Psalmen
Inleiding 1-3 Loof de HEERE 4-9 Het wonder van de schepping 10-15 Het wonder van de verlossing 16-20 Het wonder van Zijn leiding en strijd 21-22 Het wonder van het erfelijk bezit 23-25 Het wonder van Zijn aandacht 26 Loof de God van de hemel
Inleiding

Psalm 136 kan worden beschouwd als het antwoord op de uitnodiging van de vorige psalm om de HEERE te loven (Ps 135:19-2019Huis van Israël, loof de HEERE;
huis van Aäron, loof de HEERE.
20Huis van Levi, loof de HEERE;
u die de HEERE vreest, loof de HEERE.
)
. De psalm wordt gekenmerkt door de uitdrukking “want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig”. Deze uitdrukking geeft de onveranderlijke goedheid van de HEERE tegenover Israël weer. Hij komt zesentwintig keer in deze psalm voor. Het is een echo die de eeuwigheid door zal klinken.

Deze psalm is wel het ‘nationale volkslied’ van het volk van God in het vrederijk genoemd. Het is een terugblik op de schepping en de geschiedenis van Zijn volk. Elke handeling in de schepping en in verbinding met Zijn volk is een aanleiding Zijn goedertierenheid te bezingen.

Alles wat wordt genoemd, zijn bijzonderheden die de goedertierenheid van God laten zien. De psalmist noemt de ene na de andere bijzonderheid en zegt van elke bijzonderheid dat de oorsprong ervan Gods goedertierenheid is en dat die goedertierenheid voor eeuwig is. Wij zouden misschien al die bijzonderheden opsommen en dan in één zin erop wijzen dat het allemaal bewijzen van Gods goedertierenheid zijn. Maar dat de psalmist van elke afzonderlijke daad de oorsprong vermeldt, leert ons dat wij oog moeten hebben voor elk detail van de vele bijzonderheden van Gods handelen in ons leven en het leven van al de Zijnen en dat wij Hem daarvoor loven.

De opbouw van de psalm wijst erop dat hij bij de aanbidding van God als een beurtzang wordt gezongen. We kunnen ons voorstellen dat een deel van het volk de regel zingt waarin een daad van God wordt genoemd en dat het andere deel daarop antwoordt met de woorden “want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig” (vgl. Ea 3:11a11Zij zongen in beurtzang bij het prijzen en bij het danken van de HEERE dat [Hij] goed is, dat Zijn goedertierenheid over Israël tot in eeuwigheid is. Heel het volk hief een groot gejuich aan bij het prijzen van de HEERE, omdat de fundering voor het huis van de HEERE gelegd was.).

De goedertierenheid van de HEERE is de bron van al Zijn handelingen in de schepping en met Zijn volk. Hij handelt zo, omdat Hij goed is. De aanleidingen om Hem te loven voor Zijn goedertierenheid zijn onuitputtelijk. Onder de leiding van de Heilige Geest is er door de psalmist een selectie uit Gods handelingen gemaakt om die te bezingen. Wij mogen die aanvullen met onze ervaringen. Dat zullen we ook tot in eeuwigheid doen.

Dat wij gelegenheid hebben om Hem te loven, getuigt op zich al van het feit dat Zijn goedertierenheid voor eeuwig is. Elke stap van onze pelgrimsreis op aarde, elke nieuwe uitdaging, elke nieuwe strijd, zelfs onze zwakheid of ons falen, is een aanleiding om de HEERE te loven en te prijzen vanwege Zijn goedertierenheid, want die is voor eeuwig.


Loof de HEERE

1Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
2Loof de God der goden,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
3Loof de Heere der heren,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

De psalm begint met drie keer de oproep om God te loven (verzen 1-31Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
2Loof de God der goden,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
3Loof de Heere der heren,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
. Daarbij worden de drie grote oudtestamentische namen van God genoemd: “HEERE”, Jahweh, (vers 11Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
, “God”, Elohim, (vers 22Loof de God der goden,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
en “Heere”, Adonai, (vers 33Loof de Heere der heren,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
. Als ‘HEERE’ is alleen, zonder vergelijking, in Zijn heerlijkheid. ‘God’ en ‘Heere’ worden genoemd in vergelijking met goden en heren.

Het begint met de oproep om de HEERE, Jahweh, te loven. Het is Zijn speciale Naam in verbinding met Zijn volk. Het volk looft die Naam, omdat Hij dat waard is, “want Hij is goed”. Hij is niet een keer goed geweest, of voor een zekere periode, nee, Hij is waarachtig, volmaakt, volkomen en altijd goed, het is Zijn Wezen.

Zijn volk zal dat in het vrederijk volmaakt ervaren en erkennen. Ze zullen, diep onder de indruk van Zijn goedheid, zeggen dat “Zijn goedertierenheidvoor eeuwig” is. Het houdt in dat wat Hij doet onveranderlijk, onuitputtelijk en zichtbaar is in al Zijn handelingen en dat die voor eeuwig blijven (vgl. Pr 3:1414Ik weet dat alles wat God doet, voor eeuwig blijft; niets is eraan toe te voegen, niets ervan af te doen, en God doet [het] opdat men vreest voor Zijn aangezicht.
)
.

De eerste keer dat deze uitdrukking voorkomt, is in verband met het plaatsen van de ark in de tent die David ervoor gespannen heeft (1Kr 16:11Toen zij de ark van God [de stad] binnenbrachten, zetten zij die midden in de tent die David ervoor gespannen had. En zij brachten brandoffers en dankoffers voor het aangezicht van God.). Naar aanleiding daarvan geeft David een psalm om de HEERE te loven. Aan het einde van die psalm zegt David, wat hier in vers 11Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
staat: “Loof de HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig” (1Kr 16:3434        Loof de HEERE, want Hij is goed,
                        want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
. Hetzelfde gebeurt als de ark door Salomo in de tempel wordt gebracht (2Kr 5:4-7,134Alle oudsten van Israël kwamen, en de Levieten namen de ark op5en zij brachten de ark en de tent van ontmoeting over met alle heilige voorwerpen die in de tent waren. De priesters [en] de Levieten brachten ze over.6Koning Salomo en de hele gemeenschap van Israël, die zich bij hem had verzameld, stonden vóór de ark. Zij offerden schapen en runderen, die vanwege [hun] grote hoeveelheid niet geschat of geteld konden worden.7Zo brachten de priesters de ark van het verbond van de HEERE op zijn plaats, tot in het binnenste heiligdom van het huis, tot in het heilige der heiligen, tot onder de vleugels van de cherubs,13het gebeurde nu, toen zij eenparig op de trompet bliezen en toen zij zongen door met een eenparige stem [een lied] te laten horen om de HEERE te prijzen en te loven, ja, toen zij de stem verhieven met trompetten, met cimbalen en [andere] muziekinstrumenten, en toen zij de HEERE prezen [met de woorden]: Voorzeker, Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig, dat het huis, het huis van de HEERE, met een wolk vervuld werd.). En hier, in deze psalm, gebeurt het als het volk in de duizendjarige rust van het beloofde land is ingegaan en de HEERE looft in de nieuwe tempel (Jr 33:10-1110Zo zegt de HEERE: In deze plaats, waarvan u zegt: Zij ligt verwoest, zodat er geen mens en geen dier [meer] is – in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem, die zo verwoest zijn, dat er geen mens, geen inwoner en geen dier [meer] in [te vinden] is, zal weer gehoord worden11de stem van de vreugde, de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, de stem van hen die zeggen: Loof de HEERE van de legermachten, want de HEERE is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig, [en de stem] van hen die in het huis van de HEERE een lofoffer brengen. Ik zal namelijk een omkeer brengen in de gevangenschap van het land, [zodat het weer wordt] als vroeger, zegt de HEERE.).

God, Elohim, komt ook alle lof toe als “de God der goden” (vers 22Loof de God der goden,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
. De ‘goden’ zijn alle machthebbers, goede en verkeerde of valse, onder de mensen en de engelen. Al die machten zijn door Hem ontstaan en aan Hem onderworpen. Hij is ver boven hen verheven. Geen mens of engel kan Zijn macht ooit betwisten, laat staan Hem ooit van de troon stoten en Hem Zijn macht ontnemen. Hij is de God der goden omdat Zijn goedertierenheid voor eeuwig is.

Ook de Heere, Adonai, komt het toe dat Hem lof wordt gebracht. Hij is de soevereine Heerser in het door Hem geschapen heelal. Hij bestuurt en gebiedt alle elementen waaruit het heelal bestaat en alle leven in het heelal. Er kunnen veel ‘heren’ zijn, personen met een zeker gezag, maar ze zijn volledig aan Hem onderworpen (vgl. 1Ko 8:66dan is er toch voor ons maar één God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem; en één Heer, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn, en wij door Hem.; Dt 10:1717Want de HEERE, uw God, is de God der goden en de Heere der heren; die grote, machtige en ontzagwekkende God, Die niet partijdig is en geen geschenk in ontvangst neemt,; Op 19:1616En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.). Hij bestuurt alles overeenkomstig Zijn wil. Hij is de oorsprong van alle dingen en brengt alles naar het door Hem bepaalde doel. Dat doet Hij omdat Zijn goedertierenheid voor eeuwig is.


Het wonder van de schepping

4Die grote wonderen doet, Hij alleen,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
5Die de hemel met inzicht maakte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
6Die de aarde boven het water uitspande,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
7Die de grote lichten maakte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
8de zon tot heerschappij over de dag,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
9de maan en sterren tot heerschappij over de nacht,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

Als de vraag wordt gesteld waarom God hemel en aarde heeft geschapen, lezen we hier het antwoord: het is omdat “Zijn goedertierenheid … voor eeuwig” is. Het bezingen van het wonder van de schepping begint met de vaststelling dat de HEERE de Enige is “Die grote wonderen doet” (vers 44Die grote wonderen doet, Hij alleen,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
. Dat doet en kan niemand anders dan “Hij alleen” (Ps 72:1818Geloofd zij de HEERE God, de God van Israël;
Hij doet wonderen, Hij alleen.
)
.

Hij doet het niet ‘alleen’, in de zin van zonder hulp van anderen, maar Hij doet het ‘alleen’ eenvoudig omdat Hij de Enige is Die het kan. Er is niemand anders. Daar komt bij dat de grote wonderen niet zozeer een uiting van Zijn macht zijn, maar van Zijn goedertierenheid die voor eeuwig is. Macht die is gebaseerd op goedertierenheid is niet alleen zeldzaam, het is volkomen uniek. Daarom is Zijn goedertierenheid ook voor eeuwig.

Hij is de Enige “Die de hemel met inzicht maakte” (vers 55Die de hemel met inzicht maakte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
. God laat in Zijn grote wonderen met betrekking tot de schepping Zijn inzicht en wijsheid zien, die Hij alleen heeft (Sp 3:1919De HEERE heeft de aarde met wijsheid gegrondvest,
de hemel met inzicht gevestigd.
; 8:24-3124Toen er [nog] geen diepe wateren waren, werd Ik geboren,
toen er [nog] geen bronnen waren, zwaar van water.
25Voordat de bergen waren verzonken,
vóór de heuvels, werd Ik geboren.
26Hij had de aarde en de velden nog niet gemaakt,
evenmin het begin van de stofjes van de wereld.
27Toen Hij de hemel gereedmaakte, was Ik daar,
toen Hij een cirkel trok over het oppervlak van de watervloed,
28toen Hij de wolken daarboven sterk maakte,
Hij de bronnen van de watervloed versterkte,
29toen Hij voor de zee zijn plaats bepaalde,
zodat het water Zijn bevel niet zou overtreden,
toen Hij de fundamenten van de aarde verordende,
30was Ik bij Hem, [Zijn] Lievelingskind,
Ik was dag aan dag [Zijn] bron van blijdschap,
te allen tijde spelend voor Zijn aangezicht,
31al spelend in de wereld van Zijn aardrijk.
Mijn bron van blijdschap [vond Ik] bij de mensenkinderen.
; Jr 10:1212Hij maakte de aarde door Zijn kracht,
grondvestte de wereld door Zijn wijsheid,
Hij heeft de hemel door Zijn inzicht uitgespannen.
)
. Als we naar de hemel kijken, zien we dat Zijn goedertierenheid voor eeuwig is. Het is een ononderbroken bewijs van Zijn goedertierenheid voor de mens, want voor de mens heeft Hij met inzicht in wat de mens nodig heeft de hemel gemaakt. De hemel zal ook de plaats voor verloste zondaren zijn, wat een extra reden voor hen zal zijn om Gods goedertierenheid tot in eeuwigheid te bezingen.

Hetzelfde geldt voor “de aarde” die Hij “boven het water uitspande” (vers 66Die de aarde boven het water uitspande,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
; Gn 1:99En God zei: Laat het water dat onder de hemel is, in één plaats samenvloeien en laat het droge zichtbaar worden! En het was zo.; Ps 24:1-21Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
2Want Híj heeft haar gegrondvest op de zeeën
en haar vastgezet op de rivieren.
)
. De aarde is het leefgebied van de mens en andere schepselen. Dat mens en dier zich op de aarde thuis voelen, is het resultaat van de goedertierenheid van God. De verloste mens zal Hem daar gedurende het vrederijk voor prijzen.

In de verzen 7-97Die de grote lichten maakte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
8de zon tot heerschappij over de dag,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
9de maan en sterren tot heerschappij over de nacht,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
richt de psalmdichter zijn aandacht in het bijzonder op Gods werken aan het hemelgewelf en dat betrekking tot de aarde. Hij spreekt over “de grote lichten” die God “maakte” (vers 77Die de grote lichten maakte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
; Gn 1:1414En God zei: Laten er lichten zijn aan het hemelgewelf om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en laten zij zijn tot aanduiding van vaste tijden en van dagen en jaren!)
. Door de grote lichten wordt alles op aarde verlicht en kan de mens genieten van alles wat God heeft gemaakt.

God maakte “de zon tot heerschappij over de dag” (vers 88de zon tot heerschappij over de dag,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
; Gn 1:16a16En God maakte de twee grote lichten: het grote licht om de dag te beheersen en het kleine licht om de nacht te beheersen; [en] ook de sterren.)
en “de maan en sterren tot heerschappij over de nacht” (vers 99de maan en sterren tot heerschappij over de nacht,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
; Gn 1:16b16En God maakte de twee grote lichten: het grote licht om de dag te beheersen en het kleine licht om de nacht te beheersen; [en] ook de sterren.)
. Deze grote lichten zijn van belang voor het leven op aarde, zowel in de natuur als voor oriëntatie. Ze getuigen van Gods goedertierenheid voor alle schepselen die Hij heeft geschapen en speciaal voor Zijn volk.


Het wonder van de verlossing

10Die de Egyptenaren trof in hun eerstgeborenen,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
11en Israël uit hun midden uitleidde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
12met sterke hand en met uitgestrekte arm,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
13Die de Schelfzee [in tweeën] deelde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
14en Israël er middendoor deed gaan,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
15maar de farao met zijn leger in de Schelfzee stortte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

Deze verzen herinneren aan Psalm 135 (Ps 135:8-98Hij trof de eerstgeborenen in Egypte,
van de mens af tot het vee toe.
9Hij zond tekenen en wonderen
in uw midden, Egypte,
aan de farao en al zijn dienaren.
)
. In Psalm 135 zijn het daden die Gods Naam en heerlijkheid tot uitdrukkingen brengen. Deze zelfde daden worden hier bezongen als bewijzen van Zijn goedertierenheid, waarbij elke handeling een aparte lofprijzing tot gevolg heeft.

Het begint ermee dat God ”de Egyptenaren trof in hun eerstgeborenen” (vers 1010Die de Egyptenaren trof in hun eerstgeborenen,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
; Ex 12:2929En het gebeurde te middernacht dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte trof, vanaf de eerstgeborene van de farao, die op zijn troon zou zitten, tot aan de eerstgeborene van de gevangene, die zich in de gevangenis bevond, en alle eerstgeborenen van het vee.)
. Dit is een krachtiger uitdrukking dan “Hij trof de eerstgeborenen in Egypte” (Ps 135:88Hij trof de eerstgeborenen in Egypte,
van de mens af tot het vee toe.
)
. Hier komt Gods oordeel nadrukkelijk over alle Egyptenaren. Wat God met de Egyptenaren heeft gedaan, is een bewijs van Zijn goedertierenheid voor Zijn volk, waarvan het resultaat voor eeuwig onveranderlijk vastligt.

Na het oordeel over de Egyptenaren heeft God een volgende daad gedaan waaruit Zijn goedertierenheid blijkt: Hij heeft Israël uit het midden van de Egyptenaren geleid (vers 1111en Israël uit hun midden uitleidde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
)
. Na het breken van de macht van de onderdrukkers bevrijdde Hij Zijn volk uit het midden van hun onderdrukkers.

Het volk heeft gezien dat God Zijn “sterke hand” en Zijn “uitgestrekte arm” tegen de Egyptenaren en voor hen heeft gebruikt (vers 1212met sterke hand en met uitgestrekte arm,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
; Ex 6:66Ik zal u tot Mijn volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn. Dan zult u weten dat Ik de HEERE, uw God, ben, Die u uitleidt vanonder de dwangarbeid van de Egyptenaren.; Dt 5:1515Want u zult in gedachten houden dat u slaaf geweest bent in het land Egypte en dat de HEERE, uw God, u vandaar uitgeleid heeft met sterke hand en uitgestrekte arm. Daarom heeft de HEERE, uw God, u geboden de dag van de sabbat te houden.; 7:1919de grote beproevingen die uw ogen gezien hebben, de tekenen, de wonderen, de sterke hand en de uitgestrekte arm waarmee de HEERE, uw God, u uitgeleid heeft. Zo zal de HEERE, uw God, doen met al de volken voor wie u bevreesd bent.; 26:88En de HEERE leidde ons uit Egypte, met een sterke hand, met een uitgestrekte arm, met grote ontzagwekkende daden, met tekenen en met wonderen.; Jr 32:2121U leidde Uw volk Israël uit het land Egypte, met tekenen en met wonderen, met sterke hand, met uitgestrekte arm en grote ontzagwekkende daden.)
. Dit machtsvertoon tot oordeel van de Egyptenaren en ten gunste van Zijn volk komt voort uit Zijn goedertierenheid voor Zijn volk. Het resultaat van de bevrijding kan nooit veranderen, het zal nooit eindigen, want “Zijn goedertierenheid is voor eeuwig”.

De bewijzen van Gods goedertierenheid houden niet op bij de bevrijding. Als het erop lijkt dat ze voor een onoverkomelijke hindernis staan en ze weer gevangen worden genomen, deelt God de Schelfzee in tweeën (vers 1313Die de Schelfzee [in tweeën] deelde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
; Ex 14:2121Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee, en de HEERE liet de zee die hele nacht wegvloeien door een krachtige oostenwind. Hij maakte de zee droog, en het water werd doormidden gespleten.)
. Letterlijk staat er dat Hij de Schelfzee ‘in stukken snijdt’, wat de macht van Zijn daad nog duidelijker doet uitkomen.

Vervolgens doet God “Israël er middendoor … gaan” (vers 1414en Israël er middendoor deed gaan,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
; Ex 14:22,2922Zo gingen de Israëlieten midden in de zee op het droge. Het water was voor hen aan hun rechter- en linkerhand een muur.29Maar de Israëlieten gingen op het droge, midden door de zee. Het water was voor hen een muur aan hun rechter- en linkerhand.)
. Wat een onoverkomelijke hindernis leek te zijn, wordt een gebaande weg. Het water blijft door de macht van God als muren staan, terwijl Israël door de zee heentrekt. Dit is weer een bijzonder bewijs van de goedertierenheid van God die voor eeuwig is.

Het afsluitende bewijs van Gods goedertierenheid met betrekking tot de verlossing van Zijn volk is de definitieve verdelging van de vijanden van Zijn volk (vers 1515maar de farao met zijn leger in de Schelfzee stortte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
; Ex 14:26-28,3026Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit over de zee, zodat het water terugkeert over de Egyptenaren, over hun strijdwagens en over hun ruiters.27Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en tegen het aanbreken van de morgen vloeide de zee terug naar zijn oorspronkelijke plaats, terwijl de Egyptenaren het water tegemoetvluchtten. Zo stortte de HEERE de Egyptenaren midden in de zee.28Want toen het water terugvloeide, bedolf het de strijdwagens en de ruiters van het hele leger van de farao, die hen in de zee achternagekomen waren. Niet een van hen bleef er over.30Zo verloste de HEERE Israël op die dag uit de hand van de Egyptenaren. En Israël zag de Egyptenaren dood aan de oever van de zee [liggen].)
. Hier staat dat God “de farao met zijn leger in de Schelfzee stortte”. Het woord ‘stortte’ is een woord dat wordt gebruikt voor een boom die zijn bladeren afschudt. Het is een daad van Zijn oordeelsmacht.

Dat oordeel een daad van goedertierenheid is, zal iedereen bevestigen die het kwaad haat en het recht liefheeft. Als hardnekkige kwaaddoeners worden geoordeeld, is dat een weldaad voor de samenleving. Er wordt de kwaaddoeners geen onrecht gedaan, want ze krijgen wat ze verdienen.


Het wonder van Zijn leiding en strijd

16Die Zijn volk door de woestijn leidde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
17Die grote koningen versloeg,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
18en machtige koningen doodde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
19Sihon, de koning van de Amorieten,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
20en Og, de koning van Basan,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

De leiding van Zijn volk door de woestijn is aanleiding om Zijn goedertierenheid die voor eeuwig is te bezingen (vers 1616Die Zijn volk door de woestijn leidde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
).
God heeft Zijn volk op wonderbare wijze door de woestijn met zijn vele gevaren geleid en hen daarbij verzorgd en beschermd. Hij is hun God geweest op heel de weg door die woeste, huilende wildernis (Dt 32:11-1211Zoals een arend zijn nest opwekt,
boven zijn jongen zweeft,
zijn vleugels uitspreidt, ze pakt
en ze draagt op zijn vlerken,
12[zo] heeft alleen de HEERE hem geleid,
er was geen vreemde god bij hem.
; 8:1515Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, met gifslangen, schorpioenen en droogte, waar geen water was; Die uit hard gesteente water voor u liet komen,; Jr 2:66dat zij niet zeiden: Waar is de HEERE,
Die ons uit het land Egypte geleid heeft,
Die ons in de woestijn deed gaan,
in een land van wildernis en kuilen,
in een land van dorheid en schaduw van de dood,
in een land waar niemand doorheen trok
en waar geen mens woonde?
; Am 2:1010Maar Ík heb u uit het land Egypte geleid,
en liet u veertig jaar door de woestijn gaan,
om het land van de Amorieten in bezit te nemen.
)
. Als ze daarop terugzien, barsten ze uit in deze lofprijzing.

In Psalm 135 heeft de dichter vermeld dat God volken heeft verslagen en machtige koningen heeft gedood (Ps 135:10-1110Hij versloeg vele volken
en doodde machtige koningen:
11Sihon, de koning van de Amorieten,
en Og, de koning van Basan,
en al de koninkrijken van Kanaän.
)
. Zoals hierboven al is opgemerkt, zijn Gods daden in Psalm 135 daden die Zijn Naam en heerlijkheid tot uitdrukkingen brengen. Deze machtige daden van God worden hier weer genoemd, maar nu wordt elke afzonderlijke daad toegeschreven aan Zijn goedertierenheid:

Dat Hij “grote koningen” heeft verslagen, is te danken aan Zijn goedertierenheid ten opzichte van Zijn volk (vers 1717Die grote koningen versloeg,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
)
.
Dat Hij “machtige koningen” heeft gedood, is te danken aan Zijn goedertierenheid ten opzichte van Zijn volk (vers 1818en machtige koningen doodde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
)
.
Als eerste voorbeeld daarvan wordt genoemd dat Hij “Sihon, de koning van de Amorieten” heeft gedood (vers 1919Sihon, de koning van de Amorieten,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
)
. Dit heeft Zijn volk te danken aan Zijn goedertierenheid ten opzichte van hen.
Als tweede voorbeeld daarvan wordt genoemd dat Hij “Og, de koning van Basan” heeft gedood (vers 2020en Og, de koning van Basan,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
. Dit heeft Zijn volk te danken aan Zijn goedertierenheid ten opzichte van hen.


Het wonder van het erfelijk bezit

21Hij gaf hun land als erfelijk bezit,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
22als erfelijk bezit aan Zijn dienaar Israël,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

Ook deze verzen komen voor in Psalm 135. Daar is het één vers (Ps 135:1212Hun land gaf Hij als erfelijk bezit,
als erfelijk bezit aan Zijn volk Israël.
)
, terwijl het hier twee verzen zijn omdat elke regel van Psalm 135:12 hier wordt gevolgd door het bezingen van de goedertierenheid van God. In vers 2121Hij gaf hun land als erfelijk bezit,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
ligt de nadruk op de Gever van het erfelijk bezit en in vers 2222als erfelijk bezit aan Zijn dienaar Israël,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
op de ontvanger ervan.

God heeft de vijanden het land afgenomen omdat hun land, evenals alle landen van de wereld, van Hem zijn (Ps 24:1-21Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
2Want Híj heeft haar gegrondvest op de zeeën
en haar vastgezet op de rivieren.
)
. Het staat Hem dan ook vrij om een land te geven aan wie Hij wil, in dit geval aan Zijn volk (vers 2121Hij gaf hun land als erfelijk bezit,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
)
. Hij is niet ineens op de gedachte gekomen dat Hij Zijn volk dit land wil geven, maar het is Zijn voornemen geweest vanaf de grondlegging van de wereld (Mt 25:3434Dan zal de Koning zeggen tot hen die aan Zijn rechterhand zijn: Komt, gezegenden van Mijn Vader, beërft het koninkrijk dat u bereid is van [de] grondlegging van [de] wereld af;).

Daarom heeft Hij het door Hem uitgekozen land aan Zijn volk “als erfelijk bezit” gegeven (vers 2222als erfelijk bezit aan Zijn dienaar Israël,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
. Dat volk wordt hier “Zijn dienaar Israël” genoemd. Hier klinkt de vreugde en het doel door waarmee Hij Zijn volk het land geeft. Hij geeft het land aan Zijn volk opdat ze Hem daar zullen dienen.


Het wonder van Zijn aandacht

23Die aan ons dacht in onze nederige staat,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
24en ons aan onze tegenstanders ontrukte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
25Die aan alle vlees voedsel geeft,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

In de verzen 23-2423Die aan ons dacht in onze nederige staat,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
24en ons aan onze tegenstanders ontrukte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
horen we voor het eerst over de gevoelens van de psalmist. Hij spreekt over “ons”, dat wil zeggen dat hij namens allen spreekt die tot Gods verbondsvolk behoren. Onder de indruk van Wie God is en wat Hij heeft gedaan – daarover heeft hij in de voorgaande verzen geschreven –, zegt hij nu als een belijdenis dat God “aan ons dacht in onze nederige staat” (vers 2323Die aan ons dacht in onze nederige staat,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
)
. Ze waren gering in aantal en zwak. Maar God dacht aan hen en kwam bij hen in Christus.

Dit besef maakt de bewondering van Gods goedertierenheid zoveel te groter. Het blijft niet bij een indrukwekkende beschrijving van God in Zijn almacht en verlossing. Die God, Die zo groot is en grote wonderen heeft gedaan, heeft oog voor de rechtvaardigen in hun “nederige staat”. Dit is overweldigend en opnieuw een aanleiding om Gods goedertierenheid te loven.

In henzelf hadden ze geen enkele kracht om zich uit de macht van hun tegenstanders te bevrijden (vers 2424en ons aan onze tegenstanders ontrukte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
. Maar God heeft hen aan hun tegenstanders ontrukt. We kunnen hierbij vooral denken aan de tijd van de grote verdrukking. De tegenstanders in die tijd zijn de antichrist in het land en de koning van het noorden of de Assyriërs buiten het land. De ontrukking aan die tegenstanders is een nieuw bewijs van Gods goedertierenheid waarvan de gevolgen voor eeuwig zijn en daarom ook eeuwig worden bezongen.

Wat in deze verzen staat, zal iedere gelovige herkennen die zich bewust is van zijn afkomst en wat hij in Christus geworden is en gekregen heeft. Hij was in de macht van de zonde, de wereld en de duivel, en volkomen onmachtig zichzelf daaruit te bevrijden. Toen is hij aan al die tegenstanders door de macht van Gods liefde ontrukt. Daarvoor looft hij God. Vervolgens is hij aan Christus verbonden en mag delen in al de gevolgen van Zijn werk op het kruis. Daarvoor looft hij God ook.

Dan kijkt de psalmist om zich heen en ziet dat Gods aandacht ook uitgaat naar alles wat leeft (vers 2525Die aan alle vlees voedsel geeft,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
; Ps 104:27-2827Zij allen wachten op U,
dat U hun voedsel geeft op zijn tijd.
28Geeft U het hun, zij verzamelen het,
doet U Uw hand open, zij worden met het goede verzadigd.
)
. Hij is Degene “Die aan alle vlees voedsel geeft”. Dit is ook iets wat we elke dag kunnen waarnemen als we er oog voor hebben. Hij is de Schepper en tevens de Onderhouder van Zijn schepping (1Tm 4:1010want hiertoe arbeiden wij en strijden wij, omdat wij onze hoop gevestigd hebben op de levende God, Die een Onderhouder is van alle mensen, het meest van [de] gelovigen.). Het kan niet anders of we zullen, als we Hem zo zien, Zijn goedertierenheid loven en prijzen. Hij blijft die zorg geven gedurende de hele tijd van het vrederijk.


Loof de God van de hemel

26Loof de God van de hemel,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

De psalm besluit met de oproep om “de God van de hemel” te loven. De naam ‘God van de hemel’ komt vaak voor in de boeken Ezra, Nehemia en Daniël. Deze boeken beschrijven de geschiedenis van Gods volk als God het niet meer als Zijn volk kan erkennen. Hij heeft Zich moeten terugtrekken in de hemel. Ook in de tijd dat Hij niet zichtbaar in een vertegenwoordiger op aarde regeert, blijkt dat “Zijn goedertierenheid … voor eeuwig” is.


Lees verder