Psalmen
1-3 Kinderlijk vertrouwen
Kinderlijk vertrouwen

1Een pelgrimslied, van David.
HEERE, mijn hart is niet hoogmoedig,
mijn ogen zijn niet trots,
ook wandel ik niet in [dingen]
die te groot en te wonderlijk voor mij zijn.
2Voorwaar, ik heb mijn ziel tot rust
en tot stilte gebracht,
als een kind dat de borst ontwend is, bij zijn moeder,
mijn ziel is in mij als een kind dat de borst ontwend is.
3Israël, hoop op de HEERE,
van nu aan tot in eeuwigheid.

Dit is het twaalfde “pelgrimslied” (vers 1a1Een pelgrimslied, van David.
HEERE, mijn hart is niet hoogmoedig,
mijn ogen zijn niet trots,
ook wandel ik niet in [dingen]
die te groot en te wonderlijk voor mij zijn.
)
. Van dit lied wordt weer de naam van de dichter ervan vermeldt. Het is een lied “van David”. Deze psalm sluit aan op de vorige. Het hart van de psalmist is tot rust gekomen in zijn verhouding tot de HEERE. David is in de tegenwoordigheid van de HEERE en spreekt met Hem over zijn hart, zijn ogen en zijn ziel. Hij zegt tegen Hem: “Mijn hart is niet hoogmoedig” (vers 1b1Een pelgrimslied, van David.
HEERE, mijn hart is niet hoogmoedig,
mijn ogen zijn niet trots,
ook wandel ik niet in [dingen]
die te groot en te wonderlijk voor mij zijn.
)
. Dit kan iemand alleen zeggen als hij weet dat zijn ongerechtigheden vergeven zijn en als gevolg daarvan de HEERE vreest (Ps 130:44Maar bij U is vergeving,
opdat U gevreesd wordt.
)
.

Wie in het diepe besef daarvan bij God is, “is niet hoogmoedig”. Het is niet hoogmoedig om dat te zeggen, maar getuigt juist van gebrokenheid. Hij kan ook zeggen: “Mijn ogen zijn niet trots.” Het is onmogelijk om God in de ogen te kijken met trotse ogen. Wie trotse ogen heeft, kan niet bij God zijn. Wie bij God is, heeft geen trotse ogen en kan dat ook oprecht zeggen. Eliab, de oudste broer van David, beschuldigt David ervan dat hij overmoed en slechtheid in zijn hart heeft (1Sm 17:28-2928Toen Eliab, zijn oudste broer, hem tot die mannen hoorde spreken, ontstak Eliab in woede tegen David en zei: Waarom ben je eigenlijk gekomen en onder wiens [hoede] heb je die paar schapen in de woestijn gelaten? Ik ken je overmoed en de slechtheid van je hart wel, want je bent gekomen om het vechten te zien.29Toen zei David: Wat heb ik dan gedaan? Is er geen reden voor?). Hij beoordeelt David volledig verkeerd omdat hij zelf niet in de tegenwoordigheid van God leeft (vgl. 1Ko 2:14-1514Maar [de] natuurlijke mens neemt niet aan wat van de Geest <van God> is, want het is hem dwaasheid, en hij kan het niet begrijpen, omdat het geestelijk beoordeeld wordt.15Maar wie geestelijk is, beoordeelt alle dingen, maar hijzelf wordt door niemand beoordeeld.).

Davids wandel is in overeenstemming met zijn nederige gezindheid. Daarvan kan hij tegen de HEERE zeggen: “Ook wandel ik niet in [dingen] die te groot en te wonderlijk voor mij zijn.” Elke grootdoenerij is hem vreemd. Wat heeft iemand die in Gods tegenwoordigheid is om zich op te beroemen? Hij erkent dat er dingen zijn die groter en wonderlijker zijn dan hij kan bevatten en die alleen God kent. Hij is tot koning gezalfd, maar gaat zijn weg als een opgejaagde fazant op de bergen omdat hij niet op Gods tijd vooruit wil lopen.

Deze gezindheid en houding hebben zijn “ziel tot rust en tot stilte gebracht” (vers 22Voorwaar, ik heb mijn ziel tot rust
en tot stilte gebracht,
als een kind dat de borst ontwend is, bij zijn moeder,
mijn ziel is in mij als een kind dat de borst ontwend is.
)
. Hij voelt zich als een kind dat bij zijn moeder heeft gedronken en verzadigd is, zodat het de borst niet meer nodig heeft en nu voldaan bij haar tot rust komt. Het is het beeld van diepe rust, totale tevredenheid en volledige voldoening.

Wat geeft het een rust, als we niet meer bezig hoeven te zijn met onszelf, met onze behoeften of met onze drang om te presteren, maar weten dat God alles overziet en in alles voorziet. Dan komen we tot rust bij Hem, we rusten in Hem en in Zijn trouw. Als we alle vraagstukken van het leven aan Hem kunnen overlaten, raken we de spanningen kwijt en gaan we met de vrede van God in het hart onze weg op aarde (vgl. Fp 4:6-76Weest in niets bezorgd, maar laat in alles, door gebed en smeking met dankzegging, uw verlangens bekend worden bij God.7En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus.).

Als David zo tot rust is gekomen bij God, spoort hij Israël aan tot “hoop op de HEERE van nu aan tot in eeuwigheid” (vers 33Israël, hoop op de HEERE,
van nu aan tot in eeuwigheid.
)
. Als die hoop levend is, is er rust in de ziel, omdat hij weet dat alles in de hand van God is en dat Hij Zijn plannen zal verwezenlijken. In de laatste drie pelgrimsliederen (Ps 132-134) straalt die rust door. Van vijanden is geen sprake meer en ook niet van zielennood.


Lees verder