieren en alle vee,
kruipende dieren en gevleugelde vogels,
11koningen van de aarde en alle volken,
vorsten en alle rechters op aarde,
12jongemannen en ook meisjes,
ouderen en jongeren samen.
13Laten zij de Naam van de HEERE loven,
want Zijn Naam alleen is hoogverheven,
Zijn majesteit welft zich over aarde en hemel.
)
.

Ten slotte wordt Gods bijzondere betrekking met Israël bezongen. Zij zijn “Zijn volk”, “Zijn gunstgenoten”, “het volk dat nabij Hem is” (vers 1414Hij heeft de hoorn van Zijn volk opgeheven,
de roem van al Zijn gunstelingen,
van de Israëlieten, het volk dat nabij Hem is.
Halleluja!
)
.


Loof de HEERE vanuit de hemel

1Halleluja!
Loof de HEERE vanuit de hemel,
loof Hem in de hoogste plaatsen.
2Loof Hem, al Zijn engelen,
loof Hem, al Zijn legermachten.
3Loof Hem, zon en maan,
loof Hem, alle lichtende sterren.
4Loof Hem, allerhoogste hemel,
en water dat boven de hemel is.
5Laten zij de Naam van de HEERE loven,
want toen Híj het gebood, werden zij geschapen.
6Hij heeft ze vast doen staan, voor eeuwig en altijd,
hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden.

De psalm begint evenals de vorige twee psalmen met “halleluja” (vers 11Halleluja!
Loof de HEERE vanuit de hemel,
loof Hem in de hoogste plaatsen.
)
, loof de HEERE. Het is echter geen loutere herhaling. We horen dat de toon aanzwelt. De lofprijzing wordt steeds omvangrijker. Het begint “vanuit de hemel”. Daar, “in de hoogste plaatsen” in de schepping, moet de HEERE geloofd worden.

Daar, in Zijn troonzaal, bevinden zich “al Zijn engelen” en “al Zijn legermachten” (vers 22Loof Hem, al Zijn engelen,
loof Hem, al Zijn legermachten.
)
. Zij zijn het eerst geschapen, zij zijn bij de schepping van hemel en aarde aanwezig geweest en hebben gejuicht (Jb 38:4-74Waar was u toen Ik de aarde grondvestte?
Maak het bekend, als u echt inzicht hebt.
5Wie heeft haar afmetingen bepaald? U weet het immers [wel].
Of wie heeft het meetlint over haar uitgespannen?
6Waarop zijn haar pijlers neergezonken?
Of wie heeft haar hoeksteen gelegd,
7toen de morgensterren samen vrolijk zongen,
en al de kinderen van God juichten?
)
. Ze zijn ook bij de herschepping aanwezig, waar alle wegen van God met de aarde op uitlopen, en juichen daarbij opnieuw. Hier worden de uitverkoren engelen, de niet gevallen engelen, aangesproken (1Tm 5:2121Ik betuig voor God en Christus Jezus en de uitverkoren engelen, dat je deze dingen onderhoudt zonder vooroordeel, zonder iets te doen uit partijdigheid.). Ook de gevallen engelen hebben toegang tot de troonzaal (1Kn 22:19-2319Verder zei [Micha]: Daarom, hoor het woord van de HEERE: Ik zag de HEERE op Zijn troon zitten, en heel het hemelse leger stond bij Hem, aan Zijn rechter- en aan Zijn linkerzijde.20En de HEERE zei: Wie zal Achab misleiden, zodat hij zal optrekken en bij Ramoth in Gilead zal vallen [in de strijd]? De een nu zei dit, en de ander zei dat.21Toen trad er een geest naar voren en ging voor het aangezicht van de HEERE staan. Hij zei: Ík zal hem misleiden. En de HEERE zei tegen hem: Waarmee?22Hij zei: Ik zal eropuit gaan en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U mag misleiden, en u zult er ook toe in staat zijn. Vertrek en doe het zo.23Welnu, zie, de HEERE heeft een leugengeest in de mond van al deze profeten van u gegeven, en de HEERE heeft onheil over u uitgesproken.; Jb 1:6-76Het gebeurde [op] een dag, dat de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken bij de HEERE, dat ook de satan in hun midden kwam.7Toen zei de HEERE tegen de satan: Waar komt u vandaan? En de satan antwoordde de HEERE en zei: Van het rondtrekken over de aarde en van het rondwandelen erover.; 2:11[Opnieuw] was er een dag, toen de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken bij de HEERE, dat ook de satan in hun midden kwam om zijn opwachting te maken bij de HEERE.) en kunnen niet anders doen dan God hun gebiedt. Zij worden gedwongen te belijden dat Jezus Heer is (Fp 2:10-1110opdat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,11en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader.).

Vervolgens richt de psalmist zich tot wat aan de hemel is: de “zon en maan” en “alle lichtende sterren” (vers 33Loof Hem, zon en maan,
loof Hem, alle lichtende sterren.
)
. Ook tot hen klinkt de oproep “loof Hem”. Zon en maan zijn door God als “de twee grote lichten” aan het hemelgewelf geplaatst om de dag en de nacht te beheersen (Gn 1:16-1816En God maakte de twee grote lichten: het grote licht om de dag te beheersen en het kleine licht om de nacht te beheersen; [en] ook de sterren.17En God plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde,18om de dag en de nacht te beheersen en om scheiding te maken tussen het licht en de duisternis. En God zag dat het goed was.). Ze zijn van grote betekenis voor het leven van de mens op aarde. Dat geldt ook voor de sterren, vooral voor “de lichtende sterren” die in de nacht oriëntatie bieden voor de mensen. Al deze indrukwekkende hemellichamen zijn er om de lof van God te bezingen.

Ook de “allerhoogste hemel en het water dat boven de hemel is” krijgen de oproep “loof Hem” te horen (vers 44Loof Hem, allerhoogste hemel,
en water dat boven de hemel is.
)
. De ‘allerhoogste hemel’ of hemel der hemelen is de hoogste afdeling van de geschapen hemel (Ps 68:3434Die rijdt door de aloude hemel der hemelen;
zie, Hij laat Zijn stem klinken, een stem met macht.
; 1Kn 8:2727Maar zou God werkelijk op de aarde wonen? Zie, de hemel, ja, de allerhoogste hemel, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb!)
. Daar bevindt zich het water dat God bij de schepping heeft verzameld (Gn 1:77En God maakte dat gewelf en maakte scheiding tussen het water dat onder het gewelf is, en het water dat boven het gewelf is. En het was zo.; Ps 104:33Hij maakt de zoldering van Zijn hemelzalen op de wateren,
maakt van de wolken Zijn wagen,
wandelt op de vleugels van de wind.
)
. Dit hoge gebied, waar de mens niet kan komen en niet in kan kijken, verkondigt de lof van God.

Alles wat zich in het heelal boven de aarde bevindt, krijgt te horen dat zij “de Naam van de HEERE” moeten “loven” (vers 55Laten zij de Naam van de HEERE loven,
want toen Híj het gebood, werden zij geschapen.
)
. De aanleiding daarvoor, weergegeven door het woord “want”, is dat Hij hun Schepper is. Slechts door te gebieden heeft Hij hen geschapen (Ps 33:6,9). De herschepping zal het resultaat zijn van wat Hij in Zijn Woord heeft gesproken (Js 65:17-2517Want zie, Ik schep een nieuwe hemel
en een nieuwe aarde.
Aan de vorige dingen zal niet [meer] gedacht worden,
ze zullen niet [meer] opkomen in het hart.
18Maar wees vrolijk en verheug u tot in eeuwigheid
[in] wat Ik schep,
want zie, Ik schep Jeruzalem een vreugde
en zijn volk blijdschap.
19En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem
en vrolijk zijn over Mijn volk.
Geen stem van geween zal erin meer gehoord worden,
of een stem van geschreeuw.
20Daar zal niet meer zijn
een zuigeling die [maar enkele] dagen [leeft]
of een oude man
die zijn dagen niet zal volmaken,
want een jonge man zal sterven als een honderdjarige,
maar een zondaar, al is hij honderd jaar, zal vervloekt worden.
21Zij zullen huizen bouwen en [erin] wonen,
zij zullen wijngaarden planten en van hun vrucht eten.
22In [wat] zij bouwen, zal geen ander wonen,
van [wat] zij planten, zal geen ander eten.
Want de dagen van Mijn volk zullen zijn als de dagen van een boom,
en Mijn uitverkorenen zullen lang genieten van het werk van hun handen.
23Zij zullen zich niet voor niets vermoeien
of kinderen baren voor iets verschrikkelijks,
want zij zijn het nageslacht van de gezegenden door de HEERE,
en hun nakomelingen met hen.
24En het zal geschieden dat voordat zij roepen, Ík zal antwoorden,
terwijl zij nog spreken, Ík zal horen.
25Een wolf en een lammetje zullen gezamenlijk weiden,
een leeuw zal stro eten als een rund,
een slang – zijn voedsel zal stof zijn.
Zij zullen geen kwaad doen en geen verderf aanrichten
op heel Mijn heilige berg, zegt de HEERE.
)
.

Hij heeft alles ook een vaste plaats in Zijn schepping gegeven (vers 66Hij heeft ze vast doen staan, voor eeuwig en altijd,
hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden.
)
. Niets staat toevallig daar waar het staat. Die vaste plaats is “voor eeuwig en altijd” vast. Daar kan niemand iets aan veranderen. Alles staat ook in de juiste verhouding tot al het andere. Hij heeft alles “een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden”. Ook in de orde die Hij heeft gegeven, vindt geen verandering plaats. Dit zal in het vrederijk zijn volkomen vervulling vinden.


Loof de HEERE vanaf de aarde

7Loof de HEERE vanaf de aarde,
zeemonsters en alle diepe wateren,
8vuur en hagel, sneeuw en damp,
stormwind, die Zijn woord doet,
9bergen en alle heuvels,
vruchtbomen en alle ceders,
10[wilde] dieren en alle vee,
kruipende dieren en gevleugelde vogels,
11koningen van de aarde en alle volken,
vorsten en alle rechters op aarde,
12jongemannen en ook meisjes,
ouderen en jongeren samen.
13Laten zij de Naam van de HEERE loven,
want Zijn Naam alleen is hoogverheven,
Zijn majesteit welft zich over aarde en hemel.

Dan wordt de aarde opgeroepen zich bij het “loof de HEERE” van de hemel aan te sluiten (vers 77Loof de HEERE vanaf de aarde,
zeemonsters en alle diepe wateren,
)
. Ook vanaf de aarde moet het “loof de HEERE” klinken. Het ‘loof de HEERE’ klinkt één keer aan het begin van dit gedeelte en daarna niet meer. Alles en allen die worden opgeroepen de HEERE te loven vormen als het ware een geheel.

Het is allemaal aards en op aarde en alles, onbezield en bezield, vormt één machtig, harmonieus koor dat de HEERE looft. De volgorde is hier omgekeerd in vergelijking met de volgorde van de hemel. Hier begint het op het diepste punt en eindigt met de mens, de kroon van de schepping.

De eersten die worden aangesproken de HEERE te loven, zijn de “zeemonsters en alle diepe wateren”. Dit zijn dieren en gebieden die de mens ontzag inboezemen en voor hem onpeilbaar zijn. Maar God heeft de zeemonsters geschapen en Hij wandelt in alle diepe wateren (Jb 38:1616Bent u gekomen tot aan de bronnen van de zee?
Hebt u gewandeld op de bodem van de watervloed?
)
. Alles weerspiegelt Zijn majesteit en uit zo Zijn lof.

Daarna is het de beurt van “vuur en hagel, sneeuw en damp, stormwind” (vers 88vuur en hagel, sneeuw en damp,
stormwind, die Zijn woord doet,
)
. Het vuur ofwel de vlammende bliksemstralen, de dodelijke hagelstenen, de alles bedekkende sneeuw, de ongrijpbare damp, de vernietigende stormwind, het zijn voor de mens indrukwekkende en oncontroleerbare verschijnselen. Het zijn uitingen van Zijn majesteit die Zijn lof vergroten. Ze staan onder de volledige controle en het gezag van God, die Hij door “Zijn woord” uitoefent. We zien hier weer de macht van Zijn Woord (Ps 147:15,1815Hij zendt Zijn bevel [naar] de aarde:
Zijn woord loopt zeer snel.
18Hij zendt Zijn woord en doet dat [alles] smelten,
Hij doet Zijn wind waaien, de wateren stromen.
; 2Pt 3:5-75Want moedwillig is hun dit onbekend, dat door het Woord van God [de] hemelen van oudsher waren en een aarde bestaande uit water en door water,6waardoor de toenmalige wereld, door water overstroomd, vergaan is.7Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde Woord opgespaard voor [het] vuur en worden bewaard tot [de] dag van [het] oordeel en van [de] ondergang van de goddeloze mensen.)
.

Vervolgens komen we op de aarde zelf. Daar zijn de “bergen”, de symbolen van onwankelbaarheid, die de eeuwen trotseren, en alle heuvels”, die het landschap glooiend bedekken en waarop de kudden grazen (vers 99bergen en alle heuvels,
vruchtbomen en alle ceders,
)
. Ook zien we de “vruchtbomen en alle ceders”. Van de vruchtbomen mag de mens eten en de ceders mag hij gebruiken om er onder andere huizen van te bouwen. Van de verheven bergen, glooiende heuvels en nuttige bomen klinkt het “loof de HEERE”.

Dan mengt ook de dierenwereld zich in het koor dat de lof van de HEERE bezingt (vers 1010[wilde] dieren en alle vee,
kruipende dieren en gevleugelde vogels,
)
. De “[wilde] dieren en alle vee, kruipende dieren en gevleugelde vogels” verheffen hun stem. Het is ook hier, net als bij de vorige groepen, een stem zonder woorden, maar anders dan bij de vorige groepen toch het geluid van levende wezens.

Ten slotte worden diverse groepen mensen, genoemd naar status, hoeveelheid, geslacht en leeftijd, opgeroepen in te stemmen met het ‘loof de HEERE’ (verzen 11-1211koningen van de aarde en alle volken,
vorsten en alle rechters op aarde,
12jongemannen en ook meisjes,
ouderen en jongeren samen.
)
. “De koningen van de aarde”, zij die hoogste gezagspositie op aarde innemen, en die zich zo vaak tegen God hebben verzet, bezingen in het vrederijk de lof van God (vers 1111koningen van de aarde en alle volken,
vorsten en alle rechters op aarde,
)
. Hetzelfde geldt voor “alle volken, vorsten en alle rechters op aarde”. Zij hebben andere goden vereerd of zichzelf goddelijke eigenschappen toegedicht. Ook hebben ze zich aan Gods volk vergrepen. Maar nu eren ze God en brengen Hem hun lof.

Na de hooggeplaatsten en alle volken horen nog de “jongemannen en ook meisjes, ouderen en jongeren samen” de oproep de HEERE te loven (vers 1212jongemannen en ook meisjes,
ouderen en jongeren samen.
)
. De jongemannen en meisjes wijzen op de jeugdigheid, het nieuwe begin van wat God heeft gegeven. Ouderen en jongeren samen wijzen op de eenheid tussen de beide groepen, er is geen generatiekloof.

De hele schepping, hemel en aarde, moeten “de Naam van de HEERE loven” (vers 1313Laten zij de Naam van de HEERE loven,
want Zijn Naam alleen is hoogverheven,
Zijn majesteit welft zich over aarde en hemel.
)
. De naam ‘HEERE’, Jahweh, herinnert aan Zijn verbinding met de mens en Zijn verbond met Zijn volk Israël. Ter wille van de mens en Zijn volk heeft Hij deze ‘wedergeboorte’ van de aarde bewerkt. Hij heeft alles gedaan en daarom is “Zijn Naam alleen … hoogverheven” en welft “Zijn majesteit zich over aarde en hemel”.

In het vrederijk zullen hemel en aarde onder één Hoofd, dat is Christus, samen zijn gebracht (Ef 1:1010dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;). Dan zal alles Hem onderworpen zijn. Daarop zijn twee uitzonderingen. De eerste uitzondering is God, Die alles aan de voeten van Christus onderworpen heeft (1Ko 15:2727Want ‘Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen’. Wanneer Hij nu zegt dat alles [Hem] onderworpen is, is het duidelijk dat Hij wordt uitgezonderd Die Hem alles onderworpen heeft.). De tweede uitzondering is de gemeente, want zij is aan Christus verbonden als Zijn lichaam (Ef 1:22-2322En Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen en Hem als Hoofd over alles gegeven aan de gemeente,23die Zijn lichaam is, de volheid van Hem Die alles in allen vervult.).


Het volk dat nabij Hem is

14Hij heeft de hoorn van Zijn volk opgeheven,
de roem van al Zijn gunstelingen,
van de Israëlieten, het volk dat nabij Hem is.
Halleluja!

De grote Schepper, Die hemel en aarde moeten prijzen, is de God van Israël, en Israël is Zijn volk. Te midden van de schepping, hemel en aarde, heeft Hij “de hoorn van Zijn volk opgeheven”. Christus is de “hoorn van behoudenis” van Gods volk (Lk 1:6969en heeft een hoorn van behoudenis voor ons opgericht in [het] huis van Zijn knecht David). Door Hem is Gods volk het hoofd van de volken geworden. Hij is “de roem van al Zijn gunstelingen”. Het door Hem begunstigde volk roemt Hem vanwege Zijn onverdiende gunstbewijzen.

Zij zijn “de Israëlieten, het volk dat nabij Hem is”. Door hun zonden heeft Hij hen voor een tijd moeten verwerpen. Hij heeft hen “Lo Ammi”, dat betekent ‘niet Mijn volk’, moeten noemen (Hs 1:99En Hij zei:
Geef hem de naam Lo-Ammi,
want u bent niet Mijn volk
en Ík zal er voor u niet zijn.
)
. Maar nu zijn zij weer “Ammi”, ‘Mijn volk’ (Hs 1:10-1210Toch zal het aantal Israëlieten zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten en niet geteld kan worden. En het zal gebeuren dat in de plaats waar tegen hen gezegd is: U bent niet Mijn volk, tegen hen gezegd zal worden: Kinderen van de levende God.11Dan zullen de Judeeërs bijeengebracht worden samen met de Israëlieten. Zij zullen voor zich één Hoofd aanstellen en uit het land oprukken; want groot zal de dag van Jizreël zijn.12Zeg tegen uw broeders: Ammi,
en tegen uw zusters: Ruchama.
)
. Ze zijn niet meer van Hem verwijderd, maar dicht bij Hem gebracht. Ze mogen in Zijn tegenwoordigheid wonen. Daarbij past een nieuw “halleluja”. Alle lof komt de HEERE toe.

Wij, nieuwtestamentische gelovigen, zijn ook dicht bij God gebracht, maar op een meer verheven en ook intiemere wijze. Ons thuis is niet de aarde, maar de hemel. We zijn in Christus gezet in de hemelse gewesten en daar in Hem gezegend met alle geestelijke zegening (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,). We zijn huisgenoten van God geworden en kennen Hem als Vader, tot Wie wij de vrije toegang hebben (Ef 2:18-1918Want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader.19Dus bent u geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar u bent medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God,). Het antwoord dat ons past, is aanbidding van de Vader in geest en waarheid (Jh 4:23-2423Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden.24God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.).


Lees verder