Psalmen
Inleiding 1-3 Lof op Gods koningschap 4-9 Generatie op generatie roemt de HEERE 10-13 Alle werken loven de HEERE 14-20 Wat de HEERE doet en is 21 Iedereen looft Zijn heilige Naam
Inleiding

In deze psalm bevinden we ons in gedachten in het duizendjarig vrederijk. De verdrukking is voorbij en de volkomen verlossing wordt gevierd. We horen hier Christus en ook de Geest van Christus in het overblijfsel God roemen.

De situatie is dat het koninkrijk van God in openbaarheid is gevestigd. De Messias is in het midden van Israël. Het hart van Christus, hier gezien als Mens, als Messias, is vol van lof voor de HEERE. Hij heft de lofzang aan. Het door God bewaarde overblijfsel stemt met de Messias in de lofzang in. Ten slotte zal de hele wereld mee instemmen met de lofzang en de grootheid, goedertierenheid en wonderwerken van de HEERE prijzen.

Deze psalm is weer een ‘acrostichon’, dat wil zeggen dat elk vers begint met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet. Er is echter een uitzondering: de letter nun, die na vers 1313Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen, /mem/
Uw heerschappij [omvat] alle generaties.
zou moeten volgen, ontbreekt.


Lof op Gods koningschap

1Een lofzang van David.
Mijn God [en] Koning, ik zal U roemen /aleph/
en Uw Naam loven, voor eeuwig en altijd.
2Iedere dag zal ik U loven /beth/
en Uw Naam prijzen, voor eeuwig en altijd.
3De HEERE is groot en zeer te prijzen, /gimel/
Zijn grootheid is niet te doorgronden.

Deze psalm is “een lofzang van David” (vers 1a1Een lofzang van David.
Mijn God [en] Koning, ik zal U roemen /aleph/
en Uw Naam loven, voor eeuwig en altijd.
)
. Andere psalmen werken geleidelijk naar een lofzang toe, maar deze psalm begint ermee (vers 1b1Een lofzang van David.
Mijn God [en] Koning, ik zal U roemen /aleph/
en Uw Naam loven, voor eeuwig en altijd.
)
. Het is de enige psalm die zo begint. In David horen we Christus als Mens en Messias de lof van God bezingen. Hij spreekt erover dat Hij Zijn God-Koning zal roemen en Zijn Naam zal loven, “voor eeuwig en altijd” (vgl. Ps 115:1818Maar wíj zullen de HEERE loven,
van nu aan tot in eeuwigheid.
Halleluja!
)
. Er zal nooit een ogenblik komen dat Christus niet de lof van Zijn God-Koning zal bezingen. Dit zal Hij op bijzondere wijze in het vrederijk doen.

Hij doet dat elke dag van Gods koninklijke heerschappij tijdens het vrederijk (vers 22Iedere dag zal ik U loven /beth/
en Uw Naam prijzen, voor eeuwig en altijd.
; vgl. Ps 119:164164Ik loof U zeven[maal] op een dag
om Uw rechtvaardige bepalingen.
)
. Elke dag is ook voor ons een dag van zegen (Kl 3:2323Nieuw zijn ze, elke morgen; /cheth/
groot is Uw trouw!
)
en geeft daarom aanleiding God te prijzen. Nog eens spreekt Christus het uit dat Hij Gods Naam zal prijzen, “voor eeuwig en altijd”. God staat met Zijn aardse volk Israël als Koning in verbinding. Nergens worden God of Christus Koning van de gemeente genoemd. De gemeente is als gemeente van God de bruid van Christus. Iedere individuele gelovige staat met Christus als Heer in verbinding.

De reden voor deze onophoudelijke lofprijzing is de grootheid van de HEERE (vers 33De HEERE is groot en zeer te prijzen, /gimel/
Zijn grootheid is niet te doorgronden.
)
. Daarom is Hij “zeer te prijzen”. Tegelijk gaat Zijn grootheid alle lof en prijs te boven, omdat “Zijn grootheid … niet te doorgronden” is (Jb 5:99Hij doet grote dingen, die niemand kan doorgronden;
wonderen, die niet te tellen zijn.
; 9:1010Hij doet grote dingen, die niemand kan doorgronden;
wonderen, die niet te tellen zijn.
; Js 40:2828Weet u het niet?
Hebt u het niet gehoord?
De eeuwige God, de HEERE,
de Schepper van de einden der aarde,
wordt niet moe en niet afgemat.
Er is geen doorgronding van Zijn inzicht.
)
. Niemand kan Zijn voornemens en Zijn wegen volledig begrijpen (Rm 11:3333O diepte van rijkdom, zowel van [de] wijsheid als van [de] kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!). Zo is het ook voor ons met betrekking tot de liefde van Christus. Die mogen we leren kennen, terwijl die liefde de kennis te boven gaat (Ef 3:1919en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld wordt tot de hele volheid van God.).


Generatie op generatie roemt de HEERE

4Generatie op generatie zal Uw werken roemen, /daleth/
zij zullen Uw machtige daden verkondigen.
5Ik zal spreken van de heerlijke glorie van Uw majesteit, /he/
en van Uw wonderlijke daden.
6Zij zullen de kracht van Uw ontzagwekkende [daden] in herinnering roepen; /waw/
Uw grootheid, die zal ik vertellen.
7Zij zullen [de mond] doen overvloeien van de gedachtenis aan Uw grote goedheid, /zain/
en vrolijk zingen van Uw gerechtigheid:
8Genadig en barmhartig is de HEERE, /cheth/
geduldig en groot aan goedertierenheid.
9De HEERE is voor allen goed, /teth/
Zijn barmhartigheid rust op al Zijn werken.

Wat Christus doet, de HEERE prijzen en groot maken, zal “generatie op generatie” doorgaan (vers 44Generatie op generatie zal Uw werken roemen, /daleth/
zij zullen Uw machtige daden verkondigen.
)
. De oude, opstandige, afvallige generatie is er niet meer. Die is geoordeeld bij de komst van Christus naar de aarde. Er is een nieuwe generatie, een volk dat uit rechtvaardigen bestaat (Js 60:2121Uw volk, zij allen zullen rechtvaardigen zijn,
voor eeuwig zullen zij de aarde in bezit nemen.
Zij zullen een stekje zijn, door Mij geplant,
een werk van Mijn handen, opdat Ik verheerlijkt zal worden.
)
, het vrederijk binnengegaan. Zij roemen Gods werken en zullen dat aan de volgende generatie doorgeven. Voor ons geldt nu al dat wij Gods machtige daden aan onze kinderen verkondigen.

Elke nieuwe generatie in het vrederijk zal Gods werken roemen en Zijn machtige daden verkondigen, want de vorige generatie heeft dat aan hen doorgegeven. Altijd door blijft de herinnering aan de werken van God en Zijn machtige daden in het verleden levendig aanwezig. Het genieten van de zegen van het vrederijk is niet mogelijk zonder aan de bron ervan te denken en de wijze waarop Hij deze geweldige zegen heeft bewerkt.

Christus “zal spreken van de heerlijke glorie van Uw majesteit, en van Uw wonderlijke daden” (vers 55Ik zal spreken van de heerlijke glorie van Uw majesteit, /he/
en van Uw wonderlijke daden.
)
. Niemand is beter in staat dan Hij om dat door te geven. Dat heeft Hij gedaan in Zijn leven als Mens in vernedering op aarde. Dat zal Hij doen in het vrederijk als Hij als Messias regeert. Wij zien Christus in de heerlijkheid, gekroond met heerlijkheid en macht. Daarvan mogen wij spreken en getuigen, wij mogen Zijn heerschappij over ons leven verkondigen.

Het volk dat het vrederijk is binnengegaan, zal “de kracht van Uw ontzagwekkende [daden] in herinnering roepen” (vers 66Zij zullen de kracht van Uw ontzagwekkende [daden] in herinnering roepen; /waw/
Uw grootheid, die zal ik vertellen.
)
. Zij zullen zich de ontzagwekkende bevrijding herinneren die de HEERE voor hen heeft bewerkt door de oordelen over de vijanden. De Messias Zelf zal de grootheid van de HEERE vertellen.

De herinnering aan Gods ontzagwekkende daden zal “[de mond] doen overvloeien van de gedachtenis aan Uw grote goedheid” (vers 77Zij zullen [de mond] doen overvloeien van de gedachtenis aan Uw grote goedheid, /zain/
en vrolijk zingen van Uw gerechtigheid:
)
. Het oordeel over de vijandige machten is voor Gods volk een bewijs van Zijn grote goedheid voor hen. Als ze daaraan denken, vloeit hun mond over van dankbaarheid. Ze gaan “vrolijk zingen van Uw gerechtigheid”.

Gods handelingen van oordeel over de vijanden en ten gunste van Zijn volk zijn ook handelingen van gerechtigheid. Zijn gerechtigheid eist het oordeel over de opstandige volken. Zijn gerechtigheid eist ook het inlossen van alle beloften van zegen die Hij aan Zijn volk heeft gedaan. Voor Zijn volk, dat net als de volken het oordeel heeft verdiend, is aan Zijn gerechtigheid voldaan door het offer van Zijn Zoon. De opstandige volken hebben dat offer afgewezen en moeten daarom zelf boeten voor hun zonden.

Omdat aan Gods gerechtigheid voor Zijn volk is voldaan door Zijn Zoon, kan het volk vrolijk zingen dat de HEERE “genadig en barmhartig is” en “geduldig en groot aan goedertierenheid” (vers 88Genadig en barmhartig is de HEERE, /cheth/
geduldig en groot aan goedertierenheid.
; vgl. Ex 34:66Toen de HEERE bij hem voorbijkwam, riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw,; Ps 103:88Barmhartig en genadig is de HEERE,
geduldig en rijk aan goedertierenheid.
)
. ‘Geduldig’ wil zeggen dat Hij langzaam tot toorn is. Dat zien we wel aan de lange tijd dat God de opstandige mens verdraagt, omdat Hij niet wil dat iemand verloren gaat (2Pt 3:99[De] Heer vertraagt de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen.).

Zijn goedertierenheid is groot omdat Hij groot is. Zijn goedertierenheid is groot, omdat Hij die aan grote zondaars betoont door het grote offer van Zijn Zoon. Daardoor kan Hij een grootheid van vergeving aanbieden, waardoor zelfs de grootste zonde kan worden vergeven. Dat zal het volk van God in het vrederijk beseffen. Dat zullen wij ook beseffen als we bedenken wie we van nature zijn en hoe groot en talrijk de zegeningen zijn die we hebben gekregen.

Die indrukwekkende eigenschappen van God zijn niet alleen voor Israël. In het vrederijk geniet niet alleen Israël Gods overvloedige zegen, maar de hele schepping deelt daarin. Daarom zegt Christus, en met Hem ieder die in de zegen deelt, dat de HEERE “voor allen goed” is (vgl. Ps 100:55Want de HEERE is goed,
Zijn goedertierenheid is voor eeuwig,
Zijn trouw van generatie op generatie.
)
en dat “Zijn barmhartigheid rust op al Zijn werken” (vers 99De HEERE is voor allen goed, /teth/
Zijn barmhartigheid rust op al Zijn werken.
)
. Op alles wat Hij heeft gemaakt, staat het zegel van Zijn barmhartigheid. Het draagt het getuigenis van Hem als de milde, vriendelijke God met een hart vol liefde, Die niets liever doet dan zegenen.


Alle werken loven de HEERE

10Al Uw werken zullen U loven, HEERE; /jod/
Uw gunstelingen zullen U danken.
11Zij zullen de heerlijkheid van Uw Koninkrijk in herinnering roepen /kaph/
en van Uw macht spreken,
12om de mensenkinderen Zijn machtige daden bekend te maken, /lamed/
de glorierijke heerlijkheid van Zijn Koninkrijk.
13Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen, /mem/
Uw heerschappij [omvat] alle generaties.

In vers 1010Al Uw werken zullen U loven, HEERE; /jod/
Uw gunstelingen zullen U danken.
komt de reactie van alle voorwerpen van Gods barmhartigheid op Zijn barmhartigheid. Al Gods werken zullen Hem loven. God heeft alles gemaakt tot Zijn eer en dat zal gezien en gehoord worden. De dank van al Gods werken wordt uitgesproken door de mond van “Uw gunstelingen”. Allen die delen in de gunst van God, zullen Hem daar met diepe dankbaarheid voor loven.

Gods werken dragen bij aan “de heerlijkheid van Uw koninkrijk” (vers 1111Zij zullen de heerlijkheid van Uw Koninkrijk in herinnering roepen /kaph/
en van Uw macht spreken,
)
. De heerlijkheid van Gods koninkrijk is Gods eigen heerlijkheid. Dat roepen ze in herinnering telkens als ze zien wat ze genieten. Het is allemaal door Hem tot stand gebracht, door Zijn macht. Daarover spreken de gunstelingen van God met elkaar. Dat is hun gemeenschap, waar God met welgevallen naar kijkt en luistert.

Daarvan gaat een getuigenis uit naar “de mensenkinderen” (vers 1212om de mensenkinderen Zijn machtige daden bekend te maken, /lamed/
de glorierijke heerlijkheid van Zijn Koninkrijk.
)
. Daardoor worden “Zijn machtige daden” overal bekendgemaakt, evenals “de glorierijke heerlijkheid van Zijn koninkrijk”. Die glorierijke heerlijkheid hebben de discipelen gezien op de berg der verheerlijking (2Pt 1:1717Want Hij ontving van God [de] Vader eer en heerlijkheid, toen van de luisterrijke heerlijkheid zo’n stem tot Hem kwam: ‘Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden’.).

Wat kenmerkt onze gesprekken? Als onze mond vol is van Gods machtige daden van genade en barmhartigheid die Hij aan ons heeft bewezen, zal dat mensen jaloers kunnen maken om daar ook deel aan te krijgen. Wij kunnen er ook van getuigen dat wij in een koninkrijk van glorierijke heerlijkheid gebracht zijn, het koninkrijk van de Zoon van de liefde van de Vader (Ko 1:1212terwijl u de Vader dankt, Die u bekwaam heeft gemaakt om deel te hebben aan het erfdeel van de heiligen in het licht;).

Het koninkrijk van God is geen tijdelijk, overdraagbaar koninkrijk (Dn 2:4444In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die [andere] koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.). Het is “een koninkrijk van alle eeuwen” (vers 1313Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen, /mem/
Uw heerschappij [omvat] alle generaties.
; vgl. Dn 4:3,343Hoe groot zijn Zijn tekenen
en hoe machtig Zijn wonderen!
Zijn Koninkrijk is een eeuwig Koninkrijk
en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht.34Na verloop van die dagen sloeg ík, Nebukadnezar, mijn ogen op naar de hemel, want mijn verstand kwam in mij terug, en ik loofde de Allerhoogste en prees en verheerlijkte [Hem] Die eeuwig leeft,
Zijn heerschappij is immers een eeuwige heerschappij,
en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht.
)
. Hij is altijd de Bestuurder van het heelal, vroeger en ook nu, al regeert Hij nu niet zichtbaar op aarde. Nooit heeft Hij Zijn regering van de wereld losgelaten, al heeft Hij mensen regeringsbevoegdheid gegeven. Hij is de uiteindelijke Heerser.

Zijn “heerschappij” omvat ook “alle generaties”. Er is geen enkele generatie in het verleden of heden of in de toekomst, waarover Hij niet het volmaakte gezag heeft. Er loopt Hem niets uit de hand, hoewel wij dat misschien wel eens denken. Elke generatie heeft zijn eigen kenmerken, maar die vormen voor Hem geen verrassing. Hij staat erboven en heeft voor elke generatie zijn aanwijzingen. Wie daarnaar luistert, zal gezegend worden. Wie Zijn aanwijzingen verwerpt, wordt vervloekt.


Wat de HEERE doet en is

14De HEERE ondersteunt allen die vallen, /samech/
Hij richt alle gebogenen op.
15De ogen van allen wachten op U, /ain/
U geeft hun hun voedsel op zijn tijd.
16U doet Uw hand open /pe/
en verzadigt al wat leeft, [naar Uw] welbehagen.
17De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen, /tsade/
goedertieren in al Zijn werken.
18De HEERE is allen nabij die Hem aanroepen, /koph/
allen die Hem in waarheid aanroepen.
19Hij vervult het verlangen van wie Hem vrezen, /resj/
Hij hoort hun hulpgeroep en verlost hen.
20De HEERE bewaart allen die Hem liefhebben, /sjin/
maar alle goddelozen vaagt Hij weg.

De grootheid van de HEERE in Zijn opperbestuur van het heelal verhindert Hem niet Zich bezig te houden met alle behoeften van de mensen. Het is juist ook een aspect van Zijn grootheid dat Hij niets veracht (Jb 36:55Zie, God is machtig, maar Hij veracht niets;
machtig is de kracht van [Zijn] hart.
)
. Hij “ondersteunt allen die vallen”, dat zijn allen die zwak zijn en geen kracht hebben om zich staande te houden (vers 1414De HEERE ondersteunt allen die vallen, /samech/
Hij richt alle gebogenen op.
)
. Ook allen die onder een last gebukt gaan, richt Hij op.

Al Zijn schepselen zijn van Hem afhankelijk. Het overblijfsel, in wie de Geest van Christus is, zegt tegen de HEERE: “De ogen van allen wachten op U, U geeft hun hun voedsel op zijn tijd” (vers 1515De ogen van allen wachten op U, /ain/
U geeft hun hun voedsel op zijn tijd.
; Ps 104:2727Zij allen wachten op U,
dat U hun voedsel geeft op zijn tijd.
)
. God voorziet in alle behoeften van Zijn schepselen, ze krijgen allemaal voedsel op de tijd dat ze het nodig hebben (vgl. Mt 6:2626Kijkt naar de vogels van de hemel, dat zij niet zaaien, niet maaien en niet in schuren verzamelen, en uw hemelse Vader voedt ze. Gaat u ze niet ver te boven?). Hij is de grote Verzorger van Zijn schepping. Hij onderhoudt Zijn grote tuin met groot gemak en grote bekwaamheid en ziet daarbij niemand en niets over het hoofd.

God hoeft alleen maar Zijn hand open te doen, en al wat leeft, wordt verzadigd (vers 1616U doet Uw hand open /pe/
en verzadigt al wat leeft, [naar Uw] welbehagen.
; Ps 104:2828Geeft U het hun, zij verzamelen het,
doet U Uw hand open, zij worden met het goede verzadigd.
)
. Zijn hand, het beeld van Zijn daden, is werkzaam in Zijn schepping tot zegen voor alles wat daarin is, van mens tot dier. Zijn geopende hand laat zien dat Hij mild en overvloedig geeft (vgl. Dt 15:8,118Integendeel, u moet uw hand wijd voor hem opendoen en hem overvloedig lenen, genoeg voor wat hem ontbreekt.11Want armen zullen binnen uw land nooit ontbreken. Daarom gebied ik u: U moet uw hand wijd opendoen voor uw broeder, de onderdrukte en de arme in uw land.). Hij laat gewassen ontkiemen en groeien, waardoor het voedsel wordt of tot voedsel bewerkt kan worden en al wat leeft zich ermee kan verzadigen. Dat doet Hij naar Zijn “welbehagen”, daar heeft Hij vreugde in.

Dit handelen van God in Zijn schepping toont aan dat Hij “rechtvaardig in al Zijn wegen” en “goedertieren in al Zijn werken” is (vers 1717De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen, /tsade/
goedertieren in al Zijn werken.
)
. Uit “al Zijn wegen” die Hij bewandelt om tot Zijn doel te komen, blijkt dat Hij “rechtvaardig” is. Niemand zal Hem ooit van onrechtvaardigheid kunnen beschuldigen. Integendeel, in Zijn wegen blijkt dat Hij een rechte weg gaat.

Uit “al Zijn werken” blijkt dat Hij “goedertieren” is. Aan geen van Zijn werken kleeft iets wat schadelijk voor iemand is of zelfs maar iets wat nutteloos is. Integendeel, in Zijn werken blijkt dat Hij goedertieren is voor al Zijn schepselen. Alles wat Hij doet, is zinvol en houdt zegen in voor al Zijn schepselen. Zijn rechtvaardigheid en Zijn goedertierenheid zijn altijd volmaakt met elkaar in harmonie.

Als God al zo voor Zijn schepping zorgt, hoeveel te meer dan zal Hij zorgen voor hen die met Hem in verbinding staan. Zij die verbinding met Hem hebben en Zijn speciale zorg genieten, worden door drie aspecten gekenmerkt: “allen … die Hem aanroepen” (vers 1818De HEERE is allen nabij die Hem aanroepen, /koph/
allen die Hem in waarheid aanroepen.
)
, “wie Hem vrezen” (vers 1919Hij vervult het verlangen van wie Hem vrezen, /resj/
Hij hoort hun hulpgeroep en verlost hen.
)
en “allen die Hem liefhebben” (vers 2020De HEERE bewaart allen die Hem liefhebben, /sjin/
maar alle goddelozen vaagt Hij weg.
)
.

Van de eerste categorie staat dat het “allen” zijn “die Hem aanroepen” (vers 1818De HEERE is allen nabij die Hem aanroepen, /koph/
allen die Hem in waarheid aanroepen.
)
. Er wordt nog als nadere bepaling aan toegevoegd, dat het gaat om “allen die Hem in waarheid aanroepen” (vgl. Ps 51:88Zie, U vindt vreugde in waarheid in het binnenste,
in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend.
)
. Allen die Hem in waarheid, dat wil zeggen in waarachtigheid, zonder enige huichelachtigheid, aanroepen, mogen erop rekenen dat Hij hen “nabij” is (Ps 34:1919De HEERE is nabij de gebrokenen van hart,/koph/
Hij verlost de verbrijzelden van geest.
)
. Hij komt persoonlijk bij hen om met hen gemeenschap te hebben. Dat heeft Paulus ervaren. Terwijl hij in gevangenschap is, kan hij zeggen dat de Heer ‘nabij’ is (Fp 4:55Laat uw inschikkelijkheid aan alle mensen bekend zijn. De Heer is nabij.).

De tweede categorie heeft als kenmerk dat zij “Hem vrezen”, dat wil zeggen dat zij eerbied en ontzag voor Hem hebben (vers 1919Hij vervult het verlangen van wie Hem vrezen, /resj/
Hij hoort hun hulpgeroep en verlost hen.
)
. Als zij tot Hem roepen, hoort Hij “hun hulpgeroep en verlost hen” (vgl. Js 65:2424En het zal geschieden dat voordat zij roepen, Ík zal antwoorden,
terwijl zij nog spreken, Ík zal horen.
)
. Hij is altijd bereikbaar voor wie Hem vrezen om hun verlangen naar verlossing uit hun nood te vervullen.

De derde categorie omvat “allen die Hem liefhebben” (vers 2020De HEERE bewaart allen die Hem liefhebben, /sjin/
maar alle goddelozen vaagt Hij weg.
)
. Zij worden door de HEERE bewaard, zodat de goddelozen hen geen kwaad zullen doen. De goddelozen krijgen met Hem te maken als de God Die de goddeloosheid oordeelt. Er blijft niet één goddeloze over, want “alle goddelozen vaagt Hij weg”. Allen die Hem liefhebben, zullen van de goddelozen niets meer te vrezen hebben.


Iedereen looft Zijn heilige Naam

21Mijn mond zal van de lof van de HEERE spreken, /taw/
alle vlees zal Zijn heilige Naam loven,
voor eeuwig en altijd.

In dit laatste vers horen we, na de beschrijving van Gods grootheid in Zijn schepping, Zijn wegen en Zijn werken, Christus zeggen dat Zijn mond “van de lof van de HEERE spreken” zal. Dit machtige getuigenis heeft tot gevolg dat “alle vlees … Zijn heilige Naam loven” zal. Dit zal geen incidentele aangelegenheid zijn, maar “voor eeuwig en altijd”, zonder ooit te eindigen, gebeuren. Het is een voortdurende lofprijzing van God, die wordt begonnen door Christus en waarmee iedereen die in het vrederijk is, zal instemmen, gedurende de hele tijd dat het vrederijk duurt.


Lees verder