Psalmen
Inleiding 1 De dwaas 2-3 Hoe de HEERE de mensen ziet 4-6 Mensen zijn goddeloos 7 De hoop van de rechtvaardige
Inleiding

Nu de goddeloosheid haar dieptepunt heeft bereikt onder aanvoering van de antichrist, vinden we in deze psalm de beschrijving van de goddeloosheid van het volk. Het is een dwaas (vers 11Een psalm van David, voor de koorleider.
De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk,
bedrijven gruwelijke daden;
er is niemand die goeddoet.
)
en totaal afgeweken (vers 33Zij allen zijn afgedwaald, tezamen zijn zij verdorven;
er is niemand die goeddoet,
zelfs niet één.
)
volk, zowel in woord (verzen 1-31Een psalm van David, voor de koorleider.
De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk,
bedrijven gruwelijke daden;
er is niemand die goeddoet.2De HEERE heeft uit de hemel neergezien
op de mensenkinderen,
om te zien of er iemand verstandig was,
iemand die God zocht.
3Zij allen zijn afgedwaald, tezamen zijn zij verdorven;
er is niemand die goeddoet,
zelfs niet één.
)
als in daad (verzen 4-64Hebben zij dan geen kennis, allen die onrecht bedrijven,
die mijn volk opeten [alsof] zij brood aten?
Zij roepen de HEERE niet aan.
5Daar worden zij door angst bevangen,
want God is bij het geslacht van de rechtvaardige!
6[Weliswaar] beschaamt u het voornemen van de ellendige,
maar de HEERE is zijn toevlucht.
)
. Bij het zien van zoveel goddeloosheid zoekt het gelovig overblijfsel zijn toevlucht bij de HEERE alleen (vers 77Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwam!
Wanneer de HEERE de gevangenen van Zijn volk laat terugkeren,
[dan] zal Jakob zich verheugen, Israël zal verblijd zijn.
)
.

Deze psalm is nagenoeg gelijk aan Psalm 53. In Psalm 53 wordt de naam HEERE, de God van het verbond, vervangen door de naam God, wat de aanspreekvorm meer afstandelijk maakt. Ook het einde van die psalm is anders.


De dwaas

1Een psalm van David, voor de koorleider.
De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk,
bedrijven gruwelijke daden;
er is niemand die goeddoet.

Het is “een psalm van David” (vers 1a1Een psalm van David, voor de koorleider.
De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk,
bedrijven gruwelijke daden;
er is niemand die goeddoet.
)
. Zie bij Psalm 3:1. Hij is ook “voor de koorleider”. Zie bij Psalm 4:1.

“De dwaas” (vers 1b1Een psalm van David, voor de koorleider.
De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk,
bedrijven gruwelijke daden;
er is niemand die goeddoet.
)
– Hebreeuws nabal – is niet de onwetende of de ongelovige, de atheïst, maar de goddeloze die God bewust buitensluit. Hij hoont en versmaadt de HEERE (Ps 74:18,2218Denk hieraan, de vijand heeft de HEERE gesmaad,
een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.
22Sta op, o God, voer Uw rechtszaak,
denk aan de smaad [die] dwazen U de hele dag [aandoen].
)
. Het gaat niet alleen om zijn denken, het is diepgeworteld in zijn innerlijk en zichtbaar in zijn handelen (Js 32:6a6want een dwaas spreekt dwaasheid
en zijn hart bedrijft onrecht
door het plegen van goddeloosheid,
het spreken van lastertaal tegen de HEERE,
het onverzadigd laten van de hongerige,
en het de dorstige aan drinken doen ontbreken.
)
. Hij doet dat “in zijn hart”, het centrum van zijn bestaan. Al zijn handelingen vloeien daaruit voort en maken duidelijk dat hij het bestaan van God negeert.

De gedachte dat er geen God is, betekent niet zozeer het loochenen van het bestaan van God, wat de atheïst doet. De dwaas is iemand die doet alsof God er niet is (Lk 12:16-2016Hij nu sprak een gelijkenis tot hen en zei: Het land van een rijk mens bracht veel op;17en hij overlegde bij zichzelf en zei: Wat zal ik doen? want ik heb niets waarin ik mijn vruchten kan verzamelen.18En hij zei: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen, en ik zal daar al mijn gewas en mijn goederen verzamelen;19en ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, je hebt vele goederen liggen voor vele jaren; rust, eet, drink, wees vrolijk.20God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u hebt bereid, voor wie zal het zijn?; Zf 1:1212En in die tijd zal het gebeuren
dat Ik Jeruzalem met lampen zal doorzoeken.
Ik zal de mannen straffen
die dik worden op hun droesem,
die in hun hart zeggen:
De HEERE doet geen goed
en Hij doet geen kwaad.
)
. Voor hem, “in zijn hart” – wat betekent dat dit zijn overtuiging is – is Hij niet aanwezig, want Hij laat Zich niet gelden. Hij laat zich niet zien, dus is Hij er niet. De dwaas ontkent dat hij rekenschap tegenover God moet afleggen en dat het Goddelijk oordeel volgt. Zijn leven draait alleen om zichzelf. Hij handelt helemaal naar eigen inzicht, zonder ook maar op de geringste wijze met God rekening te houden. Hij negeert Hem totaal.

Als er geen rekening wordt gehouden met God, heeft dat ook schadelijke gevolgen voor de omgeving van de dwaas. Er is een onlosmakelijk en onmiskenbaar verband tussen het godsdienstige verval en het sociale verval. Wie God buitensluit, wordt een ramp voor zijn medemensen.

In drie regels beschrijft David de handelingen van de goddelozen. Hij gaat daarbij over van het enkelvoud, “de dwaas”, naar het meervoud, “zij”. De ene dwaas is tot een groot gezelschap van dwazen geworden. Dit is in het Hebreeuws gebruikelijk, dat de dwaas vaak een aanduiding is voor een groep mensen die dwaas handelen. Profetisch zien we hier de antichrist en de ongelovige massa van het volk dat hem volgt.

Het eerste kenmerk van de dwazen is: “zij handelen verderfelijk” (vgl. Dt 4:1616dat u niet verderfelijk handelt en voor u een beeld maakt, de afbeelding van enig afgodsbeeld, de vorm van een man of vrouw,; Js 1:44Wee het zondige volk,
volk van zware ongerechtigheid,
nageslacht van kwaaddoeners,
kinderen die verderf aanrichten!
Zij hebben de HEERE verlaten,
de Heilige van Israël verworpen,
zij zijn vervreemd, [van] achter [Hem] vandaan.
)
. Hun handelingen zijn verrot en scheppen een sfeer die verrotting veroorzaakt en Gods oordeel afroept. Het is hetzelfde woord ‘verdorven’ als in Genesis 6, waar het genoemd wordt als aanleiding voor de zondvloed (Gn 6:1212Toen zag God de aarde, en zie, zij was verdorven; want alle vlees had een verdorven levenswandel op de aarde.). Hoe minder Godsbesef er bij een mens is, des te lager worden de normen en waarden die hij hanteert.

Ten tweede “bedrijven” zij “gruwelijke daden”. Hun daden zijn gruwelijk voor God. Ze staan in verbinding met afgoden, die ook ‘gruwelen’ worden genoemd. Hun daden zijn verfoeilijk en verwerpelijk en wekken afschuw (vgl. Ez 16:49-5249Zie, dit was de ongerechtigheid van uw zuster Sodom: trots, overvloed van voedsel en zorgeloze rust had zij met haar dochters. De hand van de arme en de behoeftige ondersteunde zij echter niet.50Zij verhieven zich en deden een gruweldaad voor Mijn aangezicht. Daarom deed Ik hen weg, zodra Ik het gezien had.51Samaria heeft nog niet de helft van uw zonden gedaan, en u hebt uw gruweldaden talrijker gemaakt dan zij. U hebt uw zusters rechtvaardig doen lijken, vergeleken bij al uw gruweldaden, die u gedaan hebt!52Draagt u, die uw zusters veroordeeld hebt, [dan] ook uw [eigen] smaad. Door uw zonden, waarin u afschuwelijker deed dan zij, lijken zij rechtvaardig, vergeleken bij u! Schaam u dan ook en draag uw smaad, omdat u uw zusters rechtvaardig hebt doen lijken.).

Ten derde worden dwazen gekenmerkt door een totaal gebrek aan goeddoen. Er is geen Godsvrucht, dat wil zeggen geen vrees of eerbied voor God. Als dat er niet is, kan er geen goeddoen zijn. Goeddoen is bij geen enkel lid van hen die zich tot Gods volk rekenen aanwezig. Er is werkelijk “niemand die goeddoet”. Er is een overvloed aan verderf en gruwelijkheid aanwezig, terwijl er geen greintje goeddoen in hen kan opkomen.

Mensen kunnen wel menen dat ze goeddoen als ze een deel van hun vermogen weggeven aan goede doelen. Ze geven niet omdat God hun dat zegt, want aan Hem hebben ze geen boodschap, maar voor een goed gevoel. Bepalend is echter niet wat mensen als ‘goeddoen’ zien, maar wat God als ‘goeddoen’ beoordeelt (vgl. Js 64:66Echter, wij zijn allen als een onreine,
al onze rechtvaardige daden zijn als een bezoedeld kleed
wij allen vallen af als een blad
en onze misdaden voeren ons weg als de wind.
)
.

De conclusie dat er niemand is die goeddoet, zet een streep door alle menselijke liefdadigheid. Dat is een hard gelag voor al die gevers en allen die zich het vuur uit hun sloffen lopen voor welk goed doel dan ook. Als het niet gebeurt uit gehoorzaamheid aan God, is het zonde, want “alles wat niet op grond van geloof is, is zonde” (Rm 14:2323Maar wie twijfelt als hij eet, is veroordeeld, omdat het niet op grond van geloof is; en alles wat niet op grond van geloof is, is zonde.).


Hoe de HEERE de mensen ziet

2De HEERE heeft uit de hemel neergezien
op de mensenkinderen,
om te zien of er iemand verstandig was,
iemand die God zocht.
3Zij allen zijn afgedwaald, tezamen zijn zij verdorven;
er is niemand die goeddoet,
zelfs niet één.

God heeft vanuit de hemel neergezien op Zijn schepping en Zijn schepselen, de mensenkinderen (vers 22De HEERE heeft uit de hemel neergezien
op de mensenkinderen,
om te zien of er iemand verstandig was,
iemand die God zocht.
)
. Dat was al zo in Genesis 6 en Genesis 11, maar hier gaat het om het volk Israël! Hij is Getuige geweest van al hun handelingen. Hij heeft “de slechtheid van de mens op aarde gezien”, dat die “groot was, en [dat] al de gedachtespinsels van zijn hart elke dag alleen maar slecht waren” (Gn 6:55En de HEERE zag dat de slechtheid van de mens op de aarde groot was, en [dat] al de gedachtespinsels van zijn hart elke dag alleen maar slecht waren.).

Hij heeft rondgekeken en onderzocht “om te zien of er iemand verstandig was”. De verstandige (Hebr. maskil, Dn 12:33De verstandigen zullen blinken als de glans van het [hemel]gewelf,
en zij die er velen rechtvaardigen, als de sterren,
voor eeuwig en altijd.
) is de tegenhanger van de dwaas. De verstandige is niet alleen iemand met verstand, maar ook iemand die handelt in overeenstemming met zijn inzicht in de natuur en de openbaring van God. Het is iemand die God zoekt.

God moet constateren dat “zij allen zijn afgedwaald” van Hem en daarmee van de bron van zegen (vers 33Zij allen zijn afgedwaald, tezamen zijn zij verdorven;
er is niemand die goeddoet,
zelfs niet één.
)
. Zijn wil en weg hebben ze verlaten en zijn van Hem afgedwaald, ofwel afvallig geworden, zoals het woord afgedwaald ook kan worden vertaald. Ze hebben de verbinding met Hem doorgesneden en zijn “tezamen … verdorven”. Het woord ‘tezamen’ wijst op een collectieve uitbanning van God. Het is alsof het totaal van de mensheid de afspraak heeft gemaakt om God buiten hun denken te bannen en elkaar aan te moedigen om geen rekening met Hem te houden.

Willens en wetens “zijn zij verdorven”, wat aangeeft dat iets niet meer gezond is ofwel stinkende is geworden en weggegooid moet worden. Het woord ‘verdorven’ heeft van oorsprong de betekenis van ‘verzuren’ van melk. Mensen die God negeren, verzuren zelf en verzuren allen met wie ze in aanraking komen, ook al hangen ze voortdurend de komiek uit. Wat verzuurd is, is niet te genieten. Het is onuitstaanbaar. Bovenal gaat het erom wat ze voor God zijn. Hij kijkt neer uit de hemel en ziet hoe verzuurd ze zijn, zodat Hij er niets anders mee kan doen dan weggooien.

David heeft al in vers 11Een psalm van David, voor de koorleider.
De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk,
bedrijven gruwelijke daden;
er is niemand die goeddoet.
gezegd dat er “niemand” is “die goeddoet”. In vers 33Zij allen zijn afgedwaald, tezamen zijn zij verdorven;
er is niemand die goeddoet,
zelfs niet één.
zegt hij het voor de tweede keer, waarbij hij deze conclusie dik onderstreept door eraan toe te voegen dat er “zelfs niet één” is.

Paulus haalt deze verzen in Romeinen 3 aan om aan te tonen dat alle mensen, heel de mensheid, inclusief de Joden, “onder [de] zonde zijn” (Rm 3:9,13-189Wat dan? Zijn wij uitnemender? Helemaal niet. Wij hebben immers tevoren zowel Joden als Grieken beschuldigd, dat zij allen onder [de] zonde zijn,13‘hun keel is een open graf; met hun tongen plegen zij bedrog’; ‘addergif is onder hun lippen’;14‘hun mond is vol vervloeking en bitterheid’;15‘hun voeten zijn snel om bloed te vergieten;16vernieling en ellende is op hun wegen;17en [de] weg van [de] vrede hebben zij niet gekend’;18‘geen vrees voor God staat hun voor ogen’.).


Mensen zijn goddeloos

4Hebben zij dan geen kennis, allen die onrecht bedrijven,
die mijn volk opeten [alsof] zij brood aten?
Zij roepen de HEERE niet aan.
5Daar worden zij door angst bevangen,
want God is bij het geslacht van de rechtvaardige!
6[Weliswaar] beschaamt u het voornemen van de ellendige,
maar de HEERE is zijn toevlucht.

David vraagt zich vertwijfeld af of het dwazen dan helemaal aan kennis ontbreekt (vers 44Hebben zij dan geen kennis, allen die onrecht bedrijven,
die mijn volk opeten [alsof] zij brood aten?
Zij roepen de HEERE niet aan.
)
. Zullen de slechteriken het dan nooit leren? Hij staat er versteld van dat “allen die onrecht bedrijven” zich te buiten gaan aan zijn volk, het volk waarover hij koning is om hen te beschermen en te verzorgen. Maar de dwazen hebben de overhand nu David op de vlucht lijkt te zijn. Zij zien in de onderdanen van David “brood”. In plaats van de HEERE aan te roepen doen ze zich te goed aan de bezittingen van hun weerloze volksgenoten. Ze roepen de HEERE niet aan omdat ze Hem in hun hart niet willen erkennen.

Aan hun tirannie zal echter een einde komen. Ze zullen door angst bevangen worden als ze er ineens mee worden geconfronteerd dat God aan de kant van Zijn volk, “het geslacht van de rechtvaardige”, staat (vers 55Daar worden zij door angst bevangen,
want God is bij het geslacht van de rechtvaardige!
)
. Het kan lijken of ze “het voornemen van de ellendige” kunnen beschamen door hem op alle mogelijke manieren dwars te zitten en uit te buiten. Maar de HEERE is de “toevlucht” van de ellendige (vers 66[Weliswaar] beschaamt u het voornemen van de ellendige,
maar de HEERE is zijn toevlucht.
)
. Bij Hem is hij veilig. Wat de dwazen in hun goddeloosheid de ellendige ook aandoen, de ellendige heeft wat de dwaas niet heeft, en dat is bescherming en geborgenheid.

Een voorbeeld is Naboth die door de goddeloze Achab en de nog goddelozere Izebel is vermoord. Naboth wil zijn erfdeel niet aan Achab verkopen omdat hij dit land van de HEERE heeft gekregen (1Kn 21:1-31Hierna gebeurde [het volgende]: Naboth uit Jizreël had een wijngaard die in Jizreël lag, naast het paleis van Achab, de koning van Samaria.2En Achab sprak tot Naboth: Geef mij uw wijngaard, dan kan die mij tot moestuin dienen. Hij ligt immers vlak naast mijn huis. Dan geef ik u in plaats daarvan een wijngaard die beter is dan deze, [of,] als het goed is in uw ogen, geef ik u de waarde ervan in geld.3Maar Naboth zei tegen Achab: Laat de HEERE daarvan bij mij geen sprake doen zijn, dat ik u het erfelijk bezit van mijn vaderen zou geven!). Het voornemen van deze ‘ellendige’ lijkt beschaamd te zijn geworden omdat hij wordt vermoord (1Kn 21:8-158Vervolgens schreef zij brieven in de naam van Achab, verzegelde die met zijn zegel, en zij stuurde de brieven naar de oudsten en naar de edelen die bij Naboth in diens stad woonden.9In die brieven schreef zij: Roep een vasten uit en laat Naboth aan het hoofd van het volk zitten.10En laat twee mannen tegenover hem zitten, verdorven lieden, die tegen hem getuigen: U hebt God en de koning vaarwel gezegd. Breng hem dan naar buiten en stenig hem, zodat hij sterft.11En de mannen van zijn stad, die oudsten en die edelen die in zijn stad woonden, deden zoals Izebel hun opgedragen had, zoals geschreven was in de brieven die zij hun gestuurd had.12Zij riepen een vasten uit, en zij lieten Naboth aan het hoofd van het volk zitten.13Toen kwamen er twee mannen, verdorven lieden, tegenover hem zitten, en die verdorven lieden getuigden tegen hem, tegen Naboth, ten overstaan van het volk: Naboth heeft God en de koning vaarwel gezegd. Daarop brachten zij hem buiten de stad en stenigden hem met stenen, zodat hij stierf.14Daarna stuurden zij Izebel [een bode] om te zeggen: Naboth is gestenigd en is dood.15Het gebeurde nu, toen Izebel hoorde dat Naboth gestenigd en dood was, dat Izebel tegen Achab zei: Sta op, neem de wijngaard van Naboth uit Jizreël in bezit, die hij weigerde u voor geld te geven. Naboth leeft namelijk niet [meer], maar is dood.). Maar de HEERE is zijn toevlucht geweest. Dat is Hij niet alleen voor dit leven, maar bovenal ook na dit leven. Naboth zal alles in de opstanding terugkrijgen. Dan zullen de dwazen beschaamd worden.


De hoop van de rechtvaardige

7Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwam!
Wanneer de HEERE de gevangenen van Zijn volk laat terugkeren,
[dan] zal Jakob zich verheugen, Israël zal verblijd zijn.

De verzuchting van David “och, dat Israëls verlossing uit Sion kwam”, wordt door Paulus in Romeinen 11 aangehaald. Hij citeert dit vers om te bewijzen dat heel Israël behouden zal worden wanneer “de volheid van de volken is ingegaan”, zoals hij eerst heeft betoogd (Rm 11:25b25Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is, opdat u niet wijs bent in eigen [oog], dat er voor een deel over Israël verharding is gekomen, totdat de volheid van de volken is ingegaan;). Het citaat dat direct daarop volgt, is geen verzuchting zoals hier in de psalm, maar een zekerheid. Hij citeert: “Uit Sion zal de Redder komen” (Rm 11:2626en zó zal heel Israël behouden worden, zoals geschreven staat: ‘Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal [de] goddeloosheden van Jakob afwenden.).

Paulus maakt in Romeinen 11 de verborgenheid (Rm 11:25a25Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is, opdat u niet wijs bent in eigen [oog], dat er voor een deel over Israël verharding is gekomen, totdat de volheid van de volken is ingegaan;) bekend dat Israël door God is verworpen, maar ook weer door God zal worden aangenomen. Dat betreft dan wel een overblijfsel. Omdat de dwazen, dat is de ongelovige massa, allemaal zijn geoordeeld, is dit overblijfsel “heel Israël”. Met dit ‘nieuwe’ Israël gaat God verder nadat de “volheid van de volken is ingegaan” (Rm 11:25b25Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is, opdat u niet wijs bent in eigen [oog], dat er voor een deel over Israël verharding is gekomen, totdat de volheid van de volken is ingegaan;).

Deze laatste uitdrukking betekent dat het christelijk getuigenis op aarde de tijd van zijn getuigenis heeft vol gemaakt, zijn einde heeft bereikt. God heeft het moeten afhouwen omdat het niet in de goedertierenheid is gebleven (Rm 11:2222Zie dan [de] goedertierenheid en [de] strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, maar goedertierenheid van God over u, als u in de goedertierenheid blijft; anders zult ook u worden afgehouwen.). Daarna zal Israël weer het voorwerp van Zijn openlijke liefde worden.

Dat de verlossing ofwel de Redder uit Sion komt om Zijn volk, dat wil zeggen het gelovig overblijfsel dat zich heeft bekeerd, te verlossen, betekent dat Hij eerst naar Sion zal komen (Js 59:2020En naar Sion zal een Verlosser komen
voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren,
spreekt de HEERE.
)
. Dat gebeurt bij Zijn tweede komst, dat is Zijn terugkomst naar de aarde. Dan heeft Hij “de gevangenen” van Zijn volk laten terugkeren uit de verstrooiing en zal het hele volk, de twee en de tien stammen, onder één Koning en één Herder in het land zijn (Ez 37:21-2521En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen.22Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.23Dan zullen zij zich niet meer verontreinigen met hun stinkgoden en met hun afschuwelijke [afgoden] en met al hun overtredingen. Ik zal hen verlossen in al hun woongebieden, waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen. Dan zullen zij een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor hen zijn.24En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden.25Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij met hun kinderen en hun kleinkinderen, tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal tot in eeuwigheid hun Vorst zijn.). Hij heeft een keer in hun lot gebracht.

Een voorvervulling, die slechts gedeeltelijk en ook nog tijdelijk is, is de terugkeer uit de ballingschap in Babel, met ook nog eens voornamelijk Israëlieten uit de twee stammen (Ea 1:1-51In het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat het woord van de HEERE, [dat Hij] bij monde van Jeremia [gesproken had], vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte:2Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEERE, de God van de hemel, aan mij gegeven, en Hij is het Die mij heeft opgedragen om een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt.3Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – zijn God zij met hem – laat hij optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en laat hij het huis van de HEERE, de God van Israël, bouwen; Hij is de God Die in Jeruzalem [woont].4En ieder die achtergebleven is, uit alle plaatsen waar hij als vreemdeling verblijft, laten zijn plaatsgenoten hem helpen met zilver, met goud, met [allerlei] bezittingen en met vee, naast de vrijwillige gave voor het huis van God, Die in Jeruzalem [woont].5Toen stonden de familiehoofden van Juda en Benjamin, en de priesters en de Levieten op, allen bij wie God de geest had opgewekt om op te trekken om het huis van de HEERE te bouwen, Die in Jeruzalem [woont].). De uiteindelijke vervulling zal gebeuren in het vrederijk. In Psalm 15 krijgen we een beschrijving van de kenmerken van hen die daaraan deel zullen hebben.

De psalm besluit met de vreugde van “Jakob” en de blijdschap van “Israël”. Jakob betekent ‘hielenlichter’ (Gn 25:2626Daarna kwam zijn broer tevoorschijn, terwijl zijn hand de hiel van Ezau vasthield; daarom gaf men hem de naam Jakob. Izak was zestig jaar oud bij hun geboorte.). Het is de naam van zwakheid en afwijking die de aartsvader Jakob hebben gekenmerkt, terwijl er tegelijk een verlangen is geweest naar de zegen van God. Dat toont zijn hele geschiedenis. Daarbij mogen we bedenken dat God Zich “de God van Jakob” noemt juist als Hij op het punt staat Zijn volk uit de slavernij van Egypte te verlossen (Ex 3:6,156Hij zei verder: Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes bedekte zijn gezicht, want hij was bevreesd God aan te kijken.15Toen zei God verder tegen Mozes: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: De HEERE, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, heeft mij naar u toe gezonden. Dit is voor eeuwig Mijn Naam, dit is Mijn [Naam ter] gedachtenis, van generatie op generatie.; 4:55opdat zij geloven, dat de HEERE aan u verschenen is, de God van hun vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob.). Deze naam van God komt ook meerdere keren in Psalmen voor (Ps 20:22Moge de HEERE u verhoren in de dag van benauwdheid,
de Naam van de God van Jakob u in een veilige vesting zetten.
; 46:8,128De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/12De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/
; 75:1010Maar ík zal het voor eeuwig verkondigen,
ik zal voor de God van Jakob psalmen zingen.
; 81:2,52Zing vrolijk voor God, onze kracht;
juich voor de God van Jakob.
5Want dit is een verordening in Israël,
een bepaling van de God van Jakob.
; 94:77en zeggen: De HEERE ziet het niet,
de God van Jakob merkt het niet.
; 114:77Beef, aarde, voor het aangezicht van de Heere,
voor het aangezicht van de God van Jakob,
; 146:55Welzalig is hij die de God van Jakob tot zijn hulp heeft,
die zijn verwachting stelt op de HEERE, zijn God,
)
.

Israël betekent ‘vorst van God’ (Gn 32:2828Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël, want u hebt met God en met mensen gestreden, en hebt overwonnen.). Deze naam heeft Jakob van God gekregen na zijn worsteling met Hem. In die worsteling heeft hij gesmeekt om de zegen. Wie om de zegen smeekt, is in Gods ogen Zijn vorst. Het is de naam die de waardering van God voor zo iemand tot uitdrukking brengt. Jakob is de naam van de praktijk, Israël is de naam van de positie voor God. Dat Jakob zich verheugt, laat zien dat ook bij het genieten van de volle verlossing en zegen, er altijd het besef zal zijn dat het onverdiend is, en uit louter genade is geschonken. Dat Israël zich verblijdt, laat zien dat God boven alle zwakheid staat en van Jakob een Israël heeft gemaakt.


Lees verder