Psalmen
1-3 Aansporing om God te loven
Aansporing om God te loven

1Een pelgrimslied.
Kom, loof de HEERE,
alle dienaren van de HEERE,
u die nacht aan nacht in het huis van de HEERE staat.
2Hef uw handen op [naar] het heiligdom
en loof de HEERE.
3De HEERE zegene u uit Sion,
Hij Die hemel en aarde gemaakt heeft.

Psalm 134 is het vijftiende en laatste “pelgrimslied” (vers 11Een pelgrimslied.
Kom, loof de HEERE,
alle dienaren van de HEERE,
u die nacht aan nacht in het huis van de HEERE staat.
)
van de serie van vijftien die met Psalm 120 is begonnen. In Psalm 120 zitten de pelgrims in een vreemd land, in Mesech en Kedar (Ps 120:55Wee mij, dat ik als vreemdeling in Mesech verblijf,
dat ik woon in de tenten van Kedar.
)
, en moet de pelgrimsreis nog beginnen. Hier zijn ze aangekomen in Jeruzalem en roepen “alle dienaren van de HEERE”, de priesters en Levieten, op om de HEERE te loven. Zij staan “nacht aan nacht in het huis van de HEERE” (vgl. 1Kr 9:3333Dit waren ook de zangers, familiehoofden onder de Levieten, vrijgesteld van dienst in de [voorraad]kamers; [de verantwoordelijkheid] voor [hun eigen] werk rustte immers dag en nacht op hen.; Op 7:14-1514En ik zei tegen hem: Mijn heer, u weet het. En hij zei tegen mij: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen en ze wit gemaakt in het bloed van het Lam.15Daarom zijn zij vóór de troon van God en zij dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Hij Die op de troon zit zal Zijn tent over hen uitbreiden.).

Het is in de nieuwtestamentische gemeente het voorrecht van iedere broeder als mond van het geheel God te loven (1Ko 14:2626Hoe is het dan, broeders? Wanneer u samenkomt, heeft ieder een psalm, heeft een leer, heeft een openbaring, heeft een taal, heeft een uitlegging; laat alles gebeuren tot opbouwing.). Daartoe worden ze allemaal opgeroepen. Het is een groot voorrecht om in de gemeente, het huis van God, God als een priestervolk te prijzen (1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.).

De dienaren van de HEERE moeten hun handen opheffen naar het heiligdom (vers 22Hef uw handen op [naar] het heiligdom
en loof de HEERE.
)
. Het opheffen van de handen is een gebedshouding (Ps 28:22Hoor mijn luide smeekbeden,
wanneer ik tot U roep,
wanneer ik mijn handen ophef
naar Uw binnenste heiligdom.
; Kl 3:4141Laten wij met [onze] handen [ook] ons hart opheffen, /nun/
tot God in de hemel!
)
; hier is het een uiting van aanbidding (vgl. Ne 8:77En Ezra loofde de HEERE, de grote God, en heel het volk antwoordde, onder het opheffen van hun handen: Amen, amen! Zij knielden en bogen zich neer voor de HEERE met het gezicht ter aarde.; Ps 63:55Zo zal ik U loven in mijn leven,
in Uw Naam zal ik mijn handen opheffen.
)
. In het opheffen van de handen wordt als het ware het offer opgeheven naar het heiligdom, de woonplaats van God, dat wil zeggen naar God Zelf.

De zegen die het volk wordt toegewenst, komt dit keer niet uit de hemel, maar uit Sion, want daar staat de ark, het type van Christus (vers 33De HEERE zegene u uit Sion,
Hij Die hemel en aarde gemaakt heeft.
)
. De zegen gaat overal heen waar Gods volk zich ook maar bevindt, en beslaat alle aspecten van zijn leven, want de zegen komt van Hem “Die de hemel en de aarde gemaakt heeft”. Hij is de Heerser van het heelal Die aan allen denkt.


Lees verder