Psalmen
Inleiding 1-4 Gebed in verzoeking 5-8 Neergeworpen, maar niet omgekomen 9-10 Bewaring en vergelding
Inleiding

In deze psalm gaat het vooral om oprechtheid van hart te midden van de beproevingen en verzoekingen. Het verlangen van de Godvrezende is om dicht bij God te zijn. Het gaat bij dit verlangen niet alleen om een veilige plaats, om bescherming, maar ook om geestelijke raad en ondersteuning.


Gebed in verzoeking

1Een psalm van David.
HEERE, ik roep U aan, kom spoedig tot mij,
neem mijn stem ter ore, wanneer ik tot U roep.
2Laat mijn gebed als reukwerk voor Uw aangezicht staan,
laat mijn opgeheven handen [als] het avondoffer zijn.
3HEERE, zet een wacht voor mijn mond,
behoed de deur van mijn lippen.
4Laat mijn hart zich niet neigen naar een slechte zaak,
om goddeloze daden te verrichten
met mannen die onrecht bedrijven;
en laat mij niet eten van hun lekkernijen.

Dit is “een psalm van David” (vers 1a1Een psalm van David.
HEERE, ik roep U aan, kom spoedig tot mij,
neem mijn stem ter ore, wanneer ik tot U roep.
)
. Het lijkt erop dat hij deze psalm heeft gedicht in de tijd dat hij door Saul en zijn trawanten achterna gezeten wordt. Hij weet dat alleen de HEERE hem kan helpen. De nood waarin hij zich bevindt, de tegenstand die hij ervaart, is in elk geval groot, wat blijkt uit de manier waarop hij zich tot de HEERE richt (vers 1b1Een psalm van David.
HEERE, ik roep U aan, kom spoedig tot mij,
neem mijn stem ter ore, wanneer ik tot U roep.
)
. Hij roept Hem aan, hij smeekt Hem spoedig tot hem te komen, hij vraagt Hem zijn stem ter ore te nemen, zodra hij roept.

Hij vraagt niet in de eerste plaats om bevrijding van zijn tegenstanders, maar dat zijn gebed “als reukwerk voor Uw aangezicht” zal staan (vers 22Laat mijn gebed als reukwerk voor Uw aangezicht staan,
laat mijn opgeheven handen [als] het avondoffer zijn.
; vgl. Op 5:88En toen Het dat boek had genomen, vielen de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten vóór het Lam neer; zij hadden elk een harp en gouden schalen vol reukwerken, welke zijn de gebeden van de heiligen.; 8:1-51En toen het [Lam] het zevende zegel opende, kwam er een stilzwijgen in de hemel, ongeveer een half uur.2En ik zag de zeven engelen die vóór God staan en hun werden zeven bazuinen gegeven.3En een andere Engel kwam en ging bij het altaar staan met een gouden wierookvat; en Hem werden veel reukwerken gegeven, opdat Hij [kracht] zou geven aan de gebeden van alle heiligen op het gouden altaar dat vóór de troon was.4En de rook van de reukwerken steeg op met de gebeden van de heiligen uit [de] hand van de Engel vóór God.5En de Engel nam het wierookvat en vulde het met het vuur van het altaar en wierp dat op de aarde; en er kwamen donderslagen, stemmen, bliksemstralen en een aardbeving.)
. Hij vraagt ook dat het opheffen van zijn handen als het avondoffer voor God zal zijn. Het opheffen van de handen is een gebedshouding (Ps 28:22Hoor mijn luide smeekbeden,
wanneer ik tot U roep,
wanneer ik mijn handen ophef
naar Uw binnenste heiligdom.
; 63:55Zo zal ik U loven in mijn leven,
in Uw Naam zal ik mijn handen opheffen.
; 134:22Hef uw handen op [naar] het heiligdom
en loof de HEERE.
; 1Tm 2:88Ik wil dan dat mannen in elke plaats bidden met opheffing van heilige handen, zonder toorn en twist.)
.

Hij verlangt er ook naar dat God, onder de druk van het kwaad te midden waarvan hij leeft, een wacht voor zijn mond zet en de deur van zijn lippen behoedt (vers 33HEERE, zet een wacht voor mijn mond,
behoed de deur van mijn lippen.
; vgl. Mi 7:55Geloof een vriend niet,
vertrouw niet op een huisvriend,
bewaak de deuren van uw mond
voor haar die in uw schoot ligt.
)
. We kunnen in principe eerlijk en oprecht aan de kant van de Heer staan; maar hoe verderft een ongeduldig of verwijtend woord het getuigenis, waardoor de vijand vat op ons krijgt en wij niet meer in de rechte verhouding tot God staan. Wie zijn tong in bedwang kan houden, is een volmaakt mens, ook in staat om zijn hele lichaam in bedwang te houden (Jk 3:22Want wij struikelen allen dikwijls. Als iemand in [het] woord niet struikelt, die is een volmaakt man, in staat ook het hele lichaam in toom te houden.).

David wil niet samengaan met goddelozen als het gaat om het reageren op iets wat hem niet bevalt. Daarvoor vraagt hij in vers 33HEERE, zet een wacht voor mijn mond,
behoed de deur van mijn lippen.
aan de HEERE om bewaring. In vers 44Laat mijn hart zich niet neigen naar een slechte zaak,
om goddeloze daden te verrichten
met mannen die onrecht bedrijven;
en laat mij niet eten van hun lekkernijen.
is zijn vraag om bewaard te blijven voor het samengaan met goddelozen in hun handelwijzen, het met hen meedoen in “een slechte zaak”. Hij bidt in overeenstemming met wat de Heer Jezus Zijn discipelen leert om te bidden: “En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze” (Mt 6:1313En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.).

Hij onderkent het gevaar daarvan, de neiging daartoe in zijn hart. David is een wijze, want hij let erop wat er in zijn hart is (vgl. Sp 4:2323Bescherm je hart boven alles wat te behoeden is,
want daaruit zijn de uitingen van het leven.
)
. Een slechte zaak zou hem brengen tot het verrichten van “goddeloze daden”, samen “met mannen die onrecht bedrijven”. Het najagen van een slechte zaak brengt tot een verkeerd handelen en in gezelschap van verkeerde mensen.

Deze mannen zijn mannen met invloed. Ze hebben status in de gemeenschap en kunnen het kwaad zeer aantrekkelijk, als “lekkernijen”, presenteren (vgl. Sp 4:1717Want zij eten brood van goddeloosheid
en drinken wijn van gewelddaden,
)
. David vraagt of God hem ervoor wil bewaren dat hij niet van de lekkernijen van de goddelozen zal “eten”. Eten brengt gemeenschap tot uitdrukking. Dat wil hij niet (vgl. 2Ko 6:1414Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?). Wat de goddelozen de gelovigen voorschotelen, is als een aas dat er aanlokkelijk uitziet, maar dat tegen hun leven is gericht (vgl. Sp 1:10-1910Mijn zoon, als zondaars jou willen verleiden,
bewillig er dan niet in.
11Als zij zeggen: Ga met ons mee,
laten wij loeren op bloed,
zonder reden een onschuldige belagen,
12laten wij hen levend verslinden, zoals het graf,
volledig, zoals hen die in de kuil neerdalen.
13Allerlei kostbare bezittingen zullen wij vinden,
onze huizen zullen wij vullen met buit.
14Je zult je lot in ons midden werpen,
wij zullen allen [tezamen] één buidel hebben –
15Mijn zoon, ga niet met hen op weg,
weerhoud je voet van hun pad,
16want hun voeten snellen naar het kwaad
en zij haasten zich om bloed te vergieten.
17Voorzeker, het net wordt tevergeefs gespannen
voor de ogen van al wat vleugels bezit.
18Zíj loeren op hun [eigen] bloed,
zij belagen hun [eigen] leven.
19Zo zijn de paden van allen die op winstbejag uit zijn,
die ontneemt haar bezitters het leven.
)
. Het enige wat voor hun invloed bewaart, is zich niet in hun gezelschap ophouden (1Ko 15:3333Dwaalt niet! Verkeerde omgang bederft goede zeden.).


Neergeworpen, maar niet omgekomen

5Slaat de rechtvaardige mij, het zal een gunst zijn,
bestraft hij mij, het zal olie op mijn hoofd wezen,
mijn hoofd zal het niet weigeren;
dan nog is mijn gebed [voor hen] in al hun ellende.
6Hun rechters zijn bij de rotswand vrijgelaten,
zij hebben gehoord hoe aangenaam mijn woorden waren.
7Onze beenderen liggen verstrooid bij de mond van het graf,
alsof iemand op de grond [iets] gekloofd en gespleten had.
8Maar op U [zijn] mijn ogen [gericht], HEERE Heere;
tot U heb ik de toevlucht genomen, laat mijn ziel niet berooid achter.

David wil niet meedoen met slechte mensen al stellen zij een kwaad werk nog zo aantrekkelijk voor (vers 44Laat mijn hart zich niet neigen naar een slechte zaak,
om goddeloze daden te verrichten
met mannen die onrecht bedrijven;
en laat mij niet eten van hun lekkernijen.
)
. Hij wil graag met rechtvaardigen omgaan die hem niet vleien, maar hem de waarheid zeggen (vers 55Slaat de rechtvaardige mij, het zal een gunst zijn,
bestraft hij mij, het zal olie op mijn hoofd wezen,
mijn hoofd zal het niet weigeren;
dan nog is mijn gebed [voor hen] in al hun ellende.
)
. Hijstaat ervoor open gecorrigeerd te worden. Mocht hij een verkeerde weg opgaan, en “de rechtvaardige” zou hem slaan of bestraffen, dan zou hij dat zeer waarderen (vgl. Sp 9:8b8Wijs een spotter niet terecht, anders zal hij u haten.
Wijs een wijze terecht, en hij zal u liefhebben.
; 15:3131Een oor dat naar de bestraffing ten leven luistert,
zal te midden van wijzen overnachten.
; 17:1010Een bestraffing werkt dieper in op een verstandige,
dan een honderdtal [stok]slagen op een dwaas.
; 25:1212Zoals een gouden oorring en een halssieraad van fijn goud,
zo is een wijze vermaner voor een luisterend oor.
)
. We voelen ons sneller aangevallen en gekwetst dan dat we dankbaar zijn voor een terechtwijzing. “Wie vermaning liefheeft, heeft kennis lief, maar wie bestraffing haat, is onverstandig” (Sp 12:11Wie vermaning liefheeft, heeft kennis lief,
maar wie bestraffing haat, is onverstandig.
)
.

Vaak zien we onze eigen fouten niet. Als we ons daarvan bewust zijn, zal dat ons dankbaar maken voor mensen, zoals onze vrouw, kinderen, vrienden, die ons wijzen op dingen waar we blind voor zijn. Dit moet als een weldaad worden gewaardeerd, als een gunst en als olie op het hoofd. Olie op het hoofd is een symbool van eer voor een welkome gast (vgl. Lk 7:4646Met olie hebt u Mijn hoofd niet gezalfd, maar zij heeft met balsem Mijn voeten gezalfd.). Wanneer een bestraffing als een weldaad wordt gezien, als een symbool van eer, zal een bestraffing niet worden geweigerd. Dan aanvaarden we ook de tucht die God over ons brengt als een bewijs van Zijn liefde (Hb 12:6-7,116want wie [de] Heer liefheeft, tuchtigt Hij en Hij geselt iedere zoon die Hij aanneemt’.7U verdraagt het tot tuchtiging; God behandelt u als zonen; want welke zoon is er die een vader niet tuchtigt?11Nu schijnt alle tuchtiging wel op het ogenblik zelf geen reden voor vreugde maar voor droefheid te zijn, maar daarna geeft zij aan hen die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht van gerechtigheid.).

De laatste regel van vers 55Slaat de rechtvaardige mij, het zal een gunst zijn,
bestraft hij mij, het zal olie op mijn hoofd wezen,
mijn hoofd zal het niet weigeren;
dan nog is mijn gebed [voor hen] in al hun ellende.
lijkt te gaan over hen die hem najagen, dat wil zeggen Saul en zijn trawanten. Tegenover de rechtvaardige die hem uit liefde slaat, staat Saul die hem wil doden. Hij heeft deze meedogenloze vijand twee keer gespaard, terwijl hij hem had kunnen doden (1Sm 24:1-81David trok daarvandaan en bleef in de bergvestingen van Engedi.2En het gebeurde, nadat Saul was teruggekeerd van het achter[volgen] van de Filistijnen, dat men hem vertelde: Zie, David is in de woestijn van Engedi.3Toen nam Saul drieduizend van de beste mannen uit heel Israël, en ging [op weg] om David en zijn mannen te zoeken bij de Steenbokrotsen.4Hij kwam bij de schaapskooien aan de weg, waar een grot was; Saul ging daarin om zijn behoefte te doen. Nu zaten David en zijn mannen aan de zijkanten in de grot.5Toen zeiden de mannen van David tegen hem: Zie de dag waarvan de HEERE u gezegd heeft: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand, en u kunt met hem doen zoals het goed is in uw ogen. Toen stond David op en sneed stilletjes een punt van Sauls mantel af.6En het gebeurde daarna dat het hart van David in hem bonsde, omdat hij die punt van de [mantel] van Saul afgesneden had.7En hij zei tegen zijn mannen: Moge de HEERE er geen sprake van laten zijn dat ik [ooit] zoiets zou doen bij mijn heer, bij de gezalfde van de HEERE, dat ik mijn hand tegen hem uit zou steken, want hij is de gezalfde van de HEERE.8En David weerhield zijn mannen met [deze] woorden, en hij liet hun niet toe tegen Saul op te staan. En Saul stond op en ging de grot uit, naar de weg.; 26:1-121De Zifieten kwamen bij Saul in Gibea en zeiden: Houdt David zich niet verborgen op de heuvel Hachila, tegenover de wildernis?2Toen stond Saul op en trok naar de woestijn Zif, en met hem drieduizend man, de beste van Israël, om David te zoeken in de woestijn Zif.3Saul sloeg zijn kamp op op de heuvel Hachila, die tegenover de wildernis aan de weg ligt; maar David bleef in de woestijn en zag dat Saul achter hem aan kwam naar de woestijn.4Toen stuurde David verkenners, en hij kwam met zekerheid te weten dat Saul gekomen was.5David stond op en kwam bij de plaats waar Saul zijn kamp had opgeslagen. En David overzag de plaats waar Saul lag, met Abner, de zoon van Ner, zijn legerbevelhebber. Saul lag in het wagenkamp en het volk was rondom hem gelegerd.6Toen nam David het woord en zei tegen Achimelech, de Hethiet, en tegen Abisai, de zoon van Zeruja, de broer van Joab: Wie gaat er met mij mee naar Saul in de legerplaats? Toen zei Abisai: Ik ga met u mee.7Zo kwamen David en Abisai ‘s nachts bij het volk; en zie, Saul lag te slapen in het wagenkamp, met zijn speer aan zijn hoofdeinde in de grond gestoken. Abner en het volk lagen rondom hem.8Toen zei Abisai tegen David: God heeft vandaag uw vijand in uw hand overgeleverd. Laat mij hem toch met [zijn] speer aan de grond spietsen, in één keer; ik hoef het geen tweede keer te doen.9David zei echter tegen Abisai: Breng hem niet om; want wie sloeg zijn hand aan de gezalfde van de HEERE en is onschuldig gebleven?10Verder zei David: [Zo waar] de HEERE leeft, voorzeker, de HEERE zal hem treffen: óf zijn dag komt, dat hij sterft, óf hij wordt weggevaagd als hij ten strijde trekt.11Moge de HEERE er geen sprake van laten zijn dat ik mijn hand sla aan de gezalfde van de HEERE. Neem echter wel de speer mee, die bij zijn hoofdeinde staat, en de waterkruik, en laten wij gaan.12Zo nam David de speer en de waterkruik bij Sauls hoofdeinde mee, en zij gingen weg. Er was niemand die het zag, niemand die het merkte, en ook niemand die wakker werd. Zij allen sliepen, omdat een diepe slaap van de HEERE op hen gevallen was.). Saul en zijn volgelingen zijn in al hun ellende – want zij zijn degenen die werkelijk in ellende zijn, omdat zij Gods uitverkoren koning willen doden – een voorwerp van zijn gebed geweest.

Hij heeft de rechters die in opdracht van Saul jacht op hem hebben gemaakt, “bij de rotswand vrijgelaten”, dat wil zeggen dat hij hun leven heeft gespaard (vers 66Hun rechters zijn bij de rotswand vrijgelaten,
zij hebben gehoord hoe aangenaam mijn woorden waren.
)
. Zij hebben gehoord “hoe aangenaam mijn woorden waren”. Dit zijn de woorden die David tot Saul spreekt, nadat hij Sauls leven heeft gespaard (1Sm 24:9-179Daarna stond David op, ging de grot uit en riep Saul achterna: Mijn heer de koning! Toen keek Saul achter zich en David knielde met zijn gezicht ter aarde en boog zich neer.10En David zei tegen Saul: Waarom luistert u naar de woorden van de mensen die zeggen: Zie, David wil u kwaad doen?11Zie, deze dag hebben uw ogen gezien dat de HEERE u vandaag in mijn hand gegeven heeft in de grot. Men zei dat ik u doden moest, maar [ik] heb u gespaard, want ik zei: Ik zal mijn hand niet uitsteken tegen mijn heer; hij is immers de gezalfde van de HEERE.12Zie toch, mijn vader, ja zie, een punt van uw mantel in mijn hand! Toen ik namelijk die punt van uw mantel afsneed, heb ik u niet gedood. Erken en zie, dat er in mijn hand geen kwaad of overtreding is, en dat ik tegen u niet gezondigd heb. Toch jaagt u op mijn leven om dat weg te nemen.13De HEERE zal rechtspreken tussen mij en u. De HEERE zal Zich vanwege mij op u wreken, maar mijn hand zal niet tegen u zijn.14Zoals het oude spreekwoord zegt: Uit de goddelozen komt goddeloosheid voort. Mijn hand zal echter niet tegen u zijn.15Achter wie is de koning van Israël aan getrokken? Achter wie jaagt u aan? Achter een dode hond, achter een enkele vlo?16De HEERE zal Rechter zijn en oordelen tussen mij en u. Hij zal toezien en het voor mij opnemen, en mij recht doen [en bevrijden] uit uw hand.17En het gebeurde, toen David geëindigd had deze woorden tot Saul te spreken, dat Saul zei: Is dit jouw stem, mijn zoon David? En Saul begon luid te huilen.).

Tegenover de sparende houding en de aangename woorden van David staat het moorddadige optreden van Saul en zijn mannen ten opzichte van hem en zijn mannen (vers 77Onze beenderen liggen verstrooid bij de mond van het graf,
alsof iemand op de grond [iets] gekloofd en gespleten had.
)
. Het voelt voor hem alsof zijn beenderen en die van zijn mannen vlak voor de dood liggen. De grond waarop ze leven, ervaart hij als gekloofd en gespleten. Nergens is vastigheid, terwijl de dood op de loer ligt. Tegelijk is het beeld van de boer die de aarde met zijn ploeg klieft en splijt een beeld van hoop. Na het klieven en splijten van de grond zaait hij nieuw zaad in de grond. Zijn werk is een werk van hoop. We zien in dit vers dan ook een verwijzing naar opstanding.

Terwijl hij bij wijze van spreken “ieder uur in gevaar” is en “dagelijks” sterft (1Ko 15:30-3130Waarom zijn ook wij ieder uur in gevaar?31Ik sterf dagelijks, [zoals ik betuig] bij uw roem, <broeders,> die ik heb in Christus Jezus onze Heer!), zoals hij in vers 77Onze beenderen liggen verstrooid bij de mond van het graf,
alsof iemand op de grond [iets] gekloofd en gespleten had.
zegt, zijn zijn ogen op de “HEERE Heere” gericht (vers 88Maar op U [zijn] mijn ogen [gericht], HEERE Heere;
tot U heb ik de toevlucht genomen, laat mijn ziel niet berooid achter.
)
. Hij verwacht zijn hulp van Hem Die de trouwe God van het verbond is, Jahweh, en Die de soevereine Heerser is, Adonai. Tot Hem heeft hij “de toevlucht genomen”. Met vrijmoedigheid vraagt hij: “Laat mijn ziel niet berooid achter.” Hij vraagt hiermee aan God om Zijn beloften aan hem waar te maken, want op dit moment is hij een berooid man, hoewel hij Gods gezalfde is.

De ogen van de rover aan het kruis naast de Heiland zijn op de Heiland gericht (Lk 23:4242En hij zei: Jezus, denk aan mij, wanneer U in Uw koninkrijk komt.). Hij denkt niet aan zijn lijden, maar aan zijn ziel en vraagt aan de Heer om aan hem te denken als Hij in Zijn koninkrijk komt. Hij neemt tot Hem de toevlucht en vraagt om zijn ziel niet berooid achter te laten en krijgt meer dan hij vraagt (Lk 23:4343En Hij zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: vandaag zult u met Mij in het paradijs zijn.).


Bewaring en vergelding

9Bewaar mij voor de knellende strik [die] zij mij gezet hebben,
voor de valstrikken van wie onrecht bedrijven.
10Laat de goddelozen in hun [eigen] netten vallen, allemaal,
totdat ík voorbij ben gegaan.

David weet dat zijn vijanden er nog zijn en hem kwaad willen doen. Daarom vraagt hij om bewaring voor sluwe strikken en valstrikken, waarin hij, als hij niet oppast, zomaar gevangen kan worden (vers 99Bewaar mij voor de knellende strik [die] zij mij gezet hebben,
voor de valstrikken van wie onrecht bedrijven.
)
. Hij verbeeldt zich niet dat hij zijn vijanden wel door heeft en dat ze hem niet te pakken zullen krijgen. De Enige Die hem kan bewaren is de HEERE.

In vers 1010Laat de goddelozen in hun [eigen] netten vallen, allemaal,
totdat ík voorbij ben gegaan.
draait hij de zaak om. Hij vraagt aan de HEERE om “de goddelozen in hun eigen netten” te laten “vallen”. Dat moet met hen “allemaal” gebeuren, zodat er niemand is die nog een gevaar voor hem vormt. De HEERE moet die situatie in stand houden, totdat hij voorbij is gegaan en het doel heeft bereikt dat God voor hem in gedachten heeft.


Lees verder