Psalmen
1-4 De HEERE is goed 5-7 De HEERE is groot 8-12 God is vóór Zijn volk 13-14 De Naam van de HEERE 15-18 De bespottelijkheid van de afgoden 19-21 Oproep om de HEERE te loven
De HEERE is goed

1Halleluja!
Loof de Naam van de HEERE,
loof [Hem], dienaren van de HEERE,
2u, die staat in het huis van de HEERE,
in de voorhoven van het huis van onze God.
3Loof de HEERE, want de HEERE is goed;
zing psalmen voor Zijn Naam, want [die is] lieflijk.
4Want de HEERE heeft Zich Jakob verkoren,
Israël als Zijn persoonlijk eigendom.

De psalm begint met “halleluja”, dat betekent ‘loof de HEERE’ (vers 11Halleluja!
Loof de Naam van de HEERE,
loof [Hem], dienaren van de HEERE,
)
. Het woord komt vijftien keer voor in de psalmen, de eerste keer in Psalm 104 (Ps 104:3535De zondaars zullen van de aarde verdwijnen,
de goddelozen zullen er niet meer zijn.
Loof de HEERE, mijn ziel!
Halleluja!
)
. In deze psalm komt het drie keer voor (verzen 1,3,211Halleluja!
Loof de Naam van de HEERE,
loof [Hem], dienaren van de HEERE,
3Loof de HEERE, want de HEERE is goed;
zing psalmen voor Zijn Naam, want [die is] lieflijk.
21Geloofd zij de HEERE vanuit Sion,
Hij Die in Jeruzalem woont.
Halleluja!
)
. Het voorwerp van de lof is “de Naam van de HEERE”. De brengers van de lof zijn de “dienaren van de HEERE”.

De Naam van de HEERE is “IK BEN DIE IK BEN” (Ex 3:1414En God zei tegen Mozes: IK BEN DIE IK BEN. Ook zei Hij: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: IK BEN heeft mij naar u toe gezonden.). Hij is zonder begin, zonder afkomst. Hij is Zelf de oorsprong van alles. Hij is de Eeuwige, de eeuwig Zijnde. Hij heeft alles geschapen tot Zijn eer. Daarom past het ieder schepsel Hem te loven. Niet alle schepselen doen dat. Wie het wel doen, zijn Zijn dienaren. Het is een enorm voorrecht Hem te dienen, want dat betekent in Zijn nabijheid zijn. Dat alleen al is reden genoeg om Hem te loven.

Dan wordt de plaats genoemd waar de lofprijzing wordt gedaan (vers 22u, die staat in het huis van de HEERE,
in de voorhoven van het huis van onze God.
)
. Het gebeurt “in het huis van de HEERE, in de voorhoven van het huis van onze God”. Het huis van de HEERE is Zijn woonplaats te midden van Zijn volk. De voorhoven zijn de voorhof voor de priesters en een grote voorhof voor het volk (2Kr 4:99Verder maakte hij de voorhof voor de priesters, de grote voorhof en de deuren voor de voorhof, en overtrok de deuren ervan met koper.).

De twee voorhoven laten zien dat er een scheiding is tussen de priesters en het gewone volk (vgl. Ez 10:3,53De cherubs stonden rechts van het huis toen de Man binnenkwam, en de wolk vervulde de binnenste voorhof.5Het geluid van de vleugels van de cherubs was tot in de buitenste voorhof te horen, als de stem van de almachtige God wanneer Hij spreekt.). Deze scheiding is er voor de gelovige van de gemeente niet. De gelovige is nu zowel priester als een gewoon lid van het volk. Dat hij priester is, wijst op het voorrecht om tot God te naderen met offers.

Dat hij een gewoon lid van het volk is, wijst op zijn leven van elke dag dat hij behoort te leven in overeenstemming met zijn hoge roeping als kind van God tot een getuigenis in de wereld. Zijn leven in “de grote voorhof” speelt zich af in de directe tegenwoordigheid van God, ook al kan hij daar door zijn aardse verplichtingen niet concreet aan Hem denken. Maar uit zijn leven kan wel lof naar God gaan als hij bij alles bedenkt dat hij voor Zijn aangezicht leeft.

Er is aanleiding om de HEERE te loven, “want de HEERE is goed” (vers 33Loof de HEERE, want de HEERE is goed;
zing psalmen voor Zijn Naam, want [die is] lieflijk.
)
. Hij alleen is goed (Mk 10:1818Jezus echter zei tot hem: Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed dan Eén: God.). Hij is goed in Zijn weldadige handelingen voor Zijn verbondsvolk. Er is ook aanleiding psalmen te zingen “voor Zijn Naam, want [die is] lieflijk”. Hij heeft Zijn Naam in liefde aan Zijn volk bekendgemaakt en ook bewezen, zoals het volgende vers zegt.

Het woord “want” waarmee vers 44Want de HEERE heeft Zich Jakob verkoren,
Israël als Zijn persoonlijk eigendom.
begint, geeft aan dat nu de reden volgt van de oproep in het vorige vers. Er is een nauwe relatie ontstaan tussen God en Zijn volk. Die relatie is van God uitgegaan. Hij “heeft Zich Jakob verkoren, Israël als Zijn persoonlijk eigendom” (vgl. Ex 19:55Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij.; Dt 7:66Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE, uw God, heeft ú uitgekozen uit alle volken op de aardbodem om voor Hem tot een volk te zijn dat [Zijn] persoonlijk eigendom is.; 14:22Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE heeft ú uit alle volken die op de aardbodem zijn, uitgekozen om voor Hem een volk te zijn dat [Zijn] persoonlijk eigendom is.; vgl. Ml 3:1717En zij zullen voor Mij, zegt de HEERE van de legermachten,
op de dag die Ik maken zal, een persoonlijk eigendom zijn.
Ik zal hen sparen,
zoals een man zijn zoon spaart
die hem dient.
)
. Dit is een wonder van genade, waarover het volk zich alleen maar kan verbazen en vol dankbaarheid kan verheugen en de HEERE voor kan loven en psalmen zingen.

Het is duidelijk dat Zijn verkiezing van Jakob in geen enkel opzicht aan Jakob zelf te danken is. De naam ‘Jakob’ betekent ‘hielenlichter’, en zijn leven en dat van zijn nageslacht bewijzen dat hij zijn naam ‘eer’ heeft aangedaan. Dat maakt het wonder van zijn uitverkiezing alleen maar groter. Als daaraan wordt toegevoegd dat God “Israël als Zijn persoonlijk eigendom” heeft uitverkoren, is dat omdat Hij van Jakob Israël heeft gemaakt. God heeft dat gedaan. Hem komt daarom alle eer, lof, roem en aanbidding toe.

Voor ons, gelovigen van de gemeente, geldt hetzelfde en in nog grotere mate. Te weten dat God ons heeft uitverkoren als Zijn persoonlijk eigendom, dat is voor ons tot het zoonschap voor Zichzelf, is een niet te bevatten, onmetelijk voorrecht als wij bedenken wat wij van nature zijn en waar wij vandaan zijn gekomen. We leefden in de zonde en verdienden de hel.

We hadden totaal nergens recht op en zijn tot huisgenoten van God gemaakt (Ef 2:11-2211Daarom bedenkt dat u, die vroeger de volken in [het] vlees was [en] onbesneden werd genoemd door de zogenaamde besnijdenis die in [het] vlees met handen gebeurt,12dat u in die tijd zonder Christus was, vreemd aan het burgerschap van Israël en vreemdelingen van de verbonden der belofte, terwijl u geen hoop had en zonder God was in de wereld.13Maar nu, in Christus Jezus, bent u die vroeger veraf was, nabijgekomen door het bloed van Christus.14Want Hij is onze vrede, Die die beiden een gemaakt en de scheidsmuur van de omheining weggebroken heeft,15toen Hij in Zijn vlees de vijandschap, de wet van de geboden [die] in inzettingen [bestaat], tenietgedaan had, opdat Hij die twee in Zichzelf tot één nieuwe mens zou scheppen, vrede makend,16en die beiden in één lichaam met God zou verzoenen door het kruis, terwijl Hij daardoor de vijandschap gedood heeft.17En Hij is gekomen en heeft vrede verkondigd aan u die veraf was, en vrede aan hen die nabij waren.18Want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader.19Dus bent u geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar u bent medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God,20opgebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Jezus Christus Zelf hoeksteen is,21in Wie [het] hele gebouw, goed samengevoegd, opgroeit tot een heilige tempel in [de] Heer;22in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.). Wat Israël als volk is, zijn wij persoonlijk. Wij zijn persoonlijk de speciale voorwerpen van Zijn genade en vreugde (Tt 2:1414Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons van alle wetteloosheid verloste en Zichzelf een eigen volk reinigde, ijverig in goede werken.; 1Pt 2:99U echter bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem Die u uit [de] duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht,). Dit kan niet anders dan ons tot grote bewondering en dankbaarheid brengen die we uiten in lofprijzing van Hem Die dit alles heeft bedacht en bewerkt.


De HEERE is groot

5Want ík weet: de HEERE is groot;
onze Heere [gaat] alle goden te boven.
6Al wat de HEERE behaagt, doet Hij,
in de hemel en op de aarde,
in de zeeën en alle diepe wateren.
7Hij doet dampen opstijgen van het einde der aarde,
Hij maakt de bliksemflitsen bij de regen,
Hij brengt de wind uit Zijn schatkamers naar buiten.

Vanuit het diepst van zijn hart erkent de rechtvaardige in een nadrukkelijk persoonlijke belijdenis, “ík”, dat “de HEERE … groot” is (vers 55Want ík weet: de HEERE is groot;
onze Heere [gaat] alle goden te boven.
)
. Hij is absoluut in Zijn grootheid. Het is dwaasheid om ook maar enige vergelijking te maken met wie of wat dan ook. Er is niemand en niets om Hem mee te vergelijken (Ex 15:1111       Wie is als U
                        onder de goden, HEERE?
            Wie is als U,
                        verheerlijkt in heiligheid,
            ontzagwekkend in lofzangen,
                        [U] Die wonderen doet?
; Js 40:2525Met wie zou u Mij willen vergelijken,
of aan wie ben Ik gelijk?
zegt de Heilige.
)
. De goden die er zijn, vallen bij Hem in het niet. Hij is de Heere, Adonai, de soevereine Heerser van het heelal. Zo kennen de rechtvaardigen Hem, want ze spreken over “onze Heere”.

Hij is de absolute Heerser, Die kan doen wat Hem behaagt en dat ook doet (vers 66Al wat de HEERE behaagt, doet Hij,
in de hemel en op de aarde,
in de zeeën en alle diepe wateren.
)
. Hij heeft niet alleen een soevereine wil, maar ook absolute kracht en macht om Zijn wil uit te voeren. Er is daarbij geen gebied of terrein dat zich aan Zijn macht kan onttrekken. Zijn soevereiniteit en macht zijn onbegrensd. Hij doet wat Hem behaagt “in de hemel en op de aarde” en ook “in de zeeën en alle diepe wateren” (vgl. Jr 10:1313Als Hij Zijn stem laat klinken, [dan] is er gedruis van wateren aan de hemel.
Hij doet dampen opstijgen van het einde van de aarde.
Hij heeft bliksemflitsen bij de regen gemaakt.
De wind brengt Hij uit Zijn schatkamers tevoorschijn.
; 51:1616Als Hij Zijn stem laat klinken, is er gedruis van wateren aan de hemel.
Hij doet dampen opstijgen van het einde van de aarde.
Hij heeft bliksemflitsen bij de regen gemaakt.
De wind brengt Hij uit Zijn schatkamers tevoorschijn.
)
. De ‘diepe wateren’ zijn de onderaardse wateren. Het hele universum is door Hem geschapen en aan Hem onderworpen.

Zijn macht blijkt uit het doen opstijgen van dampen (vers 77Hij doet dampen opstijgen van het einde der aarde,
Hij maakt de bliksemflitsen bij de regen,
Hij brengt de wind uit Zijn schatkamers naar buiten.
)
. Wij spreken over het verdampen van het water, maar de rechtvaardige leert ons hier de les dat God het doet. Hij spreekt niet als natuurkundige, maar als een gelovige die weet dat alles wat op aarde gebeurt van God komt, door Hem wordt bewerkt. Zo spreken wij ook over ‘het bliksemt’ en ‘het waait’, terwijl we hier lezen dat God de bliksemflitsen bij de regen maakt en de wind uit Zijn schatkamers naar buiten brengt (vgl. Jb 38:2222Bent u gekomen bij de schatkamers van de sneeuw?
Hebt u de schatkamers van de hagel gezien,
)
. Hij is inderdaad onvergelijkbaar groot.


God is vóór Zijn volk

8Hij trof de eerstgeborenen in Egypte,
van de mens af tot het vee toe.
9Hij zond tekenen en wonderen
in uw midden, Egypte,
aan de farao en al zijn dienaren.
10Hij versloeg vele volken
en doodde machtige koningen:
11Sihon, de koning van de Amorieten,
en Og, de koning van Basan,
en al de koninkrijken van Kanaän.
12Hun land gaf Hij als erfelijk bezit,
als erfelijk bezit aan Zijn volk Israël.

God is niet alleen groot in Zijn schepping en de natuur, Hij is ook groot in de verlossing van Zijn volk, dat Hij heeft uitgekozen om Zijn volk te zijn om Hem te dienen. In hun verlossing is Hij met groot machtsvertoon te werk gegaan. Het grootste machtsvertoon wordt eerst genoemd, dat is Zijn macht over leven en dood (vers 88Hij trof de eerstgeborenen in Egypte,
van de mens af tot het vee toe.
)
. Voor de bevrijding van Zijn volk heeft Hij de macht van de vijand gebroken door “de eerstgeborenen in Egypte, van de mens af tot het vee toe” te treffen met de dood (Ex 11:55en alle eerstgeborenen in het land Egypte zullen sterven, van de eerstgeborene van de farao af, die op zijn troon zitten zou, tot de eerstgeborene van de slavin die achter de handmolen zit, en alle eerstgeborenen van het vee.; 12:2929En het gebeurde te middernacht dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte trof, vanaf de eerstgeborene van de farao, die op zijn troon zou zitten, tot aan de eerstgeborene van de gevangene, die zich in de gevangenis bevond, en alle eerstgeborenen van het vee.).

Hij heeft dit opperste machtsvertoon laten voorafgaan door “tekenen en wonderen in uw midden, Egypte” (vers 99Hij zond tekenen en wonderen
in uw midden, Egypte,
aan de farao en al zijn dienaren.
; Ps 105:27-3627Zij verrichtten onder hen de tekenen die Hij bevolen had,
en wonderen in het land van Cham.
28Hij zond duisternis en maakte het duister
– zij waren Zijn woord niet ongehoorzaam –
29Hij veranderde hun water in bloed
en doodde hun vissen.
30Hun land wemelde van kikkers,
[tot] in de kamers van hun koningen.
31Hij sprak, en er kwamen steekvliegen
[en] muggen in hun hele gebied.
32Hij maakte hun regen tot hagel,
[bracht] vlammend vuur in hun land.
33Hij trof hun wijnstok en hun vijgenboom,
Hij brak de bomen in hun gebied in stukken.
34Hij sprak, en er kwamen veldsprinkhanen,
treksprinkhanen, niet te tellen,
35die al het gewas in hun land opaten,
ja, zij aten de vrucht van hun akker op.
36Hij trof alle eerstgeborenen in hun land,
de eerste [vruchten] van al hun mannelijke kracht.
)
. De rechtvaardige richt zich midden in zijn betoog ineens tot Egypte, zozeer is hij onder de indruk van en betrokken bij wat God heeft gedaan. De farao en al zijn dienaren hebben in de tekenen en wonderen die in hun midden zijn gedaan de macht van God moeten erkennen.

Nadat Hij Zijn volk uit de slavernij van Egypte heeft bevrijd, heeft Hij hen niet aan henzelf over gelaten. Op hun reis door de woestijn “versloeg Hij vele volken en doodde Hij machtige koningen” (vers 1010Hij versloeg vele volken
en doodde machtige koningen:
; Dt 7:11Wanneer de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, en Hij vele volken van voor uw [ogen] verdreven heeft, de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zeven volken, die groter en machtiger zijn dan u,)
die hun de weg naar het beloofde land wilden versperren.

God doodde “Sihon, de koning van de Amorieten, en Og, de koning van Basan” en versloeg “al de koninkrijken van Kanaän” (vers 1111Sihon, de koning van de Amorieten,
en Og, de koning van Basan,
en al de koninkrijken van Kanaän.
; Nm 21:21-26,33-3521Toen stuurde Israël boden naar Sihon, de koning van de Amorieten, [met het verzoek]:22Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken door akkers of wijngaarden. Wij zullen het water uit de putten niet drinken. Wij zullen langs de koninklijke weg gaan, totdat wij uw gebied doorgetrokken zijn.23Sihon stond Israël echter niet toe door zijn gebied te trekken, maar Sihon verzamelde al zijn volk en trok uit, Israël tegemoet, naar de woestijn. Toen kwam hij in Jahza en bond de strijd aan met Israël.24Maar Israël sloeg hem met de scherpte van het zwaard en nam zijn land in bezit, van de Arnon tot de Jabbok, tot aan [het gebied] van de Ammonieten, want het gebied van de Ammonieten was versterkt.25Zo nam Israël al deze steden in, en Israël woonde in al de steden van de Amorieten, in Hesbon en in al de bijbehorende [plaatsen].26Want Hesbon was de [hoofd]stad van Sihon, de koning van de Amorieten. Hij had de strijd aangebonden met de vorige koning van Moab en had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.33Toen keerden zij zich om en vertrokken in de richting van Basan. En Og, de koning van Basan, trok uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd, in Edreï.34Maar de HEERE zei tegen Mozes: Wees niet bevreesd voor hem, want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land. U moet met hem doen zoals u gedaan hebt met Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon woonde.35En zij versloegen hem, zijn zonen, en al zijn volk, zodat van hem niemand overbleef. En zij namen zijn land in bezit.; Dt 2:30-3330Maar Sihon, de koning van Hesbon, wilde ons niet door [zijn land] laten trekken. De HEERE, uw God, verhardde namelijk zijn geest en verstokte zijn hart, om hem in uw hand te geven, zoals het op deze dag is.31En de HEERE zei tegen mij: Zie, Ik ben begonnen Sihon en zijn land aan u te geven. Begin zijn land [nu] daadwerkelijk in bezit te nemen.32En Sihon trok uit ten strijde, hij en heel zijn volk, ons tegemoet, naar Jahaz.33En de HEERE, onze God, gaf hem aan ons over, en wij versloegen hem, zijn zonen en heel zijn volk.; 3:1-61Daarna keerden wij om en trokken op in de richting van Basan. En Og, de koning van Basan, trok uit ten strijde, hij en heel zijn volk, ons tegemoet bij Edreï.2Toen zei de HEERE tegen mij: Wees niet bevreesd voor hem, want Ik heb hem, heel zijn volk en zijn land in uw hand gegeven; u moet met hem doen zoals u met Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon woonde, gedaan hebt.3En de HEERE, onze God, gaf ook Og, de koning van Basan, en heel zijn volk in onze hand, zodat wij hem versloegen, tot er niemand van hem was overgebleven.4Wij namen in die tijd al zijn steden in: zestig steden, heel het gebied Argob, het koninkrijk van Og in Basan. Er was geen stad die wij van hen niet innamen.5Al die steden waren versterkt met hoge muren, poorten en grendels. Daarnaast [namen wij] zeer veel steden zonder muur [in].6Wij sloegen ze met de ban, zoals wij gedaan hadden bij Sihon, de koning van Hesbon. Wij sloegen elke stad met de ban: mannen, vrouwen en kleine kinderen.)
. Sihon en Og worden bij name genoemd. Het verslaan van deze koningen wordt uitvoerig vermeld (Jz 12:1-61Dit zijn de koningen van het land, die de Israëlieten verslagen hebben en van wie zij hun land in bezit genomen hebben, aan de overzijde van de Jordaan, waar de zon opkomt, vanaf de beek Arnon tot de berg Hermon, en de hele Vlakte in het oosten:2Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon woonde. Hij heerste vanaf Aroër, dat aan de oever van de beek Arnon ligt, namelijk [vanaf] de midden[loop] van de beek, en de helft van Gilead, tot aan de beek Jabbok, [tot aan] het gebied van de Ammonieten,3en [over] de Vlakte tot aan de oostkant van de zee van Kinneroth, en tot aan de oostkant van de zee van de Vlakte, de Zoutzee, de weg naar Beth-Jesimoth, en zuidwaarts aan de voet van de hellingen van de Pisga.4Vervolgens het gebied van Og, de koning van Basan, die tot het overblijfsel van de Refaïeten behoorde en in Astharoth en Edreï woonde.5Hij heerste over de berg Hermon, en over Salcha, en over heel Basan, tot aan het gebied van de Gesurieten en Maächathieten, en [over] de helft van Gilead, [tot] het gebied van Sihon, de koning van Hesbon.6Mozes, de dienaar van de HEERE, en de Israëlieten versloegen hen, en Mozes, de dienaar van de HEERE, gaf dat [land] in bezit aan de Rubenieten en aan de Gadieten, en aan de halve stam Manasse.). Het zijn de eerste vijandige volken van wie God tegen Zijn volk zegt dat zij hun gebied moeten veroveren en in bezit moeten nemen. Van de rest van de koningen, ‘al de koninkrijken’, worden alleen de namen genoemd met aan het einde de vermelding “in totaal eenendertig koningen” (Jz 12:9-249De koning van Jericho, één; de koning van Ai, dat naast Beth-El ligt, één.10De koning van Jeruzalem, één; de koning van Hebron, één.11De koning van Jarmuth, één; de koning van Lachis, één.12De koning van Eglon, één; de koning van Gezer, één.13De koning van Debir, één; de koning van Geder, één.14De koning van Horma, één; de koning van Harad, één.15De koning van Libna, één; de koning van Adullam, één.16De koning van Makkeda, één; de koning van Beth-El, één.17De koning van Tappuah, één; de koning van Hefer, één.18De koning van Afek, één; de koning van Lassaron, één.19De koning van Madon, één; de koning van Hazor, één.20De koning van Simron-Meron, één; de koning van Achsaf, één.21De koning van Taänach, één; de koning van Megiddo, één.22De koning van Kedes, één; de koning van Jokneam, aan de Karmel, één.23De koning van Dor, tot Nafath-Dor, één; de koning van de heidenvolken in Gilgal, één.24De koning van Tirza, één. In totaal eenendertig koningen.)

Nadat God zo in macht en majesteit de weg voor Zijn volk heeft gebaand, heeft Hij het land van de vijandige volken “als erfelijk bezit, als erfelijk bezit aan Zijn volk Israël” gegeven (vers 1212Hun land gaf Hij als erfelijk bezit,
als erfelijk bezit aan Zijn volk Israël.
; Dt 4:3838om volken die groter en machtiger zijn dan u, van voor uw [ogen] uit hun bezit te verdrijven, om u in hun land te brengen [en] het u als erfelijk bezit te geven, zoals het op deze dag is.; Ps 111:66Hij heeft de kracht van Zijn werken bekendgemaakt aan Zijn volk /kaph/
door hun het erfelijk bezit van de heidenvolken te geven. /lamed/
)
. Het eerste erfelijk bezit is het bezit van het land van de twee in het vorige vers genoemde koningen (Dt 3:1212Dit land namen wij in die tijd in bezit. Vanaf Aroër, dat aan de beek Arnon ligt, gaf ik het, met de helft van het bergland van Gilead en zijn steden, aan de Rubenieten en de Gadieten.). Dat wordt aan de tweeënhalve stam gegeven. De rest van de stammen krijgen de verschillende koninkrijken in Kanaän als erfelijk bezit.


De Naam van de HEERE

13HEERE, Uw Naam bestaat voor eeuwig;
De gedachtenis aan U, HEERE, is van generatie op generatie.
14Want de HEERE zal Zijn volk recht verschaffen
en het zal Hem berouwen over Zijn dienaren.

De naam HEERE is de naam van God waarmee Hij Zich aan Zijn volk heeft bekendgemaakt en Zich aan hen heeft verbonden (vers 1313HEERE, Uw Naam bestaat voor eeuwig;
De gedachtenis aan U, HEERE, is van generatie op generatie.
)
. In die Naam heeft Hij Mozes gezonden om Zijn volk te bevrijden uit de slavernij en heeft Hij verklaard dat dit voor eeuwig Zijn Naam zou zijn “van generatie op generatie” (Ex 3:1515Toen zei God verder tegen Mozes: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: De HEERE, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, heeft mij naar u toe gezonden. Dit is voor eeuwig Mijn Naam, dit is Mijn [Naam ter] gedachtenis, van generatie op generatie.; 6:3,6-83Ook heb Ik Mijn verbond met hen gesloten om hun het land Kanaän te geven, het land van hun vreemdelingschap, waarin zij als vreemdeling verbleven.6Ik zal u tot Mijn volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn. Dan zult u weten dat Ik de HEERE, uw God, ben, Die u uitleidt vanonder de dwangarbeid van de Egyptenaren.7Ik zal u brengen in het land waarvoor Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak en Jakob geven zou. Ik zal het u in erfelijk bezit geven, Ik, de HEERE.8Zo sprak Mozes tot de Israëlieten, maar zij luisterden niet naar Mozes, door hun moedeloosheid en de harde slavenarbeid.). In die Naam heeft Hij “voor eeuwig” de zorg voor hen op Zich genomen.

Die Naam is de garantie dat Hij Zijn volk recht zal verschaffen, nadat het volkomen heeft gefaald (vers 1414Want de HEERE zal Zijn volk recht verschaffen
en het zal Hem berouwen over Zijn dienaren.
)
. Ze hebben Hem de rug toegekeerd en zijn de afgoden gaan dienen. Mozes beschrijft dat in zijn lied (Dt 32:36-3936       Want de HEERE zal Zijn volk recht verschaffen,
                        Hij zal berouw hebben over Zijn dienaren.
            Want Hij zal zien dat [hun] kracht is vergaan,
                        en dat het met de gebondene en de vrije gedaan is.
37       Dan zal Hij zeggen: Waar zijn [nu] hun goden,
                        de rots tot wie zij de toevlucht namen,
38       van wie zij het vet van de offers aten,
                        van wie zij de wijn van de plengoffers dronken?
            Laten zij opstaan en u helpen,
                        laat [daar] een schuilplaats voor u zijn.39       Zie nu [in] dat Ik, Ik Die ben,
                        er is geen God naast Mij.
            Ík dood en Ik maak levend,
                        Ik verwond en Ík genees
                                    en er is niemand die uit Mijn hand redt!
)
. Op grond daarvan zou de HEERE hen, door het verschaffen van recht, moeten verdelgen. Maar Mozes bezingt ook dat het de HEERE zal “berouwen over Zijn dienaren”, dat zijn zij in het volk die Hem trouw zijn gebleven, een overblijfsel. Hij zal aan hen Zijn verbond waarmaken.


De bespottelijkheid van de afgoden

15De afgoden van de heidenvolken zijn zilver en goud,
werk van mensenhanden.
16Zij hebben een mond, maar spreken niet;
zij hebben ogen, maar zien niet.
17Zij hebben oren, maar horen niet;
er is zelfs geen adem in hun mond.
18Laat wie ze maken hun gelijk worden,
al wie op hen vertrouwt.

In dit gedeelte wordt het oordeel over de afgoden voorgesteld (vgl. Ps 115:4-84Hun afgoden zijn zilver en goud,
het werk van mensenhanden:
5zij hebben een mond, maar spreken niet;
zij hebben ogen, maar zien niet;
6zij hebben oren, maar horen niet;
zij hebben een neus, maar ruiken niet;
7hun handen, die tasten niet;
hun voeten, die gaan niet;
er komt geen geluid uit hun keel.
8Laat wie ze maken hun gelijk worden,
al wie op hen vertrouwt.
)
. Dat moet het volk ervoor bewaren ook maar enige waarde aan die afgoden te hechten. Helaas hebben ze daar hun ogen voor gesloten en zijn deze afgoden ook de oorzaak van hun val geworden (vgl. Dt 32:37-3937       Dan zal Hij zeggen: Waar zijn [nu] hun goden,
                        de rots tot wie zij de toevlucht namen,
38       van wie zij het vet van de offers aten,
                        van wie zij de wijn van de plengoffers dronken?
            Laten zij opstaan en u helpen,
                        laat [daar] een schuilplaats voor u zijn.39       Zie nu [in] dat Ik, Ik Die ben,
                        er is geen God naast Mij.
            Ík dood en Ik maak levend,
                        Ik verwond en Ík genees
                                    en er is niemand die uit Mijn hand redt!
)
.

“De afgoden van de heidenvolken” blijken waardeloos te zijn in de verdediging van Kanaän. God rekent volledig met hen af en geeft het land aan Zijn volk. De hele wereld is van Hem en Hij bepaalt wie waar woont, waarbij Hij uitgaat van het gebied dat Hij voor Zijn eigen volk heeft gereserveerd (Dt 32:88         Toen de Allerhoogste aan de volken het erfelijk bezit uitdeelde,
                        toen Hij Adams kinderen van elkaar scheidde,
            heeft Hij het grondgebied van de volken vastgesteld
                        overeenkomstig het aantal Israëlieten.
)
.

De afgoden kunnen, omdat ze van “zilver en goud” zijn, er nog zo glanzend en waardevol uitzien, het is niet meer dan “werk van mensenhanden” (vers 1515De afgoden van de heidenvolken zijn zilver en goud,
werk van mensenhanden.
)
. Het is de dwaasheid ten top om te vertrouwen op iets van eigen makelij waarvoor het materiaal genomen is uit een vergankelijke schepping.

De beschrijving van de afgoden is vol sarcasme. Moet je die beelden zien: “Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet” (vers 1616Zij hebben een mond, maar spreken niet;
zij hebben ogen, maar zien niet.
).
Je kunt aan hen vragen wat je wilt, maar je zult geen antwoord krijgen, want ze spreken niet. Je kunt je voor hen neerbuigen en om hun aandacht vragen, maar ze zien je niet, want ze kunnen niet zien.

Er zijn ook oren aan hun kop gemaakt (vers 1717Zij hebben oren, maar horen niet;
er is zelfs geen adem in hun mond.
)
. Je denkt misschien dat ze je horen als je hard roept. Maar ze horen niet, want ze van dode materie gemaakt. Zie je dan niet dat er “zelfs geen adem in hun mond” is? Ademen betekent dat er leven is, maar ze zijn totaal levenloos.

Deze stomme, blinde, dove, levenloze menselijke producten zijn niet anders dan een weergave van het dode denken van hun makers. Daarom zullen de makers ervan aan hen gelijk worden. “Al wie op hen vertrouwt”, iedereen die ook maar iets van deze stomme afgoden verwacht, zal net zo stom, blind, doof en levenloos worden als zij (vers 1818Laat wie ze maken hun gelijk worden,
al wie op hen vertrouwt.
)
.


Oproep om de HEERE te loven

19Huis van Israël, loof de HEERE;
huis van Aäron, loof de HEERE.
20Huis van Levi, loof de HEERE;
u die de HEERE vreest, loof de HEERE.
21Geloofd zij de HEERE vanuit Sion,
Hij Die in Jeruzalem woont.
Halleluja!

De psalm eindigt met een viervoudige oproep om de HEERE te loven (verzen 19-2019Huis van Israël, loof de HEERE;
huis van Aäron, loof de HEERE.
20Huis van Levi, loof de HEERE;
u die de HEERE vreest, loof de HEERE.
)
. De oproep is gericht aan het hele “huis van Israël”, het “huis van Aäron” (vers 1919Huis van Israël, loof de HEERE;
huis van Aäron, loof de HEERE.
)
, het “huis van Levi” en ieder “die de HEERE vreest” (vers 2020Huis van Levi, loof de HEERE;
u die de HEERE vreest, loof de HEERE.
)
. Deze oproep komt overeen met eerdere oproepen (Ps 115:9-119Israël, vertrouw op de HEERE,
Hij is hun hulp en hun schild.
10Huis van Aäron, vertrouw op de HEERE,
Hij is hun hulp en hun schild.
11U die de HEERE vreest, vertrouw op de HEERE,
Hij is hun hulp en hun schild.
; 118:2-42Laat Israël toch zeggen:
Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
3Laat het huis van Aäron toch zeggen:
Ja, Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
4Laten wie de HEERE vrezen, toch zeggen:
Ja, Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
, waaraan hier nog het “huis van Levi” wordt toegevoegd.

Dit loven van de HEERE gebeurt “vanuit Sion”, want dat is het centrum van aanbidding (vers 2121Geloofd zij de HEERE vanuit Sion,
Hij Die in Jeruzalem woont.
Halleluja!
)
. Daar zijn de groepen die in de vorige verzen worden genoemd. Zij loven nu de HEERE vanuit Zijn tegenwoordigheid. De HEERE is daar. Hij woont “in Jeruzalem”, in Zijn tempel.

De rechtvaardige eindigt de psalm zoals hij die is begonnen (vers 11Halleluja!
Loof de Naam van de HEERE,
loof [Hem], dienaren van de HEERE,
)
, met een jubelend “halleluja”. Daarmee zegt hij dat de psalm van begin tot eind een lofpsalm is.


Lees verder