Psalmen
Inleiding 1-2 Roep om verhoring 3-6 Reden van de smeekbede 7-9 Roep om spoedige verhoring 10-12 Vraag om onderwijs en leiding
Inleiding

Dit is de zevende en laatste van de zogeheten ‘boetpsalmen’ (Psalmen 6; 32; 38; 51; 102; 130; 143). Deze psalm is een indringend en volhardend gebed in nood, waarvan we kunnen leren.

Psalm 143 vertoont overeenkomst met Psalm 140. Evenals in die psalm roept David in deze psalm tot God om hem van zijn vijanden te redden die op het punt staan hem te doden. We vinden hier, evenals in Psalm 140, hoe David tijdens zijn gebed vanuit wanhoop groeit naar vertrouwen op God dat Hij zal redden.

We zien hier, wat we zelf ook vaak ervaren, dat we na een verkregen vertrouwen dat God zal helpen in Psalm 140, opnieuw in nood terechtkomen en weer gaan roepen tot God, wat we in deze psalm zien. Maar we zullen, net als David, ook opnieuw de ervaring van Zijn verlossing opdoen.

Het is voor ons ook moeilijk om altijd op hetzelfde niveau van geloofsvertrouwen te leven, terwijl wij zoveel meer van Christus weten en Zijn Geest inwonend ontvangen hebben. Dat neemt niet weg dat zulke ervaringen ons een dieper besef van onze eigen geringheid en onmacht geven en tevens een groter besef van Wie God is.


Roep om verhoring

1Een psalm van David.
HEERE, luister naar mijn gebed,
neem mijn smeekbeden ter ore.
Verhoor mij naar Uw trouw,
naar Uw gerechtigheid.
2Ga niet in het gericht met Uw dienaar,
want niemand die leeft,
is voor Uw aangezicht rechtvaardig.

Dit is “een psalm van David” (vers 1a1Een psalm van David.
HEERE, luister naar mijn gebed,
neem mijn smeekbeden ter ore.
Verhoor mij naar Uw trouw,
naar Uw gerechtigheid.
)
. David is in grote nood en richt zich om uitkomst tot God (vers 1b1Een psalm van David.
HEERE, luister naar mijn gebed,
neem mijn smeekbeden ter ore.
Verhoor mij naar Uw trouw,
naar Uw gerechtigheid.
)
. Hij gelooft namelijk in God als de luisterende, betrokken God. Hij vraagt Hem naar zijn gebed te luisteren en zijn smeekbeden ter ore te nemen. Als grond voor verhoring noemt hij Gods trouw en Gods gerechtigheid. De trouw van God is verbonden aan Zijn beloften. De gerechtigheid van God is verbonden aan Zijn handelen. Hij doet wat Hij belooft.

David is zich bewust van Gods gerechtigheid en van zijn eigen ongerechtigheid (vers 22Ga niet in het gericht met Uw dienaar,
want niemand die leeft,
is voor Uw aangezicht rechtvaardig.
)
. Hij doet hier geen beroep op zijn onschuld, zoals dat in andere psalmen wel het geval is. In die gevallen gaat het om een valse aanklacht door mensen. Maar hier staat hij oog in oog met God. Dan is er niemand die onschuldig kan pleiten en daarom ook geen enkel recht op leven kan laten gelden, want niemand is voor Gods aangezicht rechtvaardig (vgl. Pr 7:2020Voorzeker, er is geen mens rechtvaardig op de aarde,
die goeddoet en niet zondigt.
; Rm 3:2020Daarom zal op grond van werken van [de] wet geen enkel vlees voor Hem gerechtvaardigd worden; want door [de] wet [komt] kennis van zonde.; Jb 9:2020Al ben ik rechtvaardig, mijn [eigen] mond zal mij veroordelen;
al ben ik oprecht, Hij zal mij toch schuldig verklaren.
; 25:4-64Hoe zou een sterveling dan rechtvaardig zijn voor God,
En hoe zou hij, geboren uit een vrouw, zuiver zijn?
5Zie, tot aan de maan toe – ze is niet helder,
en de sterren zijn niet zuiver in Zijn ogen.
6Hoeveel te minder een sterveling, [die] een made is,
en een mensenkind, [dat] een worm is!
)
.

Hij vraagt aan God naar hem te luisteren en hem te verhoren ondanks zijn ongerechtigheid en neemt daarmee de plaats van de smekeling in die een beroep doet op Gods genade. Er is bij hem geen enkele gedachte aan ‘recht’ op verhoring. Hij komt tot God als Zijn dienaar, waarmee hij aangeeft geen recht te claimen, want een dienaar heeft geen rechten (vgl. Lk 17:1010Zo ook u, wanneer u alles hebt gedaan wat u is bevolen, zegt dan: Wij zijn nutteloze slaven; wat wij behoorden te doen, hebben wij gedaan.).


Reden van de smeekbede

3Want de vijand vervolgt mijn ziel,
hij vertrapt mijn leven op de grond;
hij doet mij wonen in duistere oorden,
zoals zij die allang dood zijn.
4Daarom is mijn geest in mij bezweken,
mijn hart is ontzet in mijn binnenste.
5Ik denk aan de dagen vanouds,
ik overdenk al Uw daden,
ik overpeins de werken van Uw handen.
6Ik spreid mijn handen naar U uit,
mijn ziel ligt voor U als een dorstig land. /Sela/

De tegenstand die de psalmist ervaart, wordt in algemene termen beschreven, wat de psalm ook van algemene toepassing maakt, ook voor ons (vers 33Want de vijand vervolgt mijn ziel,
hij vertrapt mijn leven op de grond;
hij doet mij wonen in duistere oorden,
zoals zij die allang dood zijn.
)
. Hij zegt dat de vijand zijn ziel vervolgt en zijn leven op de grond vertrapt, waardoor hij het gevoel heeft dat hij in duistere oorden woont, zoals zij die allang dood zijn (vgl. Kl 3:66In duistere oorden doet Hij mij wonen, /beth/
als degenen die allang dood zijn.
)
. Hij waant zich niet meer in het land van de levenden, als iemand die is opgegeven door God en mensen. Het geeft wel aan hoe heftig hij vervolgd wordt.

Behalve uiterlijke vervolging is er ook innerlijke druk. Door de heftige vervolging is zijn lust om te leven vergaan (vers 44Daarom is mijn geest in mij bezweken,
mijn hart is ontzet in mijn binnenste.
)
. Zijn geest is in hem bezweken, hij is de wanhoop nabij. In zijn hart is ontzetting. Binnenin hem is geen enkele hoop aanwezig op uitkomst. Dit is de situatie waarin het gelovig overblijfsel in de grote verdrukking zal zijn.

Zijn gedachten staan niet stil (vers 55Ik denk aan de dagen vanouds,
ik overdenk al Uw daden,
ik overpeins de werken van Uw handen.
)
. Hij denkt, overdenkt en overpeinst wat God heeft gedaan in het verleden. In gedachten gaat hij terug naar “de dagen vanouds” (vgl. Ps 77:66Ik overdacht de dagen vanouds,
de jaren van [vroegere] eeuwen.
)
, naar Gods omgang met de aartsvaders, de vorming van Zijn volk en hun bevrijding uit de slavernij van Egypte. Hij overdenkt “al Uw daden”, dat zijn Gods bezigheden met betrekking tot de schepping van de hemel en de aarde en Zijn wegen met de mensen en Zijn volk. Ook denkt hij intens na over “de werken van Uw handen”.

Als de getrouwe zo aan God denkt en overdenkt en overpeinst wat Hij heeft gedaan, dan kan hij niet anders dan zijn handen in gebed naar Hem uitspreiden (vers 66Ik spreid mijn handen naar U uit,
mijn ziel ligt voor U als een dorstig land. /Sela/
; vgl. Kl 1:1717Sion spreidt haar handen uit, /pe/
[maar] zij heeft geen trooster.
Wat Jakob betreft heeft de HEERE geboden:
Zijn omstanders zullen zijn tegenstanders zijn.
Jeruzalem is geworden
als een afgezonderde [vrouw] onder hen.
)
. Tot wie zou hij anders kunnen gaan? Hij heeft God net zo dringend nodig als droog land dorstig is naar regen (vgl. Ps 42:1-21Voor de koorleider, een onderwijzing van de zonen van Korach.2Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
; 63:22O God, U bent mijn God!
U zoek ik vroeg [in de morgen];
mijn ziel dorst naar U,
mijn lichaam verlangt naar U
in een land, dor en dorstig, zonder water.
)
.


Roep om spoedige verhoring

7Verhoor mij spoedig, HEERE,
mijn geest bezwijkt;
verberg Uw aangezicht niet voor mij,
want ik zou aan hen gelijk zijn die in de kuil neerdalen.
8Doe mij in de morgen Uw goedertierenheid horen,
want ik vertrouw op U;
maak mij de weg bekend die ik te gaan heb,
want tot U hef ik mijn ziel op.
9Red mij van mijn vijanden, HEERE,
bij U schuil ik.

De rechtvaardige richt zich in deze verzen in zijn nood tot de HEERE met een grote verscheidenheid van gebeden. Hij smeekt om een spoedige verhoring, want zijn geest bezwijkt (vers 77Verhoor mij spoedig, HEERE,
mijn geest bezwijkt;
verberg Uw aangezicht niet voor mij,
want ik zou aan hen gelijk zijn die in de kuil neerdalen.
)
. Zolang God Zijn aangezicht voor hem verbergt, voelt hij zich gelijk “aan hen … die in de kuil neerdalen” (vgl. Ps 28:11[Een psalm] van David.
Tot U roep ik, HEERE, mijn rots.
Houd U niet doof voor mij!
Want houdt U Zich stil voor mij,
dan ben ik aan hen gelijk die in de kuil neerdalen.
)
. Dat wil zeggen dat hij zich als dood voelt. Zo is het in feite ook, want leven zonder God is geen leven, maar de dood.

Hij smeekt God dat Hij hem in de morgen Zijn goedertierenheid doet horen (vers 88Doe mij in de morgen Uw goedertierenheid horen,
want ik vertrouw op U;
maak mij de weg bekend die ik te gaan heb,
want tot U hef ik mijn ziel op.
)
. Nu is het nacht in zijn leven, maar hij vertrouwt toch op God. Hij geeft zijn vertrouwen op God niet op. Er is immers niemand anders tot wie hij zich kan richten. En laat God hem dan ook de weg bekendmaken die hij te gaan heeft. Hiermee vraagt hij naar de wil van God voor zijn leven. Hij wil leven tot Gods eer. Daarom heft hij zijn ziel op tot God. Hier klinkt hoop in door.

Maar er zijn vijanden die hem ervan willen weerhouden de weg te gaan die God bekendmaakt (vers 99Red mij van mijn vijanden, HEERE,
bij U schuil ik.
)
. Laat de HEERE hem toch van die vijanden redden, omdat hij bij Hem schuilt. Dit geeft zijn vertrouwen aan. Je schuilt alleen bij God als je er zeker van bent bij Hem de gezochte veiligheid en bescherming te vinden.


Vraag om onderwijs en leiding

10Leer mij Uw welbehagen te doen,
want U bent mijn God.
Laat Uw goede Geest mij leiden
in een geëffend land.
11HEERE, maak mij levend, omwille van Uw Naam,
leid mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid.
12Verdelg mijn vijanden om Uw goedertierenheid,
breng allen om die mijn ziel benauwen,
want ik ben Uw dienaar.

Vanuit die geborgenheid is er het verlangen door Hem onderwezen te worden om Zijn welbehagen te doen (vers 1010Leer mij Uw welbehagen te doen,
want U bent mijn God.
Laat Uw goede Geest mij leiden
in een geëffend land.
)
. Als extra motief zegt de psalmist tegen God dat Hij zijn God is. Hij staat met die God in een persoonlijke relatie. Vanuit die relatie vraagt hij om Gods leiding voor zijn leven door Zijn goede Geest (vgl. Ne 9:2020Uw goede Geest hebt U gegeven om hen te onderwijzen. Uw manna hebt U hun mond niet onthouden en water hebt U hun gegeven tegen hun dorst.). Gods Geest is een goede Geest en daarom is Zijn onderwijs goed en leidt Hij op de goede weg. Die goede weg loopt “in een geëffend land”, een land zonder kuilen om in te vallen en zonder stenen om over te struikelen.

Omdat de psalmist voelt dat zijn leven op de grond vertrapt is (vers 33Want de vijand vervolgt mijn ziel,
hij vertrapt mijn leven op de grond;
hij doet mij wonen in duistere oorden,
zoals zij die allang dood zijn.
)
en hij gelijk is aan hen die in de kuil neerdalen (vers 77Verhoor mij spoedig, HEERE,
mijn geest bezwijkt;
verberg Uw aangezicht niet voor mij,
want ik zou aan hen gelijk zijn die in de kuil neerdalen.
)
, vraagt hij aan de HEERE om hem levend te maken (vers 1111HEERE, maak mij levend, omwille van Uw Naam,
leid mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid.
)
. Daarbij doet hij een beroep op de “Naam” van de HEERE. Om zijn ziel uit de benauwdheid te redden doet hij een beroep de “gerechtigheid” van de HEERE, niet die van hemzelf, want die bezit hij niet.

Voor de verdelging van zijn vijanden doet de psalmist een beroep op de “goedertierenheid” van de HEERE (vers 1212Verdelg mijn vijanden om Uw goedertierenheid,
breng allen om die mijn ziel benauwen,
want ik ben Uw dienaar.
)
. De verdelging van de vijanden is voor de rechtvaardige een bewijs van Gods goedertierenheid ten opzichte van hem. Ten slotte wijst hij de HEERE erop dat hij Zijn dienaar is als motief voor de HEERE om allen die zijn ziel benauwen om te brengen. Als de vijanden zijn omgebracht, is hij weer in de gelegenheid om God te dienen, wat hem nu door zijn vijanden onmogelijk gemaakt wordt.


Lees verder