Psalmen
Inleiding 1-4 Gods volk in Babel 5-6 Jeruzalem is onvergetelijk 7-9 Roep om oordeel over Edom en Babel
Inleiding

Deze psalm is geschreven na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. De Godvrezende Jood kijkt op die periode terug en uit daarover zijn gevoelens.


Gods volk in Babel

1Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.
2Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.
3Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden,
en wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap:
Zing voor ons [een] van de liederen van Sion!
4[zeiden wij:] Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen
in een vreemd land?

Vers 11Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.
geeft de omstandigheden aan waaronder de psalm is gedicht en maakt daardoor duidelijk wat de aanleiding tot het dichten ervan is. De psalmist schrijft de eerste drie verzen in de “wij”-vorm. Hij vertegenwoordigt allen van het in ballingschap gevoerde volk die in hun hart een onophoudelijk heimwee naar Sion ofwel Jeruzalem hadden.

Velen van de ballingen hadden zich aangepast aan het leven in Babel en hadden geen verlangen om naar Jeruzalem terug te gaan toen daarvoor de mogelijkheid geboden werd. Er ging slechts een handjevol Joden terug. De profeet Jeremia had hen wel aangemoedigd zich daar te vestigen, niet met de bedoeling daar voor altijd te blijven wonen, maar tot de tijd die God voor deze tucht had bepaald voorbij zou zijn (Jr 29:4-7,104Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël, tegen alle ballingen die Ik uit Jeruzalem naar Babel in ballingschap heb gevoerd:5Bouw huizen en woon [erin], leg tuinen aan en eet de vrucht ervan,6neem vrouwen en verwek zonen en dochters, neem vrouwen voor uw zonen en geef uw dochters aan mannen, zodat zij zonen en dochters baren. Word daar talrijk en verminder niet [in aantal].7Zoek de vrede voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb gevoerd. Bid ervoor tot de HEERE, want in haar vrede zult u vrede hebben.10Want zo zegt de HEERE: Voorzeker, pas wanneer zeventig jaren in Babel voorbij zijn, zal Ik naar u omzien en over u Mijn goede woord gestand doen, door u terug te brengen naar deze plaats.).

Ze herinneren zich dat ze aan de rivieren van Babel zaten (Ez 1:11In het dertigste jaar, in de vierde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar was, gebeurde het [dat] de hemel geopend werd en ik visioenen van God kreeg te zien.; 3:1515Zo kwam ik bij de ballingen van Tel-Abib, die bij de rivier de Kebar woonden. Ik verbleef waar zij woonden. Ik verbleef daar ontzet in hun midden, zeven dagen.). Ze kwamen daar samen met hun volksgenoten en spraken over Sion. Als zij daaraan dachten, kwamen de tranen van verdriet tevoorschijn. Sion was voor hen het centrum van de aarde. Daarom draaide het in hun leven. Daar gingen ze elk jaar drie keer heen en beleefden daar een intense vreugde in de tegenwoordigheid van God.

Alle uitingen van vreugde waren verdwenen sinds ze als gevangenen waren weggevoerd naar dit vreemde land (vers 22Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.
)
. Er was geen enkele reden meer om blij te zijn. Ze konden immers niet meer naar Jeruzalem om de feesten van de HEERE te vieren. Daarom hadden ze hun harpen “gehangen aan de wilgen die daarbinnen zijn”. Als er geen liederen zijn, is er ook geen begeleiding nodig. Dan kunnen de harpen worden opgehangen aan de wilgen binnen in de stad Babel.

Ja, zij die hen gevangenhielden, wilden wel dat zij een lied voor hen zouden zingen (vers 33Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden,
en wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap:
Zing voor ons [een] van de liederen van Sion!
)
. Zij moesten blijdschap laten zien aan hen die hen onderworpen hadden. Ze moesten hen vermaken door “[een van] van de liederen van Sion” voor hen te zingen. Alsof het om plat vermaak ging, terwijl hun hele hart vol verdriet was over wat er met Sion was gebeurd.

Hun antwoord luidde dan ook: “Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen in een vreemd land?” (vers 44[zeiden wij:] Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen
in een vreemd land?
)
. Het is immers onmogelijk te combineren: het vreemde, heidense land, waarin ze gevangenen waren en de blijdschap uiten over de HEERE wat in Sion behoort te gebeuren. Dat kraakte bij hen. Het gaat er niet om dat ze geen liederen zouden mogen zingen, maar dat ze niet kunnen zingen vanwege de omstandigheden waarin ze waren. Ze zouden hun gevoelens geweld aandoen.

Het waren liederen van aanbidding voor de HEERE. Die konden ze nu niet zingen, want ze waren ver van Gods woonplaats in Jeruzalem verwijderd. Ze moesten in Zijn tegenwoordigheid in Jeruzalem worden gezongen. Daar kon dat met de gepaste vreugde gebeuren. Als ze dit in Babel, waar de afgoden werden gediend, zouden doen, zou het erop lijken dat ze Sion waren vergeten en dat ze hier ook wel vrolijk over de HEERE konden zingen en dat ook nog om hun onderdrukkers te vermaken.


Jeruzalem is onvergetelijk

5Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand [zichzelf] vergeten.
6Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.

Niet meer over Jeruzalem zingen is één ding, Jeruzalem vergeten en er niet meer aan denken is wat anders. De Godvrezende maakt in krachtige termen duidelijk hoezeer zijn hart verknocht is aan Jeruzalem (vers 55Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand [zichzelf] vergeten.
)
. Als het ooit mocht gebeuren dat hij Jeruzalem vergeet, dan moet zijn rechterhand maar verdorren en krachteloos worden, zodat hij nooit meer de harp kan bespelen of een zwaard ter verdediging van de stad kan hanteren. Hij wil hiermee maar zeggen dat het onmogelijk is dat hij Jeruzalem vergeet.

Ook in zijn gedachten is hij altijd met Jeruzalem bezig (vers 66Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.
)
. Aan Jeruzalem denken betekent het beleven de allerhoogste blijdschap. Jeruzalem stijgt uit boven alles wat iemand blij kan maken. Als het ooit mocht gebeuren dat hij niet aan Jeruzalem denkt, dan moet zijn tong maar vastkleven aan zijn gehemelte. Dan zal hij nooit meer de prachtige liederen over Sion zingen en zich over de HEERE kunnen uiten. Hij wil hiermee maar zeggen dat het onmogelijk is dat hij niet aan Jeruzalem denkt. Jeruzalem vult zijn hart en zijn gedachten. Zijn hele leven draait om die stad.


Roep om oordeel over Edom en Babel

7HEERE, denk aan de Edomieten,
aan de dag dat Jeruzalem [viel],
toen zij zeiden: Haal neer, haal neer [die stad],
tot op haar fundament!
8Dochter van Babel, die verwoest zult worden,
welzalig is hij die u uw misdaad vergelden zal,
die u tegen ons begaan hebt.
9Welzalig is hij die uw kleine kinderen grijpen
en tegen de rots verpletteren zal.

Het uitspreken van vervloekingen over zichzelf heeft duidelijk gemaakt hoezeer hij Jeruzalem liefheeft. Vervolgens richt hij zich in vers 77HEERE, denk aan de Edomieten,
aan de dag dat Jeruzalem [viel],
toen zij zeiden: Haal neer, haal neer [die stad],
tot op haar fundament!
tot de HEERE met betrekking tot de Edomieten, die een totaal tegengestelde kijk op Jeruzalem hebben en totaal tegengestelde gevoelens tegenover de stad koesteren. Dat is wel bijzonder gebleken “op de dag dat Jeruzalem [viel]”.

Op die dag hebben de Edomieten vol leedvermaak zich aan de kant geschaard van hen die Jeruzalem verwoestten (vgl. Ez 25:1212Zo zegt de Heere HEERE: Omdat Edom uit enkel wraakzucht gehandeld heeft tegen het huis van Juda en zij een zware schuld op zich hebben geladen door zich op hen te wreken,; 35:5-155Omdat u een eeuwige vijandschap hebt en u de Israëlieten deed neerstorten door het geweld van het zwaard in de tijd van hun ondergang, in de tijd van de uiterste ongerechtigheid,6daarom, [zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE: Voorzeker, Ik zal u tot bloed maken en bloed zal u achtervolgen. Omdat u het bloed[vergieten] niet hebt gehaat, zal bloed u achtervolgen.7Ik zal het Seïrgebergte tot een verlaten woestenij maken en Ik zal eruit uitroeien wie erdoorheen trekt of wie er terugkeert.8Ik zal zijn bergen met zijn gesneuvelden vullen. [Op] uw heuvels, [in] uw dalen en [bij] al uw [water]stromen, daar zullen zij liggen die vielen door het zwaard.
9Ik zal u maken [tot] eeuwige woestenijen,
uw steden zullen niet [meer] bewoond worden.
Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.
10Omdat u zegt: Die beide volken en die beide landen zullen mij toebehoren, wij zullen ze in bezit nemen, al zou de HEERE daar zijn,11daarom, [zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE: Ik zal handelen overeenkomstig uw toorn en overeenkomstig uw afgunst, waarmee u uit uw haat jegens hen bent opgetreden. Ik zal Mij onder hen bekendmaken, wanneer Ik u oordelen zal.12Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, al uw beledigingen gehoord heb, die u tegen de bergen van Israël gesproken hebt: Ze zijn verwoest, ons tot voedsel gegeven.13U hebt u tegen Mij grootgemaakt met uw mond, en uw woorden tegen Mij overvloedig gemaakt. Ik heb [ze] Zelf gehoord.14Zo zegt de Heere HEERE: Tot blijdschap van heel de aarde zal Ik u tot een woestenij maken.15Overeenkomstig uw blijdschap over het erfelijk bezit van het huis van Israël, omdat het verwoest is, zo zal Ik bij u doen. U, Seïrgebergte en heel Edom, zult geheel en al een woestenij worden! Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.
; Ob 1:10-1210Vanwege het geweld tegen uw broeder Jakob
zal schaamte u bedekken
en zult u voor eeuwig uitgeroeid worden.11Op de dag dat u aan de kant stond,
op de dag dat vreemden zijn leger als gevangenen wegvoerden,
buitenlanders zijn poorten binnentrokken
en over Jeruzalem het lot wierpen,
was ook u als een van hen!12U had niet mogen toekijken op de dag van uw broeder,
op de dag dat hij een vreemde [voor u] was.
U had niet blij mogen zijn vanwege de Judeeërs
op de dag van hun ondergang.
U had geen grote mond mogen opzetten [tegen hen]
op de dag van [hun] benauwdheid.
)
. Ze hebben als juichende toeschouwers de verwoesters aangemoedigd met de woorden: “Haal neer, haal neer [die stad], tot op haar fundament.” Met het fundament wordt niet alleen het fundament van de stad bedoeld, maar ook het fundament van de regering van God op aarde. Het gelovig overblijfsel zegt hiervan tegen de HEERE dit leedvermaak toch niet te vergeten (Ob 1:1515Want de dag van de HEERE is nabij over alle heidenvolken;
zoals u gedaan hebt, zal u gedaan worden;
wat u verdient, zal op uw [eigen] hoofd terugkeren!
)
.

En dan is daar nog de “dochter van Babel”, dat zijn de Babyloniërs, de meedogenloze verwoesters (vers 88Dochter van Babel, die verwoest zult worden,
welzalig is hij die u uw misdaad vergelden zal,
die u tegen ons begaan hebt.
)
. De Godvrezende richt zich namens God tot hen. Zeker, ze waren een middel in Gods hand om Zijn volk te tuchtigen vanwege hun hardnekkige zondigen tegen Hem. Maar zij zijn zich te buiten gegaan en hebben een misdaad tegen Gods volk begaan. Hun misdaad moet rechtvaardig worden vergolden. De Godvrezende spreekt het welzalig uit over hem die dat zal doen.

De wens van vers 99Welzalig is hij die uw kleine kinderen grijpen
en tegen de rots verpletteren zal.
klinkt in de oren van de nieuwtestamentische gelovige bijzonder hartvochtig, zelfs onmenselijk (vgl. Js 13:1616Hun kleine kinderen zullen verpletterd worden
voor hun ogen,
hun huizen geplunderd
en hun vrouwen verkracht.
)
. Moeten onschuldige, weerloze kinderen worden gegrepen en tegen de rots te pletter worden geslagen? Het gaat om een volkomen rechtvaardige vergelding. Het is naar de regel van het Oude Testament “oog voor oog” en “tand voor tand” (Ex 21:2424oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet,; vgl. Dt 7:1010En Hij doet vergelding aan [ieder van] hen die Hem haten, door hem om te doen komen, hem persoonlijk; Hij zal tegenover wie Hem haat niet aarzelen. Hij zal aan hem vergelding doen, aan hem persoonlijk.; 32:3535Aan Mij komt de wraak en de vergelding toe,
op het tijdstip dat hun voet wankelt.
Voorzeker, de dag van hun ondergang is dichtbij,
en spoedig komen de dingen die hen te wachten staan.
)
.


Lees verder